Ontslagen klerk weigert afgifte sleutels en papieren

klerk-c
Zo’n secretarie was nogal een hiërarchische toestand. In het Oldambt stond de drost bovenaan, hij was door het stadsbestuur benoemd om recht te spreken en te besturen. Daaronder had je de landschrijver, vooral prominent als aanklager in strafprocessen. En daar weer onder ressorteerden een of meerdere klerken, aangesteld door de landschrijver, maar beëdigd door de drost.

Net als een boerenarbeider was zo’n klerk totaal afhankelijk van zijn bazen. In 1777 meldde landschrijver R.F. van Iddekinge aan de drost, hoe hij genoodzaakt was om zijn klerk Sigefridus Klugkist te ontslaan, omdat die

“zoo wegens lichaams constitutiën, als andere omstandigheden, (…) buiten staad wierde gebragt om sijn ambt naar behoren waar te nemen.”

Een ambtenarenpensioen was er nog niet bij, de drost ontsloeg Klugkist van zijn eed en beëdigde in één adem door diens opvolger Bernardus Vliege.

Deze Vliege was een telg uit een familie van lagere beambten in de stad. Bernardus Vliege zal in de gunst hebben gestaan bij de Van Iddekinges, anders zou de Oldambtster landschrijver deze post niet aan hem hebben vergeven. Het bleef echter niet heel lang koek en ei tussen beide mannen. Ruim twee jaar later voelde Van Iddekinge zich reeds “genecessiteert” om Vliege te ontslaan.

Maar Vliege nam dit niet, zo lijkt het. Hij weigerde tenminste

“de sleutels van de tavel alwaar de boejen in zijn opgesloten, alsmede de andere sleutels en papieren de secretarie van den Oldambte toucherende, so onder hem berustende, over te geven.”

De landschrijver stelde de drost in kennis van deze weerspannigheid en verzocht hem om Vliege te gelasten tot afgeving van de sleutels en papieren. Als Vliege dat dan nog steeds zat te traineren, moest de wedman maar worden ingezet om het spul bij hem op te halen.

Drost Berghuys voldeed op 12 juli 1779 niet aanstonds aan dit verzoek. Hij wilde eerst Vlieges kant van de zaak horen en eiste dat de ontslagen klerk hem daarover binnen twee etmalen een schriftelijk bericht zou sturen.

Dat deed Vliege en op de 15e gaf de drost een afschrift van Vlieges bericht door aan de landschrijver. Ook gelastte hij Vliege nu

“zonder enig uitstel de sleutels en papieren tot de secretarie van den Ol-ambte behorende, soo onder deselve berustende mogten zijn, aan de wedm[an] J. Hellema te overhandigen.”

Wat betreft het ontslag en “gepraetendeerde jura” – d.w.z. vacatiegelden en schrijflonen die de landschrijver volgens Vliege nog aan Vliege moest betalen – schreef de drost nog een hoorzitting uit, waarvoor hij beiden door de wedman liet uitnodigen.

Die hoorzitting was op 17 juli, ’s ochtends vroeg in de drostenborg. Er werd overeengekomen dat Vliege een ontvangstbewijs voor de afgegeven sleutels en papieren zou krijgen, waarin deze allemaal zouden zijn opgesomd. Deze inventarislijst moest de landschrijver ondertekenen. Aan de andere kant moest Vliege nog wat achterstallig werk afmaken, het ging dan om het afschrijven van boedelinventarissen en het overbrengen van concept-akten op perkament. Vliege moest deze stukken binnen drie dagen klaar maken en aan de landschrijver geven. Bij die gelegenheid zou Vliege dan zijn achterstallige schrijflonen krijgen, “alsmede desselfs andeel in ’t lodt der bakkers”. Blijkbaar speelde de klerk een rol bij de broodzetting, het vaststellen van de minimumprijs voor brood. Met het “ombrengen” (van de kennisgevingen bij de bakkers) mocht Vliege zich echter absoluut niet meer bemoeien – waarschijnlijk vloeiden hier inkomsten voor hem uit voort, al was zo’n rondgang natuurlijk ook een uitgelezen mogelijkheid om Jan en alleman van het ontslag op de hoogte te stellen. Nog steeds werden een “reficier” (?) en een enkele sleutel vermist. Zodra die gevonden werden, moest Vliege ze aan de landschrijver afgeven. De landschrijver kreeg ook nog bijna 9 gulden van Vliege wegens gerechtskosten in een bepaalde zaak. Als alles over en weer overhandigd zou zijn, diende de landschrijver Vliege nog “een behoorlijke acte van ontslag” te geven,

“waar mede alle wedersijdsche praetensiën zullen zijn vereffent en gemortificeert, terwijl de Hr. Lands[chrijver] anneemt de zaken wegens geleverd francijn an de boekverkoper Oomkes te Groningen te zullen voldoen”.

Met dat francijn werd het in de secretarie gebruikte perkament bedoeld. Vliege kocht dat blijkbaar gewoonlijk in, waarbij de betaling ook via hem verliep.

De uitspraak van de drost maakt duidelijk, dat veel zaken door elkaar waren gaan lopen in de Oldambtster secretarie. Het ontwarren van de kluwen kostte echter ook weer niet zoveel moeite. De reden voor het ontslag van Vliege zou wel eens geweest kunnen zijn, dat hij opspeelde over geld dat de landschrijver hem nog schuldig was. Het ontslag ervoer Vliege als onrechtvaardig, vandaar dat hij sleutels en papieren verdonkeremaande.

Heb nog even gekeken waar Vliege na zijn ontslag bleef, maar er viel geen spoor meer van hem te vinden.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nrs. 6126 en 6128, rekesten d.d. 7 april 1777 en 12-17 juli 1778.


