Eigen crematie geregeld
Geplaatst op: 14 december 2016 Hoort bij: autobio 7 reactiesIk droomde dat ik de datum van mijn eigen crematie regelde. Toen de tijd naderde begon ik steeds meer in de piepzak te zitten. De aula liep al aardig vol, zelfs mijn ouders waren gekomen! Met mijn vader maakte ik nog een wandelingetje langs de Dorpsstraat. Toen durfde ik eindelijk pas te zeggen dat ik het nog maar even uitstelde omdat het leven bij tijd en wijlen toch ook wel behoorlijk meeviel of zelfs mooi was. Terug in de inmiddels volle aula reageerde iedereen opgelucht. Men maakte er nog een genoeglijk samenzijn van. De rekening van de uitvaartonderneming beschouwde ik als iets van later zorg.
“Kan iemand hem aanschouwen en niet denken aan Judas Iscarioth?”
Geplaatst op: 13 december 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Albert Joan de Sitter (1748-1814), drost van het Oldambt tussen 1783 en 1788, invloedrijk parlementariër tijdens de Bataafse Republiek, en van 1800 tot 1810 opnieuw drost van het Oldambt, was als volksvertegenwoordiger niet bepaald geliefd bij radicaal-democratische patriotten. Destijds was de politiek al even gepolariseerd als nu en qua schelden deed men heus niet onder voor wat we nu op sociale media mogen lezen. Zo maakten een radicaal pamflet De Sitter na het indienen van een ontwerp-grondwet in 1797 uit voor:
“Een monster in de natuur, gezwooren vijand van de Conventie, waarin hij nu wederom – schaamt U eeuwig, gij Kiezers – den boventoon zingt. Kan ijmand hem aanschouwen en niet tegelijk denken aan Judas Iscarioth? De laatste egter was beeter, zo naardien hij zig verhing. En deez durfd nog blijven leeven! Wie veragt geen man die nog kosten nog moeijten ontziet om uw, Lieve en braave Landgenooten, met de haatelijkste Couleuren af te maalen bij een Volk welk hij tragt te misleijden en met zijn Compagnon[s] Bicker en Van Marle ijvert bij nagt en dag tot verwoesting van Nederlands kwijnend heijl. Laten wij verder zwijgen van een Kaerel die uijt de Hel schijnd opgedonderd, om alle staatkundige listen en boosheeden, welke men immer kan bedrijven, te begaan en daarom overwaardig is om naar diezelfde gezegde verblijfplaats hoe eer zoo beeter verweezen te worden.”
Bron: Korte Caracterschets der Mannen welken het ingeleeverd Plan van Constitutie voor de Bataafsche Republiecq, tot een grondslag der deliberatie van de Nationale Vergadering, representeerende het Volk van Nederland hebben aangenomen (januari 1797), zoals geciteerd in De Navorscher, Nieuwe Serie XV (1882) 257-267.
De dijken “alle sligt weg effen grond” – Finsterwolde en de Kerstvloed van 1717
Geplaatst op: 12 december 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Collectie RHC Groninger Archieven 2376-38.
Ed[e]l Hoogw[elgeboren] Heer R. ten Winkel, Drost der Oldambten,
Het carspel Finserwold berigt UEd[ele] Hoogw[elgeborene] in schuldige onderdanigheid de ellendige en droevige staat door de sware storm den 25. decemb[er] ons over gekomen, waardoor verscheiden huisen weggespoelt en de rest doorgaans van muuren en omslag ontbloot, de goederen weggespoeld, ses menschen verdronken met verscheide vee, so en in dier voegen dat de meeste kleine huisen niet konnen bewoont worden en alles in een desolate staat gesteld is.
