Hoe de Drentse kerk eertijds ‘ontucht en hoererij’ afstrafte

img848

In het oude Drenthe was de bevoorrechte Hervormde Kerk onbarmhartig voor ongehuwde moeders. Als zo’n moeder wilde dat haar kind gedoopt werd, wat noodzakelijk was met het oog op diens eeuwig zieleheil, moest zo’n moeder in eigen persoon haar kind komen aanbieden op het koor van de kerk. Voordat de predikant haar kind dan doopte, las hij een formulier voor, dat de moeder eerst voor het front van de gehele gemeente had te beamen. Dit is dat formulier:

“1.
Vooreerst vraag ik U of gij niet belijd, dat dit kind in ontught en hoererij van U ontfangen en uit U geboren is.

2.
Ten tweden of gij niet bekent, met deze uwe zonde (welke ziel en lichaam verontreinigt, schande en smaad veroorzaakt, de Heijligen Godt vertoornd en daarom in des Heeren Woord bedreigt word met de vreeselijkste straffen, ja met de eeuwige wraakvlammen van Gods Gerechtigheid te zullen gestraft worden) – ik zegge, of gij niet bekent, met deze zonde grote ergernisse gegeven en de Christelijke gemeinte ontstigt te hebben en daarom belijdt van herten leed te zijn?

3.
Ten derden, of gij onder de medewerkende Genade des H. Geestes, in de tegenwoordigheit dezer H. gemeente, niet en beloovt dit uw ergerlijk wangedrag door een Christelijke wandel te verbeteren, God biddende om genadige vergevinge dezer, en aller zonden, ende om Heijligmakinge des H. Geestes ten einde gij voortaan uw vat (= lichaam HP) in heijligheit moogt bezitten tot Godes eere, des naasten stigtinge en uw eeuwig welzijn.

Wat antwoord gij hier op?
Van jaa!

De gemeente de belijdenisse van deze uwe misdaad met blijdschap gehoort hebbende, wenscht dat dezelve opregt te zijn, door een heilige wandel betoont en hiertoe de Geest der Heiligmakinge gegeven worde; inmiddels den Enen en Drie-Enen God biddende, dat een iegelijk door des Heeren voorkomende, medewerkende en bijblijvende Genade voor diergelijke en andere ergerlijke en Gods tergende zonden, moge bewaart worden.”

Dit doopformulier voor ongehuwde moeders werd in de Kerkorde van 1730 voorzien, daarna opgesteld met instemming van Drost & Gedeputeerden (het Drentse Landschapsbestuur), en tot kerkelijk voorschrift verheven in de Drentse synode van 1731. Ds. Cornelis van Schaick, zelf tussen 1838 en 1850 de predikant van Dwingeloo, meldde omstreeks 1870 in De Oude Tijd, dat zijn voorganger Folckers Cranssen (vanaf 1808 te Dwingeloo) dit formulier nog gebruikt had.

Het formulier paste in kerkelijke trend van van de jaren 1720-1740 om ongehuwde moeders steeds strenger aan te pakken. Waarschijnlijk hing deze trend samen met de destijds dominante stroming der Nadere Reformatie.

Overigens kon een ongehuwde moeder bij de Drost van Drenthe om dispensatie van deze exercitie vragen. Ongehuwd moederschap kwam sowieso weinig voor, het formulier zal niet heel erg vaak zijn gebruikt.

Bronnen:
Nadere toegang op de prothocollen van de Provinciale Synode van Drenthe (Assen 1990) 138.
– C. van Schaick, ‘Een oud doopsformulier in Drenthe in gebruik’, De Oude Tijd (band zonder titelblad, waarschijnlijk 1869, 1870 naar analogie van Drenthiana, waarin Van Schaick zijn stuk in 1870 liet verschijnen).


Geopolitiek toneelstuk

james-gillray-en-de-verdeling-der-wereld-in-zijn-tijd-1805

James Gillray, ‘De Plumpudding in gevaar’ (1805).

Soms heb je dat, dan komen ouwe herinneringen boven doordat ze dankzij iets actueels op gang geholpen worden.

