Schipbreuk op de Dollard
Geplaatst op: 18 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenJnte Alberts had de Pekelder schipper Klaas Jacobs Jonker geld geleend voor zijn schip. In ruil daarvoor kreeg hij het gereserveerd eigendomsrecht over dat schip: als de schipper de rente niet meer betaalde, kon Jnte het schip opeisen en laten verkopen.
Dat de schipper op zeker moment niet meer aan zijn verplichtingen voldeed, kwam doordat zijn vaartuig “in de Dollardd is gebleven”. Geluk bij dit ongeluk was nog dat ene Nanne Hindrix een groot deel van het “opgoed” – denk maar aan mast, zeilen, tuigage, eventuele deklading – had weten te bergen. Maar hoewel Jnte Alberts daar als eigenaar recht op had, weigerde Nanne Hindrix het geborgen materiaal terug te geven, “ten zij wegens bergloon was voldaan, waarover niet eens konnende worden”.
Daarom liet Jnte Alberts zich op 28 oktober 1755 in de Oldambtster drostenborg te Zuidbroek vinden. Hij vroeg de drost om zowel hem als Nanne Hindrix te horen en dan een besluit tre nemen.
In de zitting beloofde Nanne de spullen aan Jnte te geven, op voorwaarde dat ze gerechtelijk zouden worden verkocht. Hij zou zich dan tevreden stellen met 25 gulden uit de opbrengst. Hij wilde bovendien zijn eigen rechtskosten voldoen.
Partijen bleven het oneens over een zoekgeraakt ankertouw. De drost oordeelde dat Jnte zelf maar moest weten of hij daarover nog een proces wilde beginnen.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (plaatselijke gerechten Oldambt) inv.nr. 6120 (samengevatte verzoekschriften en beschikkingen daarop).
Jos Rietveld en zijn fietsen van Fongers
Geplaatst op: 17 maart 2016 Hoort bij: Stad nu 1 reactie
Filmpje van OOG-TV.
Hoofdwaterleiding Eeldersingel gesprongen
Geplaatst op: 17 maart 2016 Hoort bij: Stad nu 5 reactiesJe maakt wat mee onderweg. Vanuit het vluchtheuveltje in de zebra op de Eeldersingel borrelde vanochtend om even voor negen uur water omhoog, best veel water eigenlijk. Verderop zette politie de drukke weg al af – er bleek een hoofdwaterleiding gesprongen:

Gezicht naar het oosten:

Beekje:

Andere kant van de weg, met de blik richting Eendrachtskade:

Kabbeldekabbel:

Er kwam een bult zand mee:

Een tegel was al opgelicht:

Vanmiddag om drie uur, half vier was het waterbedrijf er nog steeds mee bezig. Het aantal waterloze huizen viel wel mee, zei een van de mannen:

Een bruinvis in de Spilsluizen
Geplaatst op: 16 maart 2016 Hoort bij: Stad toen 1 reactie“Woensdagmorgen werd in de groote Spilsluis te Groningen een bruinvisch gevangen, die circa 25 halve kilogrammen woog, en ongeveer drie voet lang was. Het dier is hoogst waarschijnlijk door liet stormachtige weder van het zoute in het zoete water verdwaald.”
Bron: Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage 18 december 1869.
Het Reitdiep was toen nog niet afgesloten en normaal kon je dus al eb en vloed in dat water bespeuren. In de nacht van 16 op 17 december heerste er een zware noordwesterstorm, die voor veel schade zorgde. Deze zal het zeewater in het Reitdiep meer dan normaal hebben opgestuwd.
Rondje Ezinge
Geplaatst op: 13 maart 2016 Hoort bij: Ommelanden 4 reactiesBangeweer-viaduct vanaf de helling bij de velden van de FC Hoogkerk. Op de achtergrond de schoorsteen van kartonfabriek De Halm:

Hofje met berken, haaks op de Siersteenlaan in Groningen:

Tinten bij de Paddepoelsterweg:

De boeddha van Sprikkenburg:

Voorheen boomhut bij de Paddepoelsterbrug:

Verweerde dampaal tussen Wierumerschouw en Oostum:

Feerwerdermeeden:

Feerwerd;

Spreeuwenzwerm bij de Oldijk achter Ezinge:

Bij Fransum:

