Hoe Hendrik Hindrik verdrong
Geplaatst op: 28 oktober 2016 Hoort bij: Geschiedenis, Taal 8 reactiesWie veel oude Groninger bronnen leest, weet dat hier in het noorden ooit veel meer Hindrikken dan Hendrikken rondliepen. Hindrik was de regionale variant en Hendrik de Hollandse of nationale variant. Hendrik kwam pas later op en heeft op enig moment Hindrik overvleugeld.
Maar wanneer was dat? Dankzij Alle Groningers is dat gemakkelijk te achterhalen. In onderstaande grafiek zijn per kwarteeuw alle Hindrikken en Hendrikken uit Groninger doop- en geboorteaktes verwerkt van 1700 tot 1899. De rode lijn van Hendrik passeert de blauwe lijn van Hindrik in het derde kwart van de negentiende eeuw, als de provincie Groningen steeds meer geïncorporeerd raakt in de nationale eenheidsstaat, voor welke ontwikkeling de spoorwegen een mooi symbool zijn:

NB: Mogelijk hebben de invoerders van Alle Groningers per abuis wel eens een Hindrik in een Hendrik veranderd, maar dat maakt weinig uit. Correctie zou de ontwikkeling alleen maar pregnanter doen uitkomen,
In bovenstaande grafiek gaat het om absolute aantallen en loopt het aantal Hendrikken in de achttiende eeuw langzaam op, maar lang gebeurt dat in gelijke tred met het aantal Hindrikken. Pas in het tweede kwart van de negentiende eeuw komen de lijnen naar elkaar toe. Hoe Hindriks marktaandeel in percentages zich ontwikkelde, is daarom nog weergegeven in onderstaande grafiek:

Van lieverlee verloor Hindrik wel al wat terrein, maar in het eerste kwart van de negentiende eeuw was dat nog een overtuigende voorkeursvariant. Daarna begint een snelle afname en rond 1900 is die variant duidelijk in de minderheid geraakt.
Miljoenste hit voor Groninganus ->
Geplaatst op: 27 oktober 2016 Hoort bij: Webdinkies 20 reactiesHoera!

Leendert Bresser – Drinkgezelschap (18e eeuw).
Schoolmeester schakelt concurrentie uit
Geplaatst op: 27 oktober 2016 Hoort bij: Geschiedenis 4 reacties
(Navolger van) Gerrit Dou – Schoolmeester scherpt zijn pen.
J.P. Bolhuis, de ongetwijfeld hardwerkende schoolmeester van Winschoten, zat het niet mee. Hij kreeg in 1785 te maken met concurrentie. Terwijl er op onderwijsgebied geen vrije markt bestond, integendeel. Daarom ging meester Bolhuis naar de Oldambtster drost en vertelde hem over de funeste gevolgen:
“Hoe dat zig zomwijlen d’een en d’ander personen onderstaan in het kaspel Winschoot eenige kinderen ter sluik in spel- en leeskonst [te] onderwijsen en niet alleen mijn wittig onderwijs onttrekken, maar ook kostwinninge onderkruipen en benadelen en die kinderen veel kwade gewoonten gewennen, die naderhand bij mij weder in school komende ter nauwer nood met veel moeite, ja wel geheel niet worden ontwend…”
Het betrof een overtreding van het schoolreglement voor de stadsjurisdicties en dat was dus tegen “de wijze en loflijke welmeeninge” van het stadsbestuur, de bazen van de drost. Met name ging het Bolhuis om een Lambert Jans en vrouw en een Hindrik Busker en vrouw.
Een flitsonderzoekje levert op dat Jans mogelijk op het Zuiderveen woonde, m.a.w. in het Winschoter buitengebied, terwijl Busker een telg lijkt van het aloude Winschoter schoolmeestersgeslacht Busscher. Beide bijschoolhouders zullen zo bezien hun reden hebben gehad om meester Bolhuis concurrentie aan te doen. In beide gevallen gebeurde dat volgens Bolhuis onder het voorwendsel van “breiders onderwijs” (zeg maar breilessen). Meermalen had Bolhuis de illegale concurrentie verzocht om met het lesgeven in spellen en lezen te stoppen. Graag wilde hij dat de drost maatregelen nam.
Dat deed de drost, want hij gaf de wedman van Winschoten opdracht om zowel bij Lambert Jans en vrouw als Hindrik Busscher en vrouw langs te gaan en ze aan te zeggen dat ze geen “privaat schoolonderwijs” mochten geven. Ook kregen ze dit nog zwart op wit in een briefje van de drost. Als stok achter de deur kwam er op overtreding van het gebod een boete van 6 gulden te staan. Bij een schoolgeld van een stuiver per week kwam dit neer op twee maanden schoolgeld van vijftien kindertjes. Dat zou ze leren!
Dat Bolhuis concurrentie kreeg kan aan twee dingen hebben gelegen: of zijn onderwijs was onder de maat of zijn school was te vol. Het laatste zal tot ‘t eerste hebben geleid. Ik vermoed ook dat Winschoten destijds flink groeide, zodat de onderwijsvraag er toenam. Handige ondernemers speelden hier natuurlijk op in.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6131 (verkort weergegeven verzoekschriften met de besluiten die daarop genomen zijn).
Grondmist in de ochtend
Geplaatst op: 25 oktober 2016 Hoort bij: Hoogkerk 3 reactiesVanochtend bij het Hegepad:

Had het een tijd niet gezien – grondmist:

Beschenen door een magere zon:

Reigers hebben een talent voor kouwelijkheid. De ineengedoken blauwe reiger op de paal zag ik, de dito witte reiger op de bult links zag ik niet:
De vaars die niemand wilde
Geplaatst op: 25 oktober 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenHaye Tonnis uit Finsterwolde vertelde de drost hoe drie maand eerder een zwartbonte enter vaars in zijn land was “komen weiden”. Haye informeerde links en rechts wie de eigenaar was, maar kon dat ook na lang rondvragen niet gewaar worden. Daarom bracht hij het beest naar de schutstal, waar het sindsdien had gestaan.
Hij liet het beest drie achtereenvolgende zondagen kondigen in drie kerspelkerken (naast Finsterwolde waarschijnlijk Beerta en Oostwold), maar ook dat leverde niets op: nog steeds kwam er geen eigenaar tevoorschijn. Uiteindelijk vroeg Haye de drost ermee akkoord te gaan om de vaars door de diakenen van Finsterwolde te laten verkopen, waarbij het overschot na aftrek van voer en logies, “ten provyte der armen” zou zijn.
Op 19 oktober 1784 gaf de drost hiervoor toestemming aan de Finsterwolmer diakonie. Helaas begint de oudste diaconierekening van Finsterwolde pas in 1785. Er is dus niet te achterhalen hoeveel de vaars opbracht en of dat een hoge dan wel lage prijs was.
Wel geeft dit gevalletje mooi de procedure weer, die gold als een dier op de schutstal niet werd afgehaald. De predikant of de schoolmeester riep het na afloop van de zondaagse godsdienstoefening om in de kerk, en als dàt nog niet hielp, kreeg de diaconie er de beschikking over om het voor de armen te verkopen. De opbrengst minus de schutkosten was dan voor het liefdadige doel: de armen van het kerspel.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731, inv.nr. 6130.
Zilverreiger bij het Hegepad
Geplaatst op: 24 oktober 2016 Hoort bij: Hoogkerk 6 reacties
Vanmiddag om een uur of half vijf op weg naar mijn huis, zag ik deze zilverreiger op misschien 40 meter van het Hegepad staan. Normaal blijven ze op zeker 100, 150 meter afstand. Blijkbaar heeft dit exemplaar wat opgestoken van de blauwe reigers, die hier in overvloed zitten.
Rondje Ezinge
Geplaatst op: 23 oktober 2016 Hoort bij: Westerkwartier 8 reactiesPaarden bij Den Horn:

Onderweg naar Aduard – meidoornbessen:

Vlucht kieviten bij Den Ham:

Barnwerder goudes lijdt aan de essentakziekte:

Zonnewijzer, Barnwerd:

Geploegd en groen land bij Ezinge:

Toren met goudes, Ezinge:

Andijvie, boerenkool en prei op moestuin in Ezinge:

Oosteind Ezinge vanuit het noorden:

Het Lucaspad bij Feerwerd:

Bij het kerkhof van Feerwerd:

Op meerdere graven lagen kastanjecomposities:

Feerwerd, bij de Dataheerd:

Onder de avondmaalstafel in de kerk van Garnwerd:

Ook in Garnwerd staat er een goudes bij de toren:

Wetsingersluisbrug:

Koetjes, dijkje, boerderijtje bij Hekkum:

Koe op dijk bij vallende avond:

Zwaan bij de Wierumerschouw:

Dorkwerder veulen:

Hoe het Oldambt een nagelnieuwe galgeberg kreeg
Geplaatst op: 22 oktober 2016 Hoort bij: Geschiedenis 7 reacties
Reconstructie, op basis van de Beckeringhkaart (1781), van de plekken in Zuidbroek, van belang voor de uitvoering van het Oldambtster strafrecht. Een gevangene kon vanuit het torencachot op de hoek van de Kerkstraat, via het Rechthuis op de hoek van de Heiligelaan en Uiterburen, waar hij zijn sententie te horen kreeg, bij snelrecht in één ruk door naar de gerichtsplaats ten zuiden van de Galgeweg voor het ondergaan van zijn straf. Deze gerichtsplaats lag ongeveer even ver van de toren af als de brug over het Winschoterdiep. Het was een vierkant terrein, de galg had twee staanders met er bovenop een aan beide zijden overstekende dwarsbalk, zodat er meerdere mensen in één keer konden worden opgehangen. Deze werden onderaan de galg begraven.
De gerichts- of justitieplaats aan de Galgeweg bij Zuidbroek bevond zich in het najaar van 1764 in een droevige toestand. De gracht eromheen was zodanig dichtgegroeid, dat je er met paard en wagen doorheen kon rijden. Op die manier konden de gerichtsdienaren en roderoeden opdringerig volk bij een terechtstelling niet meer afweren. Ook was de poort op de “invaart” of dam verdwenen. Op het vierkante terrein zelf, ruim 40 bij 40 meter groot, groeide allerlei struikgewas en kreupelhout, kortweg: “bos”. De schandpaal of kaak was van boven “zodanig verrot dat er geen kram in vast kan blijven”, terwijl de galg ook onbruikbaar werd bevonden: “Dezelve moet vernieuwt of tenminsten gerepareert worden”.
Vanouds kwam werk aan de gerichtsplaats voor rekening van alle Oldambtster ingezetenen, die dat werk ook wel gezamenlijk hadden verricht. Eind september gelastte de Oldambtster drost, H.J. Veldtman, de Oldambtster volmachten (dorpsvertegenwoordigers) en schatbeurders (ontvangers van grond- en dijklasten) om zich op 2 oktober te laten vinden in het rechthuis van Zuidbroek, waar hij ze een voorstel zou doen. Hij schetste ze er de toestand van de gerichtsplaats, die nodig gerenoveerd moest worden. Zo diende de gracht weer voldoende breed en diep gemaakt te worden, opdat ze niet meer zo gauw zou dichtgroeien en ”om effect daarvan te hebben in cas van justitie”. De volmachten en schatbeurders mochten zèlf hun kerspelen laten uitmaken hoe deze het werk zouden willen uitvoeren. Als het weer een collectief karwei zou zijn, waarvoor het gehele Oldambt mannen zou moeten leveren, dan kwamen er meer dan 5000 mannen op, terwijl het werk gedaan kon worden door nog geen 100. En al die kerels zouden dan hun natje en een droogje moeten krijgen, wat bij 6 stuivers de man per dag neerkwam op 1500 gulden, terwijl de hele reparatie volgens de drost nog geen 300 gulden zou hoeven kosten. Als het graven van de gracht door de kerspelen gebeuren moest, dan zouden die wellicht protesteren. Wat betreft de kaak en de galg was ooit bepaald dat dit om de beurt door de timmerlieden van drie of vier kerspelen gezamenlijk zou geschieden, maar ook hierbij zouden de verteringen bij het werk groter zijn, dan de kosten bij aanbesteding. De drost stelde daarom voor het werk bij aanbesteding te laten uitvoeren. Die methode had duidelijk zijn voorkeur, die was het “best en profijtelijkst”, en daarvoor was het nu in het najaar ook het goede moment, “omdat de arbeiders het nu nog wel kunnen doen en de drukste tijd over is”. Bovendien, zo taxeerde hij, zouden ingezetenen er waarschijnlijk ook meer toe geneigd zijn.
Voor 9 oktober schreef hij een nieuwe bijeenkomst uit, intussen moesten de volmachten en schatbeurders hun achterban polsen, om te kijken waar de voorkeur naar uitging: aanbesteding of graaf- en timmerwerk door de gezamenlijke ingezetenen. Op 9 oktober bleek dat de keus gevallen was op aanbesteding, De drost mocht de bestekken laten schrijven. Daarbij werd hij geadviseerd door twee Oldambtsers, aangesteld door de gezamenlijke volmachten, die hiertoe Botjo Alberts (een boer uit Zuidbroek) en ene Jarko Willems (uit Scheemda of Nieuw-Scheemda) verkozen. Voor deze ene keer bewilligde de drost in zulke adviseurs, maar hij verklaarde uitdrukkelijk dat dit niet als precedent gold.
