Onlander avondrondje
Geplaatst op: 31 maart 2016 Hoort bij: Onlanden 4 reactiesErg rustig qua fietsers, want noordnoordoostenwind en nog knap fris. Wel de eerste roerdomp gehoord aan de kant van de Hooiweg vlakbij de Onlanderdijk.




Geneesmiddel tegen kanker gevonden (1783)
Geplaatst op: 31 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties“PARYS den 1 DECEMBER. Men heeft dezer dagen een geneesmiddel gevonden voor een der zorgelykste kwalen, namentlyk voor de kanker. ’t Is aan [een] eenvoudigen herder, dat het menschdom die heilzaame ontdekking verschuldigt is. Hy heeft dit middel aan den oever der zee gevonden, het is namenlyk niet anders dan peck, hetwelk naar men zegt het kwaad in den grond wegneemt. Dan hoe geringer het schynd, hoe meerder de uitvinding van hetzelve te waardeeren is.”
—
Bron: Groninger Courant 12 december 1783.
Commentaar: Hoewel destijds veel meer mensen overleden aan ziekten als pokken, mazelen, dissenterie, malaria enz., werd kanker toch bijzonder gevreesd. De vinding van een geneesmiddel ertegen was daarom belangrijk nieuws. Alleen maakte men mensen blij met een dooie mus, iets wat ook vandaag de dag nog wel eens het geval is.
Gernaat – de oorsprong en verspreiding van een familienaam
Geplaatst op: 30 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesIedereen kent natuurlijk Genoat, het nummer van Ede Staal over zijn lievelingskostje garnalen en de venter die dit goedje langs ’s heren wegen verkocht. Maar genoat is, met een kleine modificatie naar een meer algemeen Nederlands, ook een familienaam: Gernaat.
In 2007 komt deze familienaam verhoudingsgewijs het meest voor in de gemeente Oldambt en belendende gemeenten, hoewel hij ook redelijk vertegenwoordigd is in Overijssel, Gelderland en de regio Amsterdam. Maar zelfs in de Limburgs mijnstreek zijn er Gernaten, daar waarschijnlijk terechtgekomen door arbeidsmigratie vanuit Oost-Groningen.
In 1947 was dat ook al zo, al was toen de spreiding wel veel geringer – maar liefst 77 % van alle dragers van de achternaam Gernaat woonde toen nog in de provincie Groningen. Daarentegen kwam de naam toen in Utrecht, de regio Rotterdam en Zeeland helemaal niet voor.
Je zou misschien verwachten dat de naam in 1811 aangenomen is door een garnalenvisser of -venter, maar dat blijkt, althans qua datering, een onjuiste aanname. Want hij is veel ouder. Hij duikt in 1687 op in Woldendorp, wat toen nog vlakbij de Dollard lag. Een generatie later vind je hem in Zuidbroek en omgeving, en nog een generatie later leven er Gernaten in Nieuwe Pekela. Na 1800 breidt de olievlek zich uit naar het westen (Hoogezand en Sappemeer), maar ook dan blijft de naam een typisch Oost-Groningse.
Toch zie je hem in de achttiende eeuw ook wel in Zeeuwse stukken, maar dan met voornamen die in het Groningse weinig voorkomen, zoals Jonathan en Bastiaan. Kennelijk betreft het een ander geslacht en is de familienaam in Zeeland later uitgestorven.
Ik zocht het even uit, omdat ik in het Oldambtster rekestboek over 1768 een Harm Jans Gernaat tegenkwam, die geschorst werd als lid van een schippersgilde te Nieuwe Pekela. Die schorsing duurde niet lang, want dezelfde schipper vind je een jaar later in de scheepsberichten van de Groninger Courant, als gezagvoerder van het schip ‘De Gezusters’ dat naar Trondheim in Noorwegen voer.
Een internationale familie
Geplaatst op: 29 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties
In februari 1768 komt Derk Jans van der Linde uit Westerlee bij de Oldambtster drost. Hij meldt er dat zijn vrouw Lutgert Isaacs overleden is. Op zich niet iets om de drost mee lastig te vallen – de man zou dan zelf geen leven hebben – maar zoals uit de retro-acta burgerlijke stand blijkt, was Lutgert meermalen getrouwd geweest, wat een erfrechtelijk gecompliceerde situatie gaf. De boedel moest nog met de “overige erfgenamen” worden verdeeld, aldus Derk. Zijn probleem: drie van Lutgerts erfgenamen bevonden zich “buiten lands”,
“namentlijk Derk Geerts die in Amsterdam woonagtig is en Menne Geerts die na Vrankrijk vertrocken is en Gerardus Geerts in Oostindiën”.
Die waren niet in een vlucht en een zucht in Westerlee. Hun vader Geert Geerts wilde ze wel vertegenwoordigen, en op Derk zijn verzoek gaf de drost daarvoor toestemming.
Het hele geval zou louter voor genealogen van belang zijn, ware het niet dat het verzoekschrift van Derk van der Linde een mooi voorbeeld geeft van wat er onder buitenland verstaan werd. Dat Frankrijk en Indië eronder vielen, kunnen we begrijpen, maar hij schaarde er ook Amsterdam onder. Dat was geen vergissing of zo, mensen uit Groningerland beschouwden destijds hun provincie nog als vaderland en andere provincies als buitenland. Moet ergens een mapje met voorbeelden hebben, dat ik nu even niet vinden kan, maar onder andere betreft het Sicco Tjaden, de bevindelijke predikant van Nieuwe Pekela. Wordt nog eens vervolgd.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief drost Oldambt) inv.nr. 6121 (samengevatte verzoekschriften met de daarop genomen besluiten).
Veendammer schippers en de verzekerde vaart naar Frankrijk en de Oostzee
Geplaatst op: 28 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis 8 reactiesNog steeds is de vraag, wanneer de internationale zeevaart vanuit de Groninger veenkolonieën ontstond, niet erg precies beantwoord. Dat het eind achttiende eeuw zou zijn geweest, zoals de befaamde geograaf Keuning nog dacht, is inmiddels wel achterhaald. Maar wanneer gebeurde het dan?
