Avondrondje Leegkerk

De suikerfabriek en het spiegelgladde water in de Hoendiepbocht bij Vierverlaten:
DSC02064
Hier hoort eigenlijk een muziekje van Ennio Morricone bij:
DSC02069
De nubische geiten zijn terug bij de Tichelwerkbrug, ze houden veel van een bepaalde boomschors:
DSC02072
Op die brug is dit het uitzicht:
DSC02080
De oranje wolk laat in het zuiden neerslag los:
DSC02084
Even later bij Vinkhuizen:
DSC02086
Hij kreeg een grappig slurfje:
DSC02089
Het hele plaatje:
DSC02090


Schrikaanjagerij op de openbare weg – welk TV-programma gaf ’t voorbeeld?

Vorig jaar ergens is het begonnen. Jongetjes die je op het fietspad inhalen en dan opeens, zonder enige aanleiding, keihard beginnen te schreeuwen. Dit om je schrik aan te jagen. Wat natuurlijk gebeurt, want je bent er totaal niet op ingesteld.

Dit jaar gebeurde het misschien twee, drie keer. Altijd door jongetjes. Ik vermoed dat ze het van een televisieprogramma hebben opgepikt. Natuurlijk bij een van de commerciële zenders, want die denken niet na over na-aperij en de consequentie die dat schrik aanjagen op bijvoorbeeld hartpatiënten kan hebben.

Dit keer werd ik bij de spoorwegovergang Peizerweg ingehaald door twee scootertjes. Volwassen kerels voorop, meiden met wapperende haren achterop. Geen vuiltje aan de lucht, al denk ik dan wel: heb je soms pap in je benen dat je niet fietsen kan en onze kostbare fossiele energie in onnut verkwist? Wat later kwam er, ter hoogte van de Gamma, nog eens zo’n scooter aan. Jullie raden het al, naast me gekomen meende de bestuurder een pseudo-doodskreet te moeten slaken, om, toen het effect inderdaad schrik bleek, een akelig holle lach af te geven.

Ik heb hem maar heel even kunnen zien: kaalkop, vetpens, neanderthaler naar eigen vrije keuze. Het niet waard om nog meer woorden aan te vervuilen.

Maar nu mijn vraag: weten jullie welk TV-programma dit schrik aanjagen in de wereld heeft geholpen?


‘Hoop op zegen’

DSC02043

‘Hoop op zegen’ , zo heet de woonboot achter deze entree. Hoewel het een motorloos scharkje betreft met een schuine, huiselijke, rietgedekte kap, waarvan de schoorsteen is ingelegd met natuursteen, houdt de bewoner zijn nautische aspiraties hoog, getuige het zeilscheepje en de eendjes op het naambord, naast het anker op de rode brievenbus.

Die brievenbus lijkt nogal ruim bemeten, wat een overvloedige ontvangst van post doet vermoeden, maar de bewoner heet niet zomaar iedereen welkom. De bel op de deur wordt immers geflankeerd door twee bordjes: “Gevaarlijke hond” + “Pas op waakhond; betreden op eigen risico”. Vooral fietsers moeten oppassen gezien het hooggeplaatste verbodsbord. Hun vehikels mogen zij slechts buiten de poort stallen, aldus de waarschuwing eronder. Bovendien begint achter het hek een rookvrije zone. Rokende fietsers moeten dus dubbel op hun tellen passen.

De toegangspartij is verder opgesmukt met enkele ornamenten. Zo zien we een godzilla, een heks op een bezemsteel, een dubbeldekker-vliegtuig en twee leeuwen.