Rondje Lagemeeden

Nieuwe beek bij Transferium Hoogkerk:
dsc00095
Peizermade – kat op jacht:
dsc00104
Peizerdiep:
dsc00106
De laatste bloeiende distels in de berm bij Eiteweert:
dsc00107
Canadese ganzen, De Poffert:
dsc00121
Bij de Zuidwending achter de Poffert:
dsc00124
Zuidwending:
dsc00125
Blik naar het westen:
dsc00128
De Zuidwendinger molen
dsc00129
Lagemeeden:
dsc00137
Kerkhof Lagemeeden:
dsc00140
Schuur, Lagemeeden:
dsc00152
Verdorde bereklauw bij die schuur:
dsc00158
Westkant gemeente Groningen met suikerfabriek en Arrivatrein:
dsc00163
Blik achterom bij de Weersterweg:
dsc00165
Paard schraapt met zijn hoef een laagje van de droge slootwal af en begint te peuzelen (terwijl er in het weiland volop groen gras te vinden is):
dsc00175


Dag van de Groninger Geschiedenis, editie XXX

Van tevoren werd gezegd dat het drukker zou worden dan ooit. Maar dat viel nogal mee. In de hal bij het podium zag ik minder mensen. Bij de lezingen, voor zover ik er zicht op had, zaten de zalen redelijk vol. Bij de informatiemarkt, daarentegen, leek het drukker dan vorig jaar.

Bij aankomst staat er al een batterij brandweerwagens, waarvan eentje met de ladder omhoog:

dsc04770
Er wordt van alles naar binnen gesjouwd. Daar bij die molen:
dsc04773
Hilariteit in het standje van Lammert Doedens, de man op zoek naar de laatste rustplaats van Graaf Adolf:
dsc04786
Onze expositie over de diverse soorten grenzen wordt gefascineerd bekeken. Deze is straks nog een paar weken te zien in de hal van de Groninger Archieven:
dsc04795
Overzichtje over de informatiemarkt:
dsc04796
Wat die markt zo leuk maakt zijn de terloopse ontmoetingen en de pop-up museumpjes, vooral op archeologisch gebied. Prehistorische potten en weefgewichten uit Museum Wierdenland, Ezinge:
dsc04798
In de stand van Monument & Materiaal uit de stad deze pijpaarden Madonna met kind, afgaande op het modebeeld vijftiende-eeuws. Het beeldje is aangetroffen bij het Boterdiep:
dsc04810
Het Noordelijk Archeologisch Depot in Nuis nam een paar bouwfragmenten van de verdwenen Sint Walburgkerk mee, opgegraven in de jaren vijftig door Van Giffen. De ronde scherven zijn van bomben, geworpen tijdens het beleg van 1594, waarbij de kerk zou zijn beschadigd – ze werd in 1627 afgebroken:
dsc04818
Baardmankruik, altijd mooi:
dsc04819
In de kraam van de Archeologische Werkgemeenschap Noord-Nederland detectorvondsten van Aldwin Wals uit Uithuizen, zoals een loden gewichtje met het wapen van de stad Groningen:
dsc04824
Een instrumentje waarvan ik de functie vergeten ben – het was geen wegertje, misschien een primitieve sextant?
dsc04827
Sterk verweerd handvat van een mes, uitlopend in een voorstelling van een doedelzakspeler, denkelijk vroeg zeventiende-eeuws:
dsc04834
In de hal, vlak voor het uitreiken de scriptieprijs:
dsc04850
De genomineerden op een rijtje. De lachende jongen, Björn Quanjer, won zowel de jury- als de publieksprijs met zijn hier downloadbare masterscriptie over de cultuurgeschiedenis van de fiets in Groningen (1885-1935):
dsc04856
Het traditionele einde van de Geschiedenisdag: de geschiedeniskwiz met hoedje op, hoedje af. Groot struikelblok blijkt een vraag over een vermoorde staker. Kwam de winnaar een paar jaar geleden uit Amsterdam, dit keer is ze uit Nunspeet afkomstig:
dsc04870
Op de achtergrond zit de BHV-ploeg na te genieten:
dsc04887


Oldambtster boerenzoon belandt in befaamd verbeterhuis

vierige-kolom-v-blog

De vierige Colom was in de zeventiende eeuw nog een Amsterdams drukkershuis, vooral bekend van een atlas. In een gekleurde versie van die atlas staat dit beeldmerk, dat vast ook op het uithangbord te zien was.

Als zoon van een dikke eigenerfde boer en een domineesdochter was Peter Evers een van de rijkste erfgenamen van Scheemda en Eexta. Maar de jongen, opgevoed door zijn grootmoeder in de stad, wilde niet deugen.

Misschien was dat al zo voordat hij dienst nam in het leger, waar hij cadet of officier-in-opleiding werd in het regiment van de Ommelander generaal baron Lewe. Omdat hij nog minderjarig was, moesten zijn voogden hiervoor toestemming geven – misschien waren ze hem ook wel beu, graag van hem af en blij toe dat hij ergens ver weg zat. In september 1779 als achttienjarige deel uitmakend van het garnizoen te Namen, gedroeg hij zich echter dermate slecht, dat ze zich opnieuw met hem moesten bemoeien. Maar wat ze ook met hem probeerden, hij ging er lijnrecht tegenin. Daarom bespraken ze zijn gedrag uitvoerig met de Oldambtster drost, die het toezicht had over alle voogden. Niets hielp, de maat raakte vol en ze konden

“eindelijk niets beter voor hunne pupille oordelen, dan hem in een fatsoenlijk verbeterhuis besorgen.”

Met medeweten van de drost informeerden ze eens links en rechts eens naar mogelijke adressen, en uit een brief van Utrecht begrepen ze dat

“aldaar een goede occasie ten dien opsigte te zijn in ’t verbeterhuis De vierige Colom genaamt.”

De drost onderzocht nauwkeurig de feiten en daarbij bleek hem ”ten vollen” de waarheid van datgene wat de voogden naar voren hadden gebracht. Op 23 september 1779 machtigde hij ze om hun “pupil” Peter Evers uit de militaire dienst te halen en “provisioneel te bestellen en te doen bewaren” in genoemd verbeterhuis,

“op hope van verbeteringe zijner slegte en gevaarlijk conduite en tot voorkominge van ergere gevolgen.”

De jongeling kwam terecht in een illuster oord. Maar eerst iets over verbeterhuizen in het algemeen – dat waren een soort van particuliere gevangenissen en/of gestichten voor ontsporende en ook wel geesteszieke rijkelui(skinderen), die er meestal geplaatst werden door hun te schande gemaakte families.

‘De vierige Colom’ (vurige Kolom) was in de achttiende eeuw misschien wel Neerlands bekendste verbeterhuis. De naam werd afgeleid van de vuurzuil in het bijbelboek Exodus, die de joden de weg wees naar hun Beloofde Land. Toegepast op de bewoners – die moesten ergens doorheen om nog goed terecht te kunnen komen.

