Kamelen rond een blokje hooi
Geplaatst op: 27 november 2016 Hoort bij: Stad nu 6 reactiesHad geen borden zien staan onderweg, maar merkte dat er een circus bivakkeert op het terrein van de voormalige suikerfabriek in Groningen:

Er viel weinig te zien. Een groepje kamelen schoolde samen rond een blok hooi:

Misschien deden ze dat ook vanwege wat aanspraak:

Verderop kuierde, zich afzonderend van de groep, een mannelijk exemplaar steeds maar weer kleine rondjes. Geconditioneerd door het werk in de piste? Hoe dan ook, het leek me geen al te vriendelijk beest:

De voorstellingen beginnen pas op 22 december, lees ik hier. In ruim twee weken moet dus de kost voor zes weken worden verdiend.
Rondje Peize
Geplaatst op: 26 november 2016 Hoort bij: Drenthe, Onlanden 4 reactiesPeizermade, Onlanden:

Achterstewold, Peize:

Groningerweg, momentje dat de lage zon er vol doorkomt en alles in een okeren gloed zet:

Eindje verder, ik denk “Wat zit daar voor soepkip op die paal”, blijkt het een van voren nogal witte buizerd, die weinig schuw was en eerst heel rustig bleef zitten:

En pas opvloog toen een passerende automobilist het nodig vond om te toeteren;

Bij de Stenhorstdijk:

Onlanden bij Roderwolde – zilverreiger:

Bij de stuw in het Peizerdiep achter Peizermade (het dorp):

Doopceel met juiste leeftijd levert jaar extra pensioen op
Geplaatst op: 24 november 2016 Hoort bij: Geschiedenis 5 reacties
Pieter Jurjens was in 1780 lid geworden van “de sociteit te Winschoot onder de sinspreuk Aangenaam Vooruitzigt”. Dit ‘pensioenfonds’ keerde vanaf het zestigste levensjaar uit, zodat Pieter, die meende dat hij in 1731 geboren was, in 1791 zijn eerste bedrag kon beuren. Daarvoor moest hij dan wel kunnen bewijzen dat hij werkelijk zestig jaar oud was. Hij voorzag zich van een doopcedel en wat bleek uit dat briefje? Dat hij nog een jaar ouder was dan gedacht, “uit welke hoofde hij dan ook een jaar vroeger zoude hebben kunnen trekken”.
Omdat het reglement van Aangenaam Vooruitzigt bepaalde “dat de eerste optekening maar alleen provisioneel (voorlopig) is en dat de waare ouderdom eerst bij de trekking moet worden getoond”, meende Jurjens dat zijn vergissing hem niet kon worden aangerekend, “te meer daar het met geen kwaad opzet om de sociteit te benadelen kon geschieden”,
Vandaar dat hij zich welgemoed wendde tot de de directeuren van de ouderdomssociëteit, Ubbo Jans Groenier en consorten, om een jaar extra uitkering. De directeuren echter, maakten bezwaar. Vervolgens diende Jurjens een verzoekschrift in bij de Oldambtster drost. Op 20 april 1791 gaf die te kennen inderdaad beide partijen in een hoorzitting te willen horen.
Van ruim twee weken later dateert de drost zijn uitspraak. Hij gaf Jurjens gelijk. Niet alleen kreeg die zijn jaar extra pensioen, ook werden zijn proceskosten vergoed.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechtelijke archieven Oldambt) inv.nr. 6135 (samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen erop gevallen).
Wildervankster kwestie: links of rechts draaiende draai?
Geplaatst op: 23 november 2016 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties
Wildervank rond cabeling 35. Collectie Groninger Archieven 1536-5824 (detail).
Jan Geerts Lever en Geert Klaassens hadden samen met Jan Jans Otten een ‘draai’ (of draaibrug) in gebruik, liggend over het Westerdiep op cabeling 35 in de Wildervank. Deze draai moest nodig vernieuwd worden, daarover waren ze het alle drie roerend eens. Vandaar dat ze de nodige materialen kochten en er timmerlui bezig gingen met het maken van de draai.