In 1757 speelden schippers uit Veendam en Wildervank de eerste viool bij een rekest over de turfaccijns aan de Staten van Holland. Destijds moeten ze in elk geval al kind aan huis zijn geweest in Amsterdam. Maar de vaart over de Zuiderzee of de Waddenzee is nog lang niet die naar havens aan de Oostzee, of langs de Atlantische kust van Frankrijk.
De lokale historicus Top wees er op, dat Veendammer schippers in 1758 dankzij een zeer strenge winter extreme winsten maakten op ladingen turf naar Hamburg. Maar dat kan een incidenteel succes geweest zijn, dat in de jaren erna niet opgevolgd is door een meer geregelde vaart.
Zeker is dat in die jaren in Veendam en Wildervank al schippersgilden bestonden, een soort van onderlinge verzekeringsmaatschappijen tegen averij en schipbreuk. De oudst bekende gilderol (statuten) van zo’n gilde, daterend uit 1756, sloot schippers die verder voeren dan de Noordzee nog van schadevergoeding uit. Dat maakte een dergelijke vaart, hoe lucratief ook, er natuurlijk niet aantrekkelijker op. Vast staat ook dat op de werf van Jan Jacobs Pik aan het Beneden-Westerdiep te Veendam uiterlijk 1765 het eerste zeeschip gebouwd is. Tegen die tijd moet de echte zeevaart dus zijn gevestigd.
Onopgemerkt lijkt tot nu toe te zijn gebleven een “ampliatie”van waarschijnlijk bovengenoemde gilderol uit het begin van 1761. Namens het “oudste schippersgilde in Veendam” vroegen Jacob Jans Pik (de zoon van bovengenoemde hellingbaas) en twee andere olderluiden destijds de Oldambtster drost om deze wijziging en uitbreding van hun gilderol goed te keuren en te bevestigen, d.w.z. rechtskracht te verlenen.
In hun motivatie voerden Pik c.s. aan
“…dat zedert jaren de commercie van deze provintie zeer vermeerdert, en daardoor de scheepvaart meer en meer en verder word uitgebreit, zoodat de schippers van hunne gilde verder en op andere plaatzen varen, als in hunne gilde articulen zijn uitgedrukt, waardoor [zij] niets contribueren, en nogthans in cas van ongeluk de faveurs van de gilde willen genieten. Hetgeen daaglijks oorzake geevt tot verschillen en processen.”
De olderlui wilden van dat gekrakeel af en vandaar dat de gezamenlijke gildebroeders op hun laatste bijeenkomst van 9 januari hun gilderol wijzigden en uitbreidden met een aantal nieuwe tarieven voor verzekeringspremies, welke tarieven tevens een mooie indruk geven van de nieuwe bestemmingen, onlangs gekozen door leden van het gilde:
“Dat schippers op Noorwegen varende, van jeder reise zullen betalen 1-5-„; van de Eijder en de Ever mede 1-5-„; op Bourdeaux 2 gl.; aan deze kante van het Haije Zant 1 gl. 12 st[uivers]; op de Oostzee 1-15 gl.; van een doorgaande reise van de Oostzee op Vranckrijk of van Vrankrijk op de Oostzee, te weten een doorgaande reise, 3-10- „; die op Engeland varen zal van jeder reise betalen 1 gl. 12; zo jemant van de gildebroeders in de Oostzee of Vranckrijk of Engeland mogten lossen of laden zal van jeder reise betalen 1 gl.”
Naast kustvaart op havens aan de Duitse Bocht en in Noorwegen die in guldens en stuivers de laagste verzekeringspremies vergde, is hier dus sprake van bestemmingen tot het Heizand (het Kanaal), in Engeland, in de Oostzee en Zuidwest-Frankrijk die qua inleg wat duurder waren. Voer iemand tussen zulke bestemmingen heen en weer, dan golden de hoogste tarieven.
Begin 1761 moet de internationale veenkoloniale zeevaart buiten de Noordzee dus geaccepteerd zijn als assurantiewaardig. Voor het geval dat daar nog eens ruzie over ontstond, voorzag de ampliatie van de gilderol in een extra clausule:
“Hierover dispuit of verschil voorvallende wat en hoeveel de gildebroeders moeten betalen of andere verschillen, zullen met pluraliteit van de gildebroeders op hunne ordinaire comparitiën worden beoordeelt en gedecideert, waaraan zig jedereen gewillig submitteere.”
Bij onenigheid guld derhalve de democratische stelregel van de meeste stemmen gelden. Op 2 februari 1761 keurde de Oldambtster drost deze wijzigingen en aanvullingen goed, om ze meteen te registreren. Voortaan kon men gerechtelijk dus terugvallen op deze regels. Mogelijk zijn er in het civiel-rechtelijke prothocol van het Oldambt (en in hogere instantie dat van de het Volle Gerecht in de stad) de kwesties te vinden die aanleiding gaven tot deze ampliatie.
—
Bronnen:
- Paul Brood e.a., 350 jaar Veendam en Wildervank (Bedum 2005) 44-48.
- RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief drost Oldambt) inv.nr. 6120 (samengevatte verzoekschriften en daarop genomen besluiten), dat van 2 februari 1761.
Avontuurlijk haantje
Geplaatst op: 27 maart 2016 Hoort bij: Drenthe 10 reactiesFietste vanmiddag een winderig rondje Peizermade-Eiteweert-Leegkerk. Een eind voorbij Eiteweert, vlakbij de baileybrug over het Peizerdiep, hoorde ik links van me in het voorbijgaan opeens een haan kraaien. En nog eens, nu achter me. Reed een eindje terug en zag in de ruigte een mooi krielhaantje rondscharrelen, ik denk een sebright. Hij was mensen gewend, want hij stapte rustig mijn richting uit, vermoedelijk in de verwachting van voer. Wellicht betreft het een weggelopen of gedumpt exemplaar, op die plek overigens een gemakkelijke prooi voor roofvogels. Toen ik wegfietste, begon hij opnieuw te kraaien. Hij wilde dat ik teruglkwam!