Het was midden jaren zestig, ik zat in de vijfde of zesde klas van de lagere school en was bevriend met Frits Weiland, wiens vader directeur was van  Volkshogeschool Overcinge, even buiten ons dorp.

Frits zijn moeder had bedacht dat het leuk zou zijn om met een heel stel kinderen van onze leeftijd een toneelstuk op te voeren, dat over een kouwe oorlogsachtige toestand ging. Je had een soort van Amerika in dat stuk en ook een soort van Rusland, beide met potentaat-achtige presidenten, die moesten zien om te gaan met allerlei kleinere staten.  Eind van het stuk was dat de Rus en de Amerikaan de aardbol onder elkaar wilden gaan verdelen, waarbij ze met een mes een globe te lijf zouden gaan. Die globe bleek een luchtballon en zo klapte het hele zaakje uit elkaar. Slotakkoord, gordijn dicht en  applaus.

De ovatie bleef uit. Anders dan Frits zijn moeder had gedacht, bleken veel van onze leeftijdsgenootjes toch niet uit het rechte toneelspelershout gesneden , c.q. er na enkele sessies niet veel meer aan te vinden. Ambitie slinkt nogal eens bij repetitie. Zo moesten Frits, die oorspronkelijk alleen Amerika hoefde te spelen en ik, die Rusland zou gaan doen, steeds meer bijrollen op zich nemen. Dat viel niet vol te houden, zag ook Frits zijn moeder. Zij besloot het hele geopolitieke wereldspel af te blazen.

Hoe het toneelstuk heette, weet ik helaas niet meer. Het officieel aangeschafte tekstboekje zat in een oranje kaftje met – dacht ik – een zwartwit getekende globe met lijntjes voor lengte en breedtegraden als beeldmerk. Ik heb het nog tijdenlang bewaard, tot mijn moeder het weer eens tijd vond om de boel op te ruimen.


Onlander rondje

Peizermade het dorp – ezels weten precies waar de zon ze wat warmer maakt:
dsc07037
Peizermade het gebied – ooievaar, zilverreiger, ooievaar:
dsc07064
Nat stukje bos bij Peize:
dsc07073
De Waalborg, Roderwolde:
dsc07098
Bij de Hooiweg betrekt de lucht even:
dsc07101
Stadsgezicht vanaf de Matsloot:
dsc07104
Matsloot – de grootste kruik van het Noorden gaat op transport:
dsc07110
Vrij veel kieviten in het land langs de A7. Deze zaten dichtbij:
dsc07112


Zuidhorn v.v.

Vanmiddag even naar Zuidhorn, via Den Horn, waar de kerk er weer mooi bij stond:
dsc06965
Bij de kerk van Zuidhorn:
dsc06968
Ik was er om voor Stad & Lande wat foto’s te maken in het Fietsmuseum Birza, waar onder meer deze antieke racefiets staat, met houten velgen, maar nog zonder remmen:
dsc06993
Ze hadden er ook een prachtig ontworpen serie provinciale fietskaartjes van ver voor de oorlog:
dsc07012


Een muzikaal antidotum tegen de tarantulabeet

muziek-x-tarantulabeet

Gister tweette ik dit melodietje, dat ik aantrof in het medische curiositeitentraktaat uit 1681-1683 van Stephanus Blankaart. Het wijsje gold volgens deze Amsterdamse arts als weermiddel tegen de giftige beet van de tarantula. Een van de effecten van zo’n spinnebeet was namelijk een zingen en dansen “sonder ophouden”. Als het gif de gal bedierf, prikkelde dat de zenuwen, hetgeen zich weer uitte in zwieren, springen en swingen,  dartelen, trappelen en huppelen:

“Zoodat de musyk het eenigste middel is tot dese ziekte, want de lyder danst met groot geweld op de klank van de instrumenten, en dat met mate (= op de maat), alhoewel hy sulks noit geleert heeft, dan soo vertrekt het fenyn door ’t zweeten weg…”

Het heilzame tweetje adresseerde ik speciaal aan Kainbongel oftewel Henk Scholte, die het weer doorbriefde naar Törfgenoot Flip Rodenburg. En Flip maakte er binnen de kortste keren een muzikale opname van, die Henk vandaag op zijn beurt op de SoundCloud zette. Oh  wacht, dat is waar ook, zoiets kan je embedden. Dit is ‘m:

Mocht u dus onverhoopt gebeten worden door een tarantula, u weet wat u te doen staat. Gauw naar Groninganus om dit wijsje af te spelen. Bookmark deze pagina. Zij kan levens redden!