Rondje Klein Wetsinge

Op een volkstuin in Hoogkerk bij het spoor:
DSC01854
Kalf bij de Gaaikemadijk. Zou van een Zwitsers rundveeras zijn:
DSC01869
Populierenlaan, Gaaikemadijk:
DSC01882
Nog meer kalvertjes – dit keer is er geen ontsnappen meer mogelijk:
DSC01886
De nieuwe Dorkwerderbrug in opgetilde toestand, vanuit het westen gezien:
DSC01890
En in de gewone positie:
DSC01903
Reitdiep bij de Wierumerschouw:
DSC01909
In de verte twee windsurfers. Op de achtergond Krassum met het oranje materieel van Ad Nooren en daar weer achter de toren van Garnwerd:
DSC01912
Het nieuwe interieur van de kerk in Klein Wetsinge, die nu af te huren is voor vergaderingen, bruiloften etc.:
DSC01925
Als je de toren beklimt, kom je langs de beun met het uurwerk:
DSC01935
Boven was het best warm; je hebt er een aardig uitzicht over de velden:
DSC01937
Boerderij in de verte:
DSC01938
Nogmaals langs de uurwerkzolder:
DSC01942
Mussen in een heg te Groot Wetsinge:
DSC01958
Aftakelende hooiwagen bij de Raken:
DSC01974
Bij de pomp, Feerwerdermeeden:
DSC01982
Kat:
DSC01985
Hond:
DSC01993
De eerste stukken land zijn alweer omgeploegd:
DSC02036
Schuurtje met bruidssluier bij een woonschip op het Aduarderdiep, nabij Steentil:
DSC02042


“Eigenlijk zou je dit niet moeten uitzenden”

Ik wilde me opgeven voor dit programma van rtv Drenthe en dan met de Hamersweg als onderwerp, maar dat hoeft nu dus niet meer. Henk Heeringa was me voor met zijn lofzang op de Onlanden:


Honden afkerig van hondenbelasting

Blijkbaar kende men destijds in Engeland nog geen hondenbelasting, want toen het plan voor de invoering ervan in 1791 via de kranten bekend raakte, werd het weldra een mikpunt van spot. Zoals blijkt uit een krantenstukje dat zelfs door de Groninger Courant overgenomen werd. Het was gegoten in de vorm van een verzoekschrift van de honden aan Zijne Majesteit de Engelse Koning en volgde helemaal de conventies die ook in Nederland bij zulke teksten golden. Uiteraard ging het om satire: honden kunnen niet schrijven, laat staan verzoekschriften opstellen. Maar de gekozen vorm gaf de auteur mooi de kans om tegelijkertijd de democratische gezindheid op de hak te nemen die sinds de Franse Revolutie (1789), met haar Rechten van de Mens en Burger, ook in bepaalde Britse kringen bon ton was:

“Wy, Uwer Majesteits honden, brakken, bloedhonden, windhonden, jagthonden, patryshonden, waterhonden, herdershonden, bulhonden, slagershonden, schoothondjes en spitsdraayers (= teckels, HP), in een gemeene troup byeen vergaderd, smeeken ootmoedig verlof om Uwer Majesteits troon te mogen naderen met ons request en [dat] te vertoonen.

Dat uwe supplianten met de uitterste droefheid en angst hebben vernomen dat men van zins is eene belasting op hen te leggen, voor de gevolgen van welke uwe supplianten (= smekelingen, HP) des te meer reden hebben om te vreezen, dewyl zulks oorzaak zal wezen dat er eenige duizenden van hun een geweldigen dood zullen ondergaan.

Dat in deeze vrye en verligte eeuw – waarin zelfs de Lords niet hooger geacht worden dan uwe supplianten – zy nederig van gevoelen zyn, dat zy op dezelfde privilegiën aanspraak hebben en in een gelyk regt staan, en dat zy derhalve niet behoorden belast te worden buiten hunne bewilliging, daartoe gegeven door middel van hunne Representanten; en dat de stelregel, dat alle menschen gelyk zyn volmaakt toepaslyk is op Uwer Majesteits supplianten, die onderdaniglyk begrypen dat volgens dienzelfden regel, alle honden gelyk staan en dat de regten der honden niet gegrond zyn op eenig verdrag, maar dat zy natuurlyk en onverjarig zyn.