Uit een brief, op 25 oktober vanuit Oostwold geschreven door stadsbouwmeester Anthonie Verburgh, blijkt dat die ook bemoeienis had met het schrijven van de bestekken. Hij was onderweg naar Oostwold langsgeweest bij de drostenborg in Zuidbroek, maar had er drost Veldtman niet thuis getroffen. Voor Verburgh waren de exacte maten voor het grondwerk nog geen uitgemaakte zaak. Als de gracht extra diep moest worden, ruim 10 voet of bijna 3 meter, dan was een simpele “buining” (beschoeiing) niet meer voldoende, dan moest daar voor de stevigheid nog een “water gording” (gordel) omheen worden gelegd. De “kaak barg” of heuvel waarop de schandpaal kwam te staan, moest volgens Verburgh met “kijl soden” (driehoekige zoden?) worden opgezet, waarbij hij een voorkeur had voor een glooiing van 2 voet op 1 voet aan de basis, dus een helling van 45 %. Daarom moest die heuvel ook worden voorzien van een trap met leuning. De volgende zondag zou Verburgh weer met stadsrentmeester door Zuidbroek komen en dan konden ze nadere afspraken maken.
Op 2 november waren de bestekken klaar en werden deze samen met de algemene voorwaarden opgehangen in het rechthuis, waar gading makende aannemers ze konden laten afschrijven. Het grondwerk en het hout- en timmerwerk werden apart aanbesteed. De aannemer van het grondwerk moest allereerst het gehele “bos” op de justitieplaats verwijderen. Zijn volgende klus betrof de dam naar het terrein, die blijkbaar was ingezakt, want de aannemer moest deze ophogen en waterpas maken met de “Heerenweg” die tegenwoordig de Galgeweg heet. Voor de stevigheid moesten de grachtkanten van de dam met zoden worden opgezet. De “invaart” kreeg een breedte van 12 voet, ruim 3,5 meter, zodat er (al noemt het bestek dat niet) met goed fatsoen een kar overheen kon.
De gracht zou inderdaad zo breed en diep worden dat ze niet meer zo snel zou dichtgroeien en toeschouwers bij een terechtstelling op afstand bleven. De diepte werd egaal 9 voet (ruim 2,6 meter), bij een breedte van 15 voet (4,4 meter) op de bodem. Aan het oppervlak verschilde echter de breedte van het water: aan de noord-, oost- en westkant werd die 26 voet (7,6 meter), maar aan de zuidkant, waar het publiek zich blijkbaar ophield, een 30 voet (8,8 m). Ten opzichte van de bestaande breedte – 16 à 24 voet (ofwel 4,7 à 7 meter) – betekende dat inderdaad een aanzienlijke verwijding. Door het de grotere breedte aan de zuidkant werd de glooiing daar dus flauwer, maar het stuk water was er ook indrukwekkender.
De verbreding van de gracht gebeurde niet aan de binnenkant, bij de eigenlijke gerichtsplaats, maar aan de buitenkant. Aan de binnenkant mocht de aannemer alleen het bovenste laagje afsteken, zodat er zwarte grond zou overblijven. De wal daar moest vervolgens met zoden worden opgezet “ter hoogte als de justitieplaats kan worden” – die hoogte was dus nog niet bepaald, die hing af van de hoeveelheid grond welke aan de buitenkant van de gracht vrijkwam. Al die aarde moest op de justitieplaats worden geworpen, waar ze moest worden “gesligt” (geëffend). Zolang het ophogen van de justitieplaats duurde, had een tijdelijke goot er te zorgen voor de afwatering. Verder diende de aannemer de omgevallen palen op de justitieplaats of in het bos ten oosten van de gerichtsplaats te gooien, of te begraven op de gerichtsplaats. Met het werk moest hij al meteen in de week na de gunning beginnen. Hij kreeg er drie weken de tijd voor, op straffe van een gulden boete voor iedere dag overschrijding. De betaling gebeurde direct na de opneming en goedkeuring van het werk.
Het bestek voor het hout en timmerwerk schreef in de eerste plaats alle maten voor van de “buiningen” (beschoeiingen) langs de dam en rond de justitieplaats. Deze werden gemaakt van aangescherpte grenen posten, die “met een bequame loopheije” 4 voet (bijna 1,2 meter) de grond in geslagen moesten worden. Inderdaad kwam er een “gording” van eikenhout even onder de bovenkant omheen. Deze moest de aannemer bevestigen met “rongen” (ijzeren bouten). De beide buiningen aan weerszijden van de dam werden onder de dam door aan elkaar verankerd met een koppelstuk, dat aan de uiteinden met “verholen zwalve steerten” (goed weggewerkte zwaluwstaartverbindingen) vastgezet werd. Op de buiningen kwamen nog “schroden” te liggen tegen het inwateren van de kopse bovenkanten van de palen.
Midden op de dam, “en wel tegens voornoemde anker of grondholt”, verrees een “hameije” (balkenpoort) met twee deuren. De staanders of deurposten bestonden uit zware balken van 10 – 12 duim (ongeveer 30 centimeter in het vierkant). Deze waren vanaf de grond 11 voet (3,2 meter) hoog en staken vijf voet (zeg anderhalve meter) diep in de grond, waar ze in inkepingen in het anker “vast gerongt” werden. Tussen de palen moest dan op de ankerbalk van de buiningen nog een extra anker komen, eveneens met ijzeren bouten vastgezet aan het onderste anker en de staanders. Met andere woorden: er werd gezorgd voor een zeer solide constructie, die toegangspoort lag maar zo niet omver! Bovenop beide staanders moest een “klapmuts” (gepunt hoedje) komen met een overstek van een centimeter of 5 tegen het inregenen van de kopse paalkanten. De buiten- en binnenmaten van beide poortdeuren, die naar de wegkant opensloegen, de regels en latten erin, het bevestigingsmateriaal en het hang- en sluitwerk werden eveneens precies voorgeschreven.