Een zee-eenhoorn in het Schuitendiep en andere aardkundige raadselen van weleer

2015-08-03-017

Wat ondergrondse boomstammen, kienhout, de zondvloed, de Stobbevenne bij Roderwolde, de grote veenbrand van 1684 etc. met elkaar te maken hebben.

Ludolph Smids (1649-1720) groeide op te Groningen als wees in een welvarend katholiek milieu. Zijn voogden stuurden hem eerst naar een Latijnse school in Antwerpen en vervolgens naar een klooster in Westfalen, vanwaar hij op zijn 21-ste terugkeerde naar zijn vaderstad Groningen om geneeskunde te studeren, Deze opleiding maakte hij naderhand af in Leiden. In 1673 vestigde hij zich andermaal in Groningen, nu als arts. Door zijn overgang naar de gereformeerde kerk en zijn tweede huwelijk met een gereformeerde juffrouw raakte hij gebrouilleerd met zijn familie, en besloot daarom in 1685 naar Amsterdam te verhuizen, waar hij zich tot een nogal gezwollen dichter en een universele geleerde zou ontwikkelen.

Als arts publiceerde Smids in 1688 enige ‘Aanmerkingen’ op een tweedelig traktaat (1681-1683) door zijn Amsterdamse collega Stephanus Blankaarts, welke aanmerkingen naderhand aan Blankaarts werk zijn toegevoegd in een convoluut. Deze verzamelband is in zijn geheel bij Google Books te vinden. In zijn Aanmerkingen haalt Smids nogal eens medische gevallen uit zijn Groninger tijd aan. Bij gelegenheid ga ik daarop in. Dit keer iets over een geologisch zijpad dat beide heren insloegen.

In deel II van zijn traktaat (pag. 209-210) vertelt Blankaart over bomen die in Cornwall onderin tinmijnen waren aangetroffen. Ook elders in Engeland kwamen wel eens ondergrondse bomen bloot te liggen, namelijk bij het verstuiven van duinen en Engeland was wat dat betreft geen uitzondering, want dat gebeurde in Holland eveneens. Uiteraard gaf dat discussie:

“Daar werd met groote vlijt over getwistredend hoe dat dese boomen in de grond komen: het gemeene (= gewone) volk is van gevoelen, datse door de Sondvloed sijn ter neergeslagen en met slijk bedekt. Sommige aartkenders twijfelen of het niet een sonderlinge soort van boomen is, die uit de natuur in de holen der aarde gewassen zijn, gelijk men gelooft dat er enige planten wassen. ..“

Blankaart zocht het zelf liever niet in zulke “verre oorsaken”. Hij geloofde eerder aan een grote overstroming die de bomen ontwortelde en met zand en slik bedekte : “Daarom vind men daar gemeenlijk rivieren of morassen by”. In zijn eigen verklaring noemde hij de zondvloed niet, maar sloot deze toch ook niet uit.

In zijn Aanmerkingen (pag. 123-124) valt Smids zijn collega min of meer bij op basis van Groninger bevindingen. Dat er een aparte soort bomen onder de grond groeide, wees hij vanwege veenkoloniale vondsten van de hand:

“Men vindse buiten Groningen bykans in alle veenen als in Sappemeer, Wildervank &c., te weten onder het veen en bovenop het sand en juist (…) met de stamme naar het noordwesten. De turfschuitenschippers brengen dit hout mede als wat bysonders, nu rot en vermolmd, en heeten het keenhold.”