Een goed woordje voor de ontslagen roderoede
Geplaatst op: 27 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenHoe hij precies zijn plicht had verzaakt, wordt nergens duidelijk. Waarschijnlijk trad hij niet op tegen brutale bedelaars of een jachtovertreding, want dat waren zijn hoofdtaken. Mogelijk speelde dronkenschap hierbij ook een rol. Hoe dan ook, Jan Harms Dik werd in het voorjaar van 1758 “wegens onagtsaamheit’ ontslagen als roderoede van de Beerta, en bovendien nog eens acht dagen op water en brood gezet. En dus moesten de plaatselijke predikant en kerkvoogden een voordracht van drie kandidaten maken, waaruit de Oldambtster drost een nieuwe roderoede kiezen kon.
Maar de lokale kerkvoogdij zette Jan Harms Dik weer op die nominatie, omdat hij
“ongeluckig in ‘t geval is gekomen, zijnde anders en gants geschickt en wel oppassende man, gesien bij de meenste caspellieden.”
Ook deed de kerkeraad van Beerta (d.w.z. de ouderlingen en een diaken) in een aparte verklaring een goed woordje voor de ontslagen roderoede, in de “gunstige verwagtinge” dat de drost hierop een voor Dik positief besluit zou willen nemen,
“doordien genoemde persoon exempt dit eene ongeluk of slofheit anders een gantsch geschikt en nugteren man is en wel gesien bij de meeste caspelluiden”.
Naast de populariteit van hun ontslagen veldwachter, was er echter nog een reden voor de kerkeraad om voor Dik op te komen – hij en de zijnen zouden wel eens tot armoe kunnen vervallen en daarmee kwam er dan “een sware last” voor rekening van de diaconie,
“als bestaande sijn familie in een vrouw met 5 kinderen, hebbende de vrouw reets gedurende de hegtenisse eenige onderstant van de diaconie genoten”.
Met zoveel eensgezindheid in de Beertster gemeenschap kwam de Oldambtster drost inderdaad tot een “gunstige reflexie”. Hij benoemde Jan Harms Dik opnieuw tot roderoede van Beerta, maar boekstaafde wel het een en ander, zodat er als het ware een dossier was, mocht Dik opnieuw in de fout gaan.
Uit het hele geval blijkt, hoe dicht de roderoeden, als afkomstig uit een landarbeidersmilieu, zelf op de armoedegrens zaten.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief drost Oldambt) inv.nr. 6120 (samengevatte verzoekschriften en daarop genomen besluiten).
Windmeerit Eemshaven
Geplaatst op: 26 maart 2016 Hoort bij: Ommelanden 5 reactiesZuiderweg Hoogkerk:

Oosterhaven, Groningen:

De leeuw met schild vol drukkersattributen boven de ingang van het Typographengasthuis, Petrus Campersingel, Groningen:

Woonschepen op het Boterdiep bij Noorderhoogebrug:

Blije eend op de Koningslaagte:

Verder vrijwel uitsluitend meeuwen op de Koningslaagte:

Nestelende futen bij Onderdendam:

Oosterweg voorbij Kantens

De kerk van Oldenzijl ondergaat zo te zien een grootschalige opknapbeurt:

Uithuizermeeden:

Nog even teruggereden door de weilanden naar Uithuizen. Tamelijk afgesleten gevelsteen op de voormalige sarrieshut naast molen De Liefde:

Eindpunt Eemshaven – Goliath, zo heet die kleinste molen:

Gronings was eerste taal in Groninger signalementen, maar bepaald niet dominant
Geplaatst op: 25 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis, Taal 3 reactiesDe signalementen uit het Oldambtster register dat loopt van 1805 tot 1807 bevatten ook nogal eens informatie over de talen die mensen spraken. Ik heb deze taalgegevens in onderstaande tabel samengebracht, maar me, om het een beetje overzichtelijk te houden, daarbij beperkt tot de mensen die in Groningerland waren veroordeeld. Ook blijven aangeleerde vreemde talen buiten beschouwing:
| Naam | Geb. / woont | Leeftijd | Kwalificatie van gesproken taal: |
| Albertus Busweiler | Elburg | 19 | “Geldersche uitspraak” |
| Augustinus Rijkens | Groningen | 38 | “Groninger spraak” |
| Pieter Hindriks Brouwer | Meeden Oldambt. Woont in Grollo. | 40+ | “de Westerwoldsche taal” |
| Anje Hindriks | Wehe | 29 | “platte Groninger taal” |
| Sytze Auwerts | Opende, Friesland | 34 | “de Friesche taal” |
| Pieter Pot | Noorddijk | 44 | “wat verwijfde Groninger spraak” |
| Theodora Stevens | Maastricht | 20 | “een Groninger en wat Hollandsche taal, onder elkander gemengd” |
| Gerrit Wierst | Woont Strobos, Pekela. | 20+ | “de Friesche taal” |
| Jan Melschede | Woont Westerkwartier. | 37 | “gebroken Hoogduitsch met Hollandsch vermengd” |
| Doortje Hindriks | idem | 19 | “Hollands” |
| Rikste Jans | Bonderhamrik, woont in de stad Groningen. | 22 | “Oostfriesche spraak” |
| Cornelius Tiessens | Oldeboorn, Fryslan | 43 | “Friesch” |
| Hindrik Janssen | 28 | “Hollandsche taal” | |
| Wybe Reinds Valk | 17 | “eenigzints de Friesche taal” | |
| Frijdrik Willems | 15+ | “platte Groninger taal” | |
| Jan Jacobs Orsé | Zwolle | 20 | “Hollansche taal” |
| Jacobus Augustinus | Amsterdam | 24 | “Hollandsche taal” |
| Diever Jans | Finsterwolde en daar wonend. | 46 | “plat Groningsch” |
| Hindrika Roelfs | Wolvega | 36 | “De Friesche taal gemengd met Oostfriesch” |
| Klaas Hindriks | 38 | ”De Osnabrugsche taal” | |
| Johannes Bernard | Groningen en daar wonend. | 18 | “Groninger met Hollandsche gemengde spraak” |
| Eltje Remkes | Groningen | 55 | “Groninger spraak” |
| Hindrik Wilhelm Wiltes | Oldenburg | 17 | “lompen Oldenburger spraak” |
| Georg Hindrik Fernekamp | Estorf, Hannover | 47 | “niet zuivere Groninger spraak” |
| Harm Gleuns | Gronngen | 23 | “Groninger spraak” |
| Omme Godfried alias Wilhelm Schuckman | Woonde in Fivelingo | 49 | “Oostfriesche taal” |
| Harm Egberts | Woonde in Fivelgo. | 30 | “Drentsche taal” |
| Jan Alberts | Woonde in Fivelgo. | 16 | “Groninger taal” |
| Pieter Hindriks Nagel | Woonde in Fivelgo. | 18 | “Friesche taal” |
| Elisabeth Cornelis Frank | Leeuwarden, woonde in het Gorecht. | 22 | “Friesche taal, naar het Amsteldamsch zwemende” |
| Sijbrand Beerends | Dokkum, wonend Gorecht. | 53 | “Friesche taal” |
| Hindrik Ternauw | Hessenland | 50 | “Hollandsch met een Duitsche tongval” |
| Albert Michiels | Sappemeer | 61 | “Plat Groningers” |
| Heiltje Bonthuis | Groningen | 29 | “Groninger spraak” |
| Renske Harms | Dokkum | 30 | “sprekende weinig Friesche taal” |
| Jan Pieters | Woonde in de Oostwolderpolder. | 23/24 | “de gewone Groninger taal” |
| Hindrik Jans | Oud Lemge, Lipsland, woonde in ‘t Oldambt. | 26 | “een weinig de Lipsche taal sprekend” |
| Christoffel Wilhelm Limeken | Frankenhausen, Saksen | 20 | “de Hoogduitsche taal” |
| Jan Jans Postelijn | “de Friesche taal” |
Het talenpalet was opmerkelijk veelkleurig. Onder deze 39 personen werden immers 13 eerste talen gesproken. Het Gronings was hiervan wel de meest gesproken taal, maar het was absoluut niet zo dominant als je misschien verwachten zou. Het werd slechts gesproken door een minderheid in deze groep:
| Gronings | 9 |
| Gemengd Gronings-Hollands | 2 |
| Westerwolds | 1 |
| Drents | 1 |
| Gelders | 1 |
| Fries | 5 |
| Gemengd Fries-Oostfries | 1 |
| Hollands | 4 |
| Hoogduits-Hollands | 1 |
| Oostfries | 2 |
| Oldenburgers | 1 |
| Osnabrücks | 1 |
| Lips | 1 |
De mensen die in Groningerland geboren waren, spraken wel allemaal Gronings. In de zuivere variant heet dat Gronings vaak “plat”. Waar een gemengd Gronings-Hollandse taal gesproken werd, lijkt er een militaire achtergrond te zijn geweest, met verhuizingen van garnizoens- naar garnizioensstad. De man die een verwijfde vorm van Gronings sprak, was een meermalen veroordeelde sodomiet.
De tweede taal onder deze groep mensen was het Fries. Het werd hier half zo vaak gesproken als het Gronings. Pas op de derde plaats, zij het vlak na het Fries, kwamen de verschillende varianten van het Nederduits, maar het Hollands was bijna even vaak te horen. Van de Nederduitse varianten heet de Oldenburger “lomp”, wat spoort met de heersende vooroordelen tegen Velingen en hannekemaaiers.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief Drost der beide Oldambten) inv.nr. 6838: register van signalementen 1805-1807.
Tatoeages in een signalementenregister