Verzoekende dat het Uwe Majesteit behage hen verder te handhaven by het privilegie om de beenen te kluiven en by de vryheid van het eten der klieken en by alle andere voorregten en gunsten die zy van onheuglyke tyden bezeten hebben, wanneer uwe supplianten by aanhoudendheid blyven blaffen enz.”

Bron: Groninger Courant van 24 mei 1791.

 


“Daaglijks slimmer en gevaarlijker” – een krankzinnige schipper in Veendam

Bron: Wikimedia.

Bron: Wikimedia.

Medio juni 1772 laten vier neven van de Veendammer schipper Egbert Luirts zich aandienen bij de Oldambtster drost. Onder meer gaat het om een Molanus en een Uneken, namen die tot de bovenlaag van de streek behoren. Ze melden dat hun neef Egbert

“voor veel jaren in een dementie is vervallen, waarvan destijdes gelukkig is genesen, maar nu van dit voorjaar een nieuw acces van het selvde ongemak hebbende gekregen, en thans zoo gevaarlijk wordende, dat geheel zinneloos is, en zeer gevaarlijk wordt, liggende het schip in Veendam, daar alleen met heen en weer vaart…”

Volgens zijn neven gaf Egbert zoveel blijken van waanzin, “ dat het geheel Veendam bekent is”. Daarom wilden ze dat de drost zou zorgen voor een tijdelijke voorziening tot Egberts broers, “mede schippers zijnde en thans van huis”, zouden zijn teruggekeerd.

De drost wilde eerst van Egberts buren vernemen, hoe die ertegen aankeken. Daarbij bleek hem dat de neven de waarheid spraken. Ze kregen toestemming om Egbert voor zijn herstel te plaatsen bij de “chirurgus” (chirurgijn) Oosterveldt te Vlagtwedde. Ook mochten ze een oppasser regelen voor Egberts schip en desnoods wat geld opnemen voor de uitgaven aan het een en het ander.

Ruim een half jaar later stonden Egberts “nabestaande vrinden” opnieuw voor de deur van de drostenborg. De therapie van de “medicus” Oostervelt was geen succes geweest, integendeel:

“dit zoo ongelukkig zijnde uitgevallen dat de patiënt daaglijks slimmer en gevaarlijker word, soo dat grote ongelukken te vresen staan, dewijl door gemelte medicus als onherstelbaar is terugge gesonden “.

De familie, die er natuurlijk erg mee in de maag zat, had al gesproken met de voogden van het Sint Anthoniegasthuis in de stad. Achter dat gasthuis bevond (en bevindt!) zich de Dolhuisgang: een rijtje kamers, waar krankzinnigen tegen een kostgeld konden worden geplaatst. Daarvoor was de toestemming van de drost nodig, maar ook moesten er curatoren of bewindvoerders worden aangesteld om Egbert zijn schip te verkopen en de zorgkosten te betalen. In februari 1773 hoorde de drost eerst nog weer de twee naaste mannelijke bloedverwanten van vaderszijde, de twee naaste mannelijke bloedverwanten van moederszijde en de twee naaste buren. Daarbij bleek hem nog eens ten overvloede dat Egbert Luirts

“ten eenemalen van zijne zinnen berooft is, dus onbeqaam zijne goederen te administreren, en zelvs niet buiten gevaar aan zijne eigene conduite kan worden overgelaten”

Daarom werden als bewindvoerders aangesteld Egberts volle broers Hindrik en Obbe Luirts alsmede neef Molanus uit Wildervank. Zij mochten Egberts eigendommen te gelde maken, zijn schulden betalen en verder de boekhouding voeren en zorg dragen voor Egbert,

“door deselve in het gasthuis bij de Oosterpoort tot Groningen off elders op een versekerde plaatse uit te besteden”

De bewindvoerders moesten eerst een eed afleggen. Na drie jaar verwachtte de drost inzage in hun administratie, die dan op orde moest zijn.