Hier en daar groepjes kieviten, zoals bij het Groot Leger:

Bomen langs de Lindt tussen Aduard en Nieuwklap:

Rondje Paterswolde
Geplaatst op: 12 maart 2016 Hoort bij: Drenthe 4 reactiesDe Peizermader cascade blijkt weer te werken:

Zilverreiger, op de achtergrond de Ter Borchlaan:

Rietomzoomde sloot, de ene kant op:

En de andere kant op:

Afgedankte landbouwmechanisatie op de Schelfhorst:

Aalscholver nabij het Elsburger Onland:

Aan de Groninger kant van het Paterswoldsemeer een paar zeilwedstrijdjes met o.a. Optimisten en Flitsen, dus jeugdklassen:

Gewezen eenkamerwoninkjes onder één dak bij de Meerweg:

Bij ’t Friescheveen het eerste ijsje van het jaar genomen – in de polder erachter stond nog een enorm blok hooi:

Het ooievaarsnest bij de Hoornsedijk bleek ook al bewoond:

Volgens mijn achterneef heette dit schiereiland ooit het Eiland. Het was van zijn oom:

Keerde om kwart over vier weer in de stad terug en nadat kapper Tinus David Bowie een helder uitzicht had gegeven, kwam ik meteen aan de beurt:

Rondje Foxwolde
Geplaatst op: 11 maart 2016 Hoort bij: Drenthe, Onlanden Een reactie plaatsenPluizende rietsigaren op de hoek van de Eelder Madijk en de uitloper van het Stadspark:

Fazant bij afrastering langs de Langmadijk, Peizermade:

Onlander nevel:

Eindje verder scheen de zon weer:

Drassig land bij Sandebuur:

Foxwolde – Haflingers met de kolder in de kop; op de voorgrond een pas gegierd weiland:

Het bekendste ooievaarsnest van Roderwolde werd alweer bewoond. Een van het stel ging net uit eten:

Overal pollen sneeuwklokjes, maar nergens zoveel als op het oosteind van Roderwolde:

Hoornsediep en omgeving in 1818
Geplaatst op: 10 maart 2016 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Ik kwam die charmante kaart uit 1818 weer tegen. Dit keer wil ik het hebben over het gebied rond het Hoornsche Diep dat hier midden door ’t beeld stroomt, van de stadsgrens bij de Nieuwe Werken of Helperlinie (rechtsboven, zuid) naar de stad Groningen (linksboven, noord). .
Vlakbij de stad zie je aan het Hoornsche Diep een L-vormig gebouw staan: het tichelwerk (baksteen- en pannenbakkerij) dat midden achttiende eeuw van hopman Thomas Lieftinck was, een aanvoerder van de orangistische burgerij in de stad. Enige decennia later was het bedrijf in handen van de regentenfamilie Trip. Links van het tichelwerk zie je nog een klein pand, dat was een lijmziederij. Lijmziederij en tichelwerk bevonden zich in de omgeving waar je nu het Cascadecomplex vindt.
Rechtsboven zie je de Groninger papiermolen. Onder de buitengracht door zat een pomp of duiker, die het water van het Helpermaar of de Zegge naar het noorden doorliet. Beide wateren mochten niet met elkaar in verbinding staan, het waterpeil in de verdedigingsgracht moest apart regelbaar zijn, vandaar die pomp. Het maar loosde zijn water terzijde van het tichelwerk, waar je een watermolentje ziet.
Nog een derde molen bevond zich ‘onder’ het Hoornsediep, op een plek waar nu de ringweg langs loopt. Het was een houtzaagmolen, waarbij ook wat kalkovens stonden.
Van rechtsonder tot linksonder loopt, tot slot, de Hoornsche Dijk, nu Paterswoldseweg, met hier en daar een boerderij. Toen hier rond 1920 woningbouw kwam, werd die dijk een flink eind afgetopt. Eerder had ze ’s winters absoluut een waterkerende werking en gezien de afstand van Hoornsche Dijk tot Hoornsche Diep – een afstand die gemiddeld overeenkomt met de lengte van de huidige Parkweg – kon het diep hier behoorlijk wat water extra kwijt. Het was zogezegd een waterberging avant la lettre.
De Damster Nescio
Geplaatst op: 8 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties
De Appingedamster correspondent van de Nieuwe Groninger Courant, het blad waaruit het Nieuwsblad van het Noorden in 1896 dit reportage-achtige stukje overnam, kon best wel beeldend schrijven. Zijn laatste zin preludeert op Nescio. Ritmisch echter, had hij er nog wel wat aan mogen doen, want wat dat aangaat ontspoort het stukje halverwege..
Qua nieuwsbericht deugt het in zoverre niet, dat de auteur vergeten is te melden waarom deze optocht plaatsvond. Maar dit gebrek aan journalistieke precisie verhoogt weer de aantrekkelijkheid in literaire zin.
Hoe dan ook, het zijn mooie scènes, die de man ons hier voorspiegelt.
Huisman uit huis gezet
Geplaatst op: 7 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis, Taal 1 reactie1
Jan Jans Timmer uit Wildervank was er wel klaar mee, met
“deszelvs huisman Lippe Nannes welke bij hem inwoond bij de week”.
Hij had hem netjes de inwoning opgezegd,
“dan des niet teegen staande, weigert die huisman het gehuurde te verlaten”.
Zodoende moest Timmer zich tot de Oldambtster drost wenden, voor steun van het bevoegd gezag. Dat was op 16 september 1790.
Er ging nog een zitting overheen, maar op de rechtdag van 28 september maakte de drost korte metten. Lippe Nannes verklaarde dat hij geen schriftelijk huurcontract had, en ook geen getuigen van de “jaarlijksche inhuuring”. Blijkbaar was dat zijn argument tegen Jan Jans Timmer geweest: dat hij een jaar bij hem in mocht blijven wonen.
De drost gaf Lippe Nannes nog vijf dagen. Lippe moest er voor maandag uit, of anders zou de wedman hem wel een handje komen helpen.
2
Dit is een verhaaltje van niks natuurlijk, maar wat mij intrigeert is het gebruik van de term huisman door de woningeigenaar.
Tegenwoordig staat huisman voor een kerel die het huishouden doet, maar destijds was het: een boer. De redelijk wijdverbreide familienaam Huisman gaat daar ook op terug. Er waren bijvoorbeeld twee individuen Jan Jans in een omgeving en dan kreeg de boer de toenaam Huisman, terwijl de timmerman Timmer ging heten.