Geplaatst op: 24 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieHeb gefascineerd zitten lezen in een register met signalementen, dat in de jaren 1805-1807 bijgehouden werd door iemand van het gerecht der beide Oldambten. Er staan gezochte, ontsnapte en vooral verbannen criminelen in beschreven, meest uit Groningerland, maar qua zwaardere delicten ook wel uit Holland, Brabant en Duitstalige gebieden. En passant leer je het een en ander over de zelfkant van de samenleving, de ziekten waaraan mensen leden en de talen die ze spraken.
Het is bijvoorbeeld een uitstekende bron om te weten te komen hoeveel mensen tatoeages droegen. Niet veel, zo blijkt, want van de bijna 130 signalementen in het Oldambtster register, zijn er slechts drie met een tattoo, terwijl dat toch een element was waaraan je iemand gemakkelijk kon herkennen, zodat een signalement er niet gauw aan voorbij ging.
Zo had Jan Luitjes, geboren in Noordbroek, 27 jaar, wonend op de Stadspolder bij Beerta, “op de beide armen een wapen, het een van Spanjen en het ander van Ierland”. Was Jan behept met een hang naar het vreemde en exotische? Waarschijnlijk niet. Mogelijk had hij gevaren of gevochten – Spanje was die andere nagel aan de doodskist van Napoleon, er sneuvelden destijds vele Nederlanders in een smerige guerilla-oorlog.
Jacob Jans, ook wel Jan Jacobs Kuik genaamd, was een “schraal” mannetje van om en nabij de 50, die in Fivelingo veroordeeld was wegens diefstal. Over zijn tatoeage zegt zijn signalement: “op de rechterhand getekend met een geprikt anker en ’t jaar getal 1803”. Dat jaar 1803 was een incidenteel vredesjaar in de Napoleontische aaneenschakeling van oorlogen. Jan ging naar zee toen de kanonnen daar even zwegen.
Vanuit Holland kwam het tweevoudige signalement van de roofmoordenaar Joseph van Halen (30), ook wel Verhalen, bijgenaamd de Bloedschijter. Voordat hij opgepakt werd, zwierf hij rond met zijn “poppekas”, zijn vrouw en vier kinderen, waarvan de oudste zoon viool speelde. Voordien was Van Halen dertien jaar lang zeeman geweest. Toen de koets waarin de autoriteiten hem lieten vervoeren, bij Oudewater omsloeg en hij ontsnapte, kwamen in zijn nieuwe, meer uitgebreide signalement ook zijn drie tatoeages te staan: “op de hand en arm en hart een zeemansteken”.
In twee van de drie gevallen hingen de tatoeages dus duidelijk samen met het zeemansbestaan. Wellicht komt dat u bekend voor, maar dat wist u dan vooral over een latere periode.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief Drost der beide Oldambten) inv.nr. 6838: register van signalementen 1805-1807, in het bijzonder de pagina’s 5, 26, 37.
Seksenstrijd om een naberschapskas
Geplaatst op: 23 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenWeleer kende ieder dorp en elke stad buurten, waarbinnen de naberhulp plaatsvond. In Groningerland heetten die naberschappen in de stad ‘kluften’, en op het platteland ‘gilden’. In de stad omvatte zo’n kluft een twintigtal mannen, sterk genoeg om mee te helpen bij het dragen van een doodskist. Op het platteland zal een gilde niet veel groter of kleiner zijn geweest.
Een kluft of gilde beschikte over een eigen kas, waarin niet alleen de volgens een naberschapsreglement of gilderol vereiste entree- of intekengelden en contributies vloeiden, maar ook allerlei breuken (boetes) voor het niet voldoen aan naberplichten bij met name geboorte, ziekte of dood. Rotmeesters of oldermans, die de buurt ook naar buiten toe vertegenwoordigden, inden deze breuken. Eens in de zoveel tijd, als er weer eens flink veel geld in kas was, hield de buurt daar een feest van: de nabertering of potvertering. Zo’n feest kon in de eerste helft van de zeventiende eeuw nog wel eens drie dagen duren, maar dat was dankzij de niet aflatende ijver van de gereformeerde predikanten in de achttiende eeuw teruggebracht tot aanzienlijk bescheidener proporties.
Van zulke naberteringen had ik op basis van gerechtelijk bronnenmateriaal uit de stad nog nooit gemerkt dat ze gescheiden naar sekse plaatsvonden. Toch ging het er in Winschoten anno 1761 zo aan toe. Vrouwen en mannen hielden er apart hun potverteringen.
In Winschoten ontstond er heisa, omdat de vrouwen van de Wittevrouwenstraat (nu Langestraat) zich financieel tekort gedaan voelden en daarom bij de drost langs waren geweest. Hun verzoekschrift bleef echter niet bewaard, terwijl dat van de mannen uit die straat wèl geregistreerd werd. De mannen voelden zich benadeeld door de kantbeschikking die de drost aan de vrouwen afgaf. Op hun verzoek had hij ze namelijk structureel een derde van alle contributies en breuken in de naberschapskas toegekend.
Dat was tegen de zin van de mannen, die aan tweederde van de kasopbrengst blijkbaar nog niet genoeg hadden voor hun feestjes. Onder aanvoering van zilversmid J. de Grijs trokken de olderlieden van het Wittevrouwengilde op hun beurt naar de drostenborg. “Dog zij de vrouwen niet geheel begerende af te snijden van de voorvallende breuken, of dien verteringe”, deden het voorstel om de kas naar herkomst te verdelen: “Dat de vrouwen hare breuken werden geadjudiceerd en de overige ten profijte der mannen verbleven”. Dit voorstel werd gedaan “met de generale toestemminge” van alle mansleden van het Wittevrouwengilde, zo verklaarden de olderlieden in hun toelichting.
De mannen kregen hun zin. Inderdaad wees de drost nu de vrouwen, in plaats van een derde van alle inkomsten, slechts de breuken en contributies toe die van vrouwen afkomstig waren,