In De vierige Colom zat van 1730 tot zijn dood in 1746 de drankzuchtige en agressieve koster van de Utrechtse Domtoren, die de beruchte sodomietenvervolging met een verklaring op gang bracht. Zijn dochter bezorgde hem er een plaatsje. Eind 1761 werd de jonge Pieter ’t Hoen, later de man van het patriotse opinieblad De Post van den Nederrhijn, hier voor een jaar opgesloten door zijn ouders. Ook speelt het huis een rol in het satirische geschrift De Boere Studeerkamer uit 1767: een onbetrouwbare boekhouder plaatste er zijn overspelige vrouw. En veertig jaar later duikt het huis nog op in Loosjes’ Historie van Mejuffrouw Susanna Bronkhorst, waarin een vader zijn lichtmis van een zoon de keus geeft tussen de Duivel en Beëlzebub: ofwel twee jaar opname in De Vierige Colom, ofwel keihard van de vroege morgen tot de late avond werken op vaders kantoor, om de aangerichte schade terug te betalen. De lichtmis koos toch maar liever voor het laatste…

Ongetwijfeld heeft Peter Evers veel geleerd tijdens zijn verblijf in De vierige Colom. Of hij zich moreel verbeterde, is de vraag. In elk geval keerde hij terug naar het Oldambt. In 1787 trouwde hij in Scheemda met de Noordbroekster kasteleinsdochter Hilligje Broekema, vrijwel zeker een huwelijk beneden zijn stand. Uit een boedelinventaris van 1803 blijkt toch nog steeds een zekere welvaart. In 1817 stierf hij – volgens zijn overlijdensakte was hij rentenier.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6128.


Poedelende ekster

Net op het platte schuurdakje van benedenburen. Toch wel een bikkel, deze vogel, met die frisse oostenwind. Nou ja, hij zal wel last van ongedierte hebben. De foto’s zijn door twee ruiten heen gemaakt.

a-dsc04761

dsc04757

dsc04759

dsc04762


Kijk, jaargang I, nummer 1

Ingebonden exemplaren van de eerste jaargang Kijk (1969) hebben wel dertig jaar in mijn Oosterpoorter kelderkast gelegen, en ruiken daar helaas nu nog steeds scherp naar. Desondanks moeilijk te verwijderen uit mijn huis.

dsc00085

dsc00086

dsc00087

dsc00088

dsc00089

dsc00090

dsc00091

dsc00093


Schadevergoeding wegens wandluizen

Avdries Both - De wandluizenjacht, ca. 1620.

Andries Both – Op wandluizenjacht.

In de zomer van 1778 kocht Jan Harms Bolman (die zichzelf Baalman noemde) een huis met een tuin aan het Oosterdiep te Veendam. Op dat moment werd het nog bewoond door een Jan Harms Tempel en vrouw, maar die ontruimden het huis per 1 november, zodat Bolman erin kon trekken. Dat bleek echter geen onverdeeld genoegen, want Bolman

“die behuisinge daarop aanvaardende en willende reinigen of schoonen, tot deszelfs grote surprise daarin wandluisen heeft bevonden.”

Destijds kwamen wand- of weegluizen of bedwantsen zoals ze tegenwoordig heten, wel vaker voor. Zo “krielde” in 1775 een woning in de Pekela ervan, zodat de kersverse bewoonster, de vrouw van een afwezige schippersknecht, tot een huurstaking overging. Ook in de archieven van het Neder- en het Volle Gericht in de stad kwam ik ooit een paar meldingen tegen. Al met al zijn het niet echt veel gevallen, maar in de Groninger Courant werd er nog wel eens geadverteerd met middelen die een eind aan wandluizen moesten maken, zodat deze parasieten waarschijnlijk wel vaker voorkwamen dan incidenteel.

Door het ongedierte moest Bolman extra kosten maken

“ter removeringe van dien en suivering der behuisinge, uit welke hoofde hem actie van schadevergoeding sustineert geschapen te zijn.”

Hij vervoegde zich daartoe eerst bij de verkopers, die hem na enig onderzoek gelijk gaven. Die verkopers waren echter niet Tempel en vrouw, omdat die wegens wanbetaling van hun hypotheeklasten uit hun eigendomsrecht waren gezet. De werkelijke verkopers waren de “administratoren van de Tontine of Contract van Overleving”, een soort beleggingsfonds voor kopers van lijfrentebrieven, die jaarlijks collectief, dus met zijn allen een gelijke lump sum aan rente kregen, zodat degenen die overleefden steeds hogere bedragen konden beuren. Dit Contract van Overleving, dat sinds 1763 te Groningen bestond, had kennelijk geïnvesteerd in een hypotheek op het huis van Tempel en zijn vrouw, en omdat deze debiteuren in gebreke bleven wat betreft het betalen van rente en aflossing, mocht het fonds van het gerecht het huis “op schade en bate” van Tempel en vrouw verkopen, waarbij het fonds de som die overschoot nadat de schuld van de veilingopbrengst was afgetrokkken, aan de andere crediteuren moest geven.

Dat was een vrij gecompliceerde situatie, waarbij er voor Bolman van alles kon misgaan. Vandaar dat hij zijn toevlucht nam tot de Oldambtster drost met het verzoek om zowel hem als de administratoren van de tontine en hun schuldenaar Jan Harms Tempel te horen, opdat er zo mogelijk een schadevergoeding voor Bolman kon worden vastgesteld.

De drost wees dit verzoek van Bolman toe en op 17 november vond de tripartite hoorzitting plaats. Hierbij kwamen partijen overeen dat Bolman 20 gulden van de tontine kreeg, naast de kosten die hij voor de gerechtelijke procedure had moeten maken. De tontine zou dit weer doorberekenen aan Tempel.

Wie een huis ontruimde, kon het dus maar beter zelf eerst schoonmaken, ook al was hij formeel geen eigenaar meer en daarmee huurder. Bij aanwezigheid van wandluizen was de laatste bewoner immers in rechte aanspreekbaar op een schadevergoeding aan degene die het huis betrok.

Bronnen naast de gelinkte:

RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nrs. 6127 en 6125 (rekestboeken met resp. het Veendammer en het Pekelder geval).