Dat ‘keenhold’ kennen wij nu als kienhout. De stammen waar het eind zeventiende eeuw van afgenomen werd, bevonden zich onder de veenlaag en op de onder het veen liggende zandlaag. Ze kwamen dus tegen het eind van de turfwinning op bepaalde locaties tevoorschijn. Smids verwijst impliciet naar de Stobbevenne bij Roderwolde, waar in het laatste jaar dat hij in Groningen woonde een grote veenbrand had gewoed:

“Toen in de heete somer van 1684 het veen by het meir langs ontrent Rowolde en Paterwolde was in brand geraakt, soo wierde daar in de uitgebrande kuilen een denneboom ontdekt van 40 voeten, boven het sand en, als gesegt is, onder het veen, ook met de wortel naar ’t noordwesten.”

Volgens Smids waren zulke bomen “door een geweldigen vloed omgeworpen en door het meegesleepte zand overstulpt”. Die vloed, bij verschillende oudere schrijvers het “Dilivium Cimbricum” geheten, zou in 340 voor Christus tussen de Rijn en de Elbe hebben huisgehouden. Volgens Smids vormde hij een plausibele verklaring :

“Dit moet niemand onmogelijk en ongelooflijk schijnen, nademaal midden in de Stad Groningen, tegenover de trappen van het Raadhuis, onder de herberg van den Daniel, eertijds eenige stukken van een oud schip zijn opgegraven. Voeg hierby dat hoorn van een zee-eenhoorn, gevonden van den arbeiders in het Schuitendiep…”

De Groninger bodem herbergt heel wat verrassingen, mag je hieruit concluderen. Dat wordt nog wat bij het ingraven van de Zuidelijke Ringweg, straks.

Met dank aan Otto Knottnerus voor het attenderen op deze bron.


Een groet uit herfstig Hoogkerk (2)

Ideaal weer om suikerfabrieken te kieken,
waarbij we heus niet gaan zieken
over het onwel rieken.

Vanaf het steigerpad aan de zuidkant van de Russchenveenseplas:
dsc06738
Ietsiepietsie ingezoomd:
dsc06739
Nog wat dichterbij:
dsc06741
Op de terugweg, vanaf het Hoendiep – de 20th Century Fox-versie:
dsc06762

Variant

Varianten

Olim de Groninger suikerfabriek


Diaken laat zieke vrouw voor zijn huis op straat liggen

Die zaterdag, de 20ste maart 1789, stopte er een paard en wagen voor de apotheek van Johannis Adamus Crebas in Winschoten. De wagen kwam van Westerlee, waar de diaconie hem had gehuurd voor het vervoer van

“een arme valetudinaire vrouw, thuis behoordende in Oostvriesland, welke niet te voet kon worden getransporteert”

Valetudinair betekent: ziekelijk, sukkelend. De wagen stopte voor Crebas zijn huis, omdat hij boekhoudend diaken was van het kerspel Winschoten. Waarschijnlijk verwachtten de Westerleesters dat Crebas zou zorgen voor het verdere vervoer van de patiënte. Nadat ze haar bij hem hadden “gepraesesenteerd”, konden ze echter nog niet meteen terug naar hun eigen dorp, want Crebas vond al direct uit dat de Westerleesters eigenlijk bij de lutherse gemeente moesten zijn. Naar haar eigen zeggen was de vrouw immers “van de augsburgsche confessie”.

De luthersen hadden hun kerk nog op Winschoterzijl, aan de grens van het Oldambt met Westerwolde. Maar een diaken van de lutherse gemeente, Daniel Schooman, woonde in Winschoten. Toen de vrouw bij hem uitgeladen werd, bestond hij het om

“voors[zeide] ellendigen, welke aan zijn huis door de diaconen van Westerlee was afgezet, op de straat te laaten liggen, zonder zig haar aangaande te bekreunen…”

De diakenen van de hervormde gemeente Winschoten maakten hier naderhand bij de drost nogal een nummer van. Ze verkeerden in de veronderstelling, zo schamperden ze, dat Schooman