Als Egbert ergens ondergebracht is, dan was dat waarschijnlijk niet in het Groninger Sint Anthoniegasthuis. In de rekeningen van deze instelling, waar het kostgeld voor een krankzinnigenkamer 30 à 50 stuivers per week bedroeg, ontbreken over 1773 en 1774 namelijk de kostgeldontvangsten die zouden bewijzen dat Egbert daar zat.

Misschien is hij ook wel opnieuw genezen verklaard en nooit weggeweest uit Veendam of daar teruggekeerd. Hij zou daar namelijk in 1802 sterven.

Heb zo’n vermoeden dat ik hem in het vervolg van de serie rekestboeken nog wel vaker tegen zal komen.


Onlander lichtshow

Prachtige avond, zo goed als windstil, met een baaierd van geuren. Jammer dat de zon alweer om negen uur onder gaat.

Lange schaduwen bij de Hamersweg:
DSC01700
Opgang naar het laatste hooiland:
DSC01710
Coulissen bij Roderwolde:
DSC01711
Bij De Groeve kreeg ik door dat er spektakel aan zat te komen. Toen maar doorgereden richting Leek:
DSC01720
De avondloeister van dienst:
DSC01725
De kerk van Midwolde aan de andere kant van de Yarren:
DSC01728
Lijnenspel:
DSC01730
Naar het oosten vervagend:
DSC01752
Verstervende houtwal:
DSC01757
Alles wordt uitgegumd:
DSC01759
Die langgerekte donkere wolk hing er de hele tijd:
DSC01768
Weer terug bij de Hamersweg:
DSC01778


Rondje Zuidlaren

Veulen speelt tikkertje  met zijn moeder, bij Haren:
DSC01594
Rijpende bramen:
DSC01603
Groepje jongvee in de Oosterpolder, bij Haren:
DSC01606
Curieus getekend kalf:
DSC01612
Bult zeer geurig hooi; op de achtergrond  een scheepswerf te Waterhuizen:
DSC01613
Konikpaarden, Westerbroekstermadepolder:
DSC01631
Pittige beesten:
DSC01632
Konikveulen:
DSC01638
Opeens kregen ze het met zijn allen op hun heupen en stoven ze weg:
DSC01642
Tegenover station Kropswolde:
DSC01651
De brugwachters van Wolfsbarge zwaaien Duitse bootjesmensen uit:
DSC01658
Terwijl het zwaluwjong onder de brug ervan baalt dat zijn nest steeds 90 graden draait, zodat de vloer de wand en de wand de nieuwe vloer wordt:
DSC01661
Zilverreiger bij Noordlaren:
DSC01671
Desintegrerende paalkop:
DSC01679
Botenhuis dat steeds verder onttakeld raakt:
DSC01687
Onlanden, bijna thuis:
DSC01696


Avondrondje

Ooievaarspaar met jong in hooiland bij de Gouw, achter Peizermade:
DSC01440
Bij Lagemeeden kwam de zon er nog even door, vlak voor ze onder zou gaan, iets waar deze rode klaver danig van opfleurde
DSC01471
Reiger bij de Tichelwerkbrug:
DSC01480
Opgewonden paarden in hooiland bij de Legeweg met op de achtergrond de suikerfabriek:
DSC01481


‘Opschudding in Havelte’

Het appartement van mijn moeder is verkocht, mijn broers en ik zijn de laatste spullen aan het opruimen.

Hoewel ik dacht de zaak paperassenvrij gemaakt te hebben, kwam er toch nog een doos met bescheiden vanonder een ledikant tevoorschijn: voornamelijk ziekenhuis- en OV-spul, zo bleek, dus dat kon weg. Maar er zaten ook twee samengeniete knipseltjes in over een geval dat destijds nogal hard bij mijn ouders aankwam: ‘Opschudding in Havelte’.