Een zwakzinnige reus

“Een zoon, die van jongs op seer elendig is geweest”, zo omschreef Aafje Hilbrands in 1778 het “eenigst kind” van haar en wijlen haar eerste man Freerk Jans. Waarom de jongen er zo slecht aan toe was, legde ze uit:

“als kunnende [hij] niet staen, gaan nog spreken, verstandeloos en gevoelloos, so dat er gestadig iemand met hem spelen moet, en hem als een kind oppassen en bedienen, zelfs zo verre dat ’t eeten en drinken hem agter in de mond moet worden [gegeven]”

Op dat moment was die zoon achttien jaar oud en

“niet alleen wegens zijn elendigen toestand, maar ook wegens desselvs grootte van lighaam veel kosting van oppassinge, kleeren, levensonderhoud benodigt…”

Gelukkig behoorde Aafje niet tot de allerarmsten in de samenleving. Naar blijkt uit de boedelinventaris, die opgemaakt werd voor haar hertrouwen in 1772, hadden zij en haar eerste man, die schipper was geweest, zowel een tjalkschuit als een eigen huis in Wildervank. Ook verder zaten ze goed in de spullen. Zo liet Freerk bij zijn “lijfstoebehoren” maar liefst 7 hemdrokken na, waarvan 3 met zilveren knopen. Verder bezat hij onder meer een zilveren horloge, een paar gouden hemdsknopen en een bijbeltje met zilveren sluitwerk, al met al een bewijs voor zijn welvaart.

Uiteraard werden er bij dat hertrouwen van Aafje “voorstanders” of voogden voor haar zoon Jan aangesteld. Met die voorstanders sloot Aafje een akkoord over Jans vaderlijke erfdeel. Afgezien van de lijfstoebehoren van haar overleden man, die voor haar zoon bestemd waren, nam Aafje alle bezit over. In ruil daarvoor zou ze haar zoon tot zijn achttiende “in kost, drank en klederen” onderhouden. Daarna zou zij de voorstanders voor het erfdeel van Jan 600 gulden geven en de lijfstoebehoren van zijn vader. Met toestemming van de drost waren die kleren en opsmuk naderhand verkocht voor 100 gulden, zodat de totale som gelds die de voorstanders van Jan in 1778 ter beschikking hadden, 700 gulden bedroeg.

Vanwege Jans toestand, waren er zes jaar eerder bij het akkoord al voorzieningen getroffen voor de periode nadat hij achttien zou zijn geworden. De voorstanders wilden hem bij zijn moeder laten blijven voor een kostgeld van 100 gulden per jaar. Daarmee zou het dan zeven jaar kunnen duren, voordat Jans vaderlijke erfdeel opgesoepeerd was. Maar Aafje wilde hem ook dan nog wel houden. Ze nam aan “het zelve uit het eigen goed, zo lang zij en ’t kind leeft, te onderhouden”.

Maar dat kostgeld van 100 gulden, afgesproken toen Jan twaalf was, bleek toch wel wat karig op zijn achttiende, toen hij enorm bleek te zijn gegroeid. Reden voor Aafje om zich met dat rekest tot de Oldambtster drost te wenden. Ze klaagde dat ze met het afgesproken bedrag “tot onderhoud en oppassen van ’t kind” niet toekon, waardoor het huishouden met haar tweede man er financieel sterk onder leed. Daar viel echter wel een mouw aan te passen. Jan had intussen namelijk nog 410 gulden geërfd van een oom die in West-Indië stierf. Onlangs overleed bovendien een “moeij” of tante van hem, waarvan hij de mede-erfgenaam was. Aafje vroeg de drost haar “verbeteringe van ’t kostgeld” te bezorgen, door haar beide erfenissen toe te wijzen. Mocht ook het geld daaruit opraken, dan zou ze Jans onderhoud alsnog geheel uit eigen zak betalen.

Uiteraard zouden die erfenissen voor Jan in ontvangst worden genomen door Jans voorstanders, die na zijn achttiende gewoon in functie bleven. Of zij het ermee eens waren, vertelde Aafje niet in haar verzoekschrift. De drost schreef een hoorzitting uit om zowel Aafje als de voorstanders te horen, maar de conclusie ontbreekt helaas in het rekestboek. Ook vond ik elders in het drostenarchief geen afrekening van de voogden, terwijl het archief van de rechtstoel Veendam-Wildervank helaas verloren ging, zodat een eventueel civiel proces niet meer naspeurbaar is. Dat is jammer, maar dan nog blijft het beeld hangen van een vrouw die financieel alle zeilen moest bijzetten voor haar zwakzinnige zoon. Ook toen al zorgden zorgkosten voor heel wat hoofdbrekens.

Bronnen:
RHC Groninger Archieven,

  • Toegang 731 (gerechtelijke archieven Wold-Oldambt) inv.nr. 3901 (boedelinventaris Freederick Jans en zijn vrouw Aafjen Hilbrands 1772);
  • Idem, inv.nr. 6127 (rekestboek, in dit geval met verzoekschrift d.d. 8 september 1778).

Hond bijt ventster

johnston-9-honden

Honden in het dierenboek van Johnston (1660).

Dit keer een eenvoudig smartegeldzaakje.

Hinderine Jansens was al behoorlijk op leeftijd. Zwaar fysiek werk kon ze niet meer aan. Op geen enkele andere manier viel er voor haar nog wat te verdienen, “dan met lint en veters ter verkoop bij de huisen om te lopen”.

Dat venten met marginale handel stond laag in aanzien. Mogelijk werd ze wel eens met minachting bejegend. Maar vergeleken bij wat haar in Finsterwolde gebeurde, viel dat nog  mee. Niet voor niets zou ze een paar weken later, toen ze weer opgekrabbeld was, haar beklag over dat incident doen bij de Oldambtster drost.

Ze vertelde dexe hoogste gezagsdrager in het Oldambt hoe

“zig met de negotie voor eenige weken na ‘t carspel Finserwold hebbende begeven, hare waren ook bij Folkert Jans aldaar heeft zoeken te verkopen, ter welken occasie de hond van gem[elde] boer op rem[onstran]te is aangeschoten, haar een gat in de bille heeft gebeten…”

Ze had er zoveel “pijn en smerte” van, dat men haar op een wagen naar haar woonplaats Veendam moest vervoeren. Hoewel mensen van haar stand liever geen medicus inschakelden, kwam er dit keer een lokale dokter aan te pas, die haar ook medicijnen voorschreef. Nog afgezien daarvan had Hinderine geruime tijd het bed moeten houden, zodat ze niets kon verdienen. Door die agressieve waakhond zat ze dus met een behoorlijke schadepost.

