De reductie van een blok hout tot rococo ornament
Geplaatst op: 2 maart 2016 Hoort bij: Kunsten 1 reactieHoutsnijder Tico Top uit Kloosterburen werkt aan een rococo ornament uit lindenhout:
Rotterdam gaf Groninger immigrant een koud welkom
Geplaatst op: 1 maart 2016 Hoort bij: Geschiedenis 6 reactiesHaije Luppes Rubenga was een hovenierszoon, geboren en getogen te Veendam, maar in Rotterdan getrouwd met een burgerdochter uit die plaats. Omdat hij daar in de handel wilde, kocht hij zich het Rotterdamse burgerrecht, wat een voorwaarde was om überhaupt handel te kunnen drijven. Ook kocht Rubenga een pand en een handelsvoorraad. Maar tot zijn grote teleurstelling legde men hem een verkoopverbod op, zolang hij geen ‘acte van indemniteit’ kon tonen, afgegeven door de diaconie van Veendam.
In Groningerland was zo’n indemniteitsakte of garantstelling standaard acht jaar geldig. Als een nieuwkomer in die periode tot armoe verviel, werd hij door de diaconie van zijn vorige woonplaats ondersteund, zo beloofde die diaconie in die akte. Dergelijke vrijwaringsakten waren in onze provincie voorgeschreven van 1704 tot ongeveer 1870.
De diakenen van Veendam gaven Rubenga zo’n standaard-vrijwaring mee, maar de heren burgemeesters van Rotterdam geliefden deze niet te accepteren. Rubenga, die meermalen op het stadhuis zijn opwachting kwam maken, kreeg er steeds de kous op de kop. Zo zeiden de heren
“dat hij zulx zelf wel konde geschreven hebben omdat alles één hand scheen te zijn en daarbij ook niet door de praedicant met de volle kerkenraad verteekend was…”
Bovendien vond het Rotterdamse stadsbestuur de Veendammer borgstellingstermijn van acht jaar onvoldoende. Rubenga moest zich voorzien van een akte “voor zijn geheele leeftijd”, eentje, die met andere woorden, tot zijn dood geldig was! Zo’n immigrant zou ooit eens een beroep op de armenkas kunnen doen, dan moest de plaats van herkomst maar voor hem dokken, maakte niet uit hoe lang hij al in Rotterdam woonachtig was en of hij hier een bijdrage geleverd had aan Rotterdams welvaren.
Rubenga reisde daarom opnieuw af naar het verre Veendam om zich andermaal bij de diakenen te vervoegen, met het vriendelijke verzoek om zo’n levenslange borgstelling. De diakenen waren “wel niet weigerachtig”, maar wilden dit toch ook niet doen zonder toestemming van de Oldambtster drost. Immers, het Oost-Groninger diaconiereglement schreef acht jaar als borgtermijn voor en de Rotterdamse eis ging daar ver overheen..
Begin 1790 vroeg Rubenga de tussenkomst van de drost. Die won informatie in bij de Veendammer diaconie en gaf zijn toestemming voor een levenslang geldige akte van indemniteit. Eindelijk kon de Veendammer hovenierszoon dan een koopmansbestaan gaan opbouwen in Rotterdam.
De noordelijk aandoende familienaam Rubenga, die nu juist ontbreekt in het noorden, komt zodoende voornamelijk voor in Rotterdam.
Maar, jongens, wat maakte Rotterdam het zulke nieuwkomers moeilijk.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (Plaatselijke gerechten Oldambt) inv.nr. 6134: samenvattingen van verzoekschriften, met de daarop genoteerde kantbeschikkingen.
Wolkenlucht
Geplaatst op: 29 februari 2016 Hoort bij: Onlanden 5 reactiesDat was toch wel een mooie wolkenlucht, afgelopen vrijdagmiddag boven de Onlanden. Wilde de foto’s eerst niet plaatsen, maar voortschrijdend inzicht brengt mij ertoe, dit alsnog te doen:




Meester Abbinga valt een keertje tegen
Geplaatst op: 29 februari 2016 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieAllerlei bekendmakingen die later als advertentie in de plaatselijke krant zouden staan, werden rond 1800 nog ’s zondags door de predikant of de schoolmeester afgelezen in de kerk. Dat had zo zijn nadelen. Zo stonden die kerkenkondigingen op gespannen voet met de stichtelijke bedoeling van de godsdienstoefening. Maar ook materieel was er een minpunt. Is een copie van een krantenadvertentie redelijk eenvoudig te krijgen, voor een afschrift van een kondigingsbriefje kon je niet om de predikant of de schoolmeester heen. En soms lag die dwars.
Zo had de advocaat W.R. de Sitter zich in april 1806 al verschillende keren vervoegd bij schoolmeester Abbinga van Winschoten, de man die daar “volgens usance” ’s zondags de kondigingsbriefjes in de kerk voorlas. De advocaat had uit hoofde van zijn functie verschillende van die briefjes nodig, maar Abbinga vertikte het om afschriften te geven. Volgens hem was daarvoor steeds toestemming van de drost nodig.
Daarom wendde De Sitter zich tot de drost. Hij zag het vertrekken van afschriften als volkomen in lijn met de bedoeling van de kerkenkondigingen:
“Dewijl nu de kundigings in de kerk geschieden met oogmerk om het daarbij gekundigde aan de belanghebbenden bekend te doen worden en dus het geven van copie der kundigings wel verre van ongeoorloofd, integendeel met het doel derzelve volmaakt overeenkomstig is…”
verzocht de advocaat om een machtiging aan Abbinga, opdat die afschriften kon geven van alle kondigingen die de advocaat nodig had.
Zonder de schoolmeester te horen, gaf de drost de advocaat zijn zin. Het was ook nogal kinderachtig van Abbinga om die afschriften niet te verstrekken, immers met het aflezen in de kerk was de inhoud al openbaar gemaakt. Wat hem tot zijn obstructie bewogen heeft, Joost mag het weten.
Het geval is wat mij betreft een smet op het blazoen van deze Jan Abbinga (1765-1819) want tot nu toe las ik louter goede berichten over hem.
.
Op zijn 22-ste kwam hij als voorzanger, organist en schoolmeester naar Winschoten, waar hij minstens 800 gulden per jaar verdiende en een vrije woning genoot. Na de Bataafse Revolutie (1795) bleek hij er een vooraanstaand patriot. In 1796 kozen de stemgerechtuigden hem tot kiezer en plaatsvervanger.
‘De onderwijzer wordt zeer geprezen’, zegt de Onderwijsenquête van 1799 over Abbinga. Dat hij in Winschoten veel krediet genoot, blijkt eveneens uit een verslag van een openbaar examen, dat zijn leerlingen op 3 april 1802 aflegden. ‘Nooit twyffelden wy’, zo begint dat krantenstuk,
‘…of het onderwys onzer schooljeugd was aan onzen waardigen Abbinga, veilig toevertrouwd. ’s Mans onvermoeide werkzaamheid, gevoegd by eene hartelyke kinderliefde en zucht om algemeen nuttig te zyn, deed ons alles goeds verwachten. – En toch hebben de proeven welke wy onlangs gezien en gehoord hebben, onze verwachting overtroffen.’
Opmerkelijk is, dat Abbinga tweetalig onderwijs gaf, zowel in het Nederlands als in de streektaal, om zijn leerlingen “het groot onderscheid tusschen beide aan te toonen”. Dit weten we dankzij dominee Potter, die in 1808 enige dagen in Winschoten vertoefde. Potter kreeg van Abbinga een woordenlijstje met Winschoter/Oldambtster woorden dat hij in zijn reisbeschrijving opnam. Ook Potter was zeer te spreken over “den kundigen schoolmeester” en diens school:
“..de inrichting der School, in verschillende klassen verdeeld, vond ik uitmuntend, zoo wel wat het locale en deszelfs buitengemeen nette en zindelijke inrigting, als de manier van onderwijs betreft.”
En dan nu dit staaltje machtsmisbruik. Abbinga valt me dan toch voor één keertje tegen.
—
Bronnen:
Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6975: samengevatte rekesten met kantbeschikkingen door de drost.
Harry Perton en Siemon Reker, ‘Een proefje van de Winschoter taal (1808)’, in Stad & Lande jrg. 2011 nr. 4 pag. 22-26 (later herdrukt in Oud-Winschoten).
Rondje Zuidwolde
Geplaatst op: 28 februari 2016 Hoort bij: Ommelanden 10 reactiesAanvankelijk was er nog een schapenwolkjeslucht, hier met ganzen in een drassig weiland bij het Hegepad:

Door mens noch dier begeerde appels bij het Betonbos aan het Eemskanaal:

Eemskanaal bij de Oostersluis:

Soort schoepenrad achteraan Lewenborg:

Populierenlaan bij Kardinge:

Oud hek bij boerderij aan de Oosterseweg, richting Zuidwolde:

Boerenkool waar de vorst overheen geweest is:

Veld met spruiten en boerenkool onder de rook van Zuidwolde – voorheen boeskoolcounty:

Blik richting stad vanaf het viaduct in de Westerseweg bij Zuidwolde:

Harssens:

Doorkijkwilg bij de Sprikkenburg, fietspad langs het Van Starkenborghkanaal:

Meeuw op de Theresiakapel in Hoogkerk:

Ommetje Leutingewolde – Enumatil
Geplaatst op: 27 februari 2016 Hoort bij: Drenthe, Ommelanden 3 reactiesOplichtend riet, de Onlanden:

Zag onderweg een paar zilverreigers, maar die vlogen weg zodra ik stilstond. Deze blauwe collega bij Roderwolde keek niet op of om:

Dorpsgezicht in Roderwolde dat volgens een bewoner die mijn fotografeerderij gadesloeg in geen tachtig jaar veranderd is:

Sloot, Leutingewolde:

Stier tussen Leutingewolde en Nietap:

Els en berk:

Schuur bij de Pasop:

Bij Tante Til te Enumatil lag een boekje over Jugendstil-uithangborden op de stamtafel:

Care Van
Geplaatst op: 26 februari 2016 Hoort bij: Hoogkerk, Stad nu 3 reactiesDeze ‘Care Van’ staat al een paar dagen in de buurt, compleet met wielklem zodat-ie niet gejat wordt:

Volgens de bijbehorende website gaat het om een soort zusterpost voor de intensievere vorm van thuiszorg, die ingezet wordt als de reguliere thuiszorg met maximaal vijf bezoekjes per dag geen soelaas meer biedt en opname in een instelling nog een brug te ver is. De Care Van komt vooral van pas bij langdurige zorg, nachtzorg en vakantiezorg voor dementie- en parkinsonpatiënten.
Beloningsstempels
Geplaatst op: 25 februari 2016 Hoort bij: autobio, Geschiedenis 9 reactiesEn als je keurig met je kroontjespen tussen de lijntjes bleef, dan drukte de juf haar waardering uit met een stempel. Ook mocht je met kleureninkt gaan schrijven, groene of rooie. En als je dan tien stempels had, mocht je een cadeautje uitkiezen. Ik weet niet meer wat, want ik had er moeite mee tussen de lijntjes te blijven. Daarom kreeg dus niet zo veel stempels.
Uit en catalogus van de Noord-Nederlandse Stempelfabriek anno 1955/1956:

Speciaal voor meisjes:

Vliegtuigen:

Auto’s:

Treinen en schepen:

Sport:

Spel:

Dieren:

Tot mijn verrassing worden kinderen nog steeds op deze manier gestimuleerd, alleen zijn de plaatjes tegenwoordig heel anders.
Folder Perry geeft fraai tijdsbeeld van vroege sixties
Geplaatst op: 24 februari 2016 Hoort bij: Stad toen 5 reactiesIn 1964 opende de judoreus Anton Geesink een filiaal van de sportieve zaak Perry van der Kar aan de Herestraat in Groningen. De zaak stond onder leiding van de lokaal even befaamde voetbalman Otto Bonsema, die er zijn eigen sportzaak voor opgaf. De nieuwe winkel was dan ook tamelijk groot – het bekende Hotel Willems werd ervoor verbouwd.
Ter gelegenheid van de opening ging er een folder rond, waarvan het RHC Groninger Archieven nog een exemplaar bezit. Het reclamedrukwerkje geeft een fraai tijdsbeeld van die optimistische era.
Destijds was de bikini nog maar pas in de mode:

De sportieve man als onderwatervisser met harpoen en leefnet. Volgens mij lijkt het model op de hoofdpersoon van een vrolijke detectiveserie:

Het ganse gezin in regenpakken van Noorse makelij:

Perry van der Kar deed ook in vrij duur speelgoed:

Gezichtsbepalend bedrijf
Geplaatst op: 23 februari 2016 Hoort bij: Kunsten, Stad toen 3 reactiesVan de bijna failliete winkelketen Perry Sport wordt gezegd dat het zo’n oud bedrijf is. Het is zo oud dat ik er zelfs een mapje met plaatjes van heb, want reclame maken konden ze.
Zo hing er voor de oorlog op de hoek van de Herestraat en de Carolieweg, daar waar je nu de HEMA vindt, een winkel van Perry & Co:

– met een enorme muurreclame van een koetsier op de bok met achter zich grote koffers. Reiskoffers van Perry:

Dezelfde beeltenis stond wat minder geraffineerd als advertentie in kranten, zoals Het Vaderland van 1931:

Of het Algemeen Handelsblad van 1925, hier met poging tot inkleuring mijnerzijds

Heb die poging niet doorgezet omdat ik onzeker was over de kleuren die ik in het vervolg zou moeten kiezen.
Zag nog nooit een kleurenversie van deze reclame, maar zou dat wel graag willen. Misschien zit het ontwerp nog bij Perry in het bedrijfsarchief. Hoop maar dat het een goede bestemming vindt, want het was een gezichtsbepalend bedrijf.
De verflauwde imegeld-traditie in de Beerta
Geplaatst op: 22 februari 2016 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesBij die Oldambster rekesten zitten er ook wat die over de inning van imegeld gaan. Tot mijn vreugde kwam er eentje uit Beerta, het dorp waar de eerste Nederlandse Pertons woonden.
In hun verzoekschrift legden de diakenen van de hervormde gemeente Beerta er allereerst de nadruk op, dat de inning van imegeld hier een lange traditie kende en dat de regeling hier niet afweek van die in omringende gemeenten:
“hoe conform een zeer oud gebruik, zoo in de Beerta als in andere karspelen van de Oldambte, van die gene bij welken vreemde korven met bijen worden gezet, jaarlijks een stuiver stedegeld van ieder korf voor de gemene armen pleeg te worden gevorderd..”
Maar sommige mensen waren de rechtmatigheid van de inning in twijfel gaan trekken. Ze dachten dat de diaconie hiervoor toestemming van de drost nodig had, immers, van andere kerspelen was dat bekend. Om nu alle problemen voor te wezen, verzochten de Beertster diakenen expliciet de toestemming van het gerecht
“om van degene onder hun carspel bij wien vreemde bijenkorven geplaatst zijn, een stuiver stedegeld van ider korf, ten voordeele der gemene armen te vorderen en daarvan kondiging te laten doen. ”
Die toestemming kregen ze op 2 juni 1807. Dat ze volgens de drost “daarvan nu en jaarlijks behoorlijk kerkenkundiging” moesten doen, toont aan waarin hem de kneep zat. De oorspronkelijke vergunning, die er ongetwijfeld geweest is, was weg, want anders zou de hele exercitie niet nodig zijn geweest. Bij ontstentenis van dat stuk leek de traditie ook niet meer dan een traditie, ze leek zonder enige reële rechtsgrond. Het kondigen lieten de diakenen kennelijk ook maar na, terwijl dat nou juist de imegeldplichtigen in het voorjaar met de neus op de feiten drukte. Geen wonder dat de traditie daarom bevraagd werd en de diakenen een steun in hun rug wilden van de drost.
Een “eigenaardig volkje”: de bezembinders van Muntendam
Geplaatst op: 21 februari 2016 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
Jan Gillisz van Vliet, bezembinder. Collectie Rijksmuseum.
“MUNTENDAM, 26 Sept. Zelfs de Muntendammer bezembinders hebben reden tot klagen, dat “het vet van den ketel” is. Deze lieden, die in het veenkoloniale Muntendam nog altijd de eer van hun voorouderlijk bedrijf ophouden, hebben een even moeitevol als weinig beloonend werk. Vroeger ging er nog wel eens eene scheepslading tegelijk naar de omstreken, doch met het slinken van de heide in hunne nabijheid is ook de aftrek minder dan voorheen: de bamboes-bezem verdringt den heide-bezem meer en meer. Terwijl de bezembinders niet slechts in Augustus, wanneer het de goede tijd is, maar het geheele jaar door, van Muntendam tot in het 8 uren verwijderde Onstwedder veld en omstreken hunne grondstof gaan zoeken en als muilezels beladen, 5 à 3 maal ’s weeks van zoo’n reis thuis komen, moeten zij met de tot bezems en boenders verwerkte heide het Oldambt, Goorecht, Slochteren tot Appingedam en Delfzijl, ja de geheele provincie Groningen afreizen, om ze aan den man te brengen.
Een kruiwagen vol heide levert 100 bezems tot 400 boenders, welke à 4 en 1 ct. verkocht worden, doch van welke opbrengst men gerust een vijfde moet afrekenen voor allerlei kosten, als touw, tol, die bij sommige tolboomen 1 en bij andere 3 ct. per kruiwagen is.