In Noordbroek had je inderdaad een gezeten boerenfamilie die Huisman heette. Dat er met een huisman een boer bedoeld werd, blijkt ook uit het aantekenboek van Reinder Cornelius (Bouwman) uit Beerta. Van diens vers van ca. 1766/1767 op de aldaar nieuw gebouwde watermolens. luidt de moraal:
“So huisman wilt nu meulens bouwen
en de kosting geensins mijt
het en kan u (n)oyt berouwen
want sij doen u groot provijt.”
Ook in het WNT-lemma over ´huisman´, geschreven in 1907, is boer de voornaamste betekenis, waarbij ´huisman´ tevens een connotatie heeft van vrij en zelfstandig.
En dat nu, ontbreekt bij de weggestuurde huurder ten ene male. Lippe Nannes was hoogstens een zetboer, maar ook dan volkomen rechteloos en overgeleverd aan zijn verhuurder. En dat is wat me in zijn geval bevreemdt aan de term huisman.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief drost Oldambt) inventarisnummer 6134: samengevatte rekesten met daarop aangetekende kantbeschikkingen.
Een hok vol boeken op de beun
Geplaatst op: 6 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen Een reactie plaatsenOp een dag in augustus 1722 begeleiden twee Groninger vrouwen hun vriendin en huisgenote Rebecca Roos naar de afvaartplaats van de Leeuwarder trekschuit, aan het doodlopende eind van ’t Hoendiep vlak buiten de stad Groningen. Ze dragen een grote, goedgevulde korf tussen zich in. Rebecca (44), een tweevoudige weduwe die onderhand zo’n acht jaar in de stad Groningen woont en er bij verschillende families werkt als strijkster, stijfster en naaister, maar ook wel gewoon als hulp in de huishouding, gaat naar Holland toe, om voor haar doodzieke moeder te zorgen.
Negen maanden blijft Rebecca weg. Tijdens haar verblijf in Holland bezoeken twee van haar werkgeefsters, de echtgenotes van luitenant Andreae en gezworene Berghuis, haar kostbazin, de weversweduwe Cremers aan de Nieuweweg. Ze vragen of ze de boeken van hun strijkster even mogen bekijken.
Vrouw Cremers gaat de beide dames voor naar Rebecca’s zolderkamertje. Daar zoeken de dames enig textiel uit, dat hun eigendom zou zijn. Naderhand komen ze terug met een raadsdienaar, die het apart gelegde inpakt en verzegelt, en zijn ogen goed de kost geeft. Naar de man later verklaart heeft Rebecca “een hock met boeken van allerley talen” op haar beun.
Hoewel Rebecca in juni 1723 weer terug in de stad is, klagen de dames die op haar zoldertje rondkeken haar pas in maart 1724 aan bij het stadsbestuur. Vrouw Andreae beschuldigt Rebecca van textieldiefstal. Interessanter is de opsomming van goederen die ten huize van de gezworene Berghuis verdwenen zijn, want die omvat vooral boeken: negentien titels, waarvan sommige meerdelig, in de kleinere formaten.
De summiere catalogus verraadt een smaak. De grootste categorie omvat zes biografieën van politieke personages uit de zestiende en zeventiende eeuw, als Elisabeth I (koningin van Engeland), de hertog van Alva (berucht landvoogd) en de Franse koning Hendrik IV (die Parijs wel een mis waard vond). Ook ontbreekt er een vijftal zeventiende-eeuwse pamfletten aan Berghuis’ boekerij, bijvoorbeeld de Poletyke Kuiper, De herstelde Prins en Oorspronck der broedertwisten. De derde groep titels bestaat uit drie staaltjes volksliteratuur, o.a. Pooks Rommelzootje (1709). En verder mist Berghuis nog twee historische werken, waaronder de tien eerste delen van Strada’s geschiedenis der Nederlandse opstand, een Hollandsche Hovenier en zes afleveringen van de Boekzael der geleerde Werelt, een vooral door predikanten gelezen periodiek.
Rebecca’s voorkeur ging uit naar geschiedenis, politiek en andere non-fictie. Nog dezelfde dag wordt de strijkster verhoord in de Stadsgeweldige, het gevang voor mensen die geen burgers zijn. De aanklager van de stad, advocaat-fiscaal Alting, vraagt bij wie ze zoal over de vloer komt. Naast de families Berghuis en Andreae blijken dat andere aanzienlijke en gegoede huishoudingen zoals die van professor Driessen, secretaris Gockinga en hopman Blankstein.