Inmiddels had er Folkert Jans als eigenaar van de hond op aangesproken, maar die weigerde haar eens vergoeding te geven. Daarom voelde de ventster zich genoodzaakt, de Finsterwoldiger boer daarover in rechte aan te spreken. “Dan aangesien zij in zeer armoedige omstandigheden verkeert”, en dus de kosten van een gerechtelijke procedure niet kon betalen, verzocht ze de Oldambtster drost haar het “jus pauperum” te verlenen. Dat was het recht om te mogen procederen voor rekening van het gerecht, dat in zo’n geval een gratis advocaat toewees – een regeling die vooraf ging aan onze pro deo advocatuur.

De drost besloot op 13 oktober 1778 nog voordat hij haar dat recht verleende, eerst beide partijen te horen. Op zijn aandringen bleken ze bereid tot een minnelijk vergelijk, zodat het niet tot een echt proces hoefde te komen. De boer uit Finsterwolde betaalde de lint- en veterverkoopster 12 gulden wegens haar “voorgegevene wonding” door zijn hond. En daarmee was de zaak afgedaan.

RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6127 (samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop).


Koe in de Tjam

kobell-ca-1800-vee-bij-bruggetje-bredius

Uit de regels kan je bijna nog opmaken hoe de stoom Luitje Alberts uit de oren kwam. Hij had een koe in de weide gehad bij Hindrik Cornellis in Finsterwolde en dat voor 8 stuivers weidegeld in de week. Maar het was niet goed gegaan met het beest. Het raakte te water:

“… gem[elde] koe in de zoogenoemde Tjam geraakt zijnde, dezelve daaruit door Hindrik Cornelis tegens een steile en hooge wal is opgetrokken; dat de koe hierdoor ten uitersten afgemartelt, Hindrik Cornelis dezelve zonder eenig hulpmiddels aan te wenden in het land heeft doen verblijven, door welke negligente behandeling de koe daarna gestorven is…”

Luitje was bij Hindrik langsgeweest om schadevergoeding te vragen. Maar Hindrik hield zich stil en antwoordde niet. Daarom wendde Luitje zich tot de Oldambtster drost met het verzoek om een hoorzitting uit te schrijven, zodat met beide partijen de hoogte van die schadevergoeding kon worden vastgesteld.

Op 8 september 1778 willigde de drost het verzoek in om ze te horen “en zoo doenlijk te reguleren”. Een vervolg heb ik niet kunnen vinden, niet in hetzelfde rekestboek, niet bij de uitspraken en evenmin in het civielrechtelijke prothocol. Ik vraag me zo af, of het zaakje wel eens een vervolg kreeg. Maar wie weet, kom ik dat nog wel eens tegen.


Grondkraak bij het Hoetmansmeer

Het Hoetmansmeer en omgeving volgens Theodorus Beckeringh, in de jaren 1770. Van zeker drie kanten naderde de vervening het meer: vanaf Wildervank in het noordwesten, vanaf de Ommelanderwijk in het noorden en vanaf Nieuwe Pekela in het oosten. Bij het nieuwe en nog niet zo lange Stadskanaal in het zuiden tekende Beckeringh nog geen verveningsactiviteiten, maar ook aan de drie zijden waar hij die wel weergaf, lag het meer nog in woest hoogveen. Collectie RHC Groninger Archieven 1536-6317.

Het Hoetmansmeer en omgeving volgens Theodorus Beckeringh, in de jaren 1770. Van zeker drie kanten naderde de vervening het meer: vanaf Wildervank in het noordwesten, vanaf de Ommelanderwijk in het noorden en vanaf Nieuwe Pekela in het oosten. Bij het nieuwe en nog niet zo lange Stadskanaal in het zuiden tekende Beckeringh nog geen verveningsactiviteiten, maar ook aan de drie zijden waar hij dat wel deed, lag het meer nog in woest hoogveen. Collectie RHC Groninger Archieven 1536-6317.

Als je afgaat op de verschillende Groninger encyclopedieën en andere naslagwerken, werd het Hoetmansmeer, een meerstal in het hoogveengebied tussen Wildervank en Nieuwe Pekela, pas in 1804 drooggelegd en in boerenplaatsen opgedeeld. Dat mag zo zijn, maar die droogmaking kende een vrij lange aanloop, waaraan meestal voorbij wordt gegaan. In 1769 vroeg juffer H.H. Werumeus, de eigenares van het meeste veen aan de kant van de Ommelanderwijk, de stad namelijk al om droogmaking van het meer, waarop de stad in de zomer van 1770 besloot om samen met haar die drooglegging werkstelling te maken. Dat gebeurde in eerste instantie door een ringsloot aan de noordkant, waarin het meerwater kon afzakken. Terwijl de stad die sloot steeds verder zou verdiepen, zou juffer Werumeus de afwatering van de sloot naar haar wijk betalen en die wijk steeds dieper houden dan de ringsloot. Voor de vervuiling van haar watergangen met meerstalwater zou de stad haar een vergoeding geven. Maar waarschijnlijk doordat de juffer weldra stierf, lag het werk in 1776 stil. Met haar opvolger C.H. Gockinga, die dat jaar aan de bel trok, werd weliswaar in 1778 een nieuwe overeenkomst gesloten, zodat in 1785 de perceelsgrenzen door het meer konden worden “opgetrokken”, maar erg veel schot zat er dus ook toen nog niet in de zaak, wat deels wellicht zijn oorzaak vond in enkele diepere kolken in het meer.

In elk geval bestond er in de jaren 1770 al een “commissie tot het aftappen van het Hoetmansmeer”. Ook lag een deel van het meerland destijds al droog. Want toen voornoemde commissie in de zomer van 1776 de oevers naging en onderzocht, zag een van haar leden, dr. Forsten,

“een aanmerkelijke antal banken boekweitenlandt, gelegen op het droog gewordene landt bij en omtrent Hoetmans Meer”.