“even zo genegen als hij verpligt was (…) aan een lid van zijne Kerk de pligt van christelijke handreikinge te doen…”,

maar dat viel dus nogal tegen. De hervormde diakenen meenden “dat zulk een handelwijs niet behoorde plaats te hebben” en daarom hadden zij zich het lot van de zieke vrouw aangetrokken:

“zoo hebben rem[onstran]ten zig niet durven onttrekken, maar zig veeleer verpligt gevonden als diaconen die de leer van Jesus volgen in de behoevten van deeze noodlijdende, door haar eigen geloofsgenoten niet geholpen, te voorzien.”

Kortom, het geval bood ze een prachtkans zich te profileren als véél christelijker en liefdadiger dan de lutheranen. Een beetje schijnheilig was dat wel, gezien het vervolg, want aan die menslievendheid hing natuurlijk een prijskaartje. Om die reden stonden de Winschoter diakenen rap, namelijk vier dagen later al, in de gehoorzaal van de Oldambtster drost, waarbij ze het voorval uit de doeken deden, aanvoerden dat ze niet verplicht waren om de vrouw te ondersteunen, en vroegen om zijn toestemming voor het terugvorderen van het aan haar gespendeerde geld bij de lutherse collega’s.

Volgens het diaconiereglement voor de stadsjurisdicties van 1783 was een hervormde diaconie, die ook als eerstelijns algemeen armenfonds moest optreden, wèl degelijk verplicht tot voorlopige steun in zo’n geval, waarna ze de uitgaven sowieso kon terugvorderen bij het dichtstbijzinde armenfonds van de dissenterkerk waartoe de persoon in kwestie behoorde. Wettelijk stond de hervormde diaconie van Winschoten dus al in haar volste recht. Na een hoorzitting verplichtte de drost de lutherse diaconie dan ook tot het “refundeeren” van de hervormde voorschotten.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6133: rekesten met apostilles.


Opkomst en neergang van de PSP

ledental-psp-1957-1990Vond een aardig staatje met de ledentallen van de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) tussen 1957 en 1990. Van die partij ben ik nog een poosje lid geweest, eind jaren 70, daartoe overgehaald door het legendarische, illustere en overdadig bebaarde gemeenteraadslid Sander Doeve, die me in café De Pijpela verzekerde dat er wel meer anarchistisch angehauchte types lid waren van zijn partij.

Ik was zelfs nog een tijd actief voor de PSP als ‘wijkhoofd’ (nee niet: blokhoofd, hahaha), een functie waarvoor ik op gezette tijden alle leden in de Oosterpoortwijk bezocht met een schoudertas vol roodpaars gekleurde brochures, posters en ander propagandadrukwerk. Dat paars kwam van het feminisme, dat alle heren in het partijpand aan de Tuinstraat dwong tot het zittend plassen op de plee. Met een bont gezelschap progressieve jongelingen  zong ik mee in het PSP-koor Ontstemd, en schreef daarvoor op oude volkswijsjes actuele liedteksten, zoals de Politiestaat en Argentina 1978. De liedjes, kennelijk keurig bewaard in het IISG, werden veelal gearrangeerd door Kobus Koopmans, die tegenwoordig, na een lang verblijf in Amsterdam, met zijn vrouw een galerie en bed and breakfast runt in de oude marechausseekazerne (!) van Nieuweschans. Ook Sander Doeve is trouwens na een lang vertoeven elders teruggekeerd naar Groningerland – hij is nu voorzitter van de GroenLinks-afdeling Oldambt.