Toen ontstond er ruzie. Otten, die als bouwheer optrad, maakte namelijk aanstalten de mandelige draai andersom in het diep te leggen dan tot dusver het geval was en Lever en Klaassens klaagden bij de drost dat ze hem maar niet konden overhalen
“de draaij weder te leggen dat op de westzijde kan afdraaijen, maar vermeend bevoegd te zijn, die op de oostkante te mogen afdraijen”
Lever en Klaassens vertelden de drost dat ze hierdoor “zeer benadeelt” werden. Jammer genoeg specificeerden ze dit niet, het enige dat ik kan verzinnen is dat je aan de korte kant van de draai wat sneller uit en thuis bent, maar verder?
Toch vonden Lever en Klaassens het nodig, hun buurman een bouwstop op te leggen, tot hij zou hebben aangetoond dat hij de brug mocht leggen zoals hij wilde. Aan de drost vroegen ze een mandaat (bevelschrift) met die inhoud te tekenen en dat stuk door de plaatselijke wedman aan Otten te laten afgeven.
Beide heren kregen hun zin. Mogelijk is hier een civiel proces uit voortgevloeid, maar daar lijkt op voorhand weinig over te vinden, want de rechtstoel Wildervank liet geen archief na.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechtelijke archieven Oldambt) inv.nr. 6135 (samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen erop gevallen).
Verplichte stal moest overlast scheepsjagerspaarden beperken (II)
Geplaatst op: 22 november 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Jacob Maris, ‘Jaagpad’. Collectie Rijksmuseum.
Ik had gehoopt een resolutie of beschikking te vinden, die me het reglement voor de schaapsjagersstal in Veendam zou geven, maar helaas, dat bleek vooralsnog een vrome wens.
Wel vond ik het reglement van Sappemeer dat de adspirant-stalhouder Kram in Veendam wilde overnemen – een volgende keer meer over dat stuk – en een soortgelijk rekest als Kram bij de drost indiende, maar dan uit 1804 en met een schets van de toestand in Zuidbroek.
Dat Zuidbroekster verzoekschrift kwam van Willem Haijkens Nieborg die daar aan het Trekdiep (= Winschoterdiep) woonde, en wel ten oosten van de Pijp (= stenen boogbrug), dus aan de kant van Scheemda. Hier bestonden al geruime tijd soortgelijke problemen als te Veendam in 1791. Nieborg vertelde:
“…dat de scheepopjagers, dewelke met een of ander schip van de kant te Scheemda gearriveerd zijn, zedert lange jaren gewoon zijn om, wanneer het weder zulks slechts enigzinds toelaat, hunne paarden te voeren op de publicque weg voor en bezijden des Rem[onstran]ts behuizinge, waardoor de publieke passagie aanmerkelijk word gehinderd; de weg, bijzonder op de kant door de voetgangers gebruikt word, in natte saizoenen bijkans impassabel word gemaakt en waarvan ook de scheepopjagers zelve en hunne paarden in nat of kout weer zeer veel ongemak hebben”
Volgens Nieborg ware deze “incoveniënten” gemakkelijk uit de weg te ruimen. Hij had een geschikte stal naast zijn huis en was genegen die open te stellen
“tot het gebruik der scheepjagers als een jagersstal, gelijk in naburige dorpen ook plaats heeft.”
Voor het zover was, moest de drost echter de stallingstarieven vaststellen en de manier waarop Nieborg (bij wanbetaling) het stallingsgeld mocht innen.
Op 29 februari gaf de drost zijn goedkeuring aan het plan en stelde hij het gevraagde reglement vast, zodat Nieborg ermee aan de slag kon. Helaas is dat reglement niet afgeschreven in het rekestboek, maar ook hier in Zuidbroek zal men zich hebben gericht naar naar een ouder model en daarover beschikken we dus wèl.
Wordt vervolgd.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechtelijke archieven Oldambt) inv.nr. 6972 (samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen erop gevallen).
Verplichte stal moest overlast scheepsjagerpaarden beperken
Geplaatst op: 21 november 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Eerst denk je: vreemd dat er in Veendam pas zo laat sprake is van een scheepsjagersstal. Dan valt je in dat het tamelijk jonge Stadskanaal de turfvaart langs Veendam een behoorlijke impuls gegeven moet hebben, zodat het aantal scheepsjagers flink groeide. Met alle gevolgen van dien, want, mensen, scheepsjagers stonden ook in 1791 al niet best bekend.