En dit boekweit (een brandcultuur) groeide nota bene op zijn grond, in de opstrek van de veenplaats nr. 35 aan het Oosterdiep in de Wildervank. Bij nader onderzoek bleek Forsten ook, dat het veen hier was “gebrand, bearbeijdt, besaaijt en beheerdt” door zijn pachter op die plaats, te weten Stoffer Hindriks Smit. Alleen gebeurde dit zonder Forstens voorkennis en toestemming, ja, Forsten kreeg er zelfs helemaal geen pacht voor! En dat terwijl sommige van de bewerkte akkers al “eenige jaren schenen geboekweijdt te wesen” – bij andere percelen ging het om “geheel nieuw landt, nieuws toegemaakt”.

Eigenlijk was hier dus sprake van een grondkraak… Uiteraard wilde Forsten van zijn meier weten hoe dit zat en Stoffer Hindriks Smit gaf daarbij grif toe

“gemelde boekweijtenlandt gebrandt, bearbeijdt en besaaijt te hebben, voorgevende dat landt van Rem[onstran]ts overleden veenbaas gekogt te hebben, die nu al in de drie jaren overleden is geweest, daar een gedeelte landt onlangs is toegemaakt, ook in de jaarlijkse rekeninge in praesentie van de veenbaas met meergemelde meijer geen de minste mentie off verantwoordinge van dat landt geschiedt is.“

Met andere woorden: Smit beweerde de grond te hebben gekocht van Forstens veenbaas, maar omdat die goeie man al drie jaar dood was, kon dat onmogelijk opgaan voor het deel van de grond dat nog maar sinds kort bewerkt werd. Bovendien ontbrak elk schriftelijk bewijs voor zo’n transactie en Smit lulde zich zo compleet vast. In elk geval vond Forsten reden om naar de Oldambtster drost te stappen. Hij achtte het

“ten hoogsten noodig dese geweldadigen handelwijse tegen te gaan en voldoeninge te erlangen van het gepasseerde”

en vroeg op 29 juli 1776 de drost om Smit ter verantwoording te roepen en hem te verbieden dat land nog langer te gebruiken. Via de wedman van Wildervank werd dit “exploot” bij Smit bezorgd.

Voor ik verder ga met de civiele zaak eerst iets over de achtergrond van beide partijen. De ene zou je een Goliath kunnen noemen en de ander een David.

De Goliath was dan de gepromoveerde jurist Hindrik Forsten (1711-1796). Waarschijnlijk betrof het een zoon of kleinzoon van de rond 1700 in Wildervank prominente verlaatsmeester, wedman en veengenoot Jan Harms Forsten. De familie Forsten ging het bijzonder naar den vleze, haar wapen prijkt op een herenbank in de Wildervankster kerk. Hindrik stond met zijn ene been in de geleerde wereld, want toen hij stierf liet hij volgens de kranten-advertenties een “fraaye verzameling” van Latijnse, Franse en Nederlandse boeken na over rechtsgeleerde, godgeleerde en historische onderwerpen. Deze bibliotheek kwam in de stad, waar Forsten ’s winters woonde, onder de hamer van de academische auctionaris Bolt. Even tevoren was Forstens vastgoed al geveild: een “menigte porcelen landerijen, veen en dallen”, meest gelegen te Wildervank, naast wat grondpachten aldaar, twee huizen met tuinen en last but not least een veenplaats op het Gasselternijveen.

Kortom, Hindrik Forsten was een jurist, academicus en grootgrondbezitter. Wie de David was, blijkt uit de boedelinventaris van Forstens  pachter Stoffer Hindriks Smit (1775). Smit bezat toen een huis en tuin (Oosterdiep Wildervank nr. 35) met ongeveer 8 deimt land, wat neerkomt op 3,6 hectare. Dat land was gedeeltelijk weiland, want aan levende have had Smit twee koeien, een enter (éénjarige) vaars en een “hokkeling bolle” (stierkalf dat gemest werd), twee koekalveren en een schaap. Voor het melken van de koeien beschikte hij over melkgereedschap, voor het verwerken van de melk tot boter had hij een karn. Maar hij was niet louter veehouder, want hij bezat tevens een boekweitzeef, een zaaistok, een boekweitschoffel en vier dorsvlegels voor zijn graan. Afgaande op deze eigendommen was Smit een keuterboer met een gemengd bedrijf. Een keuterboer die het juist niet zo voor de wind ging. Van het aankoopbedrag van zijn veenplaats resteerde immers nog 1000 gulden schuld aan Forsten, en dat met het lopende jaar rente, te weten 40 gulden. Bovendien had de “heer en meester” Forsten nog een jaar grondpacht van Smit tegoed: 25 gulden. Forsten was daarmee veruit de belangrijkste schuldeiser van de keuterboer, die volledig aan Forsten was overgeleverd. Nogal stom dus, om zonder Forstens toestemming diens drooggevallen grond bij het Hoetmansmeer in gebruik te nemen, temeer daar Smit zijn rente- en pachtschulden bij Forsten nog verder liet oplopen dan in 1775 al het geval was.

Op 13 augustus 1776 kwam de zaak van Forsten contra Smit voor het eerst voor het Oldambtster gerecht. Forsten eiste een vergoeding voor de schade, te begroten door de drost, en ook moest Smit voortaan afblijven van het boekweitenland bij het Hoetmansmeer. Smit gaf in een volgende zitting toe dat hij dit land had gebrand, ingezaaid en bewerkt zonder daarvoor toestemming van de grondeigenaar te hebben, of die er pacht voor te betalen. Op 10 september erkende Smit in een andere procedure, dat hij Forsten inmiddels twee jaar rente en pacht voor zijn eigenlijke veenplaats schuldig was. Dat Forsten Smit echter ook nog wat moest voldoen, mogelijk arbeidsloon voor turfgraverij, bleek uit hun schikking de dato 24 september, die een week later in het civiele prothocol van de Oldambtster drost geboekt werd. Bij die “conventie” kwamen beide partijen overeen:

  • Dat Smit met onmiddellijke ingang zijn tuin en akkerland in eigendom zou afstaan aan Forsten. Wat er nog te oogsten viel, mocht hij houden, evenals zijn bult mest. Dat inhalen van de oogst moest echter wel zo snel mogelijk gebeuren.
  • De rest van zijn 8 deimt grond, het groenland, mocht Smit nog tot november gebruiken voor zijn vee.
  • Het huis op de grond mocht hij nog tot mei 1777 blijven bewonen. Hij mocht het huis, dat hij mogelijk zelf liet bouwen, dan afbreken voor het bouwmateriaal, maar als hij dat niet voor 1 mei deed, dan werd ook dit huis ’t eigendom van Forsten.
  • Op deze manier werden alle schulden van Smit aan Forsten betaald en ook de rekeningen over en weer. Wel waren de rechtskosten alleen voor Smit, met uitzondering van de daggelden, die hem werden kwijtgescholden.
  • Uiterst opmerkelijk was, dat Smit het gekraakte en gewraakte boekweitenland nog vier jaar mocht blijven gebruiken. Waarschijnlijk deed Forsten deze concessie omdat Smit nogal geïnvesteerd had in het voor de boekweitteelt geschikt maken van dit land.