Angaande de dijken berigten [wij] UEd Hoogw. dat van de Heerendijk af (waar vanwegens een grote kolk in ’t Loijrak, ter plaatze daar de kolk 1686 is geweest, geen seker berigt weten) tot an de Bellingwolderzijl hier en daar een entje van een kap, na dat wij van verre konnen zien.
Van Bellingwolderzijl tot an de plaatze van de H[ee]r Borgem[eeste]r Julsinga zal[iger] ged[achtenis] is behalven de genoemde kolk de kap ten eenemaal weg, zijnde bij elke zijl nog een diep gat of kleine kolk ingelopen gelijk doorgaans in dit geheele pand verscheidene binnengaten gespoeld zijn. Van de H[ee]r Borgem[eeste]r Zal[iger] ged[achtenis] plaatze tot an de pastorie overal doorgaande gaten met nog hier en daar een entje of bultje van een kap. De pastoriedijken en de rest tot an het loeg alle sligt weg effen grond. De Muusdijken tot an de scheiding van Finserw[olde] alle doorgaans weg.
So dat genoemde carspel in zulken desolaten staat is gesteld dat het voor de ingesetenen desselfs onmogelik is de schade te herstellen. Hebben UEd[ele] Hoogw[elgeborene] volgens gewone pligt dit berigt laten toekomen [met het verzoek] of mogelik eenig middel konde uitgevonden worden waardoor de ellendige ingesetene geholpen en getroost mogten worden,
Finserwolde den 29. decemb[er] 1717,
Berent Hindricks als Dicrechter
Hindrick Dercks als Dicrechter
Commentaar. De Kerstvloed van 1717 maakte qua Groningerland vooral slachtoffers langs de kust tussen Zoutkamp en Uithuizermeeden, maar dat betekende niet dat men er elders geen last van had. Zo vielen er acht doden in Finsterwolde. In het bovenstaande bericht van vier dagen later hebben de lokale dijkrechters weet van zes slachtoffers – twee zijn dus nog niet gevonden.
In Finsterwolde spoelden verscheidene huizen in hun geheel weg, van de rest waren de muren ingestort en stond alleen het gebintenstel nog overeind met eventeel een zolder die nog wat beschutting kon bieden. Dat was alleen bij de grotere huizen, de boerderijen het geval. De meeste kleine huizen waren onbewoonbaar. En Finsterwolde was destijds vooral een dorp van kleine huizen, deels bewoond door vissers die hier direct aan de kust visten op bot en garnaal.
Vooral de desolate toestand van het dorp maakt indruk. De dijkrechters besteedden echter twee maal zoveeel ruimte in hun verslag aan de staat van de dijken. Dat was hun taak, daarvoor waren ze aangesteld, en die dijken moesten uiteraard ook zo snel mogelijk weer in orde worden gebracht.
—
Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 1605 (rood na de Reductie, archief stadsbestuur van Groningen 1594-1816) inv.nr. 335 (ingekomen missives) bundel 1717.
NB: De Groninger Archieven beginnen een publieksparticipatieproject in de vorm van een website waarop zoveel mogelijk transcripties van ooggetuigeveslagen en andere bronnen over deze ramp komen te staan. Voor meer informatie, ook in het algemeen over de watersnoodramp van 1717 zie deze pagina.
Slijterij poneert stellingen over de vrijheid
Geplaatst op: 11 december 2016 Hoort bij: Stad nu 9 reactiesBij een slijterij aan het Jozef Israëlsplein ontwaar ik een oud en sympathiek beeldmerk:

Tijdens het kieken merk ik op dat er wat geschreven staat op borden aan de muur, maar dan niet, zoals gewoonlijk, de prijzen van de laatste aanbiedingen:

Het blijken stellingen over de vrijheid, waar de passant even over na mag denken:

Bij de deur een doordenker of sofisme:

Het blijkt dat de slijterij onlangs honderd jaar bestond. Vermoedelijk zijn de stellingen van een der nieuwe uitbaters, althans, als ze die niet samen verzinnen of een derde zijn gang laten gaan. In het gelinkte krantenstukje staat dat Marten Toonder indertijd het logo tekende voor twaalf flessen jenever.
Appeltjes voor de vogeldorst
Geplaatst op: 9 december 2016 Hoort bij: Hoogkerk Een reactie plaatsen
Bij de Johan van Zwedenlaan zit er nog een welgeladen appelboom tussen het kale struweel dat een vloeiveld van de voormalige suikerfabriek flankeert. Sommige zijn duidelijk van bovenaf aangepikt. Andere hangen er nog gaaf.
Boerenzoon loopt weg uit kosthuis
Geplaatst op: 9 december 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenJe zou misschien denken dat boerenzoons traditioneel gewoon thuis op de ouderlijke boerderij bleven wonen, tot ze deze als volwassen kerels konden overnemen, maar dat was (lang) niet altijd zo. Tenminste, ik kwam al een paar keer tegen dat zo’n boerenzoon op een andere boerderij in de omgeving ging wonen, om daar dan in het bedrijf mee te werken en zodoende te kijken hoe het beroep ook uitgeoefend kon worden. Dit lijkt in het Oldambt zelfs een vrij gangbare praktijk te zijn geweest, waarbij de ouders of voogden, net zoals dat bij kinderen uit arbeidersmilieus het geval was, konden bepalen waar zo’n jongen precies terechtkwam.
Een geval waarbij dit misliep, deed zich in 1792 voor in (Nieuw-)Beerta. De weduwe van Jacob Hindriks, Meentje Roelfs, bezat destijds een heerd met 63 deimt (28 ha.) land op de Beersterhoven, waarop ze gerst, haver, bonen, rogge en weite verbouwde. Uit haar eerste huwelijk met Hindrik Jans had ze een zoon Hindrik, die een jaar eerder, op zijn achttiende, door zijn voogden in de kost was besteed bij Tammo Jurjens Brouwer in Nieuw-Beerta. Maar tot drie maal toe liep de jongen er weg en hij kwam dan terug bij zijn moeder, “klagende aldaar niet te kunnen wezen”.
Sowieso was de jongen al van een “trist temperament”, aldus Meentje, die van oordeel was, “dat verdriet en ongenoegen zeer nadelig is voor de gezondheid van haar zoon”. Weliswaar deed ze wat van haar verwacht werd en spoorde ze haar zoon “van tijd tot tijd” aan zich weer naar zijn kosthuis te begeven. Maar dan bleek telkens weer “dat hij daartegens zodanig is ingenomen” dat ze het inderdaad beter vond
“hem elders in de kost te besteeden, waar hij met genoegen zoude kunnen wezen, temeer daar zijne middelen overvloedig toereikende zijn en het niet ontbreekt aan eene gelegenheid om hem elders in de kost te besteeden waar hij met genoegen zoude kunnen verkeeren en zoo goed, zo niet beeter ovectie (= affectie?) hebben en het boerebedrijf, waartoe zijn inclinatie zich bepaald, te leeren…”
Twee van de voogden, de voormond en de sibbevoogd, waren daar echter tegen. Zij bleven er “sterk op aanhouden” dat Meentjes zoon terug zou gaan naar Tammo Jurjens Brouwer, en ze hadden zelfs geprobeerd hem op gezag van de Oldambtster drost daarheen te laten brengen. Daarom vond Meentje zich “uit hoofde voor haare betrekking als moeder en haare zucht voor ’t welzijn van haar zoon” genoodzaakt, zelf met de drost te gaan praten, temeer daar van het beleid van de beide eerste voogden ook niet naar de smaak was van de derde of vreemde voogd. Wat Meentje graag van de drost wilde, was het uitschrijven van een beraad met alle partijen.
Die zitting vond plaats op 19 juni 1792. In zijn daarin tot stand gekomen beschikking keurde de drost het gedrag van Meentjes zoon uitdrukkelijk af. Zoals het was gegaan hoorde het niet te gaan – de jongen had moeten luisteren naar zijn voogden. Maar die toonden zich inschikkelijk en daarom stond de drost toe, dat Meentjes zoon “op zijn begeerte” in de kost zou worden besteed bij Jan Edes in de Beerta. Dit gebeurde echter wel “met ernstige recommandatie” van de drost, “om zich niet ontijdig weder vandaar te begeeven” zonder medeweten van zijn voogden, want dan zou er wat zwaaien.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6136 (rekesten met kantbeschikkingen).
Ommetje Sandebuur
Geplaatst op: 6 december 2016 Hoort bij: Onlanden Een reactie plaatsenIngevroren bellen methaan uit het veen onder een sloot aan de Hamersweg, Peizermade:

Onlanden, samenscholende eenden op ijsvlakte. Op de achtergrond Nieuw-Eelderwolde:

Uitgebloeide wederik met verijsde rijp:

Terwijl het Peizerdiep bij de stuw dichtgevroren was, lag er in deze Onlander slenk nog open water:

Bij een van de bruggen in de Hooiweg zaten vogelaars te koekeloeren naar een winterse roerdomp:

Ganzenvlucht boven Roderwolde:

Bij Sandebuur:

Achtererf in Sandebuur:

Leegkerk in de kou
Geplaatst op: 5 december 2016 Hoort bij: Hoogkerk 6 reactiesBoer aan het werk, met op de achtergrond de suikerfabriek:

Aalscholver bij de Tichelwerkbrug:

Wilg, waarop al zwam zat, blijkt dikke tak te zijn kwijtgeraakt:

Dampende suikerfabriek:

Rondje Peize, Eelde Hoornsedijk
Geplaatst op: 4 december 2016 Hoort bij: Drenthe, Onlanden 1 reactieOnlanden – de hoogzit van Natuurmonumenten:

Koeien bij Peize gebiologeerd door iets onbekends:

Eelderdiep bij de Peizerhorst:

Samenscholing van eenden:

Dampende paarden bij de boerderij van Natuurmonumenten onder Eelde:

Hoornsedijk, het stukje van Hemmerwolde:

Reiger onderaan de diepswal van het Hoornsediep heeft al niet meer de fut om op te vliegen:

Helpermolen, Paterswoldsemeer:

Sinterklaas, ’t Tomado rek en de Encyclopedie
Geplaatst op: 4 december 2016 Hoort bij: Familie 13 reacties
Eind jaren 60, mijn jongste broer zit op schoot bij Sinterklaas. Vol verwachting klopt zijn hart bij het zien van het cadeau dat de Zwarte Piet buiten beeld in zijn handen houdt.
Met de foto is iets merkwaardigs aan de hand. Doordat de film niet ver genoeg in de camera is getransporteerd, overlapte de foto de voorgaande. Daarop staat mijn op één na jongste broer, breed lachend met een cadeau in zijn handen. Blijkbaar was hij even eerder aan de beurt. Sint en Piet werkten de gebroeders Perton dus op de rij af, waarbij de jongste het meest geduld moest hebben.
Wat mij betreft is de achtergrond van de foto even interessant als de voorgrond. Links zijn de tuindeuren die er toen nog waren, aan het gezicht onttrokken door een gordijn. Midden achter hangt een Tomado boekenrekje met een tijdschriftenvak en een bureautje eronder. Qua boeken staan er vooral damesromans in, zoals een Scandinavische trilogie die begon met Eeuwig zingen de bossen. Verder o.a. Exodus van Leon Uris en werken van G.B.J. Hiltermann (over de Toestand in de Wereld) en dr. L. van Egeraat (reizen in Nederland). Dan nog wat boeken specifiek van mijn vader, met titels van schrijvers als Jan de Hartog (Hollands Glorie), Klaas Norel (Engelandvaarders) en Theun de Vries (omnibus). Maar die las hij nooit. Hij las voor zijn genoegen enkel de krant. Mijn moeder las veel meer, maar vooral tijdschriften. Ze was vijftig jaar geabonneerd op de Margriet en ontving daarvoor een zilveren margrietenspeldje.
Op de plank boven het tijdschriftenvak staat de kleine helft van de grote Winkler Prins encyclopedie. Maandelijks betaalden mijn ouders een vast bedrag, op gezette tijden kwam er een WP-deel bij. Die delen roken erg lekker, vooral in het begin. Toen we vorig jaar het appartement van onze moeder ontruimden, wilde geen van ons vieren die encyclopedie. Ik ook niet, ik had er al twee en kijk die zelden nog in. De encyclopedie ging daarom naar een tweedehandsboekenmarkt voor een liefdadig doel. Hopelijk heeft ze een goede bestemming gevonden.
De foto kwam onlangs weer tevoorschijn bij de voorbereidingen op mijn jongste broer zijn huwelijk.
Rondje Oostwold
Geplaatst op: 3 december 2016 Hoort bij: Onlanden, Westerkwartier 3 reactiesOnlander Dijk – riet, riet en nog eens riet, maar een vogel zie je niet:

Wel een dwergmuis in de top van zo’n stengel gezien, maar het beestje klom zo rap naar beneden dat ik mijn camera niet op tijd paraat kreeg:

Het voormalige Stobbenven achter Roderwolde leek onder water te staan, maar dat was optisch bedrog:

Het effect van wat dichterbij:

Oostwold, graffiti op schuur:

Kerkewegsbrug over het Hoendiep:

Els langs de weg:

Boerderij en loze hoogspanningsmast bij Den Horn:

Seksbom of Nobelprijswinnaar
Geplaatst op: 3 december 2016 Hoort bij: De actuele wereld 4 reacties
In den beginne is er het beeld en kiezen wij mannen met ons aligatorbrein votdalijk voor de vermeende stoeipoes, temeer daar de geniale zorgverlener ter rechter zijde een eng apparaat voor zijn kin houdt en u aankijkt alsof u het meest geschikte proefkonijn bent dat hij in jaren heeft gezien.
Maar de vermeende stoeipoes, denk je dan, kan best een veel mooier diploma aan de muur hebben hangen dan die creepnerd. Niet hij maar zij kan cum laude afgestudeerd zijn, gepromoveerd bij een befaamde onderzoeksgroep aan een prestigieuze Top-10 Universiteit in Amerika, waarna ze binnen de kortste keren te onzent een schier onaantastbare autoriteit op haar vakgebied is geworden. Het beeld is maar een beeld, besef je. Het is de context die maakt of het beeld er toe doet. Het zijn vooral ook woorden die het beeld zijn zin geven.
Maar ja, dan zie je dat filmpje. Voor een gedoodverfd Nobelprijswinnaar doet de stoeipoes wel erg uitnodigend en willig. De kans op dat diploma krimpt nogal in je aligatorale voorstellingsvermogen.
Dergelijke reclame borduurt net als pulp en porno voort op cliché’s en is daarmee een karikatuur van de werkelijkheid. Dat weet iedereen die een beetje bij zinnen is. Rest dan de vraag: moet je je daar nou zo vreselijk druk over maken? Met het verbieden van karikaturen, wordt een samenleving er meestal niet gezelliger op. Bovendien komt er geen einde aan.
Rondtrekkende tandmeester doet ’t Oldambt aan
Geplaatst op: 30 november 2016 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
James Gillray – Het verlichten van de kiespijn (1796). Collectie British Museum.
Terwijl het Groninger stadsbestuur met een zekere regelmaat verzoekschriften behandelde van kunstenmakers, kermisartiesten en ambulante medische dienstverleners, ontbreekt deze groep bijna geheel in de rekesten aan de Oldambtster drost. Dat soort vertier of zorg moest elders worden gezocht, zo is de conclusie. Het Oldambt kende in de achttiende eeuw, voor zover ik weet, ook geen kermissen en jaarmarkten waar zulke rondtrekkende professionals emplooi konden vinden. Daarvoor moest een Oldambtster ingezetene naar de stad, naar Wedde of Zuidlaren.
Een uitzondering als F.J.M. Heitman bevestigt de regel. In oktober 1784 diende hij zich aan bij de drost. Hij vertelde wervend dat hij zijn
“kunst in tanden en kiesen te trekken op veele plaatsen met bijzonder goede uitwerking heeft geoeffent”
en dat hij nu van zins was, dat in het Oldambt te doen. Zonder toestemming van de drost mocht dat niet, vandaar Heitmans met pluimstrijkerijen opgesierde verzoek om hem “voor eenigen tijdt” vergunning te verlenen voor het beoefenen van zijn ‘kunst’ .
Heitman kreeg die vergunning voor vier weken. In een maand tijd konden blijkbaar alle urgente Oldambtster gebitsproblemen wel worden opgelost, in de ogen van de drost.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (Gerechten Oldambt) inv.nr. 6130.
Voetangels op Veenhuizen