Had al eens bij het Drents Archief in de Meppeler Courant naar dat geval willen zoeken, maar kon uit mijn geheugen de datum niet benaderen, het zou 1965 kunnen zijn, maar even goed 1972. En mijn jongere broers wisten het ook niet meer zo precies. Eén jaargang krant doornemen is al tijdrovend, laat staan zes jaargangen. Ik was er toch wat huiverig voor minstens een week werk te steken in het zoeken van dat berichtje, al bleef het af en toe jeuken

In die allerlaatste paperassendoos zat dus dat berichtje, en dat niet alleen, maar met een follow-up. Geen van beide stukjes was van een datum voorzien, maar ze moeten omstreeks 22 juni 1967 in de Meppeler Courant hebben gestaan, omdat er op de achterkant van het ene iets staat over een voorgenomen aanslag op de Sovjet-premier Kosygin door ene Rocco, een nieuwtje dat op genoemde datum in diverse andere kranten heeft gestaan, bijvoorbeeld De Telegraaf. Het is nu dus bijna vijftig jaar geleden dat mijn ouders in alle staten waren door een krantenstukje.

Mijn vader, moet je eerst nog weten, had een handicap: hij was behoorlijk slechthorend. Daarom droeg hij een gehoorapparaat, dat we in de loop der jaren in formaat en kleur zagen veranderen. Eerst was het een vervaarlijk, zwart bakelieten kavalje op zijn borst, van misschien wel 15×15 cm groot. Het werd zo omstreeks 1965 een veel kleiner en eleganter vormgegeven toestelletje, crèmekleurig met gouden randjes. Nog veel later, toen ik het huis al uit was, kreeg hij een contact in het rotsbeen achter zijn ene oor geïmplanteerd, waar hij een klein, rechthoekig doosje op in kon pluggen. De kwaliteit van die apparaten ging vooruit naarmate het formaat kleiner werd, maar mijn vader, verder een doodgoeie man, heeft zich nooit echt op zijn gemak gevoeld in grotere gezelschappen, waar iedereen door elkaar snaterde. Overigens genoot hij dan wel van de ambiance.

Mijn vader was dus slechthorend, en is daar als jongen ook zwaar mee gepest. Zo werd hij voortdurend uitgescholden voor dove kwartel. Drentse schoolpleinen waren niet altijd zo idyllisch als sommige mensen menen.

Bij dit krantenbericht speelt mijn vaders doofheid een cruciale rol. Ook het pesten kwam in een milde vorm weer boven: zelfs als kinderen kregen wij een paar keer nagejouwd “Duitse marken, Duitse marken”, al hield dat daarna vrij vlot op. ’s Zomers zaten we lekker wekenlang in Feerwerd, daar hoorde je dat niet.

Met doofheid en Duitse marken zijn de voornaamste ingrediënten van het bericht gegeven. Dan het verhaal zelf, dat eigenlijk zo verteld is. Naast zijn boekhoudbureau had mijn vader sinds 1965 een agentschap van de Nederlandsche Middenstands Spaarbank (NMS). Daarvoor hield hij op dinsdagavond, zonderdagavond en zaterdagochtend zittingen, waar mensen geld konden inleggen of opnemen. Op een zaterdagochtend komt er een jongen die nog niet zo lang bij ons in het dorp woonde en die hij niet kende, vreemde valuta aanbieden, wat destijds zelden gebeurde. Het was een jongen met een Indische achtergrond, weet ik nog, voor mijn vader praatte hij onduidelijk, en in plaats van zeven Duitse marken verstond mijn vader zevenduizend marken. Hij vond dat wel wat veel geld voor zo’n jongen van een jaar of zestien, vroeg of die even in de wachtkamer (onze keuken) wilde plaatsnemen en belde politie Wester, die vlak bij ons om de hoek woonde. Die verhoorde de jongen, waarbij alras het misverstand bleek.

Het hele geval had dus werkelijk niks om hakken, maar op de een of andere manier kwam het de plaatselijke correspondent van de Meppeler Courant, Dirk Kassies, ter ore, die er een leuk, nou ja leuk bedoeld stukje van maakte. Daarin heette mijn vader “een minder goed verstaander” en een “in paniek geraakte bankier”. Bij mijn vader raakte dit oud zeer, en hij was tamelijk ontdaan, om niet te zeggen overstuur. Mijn moeder was laaiend, zo niet witheet en vond dat er nooit meer in de Meppeler geadverteerd moest worden. Waarschijnlijk kwam er ook die follow up in de krant, omdat ze niet alleen daarmee dreigde, maar ook – haar kennende – met de opzegging van het abonnement.