Ene Roelf Jans Kram diende zich dat jaar februari aan bij de Oldambtster drost. Hij woonde bij het Benedenste Verlaat, dus aan de noordkant van Veendam. En hij vertelde
“dat door het omswerven der scheepsjagerpaarden op de publieke weg dagelijks allerlei overlast aan kinderen, huisen, thuinen en diepswallen geschied.”
Kennelijk lieten de scheepsjagers hun paarden nogal eens zelf hun kost opscharrelen. Meer hierover kon de drost lezen in een verklaring van de ingezetenen rond het Benedenste Verlaat, die Kram bij hem inleverde. Kram zelf toonde zich “wel genegen”,
“op verzoek zijner Naburen een scheepsjagerstal tot berging van gemelde paarden alhier op te richten, gelijk in of bij Groningen, Martenshoek en Sapmeer voorlange in trien is gebragt,”
Met dat “trien” werd train bedoeld, zeg maar: gang. In zo’n stal moesten de scheepsjagers verplicht hun paarden stallen, anders had het natuurlijk geen zin. Voor zijn onderneming verzocht Kram om toestemming van de drost, op dezelfde voorwaarden en met dezelfde stallingstarieven als het stadsbestuur eerder had vastgesteld bij de scheepsjagersstal van Sappemeer.
De drost vond het blijkbaar niet raadzaam hierin zelf een beslissing te nemen. Hij stuurde Kram door naar het stadsbestuur.
Wordt vervolgd.
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 631 (gerechten Oldambt) 6135.
Hoe een oude vrouw de kogel van Bommen Berend in haar hersens kwijtraakte
Geplaatst op: 20 november 2016 Hoort bij: Stad toen 2 reacties
Twee musketkogels, ca, 2003 gevonden bij een loopgraaf van Bommen Berend aan de Meeuwerderweg. Ter vergelijking op de achtergrond een koperen vingerhoed.uit de nalatenschap van mijn moeder.
Naast bijdragen van collega Ludolph Smids, bevatten de bundels van dokter Blankaart gevalsbeschrijvingen door de Groninger heelmeester Cornelis Iben. De opmerkelijkste daarvan gaat over een slachtoffer bij het beleg van Groningen door Bommen Berend in 1672:
“Seeker oude vrouw in de belegeringe van Groningen staande in haar deur in de Molenstraat, wiert geschooten effen boven de neus en rechteroog door ’t cranium (=schedel, HP), sodat men de kogel met de proevet ondersoekende niet vinden noch voelen kost, maar bleef altijt, hoe subtijl het ook ondersocht wert, yets van de hersenen aan de provette hangen…”
Iben zei derhalve tegen haar “vrienden”, oftewel familie, dat de vrouw zeer zwaar gewond was en mogelijk niet meer van haar ziekbed zou opstaan. Hij maakte dan haar wond schoon, door onder meer losse botschilfertjes te verwijderen, en legde een gecompliceerd verband aan met onder meer een klein “wiekje” en daaroverheen compressen. De wond groeide vervolgens in vijf zes weken mooi dicht en intussen hield de vrouw zich goed aan haar dieet, zodat er geen spasmen, verlammingsverschijnselen, lethargie of delirium optraden, en er sprake was van een “volkomen genesing”, “sonder eenige hinder”.
Dat bleef helaas niet zo. Iben:
”Doch wat geschiet er? Na verloop van een half jaar komt dieselve vrouw by my, klagende hoe dat se al over een geruymen tijdt niet wel kauwen en nu geheel de mond niet konde open doen, so dat se bykans van honger vergaan moste…”
Iben, “haar de mond openschoevende” zag achteraan het gehemelte iets uitpuilen, bevoelde dat met zijn prouvette en werd zo gewaar dat er iets hards zat.
“Hetselve dan verder openschroevende en doen met koorentange daarin tastende, kreeg daaruyt de onverwagte platte geschootene koogel die tot hiertoe wegens sijn swaarte door de spongieuse beenderen (= kraakbeen, HP) des gehemelte was gesonken…”
Weldra heelde deze nieuwe wond, dit onder andere dankzij de toepassing van rozenhoning. De vrouw kon ook al snel haar mond weer gebruiken en bleef ook verder goed gezond, aldus Iben.
“Zonder naakte omhelzingen geen Spaansche pokken”
Geplaatst op: 19 november 2016 Hoort bij: Stad toen 1 reactie
NN, Medicus en syfilitische patiënte (uitsnede). Rijksmuseum.