Dat ze ooit ergens iets zou hebben gestolen ontkent ze. Er moet een misverstand in het spel zijn. Gezworene Berghuis is zeker vergeten hoe ze met zijn toestemming enige biografieën leende, drie-en-een-half jaar geleden. De Boekzaaltjes, die ze met medeweten van de dienstbode meenam, en die ze al twee jaar op haar beun heeft, kon ze niet eerder terugbrengen door haar plotselinge vertrek naar Holland. “Met kennisse der eigenaeren” heeft ze wel meer boeken in huis, zoals een werk van Montaigne, dat ze te leen kreeg van steenkoopman Clein.
Eigenlijk is ze zelf niet eens goed op de hoogte van welke boeken ze allemaal bezit. Ze heeft nog wel veel meer boeken gehad, wel voor honderd daalder. En ook wijlen haar man bezat veel boeken, wel voor vijftig gulden. Zo beschikt ze over een Montanus, een deel in octavo, wat dikker dan Strada. Over Strada gesproken, diens werk kocht ze bij een “out boekeverkooper” te Amsterdam. In dezelfde stad, op de Nieuwmarkt, deed ze ook het oningebonden exemplaar van Pooks Rommelzootje op, “nevens ander”. Ze snuffelt wel vaker rond, want Philaletus’ geschrift kocht ze bij een uitdrager op de Groninger Vismarkt.
Tijdens het verhoor beschuldigt Rebecca haar aanklaagsters zelf van diefstal, gepleegd tijdens hun bezoek aan haar beun. Het haalt weinig uit. Hoe meer titels de fiscaal noemt, hoe vaker de strijkster het antwoord schuldig moet blijven. Het kritische punt wordt bereikt bij de Hollandsche hovenier. Zo’n boek heeft ze niet, ze kan althans “niet gebeteren dat ’t daar gevonden is”. Ook van andere titels weet ze niet hoe die op haar zolder terechtgekomen zijn, of is de herkomst haar ten ene male duister.
Het ziet er slecht uit voor Rebecca Roos. Bij een tweede verhoor, in aanwezigheid van de president-burgemeester en diens bijzitters, houdt ze haar verklaring staande. Misschien heeft ze een “misslag” begaan, door lapjes en geleende lectuur niet op tijd te retourneren. Maar ze wilde beslist geen diefstal plegen. Vrouw Andreae heeft ze “laten zeggen waarom niet weer quam te arbeiden”.
Een conflict tussen deze werkgeefster en Rebecca vormt dus de aanleiding voor de late aanklacht. Niet dat het wat uitmaakt. Ook de haastige verklaring van Rebecca’s kostbazin – “dat er eenige boeken van haer broer ook op de beune geweest zijn (…) en dat die boeken buiten Rebeccaas toedoen door malkanderen zijn gekomen” – mag niet baten, evenmin als het goede woordje van maar liefst elf werkgeefsters, dat de gevangene “haar altijdt vroom en vlijtig heeft gedraegen (…), sonder de minste opspraeke.” De magistraat laat Rebecca vrij met de boodschap dat ze dadelijk de stad moet verlaten, na betaling van de rechtskosten.
Of de reismand van de strijkster bij dit gedwongen vertrek even vol is geweest als bij het vorige, vrijwillige afscheid, blijft een open vraag. Zeker is dat de stad Groningen een markante inwoonster verloor. Want met haar bibliomanie was Rebecca onder de vrouwen van de dienstbare stand een uitzonderlijk figuur. Als de mensen van haar milieu al konden lezen, bezaten ze doorgaans niet meer dan een bijbel of een evangelieboek.
Natuurlijk vormde hun geringe welstand een rem op de aanschaf van nieuwe lectuur. Rebecca’s procesdossier toont echter aan, dat er ook toen al zoïets als een onderkant van de boekenmarkt bestond. Als men wilde kon men lenen van meer gegoeden. Of terecht bij de toenmalige antiquariaten of uitdragerijen, voor in- dan wel verkoop.
Harry Perton
Eerder in een iets andere en geannoteerde versie verschenen in het cultuurhistorisch tijdschrift Stad en Lande, jaargang 7 (1998) nr. 3, pag. 8-11.
Rondje Onlanden – Matsloot – Lagemeeden
Geplaatst op: 5 maart 2016 Hoort bij: Hoogkerk, Onlanden 5 reactiesIn de uitloper van het Stadspark naar de Groningerweg was gesnoeid, waarbij deze kale stam bloot kwam te staan. Vlakbij zat een specht blij te roffelen:

Een van de om elkaar heen cirkelende buizerds bij Roderwolde:

Argwanende torenvalk op het Stobbenveen-monument:

Fouragerende zilverreiger:

Zilverreiger in de vlucht:

Vluchtende smient bij De Poffert:

Het fietspad van De Poffert naar de Lagemeeden blijkt omgelegd langs de Zuidwending. Zo kom je iets dichter bij de Zuidwendinger watermolen:

Boer op de Lagemeeden laadt pinken in:

Veendammer abonnees op Haerlemsche Courant betalen hun bezorger niet
Geplaatst op: 4 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis, Media Een reactie plaatsen
Renke Willems was de roderoede, zeg maar de veldwachter van Zuidbroek en Muntendam. Het verjagen van arme schooiers was zijn hoofdtaak, maar die liet blijkbaar nog wel wat tijd over voor een bijbaantje: het van Zuidbroek naar Veendam brengen van een onbekend aantal Haerlemsche Couranten. Deze exemplaren waren bestemd voor zes met name genoemde personen. Een van die zes, de brouwer Marten Pieters, fungeerde voor Willems als breng-adres, waar de andere abonnees hun exemplaren afhaalden. Mogelijk lazen die deels samen, maar dat doet er niet toe – de Haerlemsche had in Veendam minstens zes lezers.
Met die abonnees bestond de mondelinge afspraak dat Renke Willems voor zijn bezorgwerk een rijksdaalder per jaar zou krijgen: dat was iets minder dan een stuiver per week voor de drie loopjes per week want dat was destijds de frequentie van de Haerlemsche. De afspraak ging in op 7 juni 1787, midden in de woelige Patriottentijd. Na de Franse Revolutie, in september 1789, gaf de roderoede er de brui aan, omdat hij nog steeds niet betaald kreeg. Inmiddels had hij dat loopje zo’n 350 maal gemaakt. Van de abonnees eiste hij naderhand voor het Oldambtster gerecht ruim vijf en een halve gulden. Omdat de abonnees hun schuld ruiterlijk toegaven, wees het gerecht de eis toe.
Overigens kwam Veendam in deze periode één maal voor in de kolommen van de Haerlemsche en wel in het nummer van 18 juni 1789:.
“Onder Ostende is verongelukt het schip van Heye Janse Veen van Veendam, van hier (Amsterdam, HP) na Duinkerken moetende; van de equipagie is maar één man behouden.”
—
RHC Groninger Archieven, Toegang 731 inv.nr. 61: protocol van civiele rechtszaken, 9 februari 1790.
De kopschuwe bruid
Geplaatst op: 4 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenBegin februari 1790 wendde Schelte Klaassens zich tot de Oldambtster drost. Hij vertelde dat hij “door trouwbeloften” met Ida Ritzes “geëngageert” was, en dat “hun aanstaande egtverbintenis” ook al werkelijk in de kerk was afgekondigd, maar dat zijn bruid nu weigerde om het huwelijk te laten voltrekken. Want er was “eenig verschil” ontstaan over de huwelijksvoorwaarden. Klaassens vond dat hij sterk stond als hij een proces begon, maar liever zou hij
“alles willen aanwenden om verder verwijdering en oneenigheeden te vermijden en om te zijn (= zien, HP) of het niet mogelijk waare weder op een vrindelijke wijze te worden gereconsilieert…”
Daarom verzocht hij de drost om zowel hem als zijn verloofde te horen, waarbij Ida zich, “zoo verre nodig”, mocht laten bijstaan door haar moeder Bouwe Rustius. Doel van deze hoorzitting zou moeten zijn om beide partijen “zoo mogelijk weder te verenigen”.
Op 9 februari 1790 vond deze sessie plaats. Schelte Klaassens verklaarde hier dat hij “ter vermijding van alle geschil over een huwelijkscontract” bereid was met Ida Ritzes te trouwen “op de” – en dan mist er door een overschrijffout helaas een stukje tekst, waar in de originele kantbeschikking van de drost iets zal hebben gestaan als: de overeengekomen voorwaarden. In elk geval zijn Schelte Klaassens en Ida Ritzes volgens die kantbeschikking “enig geworden dat het huiwlijk zal worden voltrokken”.
Kortom: hier dreigde een huwelijk op het laatste moment niet door te gaan omdat de bruid en haar moeder, c.q. familie, niet akkoord gingen met de materiële huwelijksvoorwaarden zoals die op dat moment waren geconcipieerd. De bruidegom bleek verzoeningsgezind en zo ging het feest toch nog door.