“zoo van intekeningen of wat dies meer mogte zijn, en wat naam het ook mogte hebben, niet uitgezondert, alleen tot profijt der vrouwen om op een vrouwelijke manier verteert te worden, zonder meer”.
De olderlieden moesten echter alle naberschapsinkomsten, ook die van de vrouwen, blijven innen. Kennelijk was er even sprake van geweest, dat De Grijs en consorten er wat dat betreft het bijltje bij neer wilden gooien, als de drost ze hun zin niet gaf.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (plaatselijke gerechten Oldambt) inv.nr. 6120 (samengevatte verzoekschriften en beschikkingen daarop) 25 maart 1761.
“Ten allen tijde fris bier” – de Groninger bierbrouwers in 1820
Geplaatst op: 22 maart 2016 Hoort bij: Stad toen 2 reactiesDankzij een nijverheidsenquète weten we dat er nog zes bierbrouwerijen waren, anno 1820, in de stad Groningen. Vaak noemen zulke statistische onderzoekjes niet de namen van de bedrijven en hun eigenaars, maar in dit geval is er een prettige uitzondering gemaakt – ze staan vermeld met de aantallen volwassen mannen die in de bedrijven werkzaam waren:
| Naam: | Eigenaar: | Aan het werk: |
| De Struisvogel | L. Bulthuis | 3 man |
| Het Fortuin | W. Vetter | 1 man |
| De Ruiter | G.R. de Cock | 2 man |
| De Paauw | C. van Valkenburg | 3 man |
| Het Doorschoten Hart | Jelle de Vries | 2 man |
| Het Gekroonde Hert | J. E Winter | 3 man |
Kinderen werkten er niet, in de Groninger bierbrouwerijen. De bedrijven deden het ook nog zonder stoomkracht, dus puur ambachtelijk. Alle eigenaars werkten zelf mee, het waren dus geen ondernemers die maakt niet uit wat voor een bedrijf konden leiden. Ze zaten dicht op hun personeel en vertegenwoordigers of depothouders buiten de deur hadden ze niet.
Dat personeel verdiende gemiddeld een gulden per dag, wat relatief aan de hoge kant was – daarin klinkt enige waardering voor vakmanschap door. Ging er in de achttiende eeuw nog iedere week een speciaal kluinschip naar Leeuwarden, sindsdien werd het Groninger bier alleen afgezet in stad en provincie Groningen, in de zomer zo’n tweederde meer dan ’s winters.
De bazen lieten zich anno 1820 nogal somber uit over de toestand van hun branche. Al jaren was die kwijnende, waarbij ze achtereenvolgens het belastingstelsel, de duurte van grondstoffen (c.q. gerst en haver, hop) de hoge lonen “en het wijnig gebruik van bier” als oorzaken aanwezen.
Op lange termijn was die laatste oorzaak zonder enige twijfel het belangrijkst. In zeventiende eeuw dronk men nog veel licht en zwaar bier, maar sindsdien was het lichte grotendeels verdrongen door koffie en thee en het zware door wijn en jenever. Wellicht waren de Groninger bierbrouwers van 1820 zich hier niet zo van bewust – ze wensten vooral lastenverlichting.
De bierbelasting van 1 december 1816 bepaalde dat alle Groninger brouwerijen bier mochten maken in twee roerkuipen en één enkele ketel. Bij die roerkuipen was er altijd een grote en een kleine. Ook omdat er niet in elk jaargetij evenveel bier gedronken werd, gebruikten de Groninger brouwers twee maal zo vaak die kleine kuipen als de grote voor hun zoete, tamelijk instabiele bier. Bij grote hoeveelheden brouwsel was de kans immers groot dat het laatste bier uit de kuip zuur of op een andere manier onverkoopbaar zou zijn. De Groninger brouwers gebruikten dus graag hun kleine kuipen “om ten allen tijden fris bier te kunnen hebben”.
Onverkoopbaar bier bracht geen belasting op. Het gebruik van de kleine kuipen gaf het land daarom eerder voor- dan nadeel, betoogden de Groninger brouwers. Toch mochten ze van de belastingdienst vanaf november 1819 alleen nog maar hun grootste roerkuipen gebruiken als grondslag voor hun aangiftes en daarmee ook in de feitelijke praktijk. Zo konden ze hun kleine roerkuipen niet meer gebruiken en dat was tegen het zere been.
Als de overheid de bedrijfstak wilde stimuleren, schreven ze, dan moest er lastenverlichting komen. Of tenminste die maatregel van november 1819 weer terugschroeven, zodat ze net als vroeger met twee roerkuipen en een ketel konden werken.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1399 (archief Gemeentebestuur van Groningen 1816-1916) inv.nr. 8586.
Weduwe Oostindiëvaarder moest lang wachten voor ze weer kon trouwen
Geplaatst op: 21 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis 6 reacties“Wij onderges[chreven]Bewinthebberen van de OostIndische Compagnie, verklaren bij dezen dat Douwe Jans van Sapmeer den 13 maart 1755 zonder testament te maken, niets nalatende, is overleden, als blijkt bij ’t Grootboek van de Caab Ao 1754/5 fo. 496.
In Amsterdam 25 maart 1760
/stond/
G. Bors van Waveren
Jacob van Gnevel”
Deze verklaring werd op 24 november 1760 ingeleverd bij de drost van het Oldambt door Anna Geerts, wed. Douwe Jans. Al een hele poos eerder, waarschijnlijk in 1759, had Anna zich tot de predikant van Noordbroek gewend, met het verzoek om haar nieuwe huwelijk met Harm Meinderts driemaal af te kondigen. Maar omdat ze niet kon bewijzen dat haar vorige man, de Oostindiëvaarder uit bovenstaande verklaring, werkelijk overleden was, stak de drost een stokje voor de tweede en derde kondiging, zodat het huwelijk vooreerst niet door kon gaan.
