Oude Mei – dé ingangsdatum voor arbeidscontracten
Geplaatst op: 21 september 2016 Hoort bij: Geschiedenis 4 reacties
Vandaag bleek me dat dat de Anleiding tot de eerste beginselen der Groninger Regtskennis van Paulus Laman sr. op Google Books staat. Het betreft een eenvoudige compilatie uit 1738 van rechtsregels uit de verschillende delen van Groningerland, welke rechtsregels in de juridische praktijk van de verschillende rechtsgebieden ook werkelijk naast elkaar werden gebruikt: als het eigen Landrecht op een punt tekortschoot, speelde men gemakkelijk leentjebuur.
De Landrechten vulden elkaar zodoende aan, wat het werk van Laman inhoudelijk van universele waarde voor de gehele provincie Stad & Lande maakte. Qua taal had het dan nog voor een beperkt, academisch publiek bedoeld kunnen zijn, maar Laman schreef zijn boek in ’t Nederlands en niet in ’t Latijn. Zoals de titelpagina zegt, gaf hij het uit “ten dienst van ‘t gemeen” – relatieve leken moesten er wat uit op kunnen steken. Vanwege dat didactische doel hield Laman het bij de alleszins bevattelijke vraag-antwoordvorm die we ook kennen van de destijds populaire catechismussen en tractaatjes. Zijn Anleiding werd daarmee een gewild boek, dat later nog meermalen is herdrukt en geactualiseerd, met name door zijn zoon, mogelijk ook de eerste die de tekst überhaupt onder ogen kreeg.
Na mijn ontdekking van het boek, dat ik nog nooit had ingezien, ben ik vanuit de inhoudsopgave meteen naar het hoofdstuk over de dienstboden gegaan, niet alleen omdat talloze voorouders van me die nederige functie hebben bekleed, maar ook omdat ik in de rekesten van het Oldambt nogal wat arbeidsrechtelijke zaken rond dienstboden tegenkom (vooral ontslagkwesties). Dat hoofdstuk van Lamans boek begint met een droge definitie van wat onder een dienstbode moet worden verstaan, maar met het antwoord op de volgende vraag raken we al op spannender terrein. Die vraag 2 gaat erover, op welk tijdstip in het jaar de dienstboden van Stad & Lande in dienst moeten treden:
“Als geen aparte tydt bedongen is, drie dagen na de eerste Sondach in May of November (…) by verbeurte van het loon. By Placcaat van den 4 november 1723 is gestelt drie dagen na de sondach na den 12 May of na den 12 November invallende.”
Hier is dus sprake van een provinciale regel, die in 1723 werd herzien. Voordien was de eerste zondag na 1 mei of 1 november de richtdatum voor indiensttreding, nadien werd het de eerste zondag na 12 mei of 12 november. Die verschuiving hangt samen met een kalenderwisseling van 1700 op 1701. Op oudejaarsdag 1700 verdween de oude kalenderstijl, op 12 januari 1701 verscheen de nieuwe stijl en de tussenliggende dagen werden dat jaar geschraptt, waarmee het eerste kalenderjaar wel twaalf dagen was ingekort, maar natuurlijk niet de looptijd van allerlei jaarcontracten die nu doorliepen tot 12 mei, zijnde ‘de oude mei’ in nieuwe gedaante. De rechtsregel van 1723 kan je dan zien als een aanpassing aan deze almaar voortgezette praktijk. In alle Noord- en Oost-Nederlandse provincies werd in 1700-1701 de kalender aangepast en in al die gewesten gold de ‘oude mei’ sindsdien als een belangrijke ingangsdatum voor contracten. Zo stond 12 mei in Friesland bekend als de “âlde Maaie”.
Sinds 1701 markeerde de oude mei dan vaste trouw- en verhuisdata, het ingaan van arbeids- en huishuurcontracten, en, daarmee samenhangend, dienstbodenvakanties. Met Sint Maarten had je ook zo’n periode, maar die was minder in zwang, naar mijn stellige indruk.
Ben wel eens in discussie geweest met een collega-historicus, die studie maakte van een tamelijk beperkte regio in Groningerland en stellig meende dat het fenomeen ‘oude mei’ daar nu juist niet bestond. Volgens haar ging het om een “totaal ander gebied”. Inderdaad staat het placcaat van 1723 het bedingen van een “aparte tydt” toe, maar of een hele streek daarmee kon afwijken van de door de provincie voorgeschreven data? Ik betwijfel het. Natuurlijk waren er wel individuele uitzonderingen zoals Aaltjen Klasens, die zich volgens haar rekest bij de Oldambtster drost , “van St. Niklaas 1776 tot St. Niklaas 1777 als dienstmaagt (…) hadde besteedt”. Maar dergelijke uitzonderingen tref ik bar weinig in de bronnen aan en ze bevestigen daarmee volgens mij de algemene regel.