Overigens was ik de follow up totaal vergeten en herinner ik me het eerste berichtje als veel compacter en ironischer. Die plaatselijke correspondent van de Meppeler in Havelte schreef eigenlijk maar matig: veel te uitgesponnen en langdradig. Dat was waarschijnlijk ook de reden dat het bericht niet door andere kranten opgepikt werd, want daar heb ik ook nog even naar gekeken, nu ik de datum eindelijk te pakken had.

Hierbij de beide knipseltjes:

Duitser marken blogversie


De avond valt bij de Tichelwerkbrug

Soms staat er een groepje jongeren op en onder de brug te ginnegappen. Vrijdag was het een pleisterplaats van de Friday Nightskaters. Maar gisteravond was het er zo stil als het maar kan zijn. Hooguit loeide er een blaarkop in de verte:

DSC01181


Reebok op Westpoort waardeert muziek

Aan de Roderwolderdijk onder Vierverlaten zag ik tijdens het schemeruurtje deze reebok scharrelen, eigenlijk helemaal niet zo ver van de huizen af.
DSC01142
Op de achtergrond de bedrijven op Westpoort:
DSC01145
Meneer, aan zijn gewei te zien een driejarige, bleek niet zo van de aandacht gediend en verwijderde zich rustig, maar gedecideerd. Zelf besloot ik om te rijden en het Doverpad te nemen. Daar kwamen we elkaar weer tegen:
DSC01163
Ik wachtte beleefd tot hij zou oversteken, maar hij durfde niet en draalde:
DSC01164
Om gezwind rechtsomkeert te maken:
DSC01165
In gestrekte draf:
DSC01167
Op een afstandje leek hem de kust wel weer veilig:
DSC01169
En hij veerde nieuwsgierig omhoog toen ik Ozewiezewozewiezewallakristalla begon te fluiten:
DSC01172


De dijkcoupures van de Oostwolderpolder

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Dijkcoupure Stadspolder.

De dijkcoupure is een soort icoon van Groningerland, en dan vooral van de strook bij de Waddenzee die uit polders bestaat. Zo’n gat in de dijk, gemaakt voor een weg, doorbreekt niet alleen de beslotenheid van een polder en het continuüm van de haar beschermende dijk, maar ze stelt ook gerust: hier is in principe geen gevaar meer te duchten en mocht de nood aan de man komen, dan dichten we dat gat onmiddellijk met de balken uit het belendende schotbalkenhuisje.

Zolang er dijken uit de actieve dienst zijn genomen, maar nog wel werden aangehouden voor de achterwacht, als ‘slapers’, hebben de dijkcoupures symbool gestaan voor hun gemankeerde staat. Een optimistisch symbool: hier zou het water niet meer zo gauw komen, op deze plek brak een nieuwe wereld baan.

Hoewel de dijkcoupure dus een soort icoon en symbool is, weten we weinig over het ontstaan ervan. Dat dit meer voeten in de aarde had, dan je zou denken, blijkt impliciet uit een tweetal rekesten over de eerste dijkcoupures in de Oostwolderpolder die vanaf maart 1769 werd aangelegd.

Over deze indijking ging een commissie, gekozen door de gezamenlijke kweldergrondeigenaren. Namens deze “ gecommiteerde volmachten tot de anstaande indijkinge” ging de heer Wiardus Siccama, burgemeester van Groningen en eigenaar van de Ennemaborg en veel kweldergronden, niet lang na de start van de nieuwe dijkaanleg naar de Oldambtster drost, om een dubbele doorsteek in de oude, nu overbodig wordende Dollarddijk van 1701 te bepleiten.