De zekerheid moest uit Amsterdam komen. In maart 1760 schreef de VOC op haar verzoek dus de verklaring die de dood van haar man op Kaap de Goede Hoop bevestigde, welk bewijsstuk ze in november aan de drost liet zien. Die gaf vervolgens de predikant toestemming tot de verdere afkondiging van haar huwelijk, maar copieerde voor alle zekerheid nog wel even het bewijsstuk. Voor het huwelijk van Anna en Harm was er verder geen beletsel. Het vond plaats op 14 december.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (plaatselijke gerechten Oldambt) inv.nr. 6120 (samengevatte verzoekschriften en beschikkingen daarop).
Borgercompagniester dissenters tegen extraatje voor de dorpsschoolmeester
Geplaatst op: 20 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesIn de achttiende eeuw bedroeg het schoolgeld in Groningerland gewoonlijk 1 stuiver per kind per week, behalve als dat kind naast lezen en schrijven ook rekenen leerde, want dan werd het minstens 2 stuivers per week. Als een kind dus 40 weken naar school ging, wat gemiddeld vast aan de hoge kant zal zijn geweest, en daar, zoals meestal, slechts lezen en schrijven leerde, dan ving de schoolmeester van zo’n kind al met al 2 gulden per jaar. Had hij geen bijbaan en gaf hij louter onderwijs, dan moest zo’n schoolmeester voor een gangbaar minimum-inkomen zo’n tachtig kinderen onder zijn hoede hebben. Dat was wat veel gevraagd en daarom werden op vele plaatsen deze schoolmeestersinkomsten aangevuld met vaste tractementen, gratis huisvesting, de opbrengsten uit kosterijland, schrijf- en rekenwerk voor derden, bijbaantjes en sinecures.
In het gedeelte van Borgercompagnie dat onder Veendam hoorde, was dat in 1756 blijkbaar nog niet het geval. Maar als een schoolmeester ergens te weinig verdiende, was hij natuurlijk snel weer weg. Ook kreeg een dorp waar een schoolmeester een karig bestaan had, op voorhand niet de beste leerkrachten. Dat zullen dan ook de redenen zijn geweest, waarom de ingezetenen van de Borgercompagnie nadachten over een betere bezoldiging voor hun dorpspedagoog.
Dat najaar waren ze meermalen bijeengeroepen door “de ouderluiden der gilden”, dat wil zeggen de voornaamste mannen van hun buurten, voor overleg over een vast tractement dat de schoolmeester zou moeten gaan verdienen,
“zijnde telkens de overstemminge geweest dat de huisgesinnen die boeren bedrijf hebben en de schippers die op Holland varen in ’t jaar sullen geven 8 st[ui]ver in twe egale termienen en de overige die slegs een huis met een tuine besitten 4 st[ui]ver.”
Er waren dus twee inkomensklassen: aan de ene kant de boeren en grotere schippers, en aan de andere kant alle andere huizenbezitters. De eerste klasse zou dubbel zoveel aan het extra tractement voor de schoolmeester bijdragen, als de tweede. Over huurders wordt niet gesproken, mogelijk waren die vrijgesteld.
In de dorpsvergadering die deze regeling zou omzetten in een “willekeur”, zeg maar plaatselijke verordening, bleek iedereen het ermee eens,
“uitgenomen eenige, en dat wel voornamelijk die van een ander religie zijn, welke niet willen of zij moeten er toe gedrongen worden…”
De katholieken, lutheranen en doopsgezinden wilden dus niet zomaar bijdragen. Hun redenen staan er niet bij, maar het reguliere onderwijs was ingericht naar gereformeerde (= hervormde) inzichten, viel ook onder het toezicht van de gereformeerde kerk en maakte bovendien gebruik van gereformeerde teksten zoals de Statenvertaling en de Heidelbergse catechismus. Dat de dissenters van de Borgercompagnie hun medewerking weigerden, was dus ook weer niet zo vreemd. Al maakten hun kinderen wel degelijk gebruik van de lokale school, zoals nog blijken zal.
De dorpshotemetoten stapten namelijk op 8 december 1756 naar de drost van het Oldambt. Ze verzochten hem dat de de dorpsgenoten die hun toestemming voor de willekeur weigerden te geven, hun “tegenreden” bij hem in zouden brengen. Bleven ze in gebreke, dan zou de de willekeur voor rechtsgeldig moeten worden gehouden.
De drost keurde de willekeur alvast goed, maar verbond er wel de voorwaarde aan dat de weigeraars hiervan bericht zouden krijgen. Daarna kregen die weigeraars acht dagen de tijd om op te komen voor hun belangen, “zo eenige wesentlijke mogten hebben”.
Die acht dagen werden er wat meer. Op 16 januari 1757 staken acht weigerende gezinshoofden de koppen bij elkaar en tekende ze een volmacht voor Derk Franssen en Berent Eckel om hun positie bij de drost te verdedigen. Op 25 januari dienden Franssen en Eckel zich aan in de drostenborg. Ze beloofden daar namens hun achterban om in plaats van de verplichte bijdrage, jaarlijks een vrijwillige gift aan de schoolmeester te doen. Daar ging de drost mee akkoord, op voorwaarde dat hun kinderen “van ‘t regt van de school sullen werden uitgesloten”, als zij “gene genoegsame gifte” betaalden. Bovendien moest de schoolmeester hun kinderen dan weigeren, zoniet, dan zou hij zijn tractement verliezen.
Of de dissenters er financieel wat mee opschoten, lijkt me vatbaar voor twijfel, maar de principekwestie hadden ze gewonnen.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (plaatselijke gerechten Oldambt) inv.nr. 6120 (samengevatte verzoekschriften en beschikkingen daarop).
Grunneger Toaldag 2016
Geplaatst op: 19 maart 2016 Hoort bij: De actuele wereld Een reactie plaatsenZeuvende editie alweer. Tied vlocht.
Votdoalik bie ingang ’n Frais – Douwe van de bieb ston der te smoken:

Peter de Haan bie ’t inregelen van ’t geluud, op achtergrond stait Kokjebalder te fotograferen:

Janneke Vos en Martin van Dijken, dei vieftig sprookjes van Grimm vertoald het:

Cultuurdippetaaierde Fleur Gräper (rechts) kreeg ’t eerste exemploar van dei sprookjesbundel anboden. Ken ze mooi heur Grunnegs mit ophoalen, want zai wos nait meer as twei woorden, bekende ze. Aine was moi:

Elzo, ’n tiep van Alina Kiers, von dat je ien wereld hailendaal niks opschoten mit al dat dioalekt. Sprookjes van Grimm haar ze deur keukenmezien hoald, mit hiloarisch effekt:

Janneke Vos en Peter de Haan:

Sprookjes van Grimm vonnen votdoalik weg noar kritische consument:

Dei straks oet boukenkist van Klunderloa deur kin goan mit Abbedoedas, Nansie Koakelhenne en Sikko vindt alles lekker:

Onnerwegens noar Tahiti:

Van Waark. Een duet:

Luusteroar bie lezen:

Was lezen deur perfester Frais Goffe Jensma, die pleidooi huil om oet te goan van bestoande meertoalighaid:

Breed overleg boeten deure:

Binnen volle bak mit Wia Buze:

Luusteroars bie dichter Jan Glas:

Bariton Cees Vermandel zong Winterraaize van Schubert:


Recente reacties