Oude Mei in Hekkum onder Adorp. NvhN 12.12.1908. De bewuste boer was de grootvader van Freerk Veldman, oud-directeur van de Menkemaborg.
Drie veenkoloniale Oostindiëgangers
Geplaatst op: 20 september 2016 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
Collectie Rijksmuseum.
We zijn een beetje gewend om de VOC als een Hollandse aangelegenheid te zien, maar op de VOC-schepen voer toch ook menige Groninger mee. Hetgeen ook blijkt uit Oldambtster rekesten.
I
Zo wilde Anna Geerts, de weduwe Douwe Jans, eind 1759, begin 1760 graag hertrouwen met Harm Meijnderts. De predikant van Noordbroek had hun huwelijk al een keer gekondigd, maar op last van de Oldambtster drost waren de verdere “proclamaties” opgeschort,
“doordien er geen zeker berigt voorhanden was, waaruit den doot van Douwe Jans haar vorige man consteerde”.
Die vorige man zou nog kunnen leven en als Anna dan hertrouwde, maakte ze zich schuldig aan bigamie, een delict dat nog uiterst streng werd bestraft. Gelukkig voor Anna echter, kreeg ze een bericht van de Heren Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, dat de dood van haar eerste man bevestigde. Met dat bericht gewapend, verzocht ze eind 1760 de drost zijn bezwaar in te trekken en de predikant van Noordbroek te machtigen om door te gaan met de kondigingen. De drost stemde hiermee in en het aardige is dat hij zijn klerk de VOC-verklaring liet overschrijven in het rekestboek:
“Wij onderges[chreven] bewinthebberen van de OostIndische Compagnie, verklaren bij dezen, dat Douwe Jans van Sapmeer, den 13 maart 1755 zonder testament te maken, niets nalatende is gestorven, als blijkt bij ’t Grootboek van de Caab (= Kaap de Goede Hoop, HP).
Ao 1754/5 fo. 496.
In Amsterdam 25 maart 1760
/stond/
G. Bors van Waveren
Jacob van Gnevel”
II
Een tweede verzoekschrift dat ons een glimp van een veenkoloniale VOC-medewerker oplevert, kwam van Hindrik Franssen. Hij was zelf varensgast en een tijdje eerder met zijn schip thuis gekomen. Daar wachtte hem minder prettig nieuws: zijn in de Borgercompagnie wonende schoonzus was overleden, onder achterlating van vijf kinderen. Intussen zat haar man, Hindriks broer Roelf Franssen in Amsterdam, waar hij zich volgens een “mondelijke tijding” had “geëngageert op een schip naar Oostindiën”. Op die manier was er toezicht op huishouding, noch kinderen. Dat kon niet, vond Hindrik, die als varensgast natuurlijk zelf niet langdurig aan de wal kon blijven en de drost daarom het voorstel deed om de diakenen van Veendam de ”directie over den boedel” over te laten nemen. Van die diakenen voorspelde Hindrik dat ze het op termijn sowieso voor het zeggen zouden krijgen (“als ter welker last de kinder naa alle gedagten zullen moeten vervallen”). Inderdaad bleek de drost op 2 juni 1772, toen hij ook de Veendammer diakenen over het geval aanhoorde, dat Hindrik de waarheid sprak. Daarom kregen de diakenen opdracht de huisraad van de boedel te verkopen om van de opbrengst de kinderen te ondersteunen. Zodra hun vader Roelf Fransen zich weer binnenslands mocht vertonen, moesten de diakenen aan hem rekening en verantwoordigng afleggen over hun administratie. En als er dan nog wat geld overschoot, moesten ze dat geld aan hem overhandigen, samen met de kinderen.
III
Een derde rekest dat ik in dit opzicht tegenkwam, was dat van Sijpke Hindriks, de weduwe Jacob Itzes uit Veendam. Zij vertelde de Oldambtster drost dat haar man in de winter van 1773 voor de kamer Enkhuizen was vertrokken met het Oost-Indische Compagniesschip ‘Hoog Carspel’ onder het bevel van de “manhaften schipper” Pieter Helmes. Bij die gelegenheid had haar man haar nog een brief geschreven vanaf Texel. Het was kennelijk zijn laatste levensteken, want later vernam ze dat hij op 20 mei 1775 op het schip De Mercuir was komen te overlijden. Ook hoorde ze dat de Compagnie hem nog steeds 79 gulden aan salaris schuldig was. Bij dat geld, een half jaarloon voor een arbeider, had ze natuurlijk alle belang. Alleen was er een complicerende factor: haar mans naam was verbasterd in de VOC-boekhouding terechtgekomen,
“het welk buiten twijffel geoccasioneert is, doordien vermelde eheman van de rem[onstra]nte in leven swaar ter taal en uitspraak zijnde, deszelvs naam niet distinct genoeg heeft geuit.”
Dankzij wijlen haar mans binnensmondse gemurmel vormde het dus een probleem om vanuit het verre Veendam dat geld los te krijgen. Om die reden moest Sijpke zelf of een gemachtigde van haar naar Enkhuizen om haar recht op dat geld te bepleiten. Nu leefden er nu nog twee kinderen van haar man en haar: een dochter Lammegien en een zoon Idze, beide nog minderjarig en samen voor de helft erfgenamen van het tegoed. Sijpke of haar gemachtigde kon het geld dan wel gaan opvragen en beuren bij de bij de VOC-Kamer Enkhuizen, maar waarschijnlijk kreeg zij of hij zonder machtiging van de drost om ook de helft van de kinderen op te vragen slechts de helft van het geld mee. Daarom wilde ze graag een verklaring dat zij als ‘legitima tutrix’ (wettig voogdes) het ouderlijk gezag had over de kinderen van haar en Jacob Idzes. Op 14 juli 1777 gaf de drost haar die verklaring.
Kortom
Nagelaten betrekkingen van VOC-personeel hadden het nogal eens moeilijk. Er ontbrak bijvoorbeeld bewijs voor het overlijden van een Indischgast, zodat diens weduwe niet hertrouwen kon. Of zo’n Indischgast liet de boel de boel en zijn kinderen in de steek. Of zijn naam stond verkeerd in de VOC-administratie, zodat zijn erfgenamen maar moeilijk aan de erfenis konden komen.
Naar de Oost gaan, stond sowieso al niet in zo’n gunstig daglicht. Vaak ging het om mannen met een vlekje. Soms moesten mannen er ook wel heen van familie en/of gerecht, omdat ze een misstap hadden begaan. De sterfte was groot, aan boord zowel als ginds. Overlevenden zetten het nogal eens op een zuipen. “Verlopen Oostindiëvaarder” was niet voor niets een scheldwoord. Politici die het publiek een VOC-mentaliteit voorhouden, kletsen dan ook finaal uit hun nek.
—
Bronnen: RHC Groninger Archieven , Toegang 731 (gerechten Oldambt) de inv.nrs. 6120, 6123 en 6126.
Rondje Faan
Geplaatst op: 18 september 2016 Hoort bij: Westerkwartier 8 reactiesDe haan van kinderboerderij Minerva, Hoogkerk:

Familie op stap met paard en wagen, Zuiderweg tussen Enumatil en Zuidhorn:

Hoendiep gezien vanaf de Zuiderweg:

Minibieb bij de katholieke kerk van Zuidhorn:

Vee bij de Holtweg, zuidkant Zuidhorn. Mooi is hier aan de achtergrond te zien hoe Zuidhorn op een (bescheiden) hoogte ligt, een voormalig zandeiland:

Spreeuwenzwerm in mast, Briltil:

Witrik-stieren (met dank aan de reageerders) in een weiland bij het Niekerkerdiep zuidzijde:

Close up:

Roodgekapte boerderij bij het Faan:

Wipkar op de Maarsdijk onder Niekerk:

Dorpsgezicht Enumatil. Jammer van die golfplaten:

Curieus pandje op de Pasop:

Kar met tuinproducten, Pasop:

Kentekenen van een voormalige smederij, Pasop:

Opspringende paarden tegenover Westpoort:

Boomgaard op Westpoort bleek half ontdaan van fruit. De andere helft van de bomen hing nog vol:

Slachtoffer gifmoord laat minder na dan gedacht
Geplaatst op: 18 september 2016 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
Soms kwamen ook inwoners van andere jurisdicties iets verzoeken bij de Oldambtster drost. Op 8 april 1777 waren dat bijvoorbeeld Hindrik Jans en Geeske Jans, een echtpaar dat “te Horen onder Wedde woonagtig” was. Zij maakten zich bij hem bekend als de ouders van de “ongelukkig laast overleden” Lambert Hindriks te Oostwold, die getrouwd was geweest met de “onlangs gedecolleerde” Geeske Tjabbes. Voor welke “ondaadt” hun schoondochter onthalst werd, staat niet in het verzoekschrift van het Wedder echtpaar, maar daarvoor kunnen we te rade gaan bij de Oldambtster criminele sententies en dan blijkt dat het gaat om gifmoord op twee achtereenvolgende echtgenoten.
Wijlen de zoon van het echtpaar, Lambert Hindriks (geb. 1748 te Wedde) en wijlen hun schoondochter Geeske Tjabbes (geb. 1752 te Beerta) waren een week voor pinksteren 1776 getrouwd in Oostwold. Ruim een half jaar later wilde Geeske al van Lambert af. Ze kocht rattenkruid in Midwolda en mengde een deel daarvan op tweede kerstdag door de “soupenbreij” (karnemelkse pap), die ze haar man gaf, toen die hongerig van een buurtbijeenkomst kwam. Hij at zijn bordje niet leeg, omdat hij de brij niet lekker vond, maar was de hele nacht misselijk en benauwd geweest. De volgende dag echter, was hij gewoon naar zijn werk gegaan . ’s Middags zich opnieuw heel minnetjes voelend, waarbij hij ook moest overgeven, was hij naar huis gegaan. Daarop gaf zijn echtgenote hem de rest van het gif in “soupen broodt”, waarin ze ook de kliek van de brij had verwerkt. Op 28 december stierf haar man, voortdurend brakend en onder helse pijnen. Op 3 januari 1777 werd hij begraven.
Eerst leek er geen vuiltje aan de lucht voor de gifmengster, maar op 14 januari was haar mans lichaam weer opgegraven. Bij hun lijkschouwing vonden de medici arsenicum album, witte arseen. Daarop bekende Geeske de gifmoord en dat niet alleen, ze bleek ook haar vorige man, de uit Lippe afkomstige Christiaan Hendriks, te hebben omgebracht met rattengif in de brij. Met die eerste man had ze het nog korter uitgehouden – op 30 juli 1774 waren ze in Beerta getrouwd, en na zeven weken stierf de Lipsker. Met die eerste man, zegt het vonnis er nog bij, had ze “in geene betamelijke huwelijksgenegenheijdt” geleefd. Die sententie, uitgesproken op 8 februari, 1777, hield voor Geeske dus onthoofding in. Na de voltrekking zette de beul haar hoofd op de pin van het rad, tot voorbeeld van anderen die mogelijk zoiets van plan waren.
Exact twee maanden later kwam het echtpaar uit Wedde zijn opwachting maken in de Oldambtster drostenborg. Hun zoon Lambert, verklaarden ze, was “in ongemeenschap van goederen” met Geeske Tjabbes getrouwd geweest. Een afschrift van de akte met de huwelijksvoorwaarden hadden ze bij zich. Dit betekende dat zij als ouders erfgenamen waren en recht hadden op de zaken die hun zoon bij het huwelijk met Geeske had ingebracht in hun gezamenlijke huishouden, namelijk:
- Zijn “lijvestoebehoren” (= kleding en eventuele opsmuk als edelmetalen knopen en gespen);
- 10 pond vlas (een reservering voor zijn doodskleed?);
- een oud schaap en een lam;
- een “zwade en een zigte met het haartuig” (= diverse zeisen met aanscherpmateriaal);
- en een jaar verdiend (boerenknechten)loon, te weten de somma van 60 gulden.
Omdat ze “zeer behoeftig” waren – mogelijk droeg hun vermoorde zoon aan hun inkomen bij – verzochten de Wedder ouwelui de drost om deze goederen uit de boedel van Geesje Tjabbes te halen, “soo verre deselve aldaar in natura bevonden worden”. Ook wilden ze graag Lamberts loon graag terug, nadat het huisraad van Geeske zou zijn geveild.
In zijn kantbeschikking erkende de drost dat Lambert Hindriks’ lijfstoebehoren inderdaad waren aangetroffen in de boedel van de ter dood veroordeelde. Deze kleding moest wedman Stheeman tegen een ontvangstbewijs aan Lamberts ouders geven. De “zwade en zigte met haijrtuig” kende de drost eveneens aan hun toe, “bij aldien ontdekt wordt waar hetzelve is berustende”. Blijkbaar werd dit maaigereedschap vermist; de gifmengster kon het hebben verkocht, maar het zou natuurlijk ook nog bij de boer en werkgever van Lambert kunnen liggen. Ook de contanten, het vlas, het oude schaap en het lam bevonden zich niet meer in de boedel, maar daarvan ontbrak volgens de drost het bewijs dat ze werkelijk waren ingebracht. Daarom wees hij wat dat betreft die zaken het verzoek van het Wedder echtpaar van de hand.
Met andere woorden: de ouders van de vermoorde man kregen alleen diens kleding overhandigd. Op termijn konden ze misschien nog hopen op diens maaigereedschap, maar naar alle andere (vermeende) bezittingen konden ze fluiten. Het laat zich raden hoe de ouders zich voelden, temeer daar de kleding van hun zoon waarschijnlijk niet eens opwoog tegen het salaris van de advocaat die ze voor hun verzoekschrift in de arm hadden genomen.
—
Bronnen:
– RHC Groninger Archieven Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6126 (verzoekschriften met daarop gevallen kantbeschikkingen).
– Idem, oude notatie Rechterlijke Archieven V (Wold-Oldambt) ss dl. 3 folio 54 e.v. (vonnis Geesje Tjabbes d.d. 8 februari 1777) – nieuwe notatie inv.nr. 5694.
‘Morgen is zij de bruid’
Geplaatst op: 17 september 2016 Hoort bij: Hoogkerk 2 reactiesAan de overkant van de rotonde zag ik een groep van acht, negen wichter naderen. Op een paar na reden ze op identieke scooters. Allemaal hadden ze een spijkerbroek aan, alleen de laatste niet. Die droeg een verpleegstersuniform uit de feestwinkel:

Heb zo’n idee dat het een vrijgezellenfeest is. Normaal zijn die in de binnenstad. Het fenomeen lijkt zich uit te breiden naar suburbia.
Plaatje voor het plaatje.
Hoe er handpalen kwamen bij de Muntendammer Tille
Geplaatst op: 16 september 2016 Hoort bij: Geschiedenis 5 reacties
Hand- of strijkpaal in het Noordelijk Scheepvaartmuseum. Foto: Martin Hillenga.
Zuidbroek en Muntendam vormden nog één geheel als kerspel. Voor gezamenlijke rekening van Zuidbroeksters en Muntendammers was in de zomer van 1776 weer eens de Muntendammer Tille gerepareerd en dat met “grote kosten”. Telkens werd er schade aangericht aan de brug, “al meenst door de passerende schepen, die met gewelt er tegen aan varen”. Dat vonden de kerspellieden van Zuidbroek en Muntendam uiteraard vervelend, ze wilden ‘t voortaan zo veel mogelijk zien te voorkomen en daarom besloten ze “aan de beide einden” van de brug,
“op ene behoorlijke distanctie eene paal met een handt te zetten, teneinde de schippers voordat aan dezelve quamen, de zeilen mogten strijken en de paarden tusschen beiden niet voort doen trekken.”
Een dergelijke strijkpaal of handpaal vindt men nog in Akkrum. Ook beschikt het Noordelijk Scheepvaartmuseum over een fraai exemplaar, dat bij Appingedam aan het Damsterdiep gestaan heeft. Wanneer en hoe zulke palen in gebruik kwamen, was tot nu toe eigenlijk in nevelen gehuld.
Terug naar Zuidbroek en Muntendam. Als het bevoegd gezag niet achter het palenplan stond, zouden de schippers niet aan het gebod voldoen en het hele project dus nutteloos zijn. Daarom zonden de kerspellieden van het dubbeldorp een afgevaardigde uit hun midden naar de Oldambtster drost. Niet alleen vroeg deze de regiobaas om zijn goedkeuring van het plan, maar ook om diens rugdekking voor het opleggen van een boete aan de “wanwillige” schippers die tussen beide palen nog gebruik van zeil of trekpaard maakten. Deze boete moest worden geïnd door een opzichter in het gebied tussen beide palen, voor welke functie de kerspellieden al iemand op het oog hadden: ene Hindrik Harms Backer, “wonende aan de til”. Ook verzocht het kerspel om toestemming van de drost
“hiervan behorelijke notificatie te geven aan alle die zulks mogt aangaan, op de convenabelste wijze”.
Op 23 september 1776 gaf de drost de kerspellieden van Zuidbroek en Muntendam inderdaad vergunning om
“ter wederzijden van de nieuwsgemaakte Muntendammer Tille een uitstekende handt pale op te rigten, en wel op de distanctie aan weerkanten van hondert treden, wordende de schippers, schuitejagers en wie zulks verder mogte aangaan, bij dezen zeer ernstig gelast een gewaarschouwt om bevorens die handt tot aan de Til de passeren, derzelver zeilen en masten te strijken alsmede de treklijnen los te maken, en zulks bij de poena van drie Car[oli] g[ul]den ten laste der contraventeurs…”
Overtreders moesten dus een boete betalen van drie gulden, een bedrag waarvoor het gros van de schippers meerdere dagen moest werken. Inderdaad stelde de drost Hindrik Harms Backer aan tot opzichter. Backer kreeg de bevoegdheid de boete bij “dadelijke pandthalinge” te innen bij de “quaadwilligen”, wat wil zeggen dat hij bij wijze van onderpand spullen van een schipper in beslag mocht nemen, tot deze de boete had voldaan. Backer kon echter slechts de helft van het geld in eigen zak steken. De andere helft moest hij aan de diaconie van Zuidbroek en Muntendam overhandigen. Bovendien gaf de drost het kerspel Zuidbroek toestemming om twee afschriften van dit besluit aan de strijkpalen op te hangen, “om te mogen strecken tot een jeders narigt”.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6126 (samengevatte verzoekschriften met daarop genomen kantbeschikkingen).
Baas mishandelt gratis knecht met eiken stok