In een van zijn gevalsbeschrijvingen neemt Ludolph Smids de “armhartige versieringen” op de korrel, waarmee met name “onnozel vrouwvolk” dat zich “in het Venusspel” te buiten ging, de daarmee opgelopen soa probeerde te bewimpelen voor een “onervaaren medicijnmeester”.
Een dergelijk geval deed zich voor te Groningen, in mei 1685. Toen kwam er “zekere jonge dochter van middelmaatigen ouderdom” (dus een ouwe vrijster) bij dokter Smids klagen over een zware verkoudheid, wat bevestigd werd door haar zeer schorre en hese stem. Omdat dit verschijnsel hem bevreemdde en allerminst aanstond, en hij ook nog wat grauwe vlekken ontwaarde op haar nek en schouders, vroeg hij advies aan de “welbeleezen” chirurgijn Cornelis Yben, iets wat zijn patiënte liever niet had, maar hij desondanks deed. Yben onderzocht haar keel en stelde in haar bijzijn hardop, maar wel in het Latijn, de diagnose “Spaansche pokken”, oftewel syfilis vast.
Ze was al wat doof, werd achterdochtig en begon over het “ophouden der maandelijke ontlastinge” (= menstruatie) en vroeg of dat de vlekken niet veroorzaakte. Om haar niet te schofferen, namen Yben en Smids eerst hun toevlucht tot een gangbaar eufemisme voor de Spaanse pokken:
“Wy schooven alle onheilen (gelijk gemeenelijk geschied) den scheurbuik op den hals en zeiden dat ze daarom een apozema of naar de konst gekookte drank een dag of zes moest gebruiken, voorts zich weinig doen vermageren en uitteeren &c.”
Achteraf overlegden Smids en Yben over de definitieve therapie. Voordat ze met zijn beiden weer bij de juffrouw kwamen, bezocht Smids haar in zijn eentje, om haar zachtjesaan duidelijk te maken dat ze aan een venerische ziekte leed:
“Een tijding die haar geenzins kon vermaaken, voornaamelik als zy van pillen, zeveren en kwijlen &c. hoorde spreeken.”
Die pillen bevatten namelijk nogal wat kwik, vandaar die bijverschijnselen. Deze bliefde patiënte niet en ze vroeg dan ook of ze niet kon volstaan met een dieet. Ook zat haar de oorzaak dwars en ze informeerde,
“of men door tasten en knypen die ziekte kon krygen? Alzo zeker krijgsofficier haar tegens dank op een bed willende smijten (onder het stoeyen) wat te vinnig en te stijf in de zijde geduwd had. Waarop ik niemendal antwoorde, behalve dat ik al meesmuilende haar bracht op een aangenaamer praatjen en op de hoop van eengeluckige herstelling.”
De volgende dag bleek ze echter nog weer een nieuwe ‘oorzaak’ te hebben bedacht, namelijk een lamsvel dat genoemde officier lange tijd als borstrok had gebruikt. Hij had dit kledingstuk na de ‘stoeipartij’ bij haar laten liggen en zij had dit, “zeer onvoorzichtig, naderhand altijd op haar licchaam gedragen”.
Smids vond het wel een vermakelijke redenering maar dacht tegelijkertijd aan een casus uit een van zijn handboeken,
“alwaar een weelig joffertje van deze ziekte wierd aangetast nadat zy in het kleed van een kerel, in den Vastenavond, eenige tijd gerinkelrooid had.”
Tegen zijn patiënte zei hij echter, dat ze het hem niet kwalijk moest nemen dat hij zulke “frajigheden” niet aannam. En met een God zegene de greep flapte hij de waarheid eruit:
“Zonder naakte omhelzingen of vermengingen van de humeuren krijgt niemand de Spaansche pokken.”
Daarop gaf ze zich eindelijk gewonnen en stelde zich open voor de gangbare behandeling:
“Wy tasteden haar aan, zy wierd in de keel gespuit, zy nam pillen in, zy kwijlde, zy genas en wierd van een fleetsche en vadzige vryster een frisse en bekwame meid.”