De PSP dus. Wie bovenstaand grafiekje bekijkt, ziet dat er eigenlijk vier stadia zijn geweest in de levenscyclus van deze partij. Eerst is er een bescheiden groei geweest vanaf de oprichting tot midden jaren 60. Vreemd genoeg heeft de partij destijds niet kunnen profiteren van de anti-Viêtnamoorlogstemming, wellicht was ze in de ogen van veel mensen toch wat te intellectualistisch en radicaal. Daarna heb je twaalf jaar stagnatie tot 1977 en met de neutronenbom- en kruisrakettentoestanden beleeft ze dan een geweldige opgang. De hoogtijdagen hebben echter slechts vijf jaar geduurd. Zelfs op haar absolute hoogtepunt in 1982 telde de PSP minder dan 10.000 leden. Fase 4 bracht vervolgens een gestage neergang tot een niveau onder dat van de late jaren 60 en de eerste helft van de jaren 70. De no nonsensepolitiek brak baan, links radicalisme was uit de mode, de grote stropdas daalde vanuit de hemelen neder en de PSP fuseerde met CPN, PPR, EVP èn de Vereniging GroenLinks (waarvan ik ook nog lid ben geweest) tot het veel constructievere GroenLinks, een ontwikkeling die de meest verstokte radikalinski’s uit alle bloedgroepen ten sterkste hebben betreurd.


Hegepad met koude bui in de verte

dsc06526


De rode boom bij Niemeijer

dsc06184

Ik heb nog niet zoveel rood gezien, deze herfst. De gelen en bruinen overwegen. Maar deze boom maakt in zijn eentje veel goed.


De grammofoon was total loss

Vanmiddag op bezoek geweest bij de dochter (80) van Derk Ploeger, een indertijd alhier bekende anarchist die later jarenlang secretaris van de lokale PSP-afdeling was. Genoeglijk gepraat over Domela Nieuwenhuis, geheelonthouding, vegetarisme en de anarchistencamping. Ze trof bijna nooit iemand die iets van die sfeer afwist. En had een fraaie anekdote over een propagandatocht in Finsterwolde.

Dat moet in de jaren 50 geweest zijn. Het betrof een anti-stemcampagne (‘Denk zelf’, ‘Alleen een ezel kiest ezels’). Zij zat voorin het VW-busje aan de microfoon oproepen te doen voor een meeting en een mannelijke kameraad zat achterin het VW-busje tussen het praten door plaatjes met rooie strijdliederen (zoals de Internationale, het Morgenrood en Ga ga Marianne) te draaien.

In Finsterwolde kregen ze communistische jongens achter zich aan, die waren op de fiets. Gaven ze nou wat klappen achterop die bus? Enfin, de chauffeur wist wel raad. Hij voerde heel langzaam de snelheid van het busje wat op, zodat ook de communistische achtervolgers wat sneller gingen pedaleren. Tot de chauffeur pardoes op de rem trapte en de stalinisten achterop het busje knalden. Dit was het smadelijke eind van hun achtervolging!

Maar met de strijdliederen werd het die dag – helaas – ook niet veel meer. De man die achterin het busje de plaatjes draaide, was namelijk met plaatjes en al een heel eind naar voren gekukeld. En de grammofoon was total-loss.


Kaasetiketten, 1940

Bij aardrijkskunde, in een van de hoogste klassen van de lagere school, moesten we merken meenemen. Natuurlijk niet lukraak – het moesten merken zijn van producten uit de provincie die meester net aan het behandelen was. Die merken, vaak van huishoudelijke producten, mocht je dan, als ze meesters goedkeuring hadden weggedragen, in je schrift plakken. Zo herinner ik me dat in het mijne een wikkel van Verkadereep naast een ingekleurd kaartje van Noord-Holland belandde.

Blijkbaar gebeurde dat merken meenemen naar school ruim een kwarteeuw eerder, aan het begin van de oorlog, ook al. Deze kaasetiketten zitten in een Fries aardrijkskundeschrift uit 1940, in het kapittel over Friesland en zuivel:

Pegasus:
dsc06501
Dutch Bridge:
dsc06502
Superior Patronage (met kruiwagen!):
dsc06503
Hoogfijne (met twee hoefijzers bij een Alpenlandschap):
dsc06504

Weet niet precies hoe het nu zit, maar destijds hadden de Friezen er geen moeite mee hun kaas Hollands te noemen.