Geplaatst op: 14 september 2016 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesEen paar eeuwen geleden kon je dus in dienst zijn bij een baas zonder dat je veel beloning kreeg. Dat is wel bekend, denk ik, maar dat er ook mensen waren die er helemaal geen geld mee verdienden, en dat jarenlang achter elkaar, was toch wel nieuw voor mij. Maar dit blijkt wel degelijk uit een rekest dat ene Klaas Harms in 1776 indiende bij de Oldambtster drost. Hij vertelde deze bovenbaas van de regio:
“dat zig als knegt hebbende besteet bij Jan Lubbers en bij den selven bijna de tijdt van drie jaren voor kost en klederen hebbende gedient gem[elde] Jan Lubbers zig niet heeft ontzien om op den 23 deser den rem[onstrant] met een eijken stok te slaan en daarop uit zijn dienst te jagen, met weigeringe van hem jets te geven.”
Normaal hoorde een baas, als hij een dienstbare binnen de contractperiode op staande voet ontsloeg, wel zijn of haar loon te betalen, met nog iets toe. Klaas Harms vond dat hem groot onrecht was aangedaan, maar had uiteraard niet het geld om te procederen en hij vroeg de drost om zijn voormalige baas en hemzelf in een commissie te horen.
Op 25 maart willigde de drost dit verzoek in en drie weken later was de zitting. Daarin lukte het de drost partijen tot een schikking te laten komen, zij het dat die vooral voor de oud-werkgever slecht uitpakte. Jan Lubbers was duidelijk de verliezer, want hij moest zijn voormalige knecht, die dus slechts kost en kleren bij hem verdiende, 9 gulden betalen, terwijl hij ook nog opdraaide voor de kosten van de procedure. Omdat hij deze schikking vrijwillig accepteerde, moet hij er toch wel een beetje spijt van hebben gehad dat hij zijn gratis knecht met een eiken stok mishandelde.
Helaas zijn de namen Klaas Harms en Jan Lubbers te algemeen voor het lokaliseren van de plek waar zich dit verhaal precies afspeelde. Het kan overal in het Wold-Oldambt zijn geweest.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6126 (samengevatte rekesten met kantbeschikkingen).
Blijde boodschap in dorre takkenwoestenij
Geplaatst op: 13 september 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Ook op het Lopster koor: dit wapen op de grafzerk van Johannes Daniel Metting, 32 jaar oud toen hij in 1726 overleed. Hij was de laatste acht jaar van zijn leven predikant van Engelbert, maar stierf bij zijn ouders in Loppersum.
Pathuis beschreef de voorstelling van het wapen zo:
“Op een gewelfd terras een bladerloze boom, waarvan de kruin is afgesneden, met twee takken aan beide kanten en een op de linkerboventak gezeten vogeltje.”
Die bladerloze, afgeknotte boom en dat vogeltje doen mij eerst denken aan een inmiddels tot kinderversje afgezakt liedje uit de vroege zestiende eeuw: ‘Daar was een sneeuwwit vogeltje al op een stekeldorentje’ (tekst, muziek). Het gaat over een nachtegaal die zich laat gebruiken als postduif voor een jongejuffrouw die heel erg graag wil weten hoe het met haar geliefde gaat, van wie ze zo lang niets gehoord heeft. Dat liedje eindigt onbestemd, de erg mooie, maar wat droevige melodie doet vermoeden dat er geen happy end aan vast zit voor de hunkerende juffrouw.
Als het wapen wat met het lied heeft uit te staan, is het vast oud. Maar of het een familiewapen betreft, weet je niet. Toegepast op de persoon van dominee Metting, zou de afgeknotte boom kunnen staan voor diens vroegtijdige dood en de vogel voor diens blijde boodschap in een dorre takkenwoestenij. Mettings grafsteen rept ook van Jezus als “dierbare bruid”, typisch taalgebruik van de wat meer bevindelijke vleugel in de toenmalige gereformeerde kerk, die in deze streek goed vertegenwoordigd was. Ik vermoed dat het wapen vooral daarop aansluit.
Geloof, hoop en liefde in Loppersum
Geplaatst op: 12 september 2016 Hoort bij: Kunsten, Ommelanden 2 reactiesDe derde kerk die ik op Open Monumentendag bezocht, was die van Loppersum. Daar staat de fantastische grafzerk uit 1576 van Maria van Selbach, weduwe van de lokale borgbewoner Roelof van Munster. Zij was de dochter van een drost van Drenthe, wat enige kapitaalkracht doet vermoeden. In elk geval moet die steen een klein vermogen hebben gekost.