Uiteraard was deze genezing louter voor het oog en slechts tijdelijk. In de zeventiende eeuw wist men nog niet dat syfilis zich na jaren onzichtbaarheid opnieuw, en dan funest, manifesteerde. Alleen dankzij die onkunde kon Smids bogen op dit ‘succes’. Hij knoopte er zelfs nog een moraal aan vast voor zijn jongere collegae:
“Dit verstrekt een baaken aan den jongen medicijnmeester, opdat hy, het arglistig vrouwengeslacht verdenkende, alle voorwendzelen van vallen, stooten, knypen &c. verwerpe…”
Groen haar en ‘dreadlocks’ in het Groningen van de Gouden Eeuw
Geplaatst op: 18 november 2016 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Casper Luyken – Koperslager (ca. 1680).
Het wordt natuurlijk nog wel gedragen, maar groen en zwart geverfd haar associeer ik net als dreadlocks vooral met de vroege jaren tachtig. Gek om dan bij Ludolph Smids te vernemen dat eind zeventiende eeuw ook al dergelijke haardrachten bestonden, zij het dat die toen niet voortkwamen uit moedwil, maar uit minder gunstige levensomstandigheden.
Zo merkt Smids op dat
“men meermalen groen haar ziet op de hoofden der ketelboetersknegten en –kinderen en die bij ‘t gieten der metaalen verkeeren.”
Volgens Smids kwam dat door een “vitrolische exhalatie of uitwaseminge” (van oxyderend koper). Hij zag eens een kind in de Ebbingestraat en een jongen in de Poelestraat in Groningen met groen haar “dat wel sterk naar koper rook”.
Bij dezelfde jongen zag Smids ook zwart haar dat niet in al te beste conditie was. Volgens hem kwam dat door “silver gesmolten in stark water”.
Een heel eind verder in zijn Aanmerkingen rept hij van een plica polonica of Poolse vlecht, ogenschijnlijk een mega-dreadlock, maar dan wel een die ontstaan is door gebrek aan zorg, verluizing, verklitting en vervilting:
“My is eens [een] bedelaar tot Groningen op de straat ontmoet dien het haar (pikzwart zijnde) vol klissen hing, door zekere slymeriige vocht zijnde te zamen gebakken. Het gemeen volk geloofde dat de nachtmerrie (een malle inbeelding) by ontijden hem berydende, zijn hair dus ineen had gevlochten, maar het was waarlijk de Plica Polonica of de Poolsche vlecht, in welke men ogenklaar bespeurd dat het hoofdhair hol is, alsoo daar zeker vochtigheid uitdruipt, uit de kliertjes afzakkende…”
De hertog en de hofnar
Geplaatst op: 18 november 2016 Hoort bij: Kunsten, Uncategorized Een reactie plaatsen
Door iemand aan het schrikken te brengen, kon je hem van de koorts genezen. Dat wist ook de hofnar van de hertog van Florence, die heel erg met zijn baas begaan was. Toen de hertog zich even wat beter voelde en ze zich met zijn beiden wat langs de Arno vertraden, duwde de hofnar de hertog onverhoeds in de rivier, om hem zo van die vervelende kwaal af te helpen.
De hertog, weer op het droge gehesen, deed net of hij buiten zichzelf van woede was en liet de hofnar subiet ter dood veroordelen, tenminste: zogenaamd. Want op het moment dat de geblinddoekte hofnar klaar lag voor zijn onthoofding, wenkte de hertog de beul naar zich toe en fluisterde hem stilletjes vanachter de hand in zijn oor, dat hij de hofnar alleen maar heel zachtjes met een twijgje in de nek mocht kietelen.
Helaas maakte dat niets uit. Zodra de hofnar dat twijgje voelde, schrok hij zo verschrikkelijk hevig, dat hij van het hakblok zijwaarts ter aarde tuimelde. Dood, hartstikke dood. Hij was gestorven aan het geneesmiddel dat hij de hertog had toegedacht.
Manslacht, een bijgeloof
Geplaatst op: 18 november 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Cornelis Bloemaert, ‘De herder en de moordenaars’, ca. 1625. Collectie Rijksmuseum.