Het gevalletje zoals de drost of diens klerk het opschreef, laat de vraag open of er standsverschil in het spel was. Die vraag dringt zich op, niet alleen omdat standsverschil, althans volgens romantische concepties, de grootste spelbreker in de liefde was, maar ook omdat Ida uit een zeer vooraanstaande boerenfamilie kwam. Volgens het rekest was zij de dochter (en haar moeder Bouwe Rustius de vrouw) van wijlen Ritzo Jans. Over deze Ritzo Jans is op zich niet zoveel bekend, maar zijn vader Jan Ritzes was tussen 1736 en 1766 kerkvoogd, ouderling en kerspelvolmacht van Midwolda. Diens boedelinventaris laat zien dat hij eigenerfde, akkerbouwer en veenbaas was. Het land onder zijn heerd strekte zich uit van diep in het hoogveen ten zuiden van Midwolda tot in het nieuwe Nieland, d.w.z de Dollardpolder van 1701. Van de graanteelt op de klei getuigen onder meer de elf volwassen en zeven jonge paarden, de vijf ploegen, de in totaal 40 mud koren en bonen op zolder en de ruim 60 deimt (27 ha) ingezaaid bouwland – en op de veenexploitatie wijzen, naast de vijf turfkarren, de 55 dagwerken turf op de beun.
Ida Ritzes was in april 1768 in Midwolda geboren, waarschijnlijk op die voorouderlijke heerd. Op het moment dat ze haar voorgenomen huwelijk bijna liet afspringen, was ze dus 22 jaar oud. Schelte bleek tien jaar ouder en kwam van de Scheemderzwaag onder Eexta. Over zijn afkomst weet ik helaas niets met zekerheid te zeggen. Het paar trouwde niet in Midwolda, maar in Eexta en wel op 14 februari 1790, slechts vijf dagen nadat het bij de drost verzoend was geraakt. Je verwacht dan dat er in de tussentijd of eventueel wat later een huwelijkscontract is opgemaakt, hetzij in Eexta, hetzij in Midwolda, heel eventueel in nog een andere plaats, maar de zoektocht ernaar leverde niets op. Mogelijk is er dus helemaal geen definitief huwelijkscontract opgemaakt, zodat de bezwaren van de bruid achteraf wat overdreven overkomen. Bij ontstentenis van zo’n stuk moet het paar in gemeenschap van goederen zijn getrouwd.
Hoe dan ook, het huwelijk van Schelte Klaassens en Ida Ritzes duurde nog geen anderhalf jaar. Vlak nadat op 27 mei 1791 te Midwolda hun dochter Bouwe werd geboren, overleed Schelte namelijk. Daarom werd het kind ook pas op 12 juni gedoopt, waarbij de vragen van het doopformulier door een huisvriendin werden beantwoord.
Intussen was de vader, Schelte Klaassens, op 1 juni begraven. De diaconie van Midwolda beurde daarbij 7 gulden en bijna 16 stuivers uit het bekken, een begrafeniscollecte-opbrengst die je eerder bij een kapitaalkrachtige middenstander dan bij een gezeten boer zou verwachten. Maar Schelte was wellicht ook nog wat jong daarvoor. Op 16 december betaalde zijn schoonmoeder Bouwe Rustius 6 gulden voor het gebruik van het zwarte laken dat zes weken lang over het hek om Scheltes graf had gehangen. Die 6 gulden was het hoogste tarief, dat paste bij het beste laken, want de diaconie van Midwolda beschikte ook nog over een rouwlaken dat veel minder kostte aan huur.
Waarschijnlijk woonden Schelte Klaassens en Ida Ritzes in bij haar moeder. Dat Schelte qua stand niet voor Ida onder deed, blijkt ook al een beetje als Ida in het najaar van 1792 het plan opvat om te hertrouwen met Galtjo Egberts Muntinga van Finsterwolde. Dan wordt er ten behoeve van het kind een inventaris opgemaakt van de goederen van Schelto. Weliswaar omvat die louter diens lijfstoebehoren, maar deze geven toch een indruk van welvaart door onder meer de knopen, de gespen en het horloge van zilver. Mogelijk leefden Schelto’s ouders nog en had hij van hun nog het een en ander te erven. De nogal schrale afkoopsom van 10 gulden en 10 stuivers die Ida haar dochter op haar achttiende beloofde te geven, zegt dan niet zoveel.
Ida Ritzes (Reining of Reinen) en haar tweede man Galtjo Muntinga zouden uiteindelijk eindigen als tappers bij de Winschoterzijl, op grondgebied van de gemeente Wedde. Ida’s voordochter Bouwe Scheltens (Wieringa) bleek wat eerder, in 1819, te Finsterwolde getrouwd met een koopman Siks van het nabije De Hutten onder Bellingwolde. Hun huwelijksakte blijkt uiteindelijk het informatiefst over de stand van haar vader Schelte Klaassens. Het stuk noemt hem “landgebruiker”, wat een synoniem is voor boer. Dat haar moeder in 1790 opeens niet meer wilde trouwen met haar vader, lag dus, zoals het er nu naar uitziet, niet aan standsverschil.
—
Bronnen, behalve de gelinkte:
RHC Groninger Archieven, via Toegang 731 (archief drost Oldambt) de inventarisnummers:
– 6134: samengevatte rekesten met daarop aangetekende kantbeschikkingen;
– 5620: aanstelling voogden 8 oktober 1793;
– 5635: afkoop 8 oktober 1793.
Toegang 262 (archief hervormde gemeente Midwolda) inv.nr. 6: diaconierekeningen.









Recente reacties