Hiermee verloor Smit op termijn al zijn vastgoed. Dankzij zijn grondkraak trad de keuterboer toe tot het leger van bezitslozen. Alleen in mooie verhalen wint een David van een Goliath.

Bronnen (afgezien van de gelinkte)
Alles in RHC Groninger Archieven –

  • Toegang 1468 (Veenkantoor) inv.nrs. 218 (droogmaking Hoetmansmeer), 221 (verpachting stadsplaatsen), 250 (idem);
  • Toegang 2041 (Register Feith, afschriften) inv.nr. 1069 (voorwaarden aftapping Hoetmansmeer);
  • Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6126 (rekest Forsten);
  •  Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 47 (civiel proces).

Bultje krodde bracht daalder op

krodde-1786

Volgens een lijstje van “kooren gewas” op zijn boedelinventaris, verkocht de doopsgezinde koopman en boer Luitje Reinders uit Sappemeer in 1786 vooral haver (ruim 97 mud), boekweit (55 mud), rogge (36 mud) en “Turkse rogge” (bijna 8 mud). Dat laatste graan kwam waarschijnlijk van zaaigoed uit Turkije.

Verbazingwekkend is vooral de laatste post. Reinders wist zelfs nog een bultje krodde te verkopen. Het onkruid bracht een daalder op. Misschien werd er wel olie van gemaakt.


Van een scharensliep die met de noorderzon verdween

David Teniers - De Scharensliep (Louvre?)

David Teniers – De Scharensliep.

Diaconieën, de lokale fondsen voor armenzorg, hadden nogal eens iets te verhapstukken bij de Oldambtster drost. Vaak maakten ze onderling ruzie over de vraag wie er verantwoordelijk was voor de bedeling in een bepaald geval. Ook was er nogal eens mot over de nalatenschap van bedeelden. En een enkele keer verkochten ze vastgoed aan iemand die duidelijk niet solvabel was.

Dat laatste was het geval in 1762 te Veendam. Daar verkocht de diaconie toen

“een kamertje met een tuin staande en gelegen bij Scholtehuisen in Veendam”

aan Siwert Arents Scheerenslijper en vrouw. Dat dit eenkamerwoninkje geen riant onderkomen was, moge blijken uit de prijs, zegge en schrijve 42 en een halve gulden, een bijzonder laag bedrag als je weet dat een arbeiderswoninkje aan de onderkant van de woningmarkt destijds, althans in de stad Groningen,150 à 200 gulden deed. Bij de stulp van de Veendammer scharensliep zat ook nog een klein lapje grond, een tuin die jaarlijks een gulden en zeven en een halve stuiver aan grondpacht kostte. Wat ook echt niet veel was.

Siwert Arends was waarchijnlijk familie van de Arend Sywerds die in 1762 buiten de Oosterpoort van de stad Groningen woonde, en wiens vrouw Gesien Naarsingh met liedvellen ventte. Maar Siwert groeide op in Wildervank, zoals in 1759 bleek bij zijn huwelijk aldaar met een Aaltje Margaretha Andries uit Norden. Twee jaar later hertrouwde hij in Groningen met Leentje Geerts. In 1766 en 1768 kreeg dit stel in hun woninkje bij Veendammer Scholtehuizen een zoon Jan en een dochter Trijntje, mogelijk waren er eerder en later nog kinderen voor de doop gestorven. In elk geval boerde Siwert als scharensliep nog relatief goed, want van de 100 % hypotheek op zijn huisje, loste hij 10 gulden af, bijna een kwart van het aankoopbedrag.

Er resteerde dus nog een schuld van 32 en een halve gulden aan de Veendammer diaconie, niet alleen de instantie waarvan Siwert en vrouw hun huisje kochten, maar ook hun geldschieter. Die 10 gulden was het enige dat ze betaalden, voor de rest trokken ze zich niets aan van de betalingsvoorwaarden in het koopcontract. Sterker nog, ze betaalden ook de grondeigenaar “ïn geene jaaren” grondpacht.

Kennelijk zagen ze in 1773 geen andere uitweg meer, dan met stille trom te vertrekken,

“sonder dat men met seekerheid weet, werwaarts na toe, of waar ter plaatse sig thans ophouden, hebbende sij sig sedert hun vertrek niet het minste aan ’t kamertje bekreunt…”

Dit bleek ook uit een verklaring van de naaste buren, die de Veendammer diaconie eind 1777 voorlegde aan de Oldambtster drost. Het kamertje van de scharensliep werd intussen door een Pieter Jans en vrouw bewoond, “die ook onderstand van de diaconie in Veendam genieten”.

Doordat Sywert Arends Scheerenslijper en zijn vrouw met de noorderzon waren vertrokken, kon de Veendammer diaconie ze niet op de gewone manier voor het gerecht dagen. Natuurlijk zou de diaconie het verdwenen stel kunnen indagen via een ‘edictum ad valvas’, met aanplakbiljetten op allerlei plaatsen, “dog geconsidereert het kamertje en tuin van soo geringe valeur is”, begon de diaconie daar liever niet aan. Bovendien zouden de scharensliep en zijn vrouw zich er waarschijnlijk niets van aantrekken. En toch moest de zaak “in order gebragt” worden.

Daarom verzocht de diaconie de drost om het vastgoed buiten zulke procedures om weer aan de diaconie toe te wijzen, uit hoofde van de resthypotheek en vanwege de wanbetaling. Als de diaconie weer “meester en eijgenaar” was, wilde ze het kamertje met de tuin opnieuw verkopen. Ook daarvoor vroeg ze toestemming aan de drost. Uit de opbrengst zou ze dan eerst de achterstallige grondpacht aan de grondeigenaar betalen. Vervolgens zouden de restschuld en onkosten van het bedrsg af gaan, en “so onvermoedelijk deze verkoop so veel mogt rendeeren” dat er nog wat overbleef, dan zou dit restant ofwel voor Arends zelf, ofwel diens schuldeisers zijn.