Geplaatst op: 29 november 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Het buitenhuis Veenhuizen bij Noordbroek, gesloopt in 1853.
Soms stond er een kopstuk in de gehoorkamer van de Oldambtster drost. Zoals op 21 juni 1791 Campegius Hermannus Gockinga, dan nog stadssecretaris, maar een dozijn jaren later deel uitmakend van het landsbestuur. Hij bewoonde Veenhuizen, een uitgestrekte en fraaie buitenplaats met veenborgje, Engelse tuinen, loofbossen, bergjes en heremiethut even ten westen van Noordbroek aan het diep naar Sappemeer.
Gockinga vertelde de drost dat dit buitengoed
“voor eenige jaaren door sijne voorsaat met eene wijke ofte graft van plus minus 18 tot 20 voeten is omringd, opdat daardoor en het geduirig geloop in de bosschen en wel inzonderheid de menigvuldige dieverijen van hout of anders werde voorgekomen, dan dat de remonstrant (dus Gockinga, HP) echter ondervind dat deze precautiën niet geheel en al toerieken bevonden worden, en alzoo genoodzaakt is tot conservatie van jong plansoen, en ’t welk van tijdt tot tijdt staadt te vermederen, en de middelen te adhibeeren en waartoe geene betere kan vinden dan het leggen van voetangels en klemmen…”
Dat leggen van voetangels en klemmen wilde Gockinga niet niet doen zonder voorkennis en toestemming van het gerecht, vandaar zijn verzoekschrift, waarbij hij alvast deze toezegging deed:
“zullende op de avenuën der plaatze behoorlijke aanslaagen plaatzen ten einde een ieder zich voor alle ongelukken en schade kan wagten.”
Maar die waarschuwingsbordjes of -biljetten langs de wegen naar Veenhuizen vond de drost niet genoeg. Gockinga kreeg toestemming voor zijn plan, maar onder voorwaarde dat dit vooraf “door kerkenkondiging in het carspel Noordbroek” bekend werd gemaakt.
De streek rond Veenhuizen was niet erg dichtbevolkt, wat er woonde waren voornamelijk pachters van de heer Gockinga. Die stalen vast geen hout uit diens bossen. De dag dat Gockinga zijn rekest inleverde, 21 juni, de langste dag van het jaar, markeerde echter het eind van de baggel- of turfgraafcampagne. Zelfs in de negentiende eeuw lag er nog veel (laag)veen en heide ten zuidwesten en zuiden van Veenhuizen, naast nogal wat afgegraven gronden en petgaten waarin water stond. Ik denk dat we daar de daders moeten zoeken, in de baggelaars of turfgravers die er in het voorjaar in de campagne werkten. Of ze de kerk van Noordbroek wel eens van binnen zagen, weet ik niet, maar ze zullen vast hebben gehoord van de voetangels in Gockinga’s bossen.
Herbergier houdt vooruitgang op
Geplaatst op: 29 november 2016 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
Zuidwending tussen Veendam en Pekela, ca. 1830. HisGis.
Dat er behoorlijk primitieve toestanden konden bestaan in een vroege veenkolonie, wordt weer eens aangetoond door een rekest uit augustus 1790. Daarin geven Roelf Willems en Willem Derks, volmachten van de ingezetenen van de zuidkant “van de zogenaamde Zuidwending” aan, dat er tot dan toe alleen een voetpad langs hun Meedemerdiep was, waarvoor “enkelde batten” over de dwarswijken gelegd waren, die door de ingezetenen moesten worden onderhouden. Een pad met zulke vaak één plank brede, leuningloze bruggetjes was ten ene male onvoldoende,
“en wel voornamentlijk in ’t begraven hunner doden, die na Veendam moeten woren gebragt, ’t welk des somers met scheepjes geschied, maar in de winter wanneer het ijs zodane transport niet gedoogt, bijna ondoenlijk is.”