Siccama vertelde de drost eerst hoe hij en zijn consorten genoodzaakt waren

“wegens de grote uitstrek der angewassene in te dijken landen deselve met een bequame weg te voorsien, dienende teffens voor een publijcque passagie voor de reisende man.”

Maar omdat de nieuwe polder zich helemaal uitstrekte van de Goldhoorn bij Finsterwolde tot Midwolderhamrik (= Nieuwolda), kruiste de gewenste weg zowel bij Oostwold als bij Midwolderhamrik de oude dijk. Vandaar het verzoek aan de drost, om die dijk op die plekken deels af te mogen graven, waarbij Siccama als maten van het graafwerk aangaf 5 voet diep en 14 voet breed (ca. 1,5 m x ca. 4,2 m), “om te dienen tot een doorvaart”.

Op 8 mei 1769 sprak de drost echter uit, dat hij eerst zelf de zaak ter plaatse in ogenschouw wilde nemen, en dat samen met de volmachten of dijkrichters van de kerspelen Oostwold en Midwolderhamrik.

Uit de rekesten blijkt verder niet of dit inderdaad gebeurd is, maar twee jaar later, in mei 1771, komt de zaak van de dijkcoupures in de Oostwolderpolder opnieuw aan de orde. Dan is het niet langer de inpolderingscommissie die er achteraan zit, maar zijn het volmachten van Oostwold, Finsterwolde en de Oostwolderpolder die zich in de drostenborg laten vinden, waar ze ingaan op de hachelijke toestand van de dan nog in gebruik zijnde dijkpassages:

“dat tot nog toe over de dijk een soorte van een sogenaamde tuimeldrift hebben, om na de nieuwe ingedijkte landen, boven vermelt, te komen, dog dit niet zonder gevaar konnende geschieden waardoor veel ongelucken zijn gebeurt en nog meer te vresen staan…”

Met tuimeldrift werd gewoonlijk een furieuze woede beschreven, maar dat is hier dus niet het geval. Zoals de term hier gebruikt is, bleek uniek. Ik vond geen enkel equivalent en ook geen woordenboekverklaring. Toch kan ik me wel iets bij dat tuimeldrift voorstellen: een weg parallel aan de dijk oplopend tot diens kruin en aan de andere kant gelijkelijk aflopend tot aan diens voet. Tuimeldriften in die zin zijn er nog steeds, bijvoorbeeld bij Delfzijl. Die van 1771 zullen echter vrij wat krapper bemeten zijn geweest, vandaar dat een wagen er vrij gemakkelijk op omsloeg, zeker als je in aanmerking neemt dat de dijk van 1701 veel steiler was, dan de later aangelegde. Om ongelukken in het vervolg te voorkomen, vonden de volmachten van Oostwold, Finsterwolde en de Oostwolderpolder het hoogst noodzakelijk

“op een directer en meer gemakkelijker wijse over de dijk na deze landen convenientis een ander en bequamer doorvaart te maken,”

wat niet zonder toestemming van de drost als kolonel-dijkgraaf kon. Die hield nu dan (eindelijk?) een “oculaire inspectie”, maar niet, zoals je zou verwachten, met de volmachten van Oostwold, Finsterwolde en Oostwolderpolder, maar met de dijkrichters van Zuidbroek en Eexta. Mogelijk waren deze kerspelen uit het achterland hier vanouds verantwoordelijk voor dijkonderhoud en was er over hun inbreng bij de coupures proces geweest, hetzij voor het Termunterzijlvest, hetzij voor de drost in Zuidbroek, hetzij bij de Hoge Justitiekamer in de stad Grtoningen.

Hoe dan ook, uitdrukkelijk schreef de drost in zijn beschikking, dat hij met instemming van genoemde dijkrichters vergunning verleende om onder Oostwold en Oostwolderhamrik

“twee doorvaarten over en door de oude Dullaerdtdijk te mogen maken, beide correspondeerende op de nieuwe angelegde weg zig uitstreckende over de polder.”