In eerste instantie is het woord manslacht verwarrend. Ook volgens het Middelnederlands Woordenboek en het WNT betekent het niets anders dan doodslag, een moord zonder voorbedachte rade. Bij Ludolph Smids, tussen 1673 en 1685 arts in Groningen, heeft het weliswaar daarmee te maken en is het daar ook vast van afgeleid, maar betekent het toch iets anders – bij hem staat manslacht voor een plotseling “toeval”, dat is een bezwijming, een flauwvallen,
“bestaande in een schielijke ontroeringe, gesproten uit de tegenwoordigheid van een moordenaar, die niet alleen de menschen, maar ook paarden, koejen &c. overkomt.”
Dit verschijnsel zou “vermaard” zijn in Friesland, Groningen, Westfalen en Holland, zowel in steden als op het platteland. Nader omschreven leek het sterk op vallende ziekte, want:
“De getroffen lijder valt neer, word zeer benaud, schud en trekt zijn ledematen &c.”
Smids, die er niet in geloofde en het een “vuil bygeloof” en ook een “bedrieglijke en bygelovige ziekte” noemt, wist ook wat men voor een preventieve maatregel hield, en met welke middelen men manslacht dacht te kunnen genezen. Dat voorkomen lag bij de moordenaar, die uiteraard zeer in verlegenheid kon worden gebracht door zo’n katzwijmcasus in zijn onmiddellijke nabijheid. Hij kon zulk een onheil afwenden door elke morgen behoorlijk te bidden.
Men dacht de kwaal met magische middelen achteraf te kunnen genezen, allereerst door het slachtoffer een stukje brood te geven dat afgesneden was met een mes of degen, waarmee ooit een moord werd begaan. Ook het drinken van enig bier of water, omgeroerd met zo’n wapen, bood soelaas. Als zo’n wapen niet voorhanden was, dan hielp het om iets te drinken uit de schoen van een moordenaar, Nog een andere geneeswijze bestond eruit dat de moordenaar op de gezondheid van de lijder dronk.
Smids vertelt ons van een Groninger koekebakkersvrouw, die met haar man in de Boteringestraat, in een kelder onder het huis van burgemeester Eeck woonde. Zij stond voor haar deur op straat en viel daar plotseling neer, toen een bepaalde officier van de infanterie passeerde:
“Sy wierd in de kelder gebracht en gaf binnen korten tijd de geest, terwijl het genene volk den officier van een moord verdacht hield en geloofde dat deze vrouw door de voorschreven manslacht ter neder was geveld.”
Uiteraard wist Smids wel beter. Het moest door iets in haar lichaam gekomen zijn, al kon dat allerlei oorzaken hebben. Hij verwees nog naar een geleerde verhandeling van prof. Antonius Deusing, een hoogleraar geneeskunde aan de Groninger Academie die zijn kennis vooral aan Arabische medici ontleende en die ook medicus provincialis was geweest.
Legendarische ooievaarszwermen
Geplaatst op: 17 november 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Ooievaarszwerm – Wikimedia commons.
“Den 24 Augustus 1687 verschenen eenige honderden Ojevaaren boven de stad München, die zich in twee troepen verdeelden en heen en weder vlogen zonder nochtans malkander op het lijf te vallen of te bestrijden. Des avonds zetteden zy zich op twee kerken neder en bleven daar die nacht, maar vertrokken des morgens met groot getier.”
Aldus, iets later, de Groninger medicus Ludolph Smids. Dit voorval was des te vreemder, omdat er in jaren geen ooievaars in München waren gesignaleerd.
Aan zo’n menigte samenkomende ooievaars was volgens hem ook een volksgeloof verbonden, namelijk dat dit verschijnsel de dood van een aanzienlijk personage voorspelde.
In Spanje zou dat werkelijk eens gebeurd zijn. Toen in 1466 de aanstaande schoonzoon van koning Alfonso van Castilië voor de voltrekking van zijn huwelijk op weg was naar Alfonso’s hof, viel er een dermate groot aantal ooievaars te zien, dat de zon er geheel door verduisterd werd. Kort daarop stierf de schoonzoon in spe aan een blindedarmontsteking. Daardoor trouwde Isabella van Castilië later met Ferdinant van Arragon, en dankzij dit paar kwamen uiteindelijk de Habsburgers op de Spaanse troon. Men ziet: een ooievaarszwerm kan de geschiedenis een beslissende wending geven.