Wat betreft de kaak op de justitieplaats, moest de aannemer op de plaats die hem nog aangewezen werd een paal neerzetten van 14 voet (ruim 4 meter) lang en 18 x 18 duim (zeg 47 x 47 cm) breed. Het onderste, 4,5 voet (of 1,3 meter ) lange deel bleef vierkant en ging de grond in. Het 9,5 voet (of 2,8 meter) lange deel boven de grond moest de aannemer “zindelijk” bewerken tot een achtkant. Net als op de hameipalen van de poort kwam er een klapmuts op de nieuwe schandpaal. Deze kwam opnieuw op een heuveltje te staan, dat de aannemer van het houtwerk “circul rond” moest maken en diende te voorzien van “kijlzoden” aan de buitenkant. De glooiing werd ook hier 2 op 1 voet, dus 45 %. Om de helling te overbrugging kwam er een trapje van grenenhout tegen het bergje aan.
Afgezien van dat trapje en de buiningen moest al het hout uit het bestek van “Drents, Westerwolds of Westveels eiken” zijn, een bepaling die ik ook van stadsbestekken ken. Al dit hout moest “zonder waan, spint, holle oesten en in de winter gekapt” zijn (dat laatste waarschijnlijk omdat er dan het minst kans op werking was). Voordat het hout zou worden verwerkt, wilden de aanbesteders dat eerst keuren. Na het op maat zagen mochten er geen zaagsneden of iets dergelijks in aangetroffen worden.
Beide aannemers moesten hun eigen gereedschap “en bequame arbeiders en knegten” gebruiken. Die van het hout- en timmerwerk diende klaar zijn op 1 januari 1765. Miste hij die deadline, dan kwam hem dat te staan op een boete van 3 gulden voor iedere dag dat zijn werk langer zou duren. Ook hij werd meteen na goedkeuring betaald, zo belooft het bestek.
Op 9 november waren de inschrijvingen binnen en vond er nog een afmijning plaats in het rechthuis te Zuidbroek. Daarbij werd ingezet vanaf het laagste bod “en die dan eerst mijn roept, zal aannemer zijn”. Qua grondwerk trok ene Eppo Jacobs aan het langste eind met een bod van 295 gulden, voor het hout en timmerwerk werd Hindrik Schreuder uit Zuidbroek voor 650 gulden de gelukkige.
De eerste kreeg op 8 december, de ander op 7 januari zijn aanneemsom betaald. In beide gevallen ging het om het volledige bedrag, ze hadden hun werkzaamheden dus binnen de gestelde termijnen afgerond. Bij elkaar opgeteld bedroegen de aanneemsommen 945 gulden, maar er kwam nog het een en ander overheen voor keuringen en verteringen bij besprekingen in het rechthuis, waarvan ene Louis Davion blijkbaar de waard was. Tot mijn verrassing zaten er ook nog een een paar kwitanties van Tjasse Jans, de later ontslagen roderoede van Zuidbroek, in het dossier. In februari kreeg hij nog 6 gulden “voor het oppassen van de gerigtsketenen en boeijen” die zich gewoonlijk blijkbaar op de gerichtsplaats bevonden, terwijl hij in maart nog de lanen naast de justitieplaats maakte en de dam onder de poort, die blijkbaar ingeklonken was, aanvulde. Al met al waren de ingezetenen van het Oldambt zo ruim 1111 gulden kwijt voor hun nagelnieuwe justitieplaats.
Gek genoeg zit geen bestek van de galg in het dossier. Waarschijnlijk was het daarmee nog niet zo slecht gesteld en is die in losse daghuren en niet op bestek gerepareerd. In de resoluties, rekesten en rekeningen van de stad is er in elk geval geen bewijs te vinden dat de stad hiervoor opdraaide. Het gehele werk was, afgezien van de drost, landschrijver en stadsbouwmeester, een puur Oldambtster zaak.
Op basis van de maten in beide bestekken zou men de justitieplaats dus niet algeheel, maar wel voor een aanzienlijk deel kunnen reconstrueren. Weliswaar is het onmogelijk dat in het echt en op de oude lokatie te doen, want dan moeten daar waarschijnlijk een of meerdere huizen voor wijken. Bovendien lijkt me dat omwonenden hier niet bepaald op zitten te wachten. Maar een maquette op schaal is natuurlijk wèl mogelijk. Een oud-aannemer/timmerman of iemand anders die hier zin in heeft, kan zich bij mij melden voor foto’s van de beide bestekken, die op zich vrij goed leesbaar zijn.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 inv.nr. 6310.
Een easy rider tussen de dienstfietsen
Geplaatst op: 22 oktober 2016 Hoort bij: Stad nu 2 reacties
Going back in time to the Sound of the Nation – Ouwe Puch reclame:
Ommetje Eiteweert – Leegkerk
Geplaatst op: 16 oktober 2016 Hoort bij: Drenthe, Hoogkerk 6 reactiesZilverrreiger, Onlanden:

Lijsterbes bij de Roderwolderdijk:

Kiekeboe, Leegkerk:

Groeten uit Hoogkerk:

Zwijnen in de moestuin
Geplaatst op: 15 oktober 2016 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties
Tammo Pieters uit Winschoten klaagde op 24 november 1783 bij de Oldambtster drost over zijn plaatsgenoot Folkert Luitjes. Folkert had namelijk drie zwijnen van Tammo naar de lokale schutstal gebracht, omdat die zwijnen
“in desselvs moes hadden geloopen en daarin schade gedaan”.
Veel mensen hadden slechts één enkel zwijn “op het hok”, een zwijn dat dan ook nog vaak gezamenlijk eigendom was. De drie van Tammo waren dan relatief veel, ik denk dat hij een wat professionelere varkensfokker of een slachter was. Verder viel dit akkefietje voor in de slachtmaand . Braken de drie varkens misschien uit, nadat ze het doodsgekrijs van een soortgenoot hadden gehoord?
We weten het niet, maar toen Tammo op de hoogte was gesteld dat zijn zwijnen in de schutstal verbleven, vervoegde hij zich, om ze vrij te krijgen, meteen bij Folkert om hem de aangerichte schade te vergoeden. Maar Folkert vroeg maar liefst 3 gulden, hetgeen Tammo “enorm” vond, veel te veel vergeleken bij de weinige schade die zijn varkens naar zijn mening hadden aangericht in Folkert zijn groentetuin.
Omdat ze het “in der minne’ niet eens konden worden, verzocht Tammo de drost, om zijn zwijnen weer terug te mogen nemen uit de schutstal, “onder voldoening van schut- en voergeld”. Over de schadevergoeding moest er dan eventueel maar een apart proces komen, dat stond beide partijen vrij.
Inderdaad gaf de drost de schutstalhouder toestemming, Tammo zijn varkens tegen die voorwaarden te restitueren. Hiervan moest Folkert vooraf bericht krijgen. Afgaande op het rekestboek liet die niets meer van zich horen en of er nog een civiel proces volgde is nog maar zeer de vraag. Maar dat zal ik binnenkort eens nakijken.
—
Bron: RHC Groninger Archieven 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6129 (samengevatte rekesten met daarop gevallen apostilles of kantbeschikkingen).
Arrestatie op de Emmabrug
Geplaatst op: 14 oktober 2016 Hoort bij: Stad nu 8 reactiesVanmiddag om een uur of kwart voor zes zou ik vanuit de binnenstad de Emmabrug oplopen, toen ik voor me een veiligheidsman achter een muurtje van het brughoofd zag bukken. Af en toe keek hij om het hoekje van de muur, zijn blik hevig gericht op iets aan de overkant van het Verbindingskanaal, op de Emmasingel.
Het bleek hem te gaan om een knaap in helblauw jack, die zich op korte afstand achtervolgd wist door een collega van de veiligheidsman. Toen beiden de brug aan de andere kant betraden, spurtte mijn veiligheidsman derwaarts, waarna hij en zijn collega het blauwe jack stevig tussen zich in namen. Op dat moment zette ik mijn camera aan:

Waarschijnlijk kwam het hele stel van een kledingzaak in de buurt van de Westerhaven. In het voorbijgaan maakte ik de tweede foto. Het blauwe jack keek me aan met een ietwat ondefinieerbare, misschien wat verbaasde èn nieuwsgierige, in elk geval niet dreigende uitdrukking in zijn ogen en greep naar zijn neus, naar ik vermoed om zich nog een beetje onherkenbaar te maken. Voor nog meer onherkenbaarheid heb ik hem van een balkje voorzien. Hij is immers slechts verdachte. Al vind ik de foto dan in puur esthetisch opzicht stukken minder mooi:

De jongen zit goed in de kleren, dacht ik eerst toen ik die foto bekeek. Pas daarna viel me op dat hij slightly overdressed voortstapt. Dat blauwe jack beschermt al behoorlijk tegen de kou, waarom dan ook nog iets met een bontkraag bij je dragen?
Brouwersvrouw “met wanbegrippen in haar verstand” opgesloten in “secure bewaarplaats”
Geplaatst op: 13 oktober 2016 Hoort bij: Geschiedenis 4 reacties
Gedrieën gaven ze acte de présence bij de Oldambtster drost: de brouwer Jannes Camping uit Winschoten, de weduwe A.P. van Bolhuis uit Groningen en de burgerhopman J. van Bolhuis, eveneens uit de stad. De eerste comparant was de man, de tweede de moeder en de derde de broer van Elisabeth van Bolhuis. Camping voerde als echtgenoot het woord, zijn schoonmoeder en zwager vulden zijn woorden af en toe aan. Ze vertelden dat Elisabeth
“in zodanige staat zig bevind, dat niet alleen haar huishouding niet kan verwaaren, maar alle zodanige mesures neemt, dewelke tot totale ruïne van de suppl[ia]nts huishouding en die der zes nog in leeven zijnde kinderen zoude verstrekken, mogelijk door wanbegrippen in haar verstand veroorsaakt en door vriendelijke en alle aangewende middelen niet zijnde te remediëren, zoo dat geen middel tot beterschap van gem[elde] Elisabeth van Bolhuis kan worden aangewendt, dan dat dezelve op eene bekwame en secure plaats worde besorgt, waarop deselve van het geene daar toe mooglijk aanleiding mogt hebben konnen gegeeven [zou worden] gelibereerd.”
Elisabeth was dus geestesziek. Volgens de famile lag de zaak gevoelig – ze noemden deze “teeder”. Camping, gesterkt met zijn schoonfamilie, verzocht de drost om toestemming zijn vrouw
“op eene convenable plaats op behoorlijke conditiën, naar U H[oog] Ed[el] G[estrenge] welgevallen te bezorgen in bewaringe…”
Dit verzoek deed hij op 16 april 1783. Twee dagen later nam de drost zijn besluit na een tweede hoorzitting, waarin alle drie bovengenoemde personen nog eens aan het woord kwamen over “het ver-gaande wangedrag” van Elisabeth, waarbij ook nog een schriftelijke verklaring van de Winschoter kerkeraad aan de orde kwam,
“uit welk alle de waarheidt van ’t geposeerde en de nootzaaklijkheid eener voorziening (…) ten vollen zijnde gebleken.”
Daarom kreeg brouwer Camping inderdaad toestemming
“deszelvs huisvrouw )…) bij provisie ter haarer verbeetering in eene secure en geschikte bewaarplaats op convenabele conditiën te bezorgen.”
Wel verlangde de drost nog een nader, schriftelijk bericht van Camping over de concrete “bewaarplaats” die hij uitzocht, waarbij de drost hangende dat bericht zijn definitieve toestemming uitdrukkelijk voorbehield.
Tot zover dit rekest om toestemming voor opname van een geesteszieke vrouw. Ik meende me te herinneren dat ze in een van de krankzinnigenkamers van het Anthoniegasthuis in Groningen zat, maar dat bleek bij een check van de rekeningen niet het geval (het betrof een andere Elisabeth). Hoe dan ook blijkt uit het rekest nogal wat omzichtigheid, het was er ver vanaf dat iemand zomaar werd opgesloten, de overheid in de vorm van de drost had hier kennelijk een zware stem in.
Een ander idée reçue wil, dat opsluiting destijds onherroepelijk was en dat patiënten als Elisabeth levenslang opgeborgen werden. In Elisabeths geval gaat dat zeker niet op, zoals blijkt uit meerdere bronnen. Maar laat me, als ik dan toch biografische bijzonderheden ga geven, eerst teruggaan naar het begin.
Elisabeth van Bolhuis was in 1752 in de stad Groningen geboren als dochter van Abel Popko van Bolhuis en Margien Aling. Haar vader was brouwer en haar moeders brouwersdochter. Door de toenemende consumptie van koffie, thee en jenever nam de bierconsumtie destijds voortdurend af en de brouwers vormden derhalve een verarmende en ook danig slinkende beroepsgroep. Je zou zeggen: erg optimistisch kan Elisabeths vader niet zijn geweest.
Elisabeth trouwde in 1770, op haar achttiende, te Winschoten met Derk Bruning, vaker Bruining of Bruinink geheten. Hij was oorspronkelijk afkomstig van het Clooster onder Coevorden. Volgens een weinig imposante boedelinventaris uit 1773 was Bruining eveneens brouwer – zijn bedrijf stond op de Binnenvenne in Winschoten, een brouwketel, kuipen en vaten hoorden er sowieso bij en op de zolder lag nog voor 200 gulden aan havermolt en voor 50 gulden aan gerstemolt.
Die boedelinventaris werd opgemaakt voor de toen tweejarige zoon Hindrik, wiens belangen beschermd moesten worden omdat Bruining overleden was en Elisabeth dat jaar als weduwe hertrouwde met Jannes Camping uit het Drentse Ees, waarschijnlijk ook weer een brouwer(szoon). Van dit paar werden in Winschoten vier kinderen gedoopt:
- 1774 – Abel Popko
- 1775 – Harm
- 1777 – Harm Jan Aling
- 1781 – Annechien
Met het voorkind van Elisabeth zelf en een voorkind van haar tweede man had ze dus nog voor haar dertigste de zorg voor zes kinderen.