Oorspronkelijk was het een platte deksteen, maar hij is rechtop tegen een muur gezet. Een centrale voorstelling met zinnebeeldige vrouwenfiguren wordt omgeven door veertien familiewapens, waarvan de meeste totaal afgesleten zijn:

Onder de centrale voorstelling vinden we Maria’s naambordje:

Die centrale voorstelling is er een van geloof, hoop en liefde en hierop zijn de ietwat naïef ogende, klassiek aangeklede figuren ook wel behoorlijk afgesleten, maar niet tot in het onherkenbare. Rechts het geloof.:

In het midden de liefde, die uiteraard boven alles uitsteekt:

En links de hoop, opmerkelijk genoeg met een omgekeerd anker, waarvan ik vermoed dat er betekenis aan moet worden gehecht, al weet ik niet welke:

Doet het omgekeerde anker denken aan het wapen van Texel, een nog wel zichtbaar helmteken van een der families in Maria’s voorgeslacht laat zich associëren met de bandana-dragende morenkoppen in de vlaggen van Corsica en Sardinië. Betreft het misschien een Afrikaan of een slaaf? Voor koloniale connecties lijkt het wat vroeg, maar wie weet liep er een lijntje naar de koning van Hispanje, in wiens rijk de zon niet onder ging.

Oostkant diepenring is egaal verkroost
Geplaatst op: 11 september 2016 Hoort bij: Stad nu 2 reactiesHad een poosje geleden het oude Eelderdiep er al vol mee zien liggen, vond dat wel een beetje gek, want kroos verwacht je op stilstaand water. Maar vorige lagen er ook flinke velden in het Noord-Willemskanaal en in de Zuiderhaven, en daar zit toch ook stroming in. Toch sloeg de groene plaag alles aan de oostkant van de diepenring, waar ik gisterochtend langskwam op weg naar Onderdendam:
Bij de Sint Jansbrug:

Bij het nieuwe provinciehuis:

In de bocht van de Turfsingel nabij het Boterdiep:

Nabij café De Toeter en de Ebbingebrug:

Detail:

Nog steeds een egaal dek in de Spilsluiizen:

Maar voorbij de Boteringeboog waren het enkel nog flarden:

En in de Noorderhaven lag er alleen maar wat aan de zuidkant:

Overigens barst het plantje van de eiwitten: 1 hectare kroos levert wat dat betreft net zoveel op als 10 hectare soja. Er is sprake van dat het in de toekomst als veevoer kan worden benut.
Een kerk tjokvol kunstschatten: die van Stedum
Geplaatst op: 11 september 2016 Hoort bij: Kunsten, Ommelanden 10 reactiesGister eindelijk eens kunnen rondkijken in de kerk van Stedum, met die van Midwolde, Pieterburen en Zandeweer behorend tot de mooiste dorpskerken van Groningerland. Niet toevallig waren dit ook alle vier kerken van gemeenten waar jonkers het in de zeventiende en achttiende eeuw helemaal alleen voor het zeggen hadden. Ze maakten hun kerken volledig dienstbaar aan hun representatie.
De forse toren die oorspronkelijk los van de kerk stond:

In de kerk vallen meteen de rouwborden van de jonkersfamilie Clant op. Deze is voor Elisabeth Clant, wed. Lewe van Kantens::

Ze had een Mepsche in haar kwartieren:

Magnifiek paneel met houtsnijwerk van Jan de Rijk (ca. 1700) op de orgelbeun:

Links een wat vermoeid ogende wildeman of Hercules met knots:

Rechts een Nederlandse of vrijheidsmaagd met speer:

Wapen Gockinga – adelaar spant voetboog en moet nog uitkijken dat hij zichzelf de pijl niet door de kop jaagt:

Op de gewelven schilderingen uit de vijftiende eeuw. De symbolen voor de vier evangelisten:

Heraut met klaroen. Doordat de schilder het geluid zichtbaar heeft willen maken lijkt de mond van het instrument wel wat op een douchekop:

Een collega van hem heeft een soort van proto-trombone:

Links draak, rechts engel met harp:

Hert, vluchtend voor de jagers:

Zeemeermin, die je eerder in Uithuizermeeden zou verwachten:

Engel met een voor mij onbekend blaasinstrument:

Griffioen kreeg hier een hanekop:

Kaïn en Abel vechten het uit:

Een sip kijkende bisschop:

Adam en Eva tijdens de zondeval. Vraag me dan altijd af waarom in het paradijs de schaamte bedekt moest worden:

Grappig haantje:

Samson en de leeuw:

Doedelzakspeler doet aan schoenmode mee:

Het lachen zal dit zwijn wel gauw vergaan:

Zwaardvechter heeft draak bij de neus:

Op het koor het door Rombout Verhulst gemaakte grafmonument (1672) voor Adriaan Clant, een van de Nederlandse onderhandelaars bij de Vrede van Münster (1648):

Hij ligt erbij of hij zo kan opstaan:

Gevleugelde draak als schildhouder:

Engeltje met toorts en doodskop:

Bij de uitgang dit vaandel van een lokaal legertje uit 1788, het jaar van een nu totaal vergeten vergeten oranjeterreur:

Amsterdamse school in Onderdendam
Geplaatst op: 10 september 2016 Hoort bij: Kunsten, Ommelanden 3 reactiesDe gereformeerde kerk aan het Boterdiep in Onderdendam heeft een markant torentje, waarop dat kruis vast een veel latere toevoeging vormt::

De deuren stonden uitnodigend, om niet te zeggen wagenwijd open:

Glas in lood:

Bankjes in het licht 1:

Bankjes in het licht 2:

Redelijk druk hier vanwege Open Monumentendag:

Achterin was op een verdieping voor de gelegenheid een stijlkamer met Amsterdamse schoolmeubels ingericht:

Zithoek met theekast en klok:

Eetkamer:

De samenstellers van de expositie waren niet helemaal consequent geweest – bij het art décotheelichtje zagen we bijvoorbeeld Jugenstil-aardewerk:

Maar dat is gekniesoor. Ongetwijfeld hebben vrijwilligers hier veel werk in gestoken. Er stond prachtig spul, zoals deze linnen?kast:

Weer afgedaald zijnde in het schip van de kerk nog even het orgel aanschouwd:

Ommetje Ezinge
Geplaatst op: 9 september 2016 Hoort bij: Westerkwartier 1 reactieLeegkerk. Ik zag een reiger in het midden van een groepje paarden scharrelen en naar het achterbeen pikken van eentje, die dat ook toeliet. Zijn reigers misschien verzot op paardevliegen? Helaas gingen ze uit elkaar toen ik de camera paraat had:

Salonbootje op het Aduarderdiep bij Nieuwklap:

Pas geploegd land achter Aduard:

Tussen Aduard en Den Ham was een kleine colonne van deze monsters doende de berm af te maaien. Elke machine deed een strook:

Gezicht op Noordhorn:

De kerk en toren van Ezinge in een lijstje van wilgenblad:

Feerwerd:

Kwikstaart bij Hekkum, wat minder schuw dan zijn groepsgenoten:

Zeven roeken op een rijtje bij de Reitdiepdijk:

Deze buizerd heeft net zijn nagels gelakt en droogt ze in de zon:

Koeien op weg naar de stal, op de achtergrond het huisje van Harssens:

Balorig exemplaar:

Oudste fietsclub van de Stad bewoog zich voort met hoorngeschal en vliegend vaandel
Geplaatst op: 8 september 2016 Hoort bij: Stad toen 2 reacties
Velocipèdeclub De Adelaar, Groningen ca. 1900. Collectie RHC Groninger Archieven 1987-17.
De Groninger velocipèdeclub ‘de Adelaar’ moet de oudste fietsvereniging van de Stad zijn geweest. Hier zien we de leden rond hun vaandel geschaard, compleet met tweekleurige, waarschijnlijk groenwitte petjes, witte pakjes met insignes en een stuk of wat lauwerkransen.
Een eerste huishoudelijk reglement dateert van december 1889. Doel van de club was: “Het rijden en de gezelligheid onder de wielrijders te bevorderen”. Daarbij kende ze vier soorten leden: werkende (= actieve) leden, te verdelen in de gewone, woonachtig in de stad, en de buitenleden van het omringende platteland, naast ereleden en kunstlievende leden, onder welke laatste men een soort van donateurs moet verstaan.
Om voor het lidmaatschap in aanmerking te komen, diende iemand minstens zestien jaar jaar oud te zijn en acceptabel voor minimaal tweederde van de bestaande leden. Er gold dus een vrij stevige ballotage. Voor het actieve lidmaatschap betaalde iemand een daalder contributie per jaar, maar de vereniging was aangesloten bij de nationale wielrijdersbond ANWB, en ook daarvan was het lidmaatschap voor leden van De Adelaar verplicht.
Het leukst zijn de bepalingen uit het reglement die wat zeggen over de rijtochten die men gezamenlijk maakte. Hiervoor was het dragen van een rijcostuum voorgeschreven. In 1889 bestond dat nog uit een club-pet, een club-insigne en een korte broek. Op bovenstaande foto dragen de leden echter een lange broek. De bepaling is dus later wellicht herzien. Of dragen de heren op de foto lange broeken omdat het getuige de kale takken op de achtergrond winter was?
Voor het vaandel op de foto was er een speciale vaandeldrager aangesteld, die deel uitmaakte van het bestuur. Dat bestuur moest de clubtochten minstens twee dagen van tevoren aankondigen. Naast de vaandeldrager leverde het bestuur een commandant. Hij voerde het bevel bij de clubtochten, moest daarbij de orde handhaven en vervulde “den post van hoornblazer”. Welke signalen hij op de hoorn kon geven, schreef het huishoudelijk reglement eveneens voor:
“De signalen op den hoorn zijn:
a. Twee lange toonen beteekent opstijgen.
b. Twee korte tonen ,, afstijgen.
c. Een lange toon ,, langzaam rijden.
d. Een korte toon ,, gewone rit.
e. Drie korte tonen ,, snel rijden.
f. Vier korte tonen ,, invallen of herstellen.”
Tijdens een clubtocht mocht een commandant boetes opleggen aan mensen die zijn bevelen niet opvolgden of zich pas na afloop van de rit aansloten bij het gezelschap. In beide gevallen ging het om dubbeltjeswerk. Achteraf wachtte de commandant nog een aardig klusje – hij was verplicht een verslag op te maken van de clubtocht, een verslag dat de secretaris steeds overschreef in het notulenboek.
Toch jammer, dat zo’n notulenboek niet bewaard is gebleven. Het vaandel, de hoorn en de hoornsignalen geven een wat militaire indruk van De Adelaar, die misschien had kunnen worden gerelativeerd door de verslagen.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1774 (verzameling documentatie) inv.nr. 2080.
Gijzelaar leeft in weelde door schrijfwerk
Geplaatst op: 6 september 2016 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieKoopman Jan Ritzes en zijn vrouw, woonachtig te Noordbroek, leefden op te grote voet en raakten diep in de schulden. Daarom werd eerst hun huisraad verkocht en vervolgens hun vastgoed. Maar bij de verdeling van de opbrengst viste een grote particuliere schuldeiser, koopman Conraad Verver uit de stad, beide keren achter het net. Van zijn vordering – ruim 1230 gulden groot – zag Verver niets terug. En dat begrootte hem zeer. Toen hij dan ook hoorde dat zijn debiteuren van plan waren naar Oost-Friesland te verhuizen, “off zullen tragten op de eene off andere wijse alle verdere poursuite van regten te ontgaan”, kwam hij subiet naar de Oldambtster drostenborg met een verzoek: of de drost Jan Ritzes op water en brood in de gijzelkamer wilde zetten. Verver betaalde de kosten.
Na een dagje onderzoek besloot de drost Ververs verzoek in te willigen. Jan Ritzes werd op de gijzelkamer in het rechthuis van Zuidbroek “geïncarcereerd wegens desselvs gemaakte en onbetaalde schulden”. Verver zou voor het water en brood 5 stuivers per dag gaan betalen. Dat was nog minder dan het lage tarief van 7 stuivers daags voor de kost van gevangenen op een van de poorten in de stad, dus verrekte karig. Wedman Mellema van de rechtstoel Zuidbroek kreeg bevel Jan Ritzes in te rekenen.
Dat gebeurde op 9 mei 1775. Ruim drie maanden later, op 14 augustus, liet Conraad Verver zich opnieuw in de gehoorkamer van de drostenborg vinden. Dit keer had hij “in ‘t sekere” vernomen dat Jan Ritzes,
“geïncercereert om met water en brood te worden onderhouden, ter plaats van zijne carceratie gelegentheijt heeft gevonden en toegelaten word om door middel van schrijven van ’s H[oog]Ed[el] Ger[ichts] clercquen eenige penningen voor zig te verkrijgen en deselve dagelijx opnieuw in weelde en overdaat te verteren, waardoor tewege werdt gebragt dat zijne tegenswoordige staat, in plaats van een staat van quellinge voor hem te zijn wegens zijn voorgaand wangedrag, deselve daardoor een staat van genoegen en verlustigingen is geworden, en in plaats van een exempelaar voor anderen te zijn, zoo schijnt het geschikt te zijn anderen op te wekken…”
Dat de gijzelaar veel plezier aan zijn gijzeling beleefde, was natuurlijk niet de bedoeling. Verver verzocht de drost daarom, Jan Ritzes over te brengen naar de toren van Zuidbroek. Blijkbaar was het daar een stuk minder gezellig dan in de gijzelkamer van het Rechthuis. Als de drost dit niet wilde, dan was een alternatieve maatregel om de schrijflonen die Jan Ritzes van de klerken beurde, aan Verver te geven, “tot stuur der kosten van de incarceratie”.
Inderdaad verslechterde nu het regime voor de gijzelaar. De drost gelastte kastelein Cuipers van het rechthuis ervoor “zorg te dragen dat niemant eenige toegang heeft tot Jan Ritzes”. Dat betekende dat klerken, noch leveranciers meer bij de gijzelaar mochten komen. Ook kreeg Jan Ritses voortaan alleen nog maar “schoon water en broodt”.
Het was dus uit met de pret. Toch hield Ritzes het nog drie maanden vol. Op 29 november 1775, een week voor Sinterklaas, bleek dat dat hij per brief en ook via via Conraad Verver had benaderd met het verzoek om vrijlating. Verver meldde de drost
“dat gevoeglijk die vertogen door anderen, zijne bekenden uit den Oldambte zijn ondersteunt…”
Het (familie)netwerk van Ritzes kwam dus in actie, waarschijnlijk ook met financiële toezeggingen. Bovendien stond de winter voor de deur, zodat Verver strakjes ook de turf in de haard van de gijzelkameren moest gaan betalen. Verver kon er daarom mee leven dat Jan Ritzes uit de gijzeling werd ontslagen.
De drost gaf wedman Mellema inderdaad opdracht om Jan Ritzes vrij te laten. Eerst moest Verver echter nog wel de rekening voldoen. Voor de 203 dagen gijzeling à 5 stuiver bedroeg die bijna 51 gulden.
—
Bron: RHC Groninger Archieven. Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6125 (samengevatte rekesten met kantbeschikkingen).

Recente reacties