Op 3 januari 1778 stemde de drost in met dit voorstel, want van de scharensliep en zijn vrouw was nog steeds niets vernomen. In zijn beschikking week de magistraat op een enkel puntje echter af van wat de diaconie voor ogen stond. Zij had het eventuele overschot aan het gerecht willen overdragen, maar de drost vond dat ze dat voorlopig zelf wel kon bewaren voor de scharensliep of zijn schuldeisers.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6127 (samengevatte rekesten met kantbeschikkingen).


Rondje Norg

Zilverreiger in de plas achter de Onlanderij:
dsc04319
Norlingerweg, Peize:
dsc04323
Toch nog zwaluwen – windwijzer bij de Pol in Peize:
dsc04326
Eindje verder, nieuwsgierige Peizer geiten:
dsc04328
Voorzichtig begin van de herfst:
dsc04331
Biologisch maisveld tussen Peize en Norg levert kolfje naar mijn hand:
dsc04338
Bij het Oostervoortse diepje:
dsc04340
Libelle met groenig rugschildje en vier vlekken op de vleugels, het lijf lijkt zwart:
dsc04350
Onder het brugje een zwerm schrijvertjes:
dsc04359
Norg, marionettenspel in etalage antiekzaak:
dsc04363
Duivenhok in andere etalage:
dsc04364
Veldje met meest uitgebloeide kleine zonnebloemen bij Langelo:
dsc04365
Een exemplaar dat het nog volhoudt:
dsc04368
Geïmproviseerd hek bij Langelo:
dsc04370
Het centrum van Roden bleek wegens een dorpsfeest afgesloten voor alle verkeer en zeer druk. Ging daarom langs een weggetje naar de achterkant van Mensinge en ontdekte dat daar op het veld naast het huis tientallen antieke tractoren stonden:
dsc04376
Meteen bij de opgang deze fraaie, maar curieus gekleurde Lanz Bulldog:
dsc04377
Hij leek wel in de olie gezet:
dsc04379
Midden op het terrein waren de dorsers er net mee opgehouden:
dsc04385
Maar bij het duivenhok was iemand nog bezig met een mij onduidelijke bewerking:
dsc04391
Huize Mensinge was al dicht. Eigenlijk had er achter het grote raam een freule moeten staan die met zichtbaar misprijzen op heur gelaat het plebs aanschouwde dat zich in heur tuin vermeide bij al die affreuze apparaten.
dsc04396


Van Zuidbroek naar Delfzijl

Westeind Zuidbroek, waar een stukje van het Oude Winschoterdiep doodloopt:
dsc04187
Op de plek van die dwarsweg lag ooit Tamminga’s Klap:
dsc04188-was-3
Bij de Akkers een ware pompoenentrein van de kweker Dallinga:
dsc04192
“Jongens niet dringen hoor, jullie komen allemaal aan de beurt”:
dsc04195
Leuk hoekje van Zuidbroek:
dsc04197
De Galgeweg, Zuidbroek, loopt tegenwoordig dood. Zo hoort het. Ik kwam er deze buizerd tegen:
dsc04207
Dame met rijke oogst in topgevel van Oldambtster boerderij, Uiterburen:
dsc04213
Bij de Drostenlaan:
dsc04215
Op de Drostenlaan een Volvo-truck uit 1968:
dsc04219
Nieuweweg – bloeiend mosterdaad, zoet ruikend, naast een stoppelakker:
dsc04221
Hier ergens moet in de achttiende eeuw de Oldambtster drostenborg hebben gestaan:
dsc04222
Cartouche met landbouwgereedschap in topgevel van Oldambtster boerderij:
dsc04226
Nog net in Uiterburen – een rijke pompoenenoogst:
dsc04227
Torentje met carillon op voormalige doopsgezinde kerk van Noordbroek. Die wijzers gaan binnenkort van de wijzerplaat vallen::
dsc04236
Driesprong iets ten noorden van Noordbroek, het laatste stukje Noorderstraat in de richting van Veendijk. Denk dat hier een herberg heeft gestaan. Vanaf de veranda kon je op je gemakkie naar de passanten koekeloeren. Is tegenwoordig niks meer aan – ze gassen je hier  voorbij:
dsc04237
De voormalige herberg (met doorrit) heeft aan de overkant nog een overtuin.  Hier zijn knuffels (te weten beren) terechtgesteld die aan de wurgpaal en hoogste boom zullen blijven rotten tot hun laatste vezel is vergaan. Dit als straf voor het stelen van honing en tuinvruchten, en zulks ter lering en exempel van velen :
dsc04240
Als penitentie voor zijn eigenrichting heeft de snode herbergier een andijvieperkje in de vorm van een kerk aangelegd:
dsc04242
De Eideweg afrijdend richting Siddeburen, zag ik een paar honderd meter verder op de N33 een kolonne van misschien wel twintig brandweerwagens uit het noorden komen. Er zaten zelfs Duitse exemplaren bij. Denk dat er ergens een treffen was:
dsc04248
Misschien wel in Siddeburen, want daar was een dorpsfeest. Daar hoort bij dat elke straat bij alle woningen een uniform opsierding heeft. De Eideweg koos voor een rode stoomlocomotief met een waarschuwingskruis voor spoorwegovergangen:
dsc04250
Andere kant Siddeburen, bij de Geerlandweg – te koop staande ploeg:
dsc04254
Tegenover de Geerlandweg, op de langwerpige plas langs de Damsterweg, waren lui aan het racen op waterscooters:
dsc04263
Ik neem maar aan dat dat hier mag? Deze plas was nota bene drukker met watersporters dan het hele Schildmeer:
dsc04266
Atelier Avalon, een broedplaats, naar het schijnt, voor van alles:
dsc04269
Lapjeskat blijft doodgemoedereerd op landweg liggen:
dsc04275
Terwijl er achter me een hels geblaf uitbreekt:
dsc04278
Hier woonde duidelijk een peerdekerel
dsc04286
De Aquarius uit Port Vila meert af in het Eemskanaal bij Delfzijll:
dsc04292
Delfzijl, eindpunt van de reis:
dsc04297