Na Annechien, Elisabeths enige dochter, duurde het vier jaar voor het volgende kind zich aandiende. In die periode was Elisabeth opgenomen. Dat ze weer uit de ”secure bewaarplaats” kwam, bleek in 1785, toen ze met haar man en kinderen naar Toornwerd bij Middelstum verhuisde. Ze gingen er boeren op een boerderij met 79 gras land (een kleine 40 hectare), wat destijds een redelijk fors bedrijf was.
In Middelstum kreeg Elisabeth nog twee zoons:
- 1786 – Jannes
- 1793 – Berend
Ze leefde nog in 1797, want dat jaar tekende ze als getuige de huwelijksakte van haar oudste zoon Hindrik Bruin in Zuidwolde. Ze moet toen dus compos mentis zijn geweest. Niet lang daarna zal ze zijn overleden.
Zoals het rekest van Jannes Camping aantoont dat iemand niet zomaar kon worden opgeborgen, zo toont de hervatting van Elisabeths levensloop aan, dat een opsluiting ook tijdelijk kon zijn. Als je er even over nadenkt, is dat ook logisch: een opname ging gepaard met kosten die men heus niet meer wilde blijven betalen als de patiënt aan de beterende hand was.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6129 (samengevatte rekesten met daarop gevallen kantbeschikkingen of apostilles).
Kamer in het armenklooster gekraakt
Geplaatst op: 12 oktober 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenDat is gek, Veendam had in 1783 een klooster, terwijl die alom in Groningerland allang waren afgeschaft en de plaats zelf niet eens zo lang bestond. Het ging dan ook niet om een klooster met monniken of nonnen, maar om een “armenklooster”.
Dat blijkt uit een klacht van de Veendammer diaconie, die het bewuste vastgoed blijkbaar in eigendom had. De klacht ging over het echtpaar Beerent Jans en Annegien Tonnis. Dit had een paar weken eerder de euvele moed gehad
“in te breeken in een van de kaamers van ’t arme-klooster in Veendam”.
Zoals uit het vervolg van de klacht blijkt, betrof het eerder een soort van kraakactie, dan inbraak. De kamer (= eenkamerwoninkje in een rij) werd eigenlijk bewoond door Jan Jumkes, “zijnde een man van over de 80 jaaren oud”. Zonder zijn medeweten en bewilliging was het echtpaar op een onbewaakt moment bij hem ingetrokken en Jan Jumkes klaagde bij de diakenen dat hij en zijn huisraad door Beerent en Annegien (die hem misschien verzorgden?) “zeer worden mishandelt”, zodat “hij hun onmogelijk bij zig konde houden”.
Met medeweten van de Oldambtster drost lieten de diakenen het stel vervolgens tot twee maal toe door de kerspeldienaar aanzeggen “dat zij het arme klooster wederom zouden hebben te ontruimen”, omdat de diakenen
“hun die inwooning niet toestaan wilden, nog ook behoefden, vermits die persoonen geen onderstand benodigt waren, maar zig zelve nog kunnen het nodige door handen arbeid besorgen.”
Ze maakten, kortom, gebruik van sociale huisvesting zonder daar überhaupt het recht toe te hebben. Beerent Jans en vrouw weigerden echter gevolg te geven aan die aanzeggingen. Daarom verzochten de diakenen de drost, om er nu de wedman op af te sturen, die ze dan met zijn sterke arm uit het armenklooster moest zetten.
Aldus gebeurde, want de drost gaf op 24 juni 1783 zo’n machtiging aan de plaatselijke wedman.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6129 (samengevatte verzoekschriften met kantbeschikkingen).
Hunsingoër boderoute, 1652
Geplaatst op: 11 oktober 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
In februari 1652 moest de bode Roeleff Philips vanuit de stad een placcaat van Gedeputeerde Staten rondbrengen en aanslaan bij de rechthuizen in Hunsingo. Waar hij dat gedaan had, tekende de wedman ter plaatse zijn naam op een lijst, die Philips had genoteerd op de achterkant van een placcaat. Doordat dit stuk bewaard is, weten we welke route Philips volgde: vanuit de stad eerst naar het noorden tot Baflo-Rasquert, daarna zwenkte hij naar het westen, om vanuit Vierhuizen zo’n beetje de kustlijn te gaan volgen tot Uithuizen. Vanaf die plaats volgde hij tot slot een wat kronkelige weg naar het zuiden, terug richting stad.
Willem G. Doornbos vond het stuk en vertelt erover in de jongste aflevering van GroninGen, het orgaan van de Nederlandse Genealogische Vereniging afdeling Groningen. Doornbos vindt de route na Kantens een minder logische, maar zouden de kronkels daarna niet ingegeven kunnen zijn door de aanwezigheid van met puin verharde trekpaden? In februari met een paard over gewone kleiwagen trekken, moet bepaald niet vlot gegaan zijn.
Dat de reis meerdere dagen moet hebben geduurd, blijkt uit de beloning van de bode. Hij ontving er een pond groot voor, 6 gulden. Voor een vakbekwame ambachtsman in loondienst vertegenwoordigde dat een à twee weken loon. Ik denk niet dat de bode zo lang onderweg was, in de som zullen ook de kosten voor logies onderweg verdisconteerd zijn,.

Recente reacties