Bij nog weer een andere historische zwerm bleef zo’n sterfgeval echter uit. Die werd in 1355 gezien bij Creutsburg aan de Werra, in Midden-Duitsland. De humanistische geleerde Joachim Camerarius schreef erover –
“Zy vergaderden (zegt die vermaarde schrijver) in groten menigte ontrent en boven gemelde stad en zetteden zich op de daken en stadsmuuren neder, doch vlogen na twee dagen van daar tot over de rievier Wertha, alwaar zy zich op een vlak veld, in slagording stelden en weder schielyk van daar weeken nadat zy drie Ojevaaren met hunne nebben hadden omgebracht en aldaar gelaaten.”
De uitgestoken arm van een onbekende soldaat
Geplaatst op: 17 november 2016 Hoort bij: Oosterpoort, Stad toen Een reactie plaatsen
Misvormde mensen, dieren en planten hebben altijd gefascineerd.
Zo kreeg de toen nog Groninger medicus Ludolph Smids eind 1672 bij zijn bezoek aan Enneke, de weduwe van barbier Homan in de Oosterstraat, een bijzondere radijs te zien,
“sijnde een goede vinger lang en hebbende de nette form en gedaante van een menschenarm, te weten van den elleboog af tot den hand en vingers (die seer poesel waren) toe.”
Bommen Berend had die zomer de aftocht geblazen, maar het schootsveld lag er nog, buiten de Ooster- en de Herepoort. Daar kwam die radijs vandaan.
”Omdat men dien niet lang na de Belegering in de bedorvene thuijnen had opgegraven, soo seide het bygelovig volkje dat sy waar gegroeid uit het lijf van een bisschopssoldaat, in een uitval door de onse gematst en sonder veel ceremoniën aldaar gedolven” (= begraven, HP).
Ter vergelijking: radijs als voet.
Tandpijn in Anloo
Geplaatst op: 16 november 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Wallerant Vaillant, De naaister (uitsnede), ca. 1675. Collectie Rijksmuseum.
“Toen ik in 1680, den 31 Marty, yet tot Anloo verrichte in het Landschap Drenthe, so verhaalde my den Heer Advocaat Harm. Ketel, dat sijne Suster, 15 jaren oud, veeltijts met een deerlijke Tandpijn gequelt wierde; dat den Barbier een gesonde Kies uitgerukt hadde, en den schuldigen had laten sitten; maar dat sy gisteren, den kies dagelyks stokelende en moeyende, daar een halve verroeste spelde had uytgehaalt, so datse nu geheel verlost was van pijnen.
Dit sal, dunkt men, een waarschuwing strekken aan de Doctoren en Barbiers om alles nauwkeurig te ondersoeken (…) én aan de meisjes, die gedurig spelden in de mond dragen, ofte de tanden daarmede zonder ophouden in stukken krabben.
L. Smids M.D.”
Sint Maarten en Sinterklaas? Weg ermee!
Geplaatst op: 14 november 2016 Hoort bij: Geschiedenis 3 reactiesDat tradities vroeger heel anders werden ingekleed en beleefd en dus zeker niet voor altijd en eeuwig vaststaan, maar meegaan met hun tijd, toont ons een ingezonden brief in de Groninger Courant van 22 november 1853. De anonieme schrijver, mogelijk een verlichte schoolmeester of predikant, fulmineerde zowel tegen Sint Maarten als Sinterklaas.
Beide gebruiken wilde hij veredelen, en hij hoopte op publieke instemming voor zijn pleidooi, want hij besefte maar al te goed hoe moeilijk het was om oude gewoonten te veranderen. Hoewel het om kinderspel ging, was dàt nou juist geen kinderspel.
Over de recente Sint Maartensviering vertelt hij dan dat het heerlijk weer was, zodat kinderen veel plezier hadden:
“dewijl ieder gaarne met een fakkeltje liep om van de goede menschen een appel, een cent of zoo iets te vragen, waarbij dan over ’t geheel zeer walgelijke liedjes werden gezongen.”
Die versjes vormden dus zijn eerste mikpunt. In Sappemeer was een jaar eerder een beter versje ingevoerd, wat natuurlijk navolging verdiende, maar volgens de auteur – en daarmee komen we aan zijn tweede doelwit – zou het nog veel beter zijn om “de bedelarij met die lietjes” te verbieden, omdat door die verfoeilijke praktijk “reeds vroeg de natuurlijke tegenzin in het bedelen verloren gaat…”
Zo’n verbod moest er volgens hem ook komen voor het nieuwjaarslopen en de bedelarij “die eenige dagen voor paaschen plaats heeft door de kinderen”. Immers, het toestaan daarvan was onverenigbaar met de alom aangewende pogingen tot opvoeding van de “geringen stand”, door al die bedelarij verslapten velen de handen “voor het eerlijke werk”.