Naar Peest om Törf te zien

Al een poosje in de smiezen, maar er stond vaak een auto voor. Nu even niet. Middenplantsoen Ploeglaan, Hoogkerk:
dsc06413
Berkjes in het Bunnerveen:
dsc06427
Op de Grote Masloot die er langsloopt een stuk of 25-30 zwanen. Dit zijn er 10:
dsc06437
Door slak? aangevreten vliegenzwam:
dsc06442
Een eindje verder dit eekhoorntjesbrood, versmaad:
dsc06444
Noordsche Veld bij Peest:
dsc06459
Eikenlaan bij Peest:
dsc06460
Ornament aan een muur in Peest: bosarbeiders met paarden voor een wagen vol bomen op een modderweg:
dsc06462
Doel  van de reis was een optreden of openbare repetitie van folkgroep Törf, ter gelegenheid van hun veertigste verjaardag. De eigenhandig gefabriceerde doedelzakkencollectie van Flip:
dsc06467
De jongens speelden verscheidene nieuwe nummers, waaronder een over de veenkoloniale condition humaine, dat ik het mooiste vond:
dsc06470
Geert, Marius, Eddy:
dsc06480-was-96
Het uitzicht in de pauze:
dsc06487
Schrijver dezes bleek bij de tombola de gelukkige winnaar van hun laatste cd, waarop werk staat dat gebaseerd is op teksten van Simon van Wattum. Deze plaat is bijna uitverkocht en wordt niet bijgeperst. Nu had ik hem al en daarom verloot ik hem vandaag over een week onder de mensen die hier bij de reacties melden dat ze ervoor in aanmerking willen komen.


Fivelgoër toertje

Welgemoed op pad naar Stedum, waar een paar potjes witte klaverhoning op me stonden te wachten. Schaduwselfie:
dsc06194
Najaarstintenassortiment nabij Sint Annen:
dsc06201
Bij de Peertil:
dsc06209
Peertil:
dsc06211
Rijtje huizen in het land bij Stedum:
dsc06215
Miste laatst het bordje al op de dam daar bij Stedum. Het blijkt nu verhangen naar de topgevel van een schuur. Daar kunnen snoodaards er minder goed bij:
dsc06221
Lopster kant van Stedum – gracht tussen twee boerderijen:
dsc06222
Vedde Klaai!
dsc06230
Lopsters zorgen goed voor paarden. Achter het raam kijkt de koetjekat of jij, niet tot de doelgroep behorende, niet stiekem een appeltje meesnaait:
dsc06239
Oprijlaan bij de Schatsborgerweg nabij ’t Zandt. Jammer dat er geen geld is voor wat fraaiere brugleuningen:
dsc06253
In ’t Zandt naast de toren dit pandhoge opspandoek, dat waarschijnlijk moet verhullen dat het pand erachter dichtgespijkerd is:
dsc06268
Slootje bij Godlinze:
dsc06279
Doorleefde schuurdeuren in Godlinze:
dsc06282
Bij de toren van Godlinze:
dsc06283
Toren Godlinze:
dsc06291
Tussen Godlinze en Spijk dit zicht op een kolencentrale in de Eemshaven:
dsc06309
Het torentje van Spiek:
dsc06319
Met de windvaan – een leeuw met maarschalk- of admiraalstaf:
dsc06320
Er zit ook nog een kerk aan vast:
dsc06332
De kerk van Bierum:
dsc06337
Ook hier weer een gouden ring eromheen:
dsc06348
Er klonk een wat vreemd geluid. Dacht eerst dat het een buitenissig varken was, maar het bleek een burlend damhert even verderop in een  hertenkampje:
dsc06354
Nansum:
dsc06364
Op meerdere plekken in de omgeving stond bladrammenas, een groenbemester die weer wordt ondergeploegd, te bloeien: (met dank aan Hendrika voor de determinering)
dsc06366
Nansum vanaf de Eemsdijk:
dsc06373
Tussen Nansum en Delfzijl – schapenkaravaan op de dijk:
dsc06386
Kraai kijkt ze na:
dsc06388
Pikorde, of het recht van de sterkste op een strekdam bij Delfzijl:
dsc06392