Je ziet het voor je: de verkleumde nabers die met bemodderde, misschien zelfs verijsde stevels een doodkist over de wiebelige bruggetjes moesten dragen. Er was allang geprobeerd om hier verbetering in te brengen, zij het “vrugteloos”, totdat de ingezetenen en de landgebruikers eindelijk besloten
“om een rijdweg te vervaardigen bijlangs de zuidkant van de Zuidwending, van het huis van Jacob Jans Timmer tot aan het einde van de Zuidwending, en ten dien einde dubbelde batten over de wijken te leggen, onder expresse voorwaarde dat deze weg door niemandt anders als door de geïnteressseerdens wierde gebruikt tot hun gemak en gerijf om deze door hunnen landen beter te kunnen bereiken en dus de colonie tot beter perfectie te brengen en ook vooral om hunne doden in de winter met meerder gemak na de begraafplaatzen te kunnen transporteeren.“
Alle ingezetenen en landgebruikers hadden hiertoe een intentieverklaring getekend, een enkeling uitgezonderd: namelijk dezelfde Jacob Jans Timmer wiens huis in het bovenstaande citaat het westelijke, Veendammer uiteind van de Zuidwending markeerde. Niet alleen weigerde deze Timmer toestemming te geven voor, en bij te dragen in de kosten van de nieuwe weg, “uit hoofde hij voor zijn persoon er weinig voordeel van kon hebben”, ook wees hij volstrekt het aanbod van de andere inwoners van de hand om zijn aandeel dan voor hun rekening te nemen,
“…op die frivole uitvlugt dat hierdoor zijn herberg (als doende tappersneering) zeer door zoude komen te lijden en dat indien hem uit recompens daarvoor een tolhek bij zijn huis wierde vergunt, hij toegenegen zoude zijn, maar anders zulks niet gedogen wilde, een voorwaarde van dien natuir, dat daardoor het goed van der supplianten & hunne committenten te zeer zoude worden beswaard, als komen alreede de onderhouding van de batten met de aankleeve van dien tot haaren laste, maar ook vermeenen zij niet gerechticht te zijn om aan die persoon een tolhek te accordeeren.”
Partijen kwamen er zo niet uit en dus legden de Zuidwendinger volmachten de zaak voor aan de Oldambtster drost, die in augustus 1790 besloot om beide partijen te horen en ter plaatse poolshoogte te nemen. Die “oculaire inspectie” liet vervolgens nog bijna een jaar op zich wachten, waarna partijen op 9 augustus 1791 toch nog een “minnelijk accoord” sloten. Timmer gaf daarbij toestemming voor het leggen van de dubbele batten over zijn wijk, die ook
“op dezelve wijze zullen worden gemaakt, bekostigt en onderhouden als alle de andere batten, zoo over de wijken na de Pekela zullen worden gelegt…”
Hiertegenover beloofden de volmachten hem 195 gulden te betalen, als eenmalige vergoeding van de schade die Timmer meende te zullen lijden. Bovendien kreeg hij zijn rechtskosten vergoed. Al dat geld kreeg Timmer echter alleen dàn, als Burgemeesteren en Raad van Groningen hem een “gepriviligeert tolhek” zouden vergunnen. Was het stadsbestuur hiertoe niet bereid, of kwam de weg op een andere manier tot stand – blijkbaar waren de tolgelden deels bestemd voor het wegonderhoud – dan zou de overeenkomst alsnog “van nul en onwaarde” zijn.
Of de tol er kwam, is overigens twijfelachtig. Timmer raakte binnen het jaar failliet en ik ben geneigd dat toe te schrijven aan zijn halsstarrige, nogal asociaal overkomende houding, waarmee hij zich als herbergier bij zijn dorpsgenoten zeker niet populair zal hebben gemaakt.
Wordt mogelijk vervolgd.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6135 (samengevatte rekesten met apostilles of kantbeschikkingen).

Recente reacties