Daarbij kwam dat niemand je kon vertellen wat dat lopen met lichtjes te maken had met die goeie ouwe bisschop Martinus. “De geheele St. Maartenspret is dus onzin”, concludeerde onze N.N. Wellicht was de oorsprong heidens, “doch hoe het zij, die gewoonte is verouderd”. Vandaar dat hij Sint Maarten wilde omturnen tot een symbolisch kinderfeest en dat te verplaatsen naar 31 oktober:
“Om daartoe te geraken, is op de laatste St. Maartensavond te Beerta door eenige kinderen een toepasselijk liedje gezongen, behelzende een afscheid aan St. Maarten , om vervolgens den 31sten October met de fakkels te verschijnen.”
Mogelijk verried de scribent hiermee zijn woonplaats. Dik kans dat het de schoolmeester van Beerta was: Hermannus Bouman, schrijver van een sociale roman en pedagogisch kopstuk.
In elk geval had onze scribent nog veel meer dan aan Sint Maarten de schurft aan Sinterklaas,
“eene dag voor de jeugd nog meer onnut, ja verderflijk als de St. Maartenspret”.
Eerst beschreef hij heel aardig hoe het destijds met Sinterklaas toeging op het Oost-Groninger platteland, waarbij ons natuurlijk meteen de afwezigheid van Zwarte Piet opvalt, want die bestond destijds nog niet:
“zie — de koopvrouw in suikergoed weet zeer goed dat zij hare waar aan de huizen te koop moet presenteren als de kinderen op school zijn, of zeer omzichtig gaan de ouders of dienstboden des avonds naar de winkels, om het aan te halen wanneer de kinderen reeds te bed zijn en alzoo daarvan niets vernemen. — De avond van die dag komt, de kinderen scharen zich om het vuur en een mandje of voorschoot ophoudende, zingen ze vol ootmoed en geloof: Sinterklaas die goede bloed enz. tot er als uit den schoorsteen iets naar beneden valt. — Voor het paard van de Sint legt reeds eens moesblad in een mandje dat des morgens is verwisseld voor een heel portie suikergoed enz. De kinderen leiden zich des avonds ter ruste, slapen echter kunnen ze niet terstond uit vrees dat Nicolaas komen zal; en heeft men de onvergeeflijke dwaasheid van iemand voor Sint Nicolaas te laten spelen, dan dient het geschrei van de kinderen ons tot bewijs, dat zij een afkeer hebben van het bovennatuurlijke.”
Volgens onze nurks kweekte Sinterklaas bijgeloof aan en hoorde diens festijn thuis in vorige eeuwen, toen “onkunde en bijgeloof werden gevoed om te kunnen heerschen”.
Ook op de karaktervorming had die hele Sinterklazerij volgens hem een funeste invloed:
“Nu zijn er kindereu die ontdekken, dat de ouders hun alles in het mandje nederleggen. Geven zij hun dat te kennen, zoo is het volgend jaar dikwijls een zakje met zout het geschenk van de brave Sint, en wie duid het dus een kind ten kwade dat het zijn geheim bewaard en zich houd alsof het van niets weet om telkens nog iets te. ontvangen. Hiervan zijn overvloedige voorbeelden en dus tevens, dat de kinderen vroeg genoeg word geleerd om tot hun voordeel te huichelen.”
Door zulke feestdagen werd er zoveel bedorven, dat het een jaar kostte om dat te herstellen. Sinterklaas was bovendien al even doelloos als Sint Maarten. Daarom zag de auteur het graag afgeschaft, om de kinderen voortaan te vermaken met Kerst:
“Rigten we dan , evenals in Duitschland geschied, eene kersboom op, waarin de geschenken voor de kinderen worden opgehangen. Laat hun daarom in ’t rond huppelen met het lied op de tong: Jezus is een kindervriend enz. Dan krijgen onze kinderen een nuttig en in de christelijke maatschappij voegend aanzien, dat gezegend zal werken voor hunne volgende leeftijd.”

Recente reacties