Van de breedte der gewenste dijkcoupures haalde hij echter twee voet af. Er mocht dus wel vijf voet grond van de kap der oude dijk afgegraven worden, maar anders dan de heer Siccama een paar jaar eerder wenste, bleef dat beperkt tot een breedte van twaalf voet. Ook trof de drost een voorziening voor het geval dat de nood aan de man mocht komen:

“mitz nogthans dat die twee dijkgaten van terzijden met genoegsame sware greinen posten sufficant en hegt zullen moeten worden bekledet en verders met vaststaande balken en losse tezamen passende grenen posten worden voorsien, welke losse posten genumert in de naast bestaande behuisingen zullen moeten worden bewaart, om ingevalle van sware stormen en hoge zeewateren tusschen de vaststaande balken in de dijkgaten op de kant te worden gesettet en met mest angevult [om] in cas van noodt te konnen dienen tot keringe der zoute vloeden.“

Er was dus nog geen sprake van schotbalkenhuisjes. Het vulhout moest worden bewaard in de meest nabij gelegen huizen. Ook komt mest als stouwmateriaal nu misschien wat vreemd voor. Maar verder gaat het om bekende regelingen, die nog heel lang hebben bestaan en misschien nooit zijn afgeschaft.

Over de kosten van aanleg en onderhoud sprak de drost zich ook uit. Hierover was mogelijk proces geweest met die van Zuidbroek en Eexta. Uitdrukkelijk bepaalde de drost dat de kosten niet voor rekening zouden komen van de kerspelen die hier dijkpanden in onderhoud hadden. Alleen degenen onder Oostwold en Oostwolderhamrik, “die zulks incumbeert”, moesten de coupures maken en onderhouden. Met die ‘geïncumbeerden’ bedoelde de drost degenen die voor de dijkgaten hadden geijverd, maar wat dat betreft negeerde hij Finsterwolde. Blijkbaar achtte hij het belang van dat kerspel bij de nieuwe coupures te gering.

Overigens bestaan de dijkcoupures van de Oostwolderpolder allang niet meer. Met het slichten van de oude dijk zijn ze verdwenen. Op beide foto’s staan dus andere dijkcoupures.

2014-07-17 098

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief gerechten Oldambt) inv.nr. 6123.


Voetangels in de tuin

Collectie Rijksmuseum.

Collectie Rijksmuseum.

Mejuffrouw Werumeus had er schoon genoeg van. Telkens kwamen er bij nacht en ontij “quaadwillige menschen” in haar tuin te Veendam. Niet alleen richtten die er veel schade aan “door het afplucken der rijpe vrugten, maar ook aan de bomen selvs door ’t afscheuren der tacken”. Als meest geschikte middel tegen deze vernielzuchtige dieverij zag ze het neerleggen van voetangels.

Zo’n voetangel was een soort van kraaiepoot met vier scherpe punten waarvan er eentje altijd naar boven wees. Als je daar bij donker op trapte, was je nog niet gelukkig, zeker niet als er bloedvergiftiging bij kwam.

Dat neerleggen van voetangels kon echter niet zomaar, besefte juffer Werumeus. Daarom wendde ze zich op 22 juli 1772 tot de drost van het Oldambt. Opdat iedereen er weet van zou hebben, stelde ze een afkondiging in de Veendammer kerk voor, of de “affictie eener notificatie vooraan de tuin”.

De drost stond haar toe om de dorpsgenoten door kerkenkodiging en zo’n notificatie te waarschuwen voor voetangels op haar tuin en erf. Het wèrkelijk neerleggen van de voetangels was echter een andere zaak. Daarvoor had ze eerst een afzonderlijke toestemming nodig. Kennelijk vond de drost dat alleen al een waarschuwing wel afdoende zou werken.

Overigens is ook in de stad-Groninger rekesten enkele malen sprake van het leggen van voetangels in tuinen. Dat moest altijd met een waarschuwing bij de omheining.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief gerechten Oldambt) inv.nr. 6123.