Dit eigenaardige volkje neemt tegenwooidig in aantal af, terwijl de vreemde veegwerktuigen toenemen; maar nog altijd is hun bedrijf een industrie, die in de geschiedenis der Groningsche veenkoloniën, zoo al geen schitterende, dan toch een noemenswaardige plaats beslaat.”
—
Bron: De Grondwet 18 oktober 1887.
De kwaaie dronk van een brouwer, tapper en belastinggaarder
Geplaatst op: 20 februari 2016 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesBij de Oldambtster rekesten die ik doorneem, zitten een paar maal per jaar scheidingsverzoeken. Vrijwel altijd betreft het vrouwen waarvan de man drankzuchtig en gewelddadig is. Soms wilde een vrouw niet scheiden, maar maatregelen van de drost tegen de man. Bij Sieke Daniëls (van Barenborg), de vrouw van Derk Everts in Finsterwolde, ging het om zo’n geval.
Op 25 november 1806 deponeerde ze haar klacht in het Oldambtster gericht, met enkele ondertekende verklaringen erbij. “Tot haar innig leedwezen” moest ze al geruime tijd meemaken dat haar man overmatig veel sterke drank tot zich nam, zodat
“ hij zich altoos buiten staad bevind om zijn bediening als gaarder van Lands onbeschreven middelen, en zijn betrekking als bierbrouwer en herbergier waar te nemen”.
Om de “totale ruïne” van haar huishouding te voorkomen, deed zij al het werk wat hij moest doen. En ze kon alles behoorlijk bijhouden, ware het niet
“dat de onstuimige driften waaraan haar man, door den drank bevangen, onderhevig is, haar dikwijls beledigingen [deden] ondergaan, die haar noodzaken voor haar persoon rust te zoeken in eens ander woning, en haare huishouding aan de wanorder ten prooy te laten”.
Vorig jaar had ze haar man door haar ”dringende voorstellingen” zo ver gekregen dat hij berouw leek te hebben. Hij beloofde haar zelfs schriftelijk zijn leven te beteren (bewijsstuk A). Maar dat was “tot haar smerte” van zeer korte duur geweest en de “excessen en mishandelingen” namen opnieuw dermate toe, dat ze opnieuw ’s nachts het huis moest ontvluchten om bij andere mensen te gaan slapen. Uiteindelijk vreesde ze hiervan “het verloop van haar kostwinninge en de totale ruïne”. Om het “kwaad te stuiten voordat het te laat is”, verzocht ze de drost om een hoorzitting waarin hij, naast haarzelf, een halve oom en een volle broer van haar man aan het woord zou laten, zodat hij daarna passende maatregelen zou kunnen nemen.
Op 2 december vond deze hoorzitting plaats. De drost besloot echter ook Derk Everts zelf te horen, wat al de volgende dag gebeurde.
Derk gaf daar toe dat hij veel te veel dronk en zijn vrouw en kinderen mishandelde. Maar hij beloofde beterschap. Na een “scherpe vermaning” besloot de drost hem een kans te geven. Maar als het nog eens gebeurde, nam hij andere maatregelen.
Het hielp niet. Vier maanden later, op 9 april 1807, wendde Sieke zich opnieuw tot de drost. Ze had gedacht dat de uitspraak van de drost het gehoopte effect zou hebben, maar tot haar “innig leedwezen” had ze moeten ondervinden, dat die maar kort geholpen had. Onlangs moest ze door de “menigvuldige mishandelingen” opnieuw haar woning ontvluchten naar andermans huis. Ze verzocht nu om de “sterkere dispositie” die de vorige keer al toegezegd was.
De drost stelde een onderzoek in, waarbij hem bleek dat Sieke andermaal gelijk had – Derk had zich nauwelijks iets aangetrokken van de waarschuwing. Toch besloot de drost het nog een keer aan te zien – onder strengere voorwaarden, dat wel. De wedman van Finsterwolde kreeg opdracht om de alcoholistische brouwer, tapper en belastinggaarder aan te zeggen, “dat wanneer zich weder onderstaat zijn vrouw of kinderen met woorden of daden te mishandelen” hij vast zou worden gezet door de wedman, “tot vermijding van verdere ongelukken”.
Wordt waarschijnlijk vervolgd.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6975: samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop, 1806-1807.
Ganzenland
Geplaatst op: 20 februari 2016 Hoort bij: Drenthe 6 reactiesGistermiddag bij de Bruilweeringsbrug, op natuurterrein:




Dienstmeid weigert dienst
Geplaatst op: 19 februari 2016 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenOp 11 maart 1806 deed de brouwer Albert Hindriks Buiskool uit Beerta zijn beklag in de Oldambtster drostenborg. Even eerder had hij Eefke Jans als dienstmeid ingehuurd, vertelde hij. Dit was volgens hem gebeurd ten huize van, in het bijzijn van en met toestemming van haar moeder, die eveneens in Beerta woonde. Eefke zelf diende op dat moment nog bij Derk Daniëls, een boer in Nieuw-Beerta. Bij Buiskool zou ze van mei 1806 tot mei 1807 ƒ 50,- gaan verdienen. Maar Eefke was niet van plan bij hem in dienst te treden, want even later had ze geprobeerd hem zijn handpenning terug te doen bezorgen.
Zoals bruidegoms-in-spe destijds hun huwelijksbeloften ‘bezegelden’ door het geven van een gouden of zilveren munt aan hun bruiden, legden werkgevers hun personeel vast door het geven van een handpenning. Met het terugbrengen van dat handgeld kon een dienstbode laten weten dat hij of zij de dienst niet wilde aanvaarden. Meestal kwam daar dan geen zaak van, omdat het slecht werken is met onwillig personeel. Maar in dit geval stond Buiskool op zijn strepen. “Daar de gewone tijd om domestiquen in te huuren ree[d]s voorbij is” en hij dus blijkbaar geen andere dienstmeid meer kon krijgen, verzocht hij de drost om Eefke tot het dienstverband te dwingen. De drost moest de wedman maar op haar afsturen. Als ze geen gehoor wilde geven aan het dwangbevel om in mei bij Buiskool te gaan werken, moest ze haar redenen opgeven aan de drost.
De drost willigde dit verzoek in en gaf Eefke acht dagen de tijd om schriftelijk haar ”wettige redenen ter contrarie” bij hem in te dienen. Daarmee zou de zaak dan in maart al wel afgedaan kunnen zijn – toch duurde het nog tot 22 april voordat de drost een hoorzitting uitschreef. Een week later zou die plaatsvinden, maar omdat Eefke afwezig was, werd de zaak uitgesteld tot 6 mei. Bij die gelegenheid verklaarde ze “zich niet besteed te hebben” en omdat Buiskool meende dat dit wèl het geval was, droeg de drost beide partijen op hun gelijk te bewijzen.
Dat gebeurde in een zitting op 28 mei, waarin Eefke zelf weer afwezig was, maar zich liet vertegenwoordigen door haar voogden. Haar vader was namelijk overleden, terwijl haar moeder hertrouwd was en in zo’n geval werden er altijd voogden aangesteld om te voorkomen dat de voorkinderen de dupe werden van het nieuwe huwelijk. Kennelijk had Buiskool inmiddels een verklaring ingebracht van twee mensen die er getuige van waren geweest dat hij en Eefke hun arbeidsovereenkomst hadden gesloten. Volgens de voogden echter was de ene getuige “nog zelfs een zeer minderjarig persoon”, waarmee de bewijskracht van die verklaring verviel. Ze vroegen de drost om Eefke eens in haar eentje te horen, want buiten bijzijn van de tegenpartij en advocaten zou de waarheid wel aan de dag komen. De drost had hier wel oren naar, en de volgende dag bleek Eefke inderdaad zo haar redenen te hebben om niet bij Buiskool te willen werken. Ze verklaarde:
“Dat zij zich nimmer als dienstmeid verhuurd hadde bij den brouwer Albert H. Buiskool en ontkend zulks gedaan te hebben ten huize van haar moeder in praesentie van dezelve en van haren broeder Jan Harms Haken; dat zij ook niet eenig loon gevraagd of bedongen hadde, of verzogt dat nog een jong meisje tot twede zoude aangenomen worden. Dat wel is waar de brouwer Albert H. Boeskool haar in het huis van haar moeder aangezogt had om bij hem te dienen, en belooft te geven twee en vijftig gulden tien st[ui]v[e]r des jaars, doch dat zij zulks geweigerd hadde, omdat des tijds nog niet vrij was van haar oude huur bij Derk Daniels (schoon zij voor zig zelve zeer bijzonder redenen had om niet bij gemelde brouwer te dienen, doch welke zij niet ooirbaar oordeelde aan gemelden brouwer te kennen te geven). Dat daarop de brouwer gezegd hebbende zulks wel te zullen vinden met Derk Daniels, een stuk geld op de tafel als het ware het een handpenning had neergelegd, doch welk zij geweigerd had op te willen nemen, en dat zij dus ook niet wiste hoe groot in waarde of van welke specie dat geld was, waarop de brouwer vertrokken was en het geld had laten liggen, dat zij ook wijders weggegaan zijnde, haar naderhand die handpenning in het huis van haaren broodheer Derk Daniels bezorgd wierde, doch dat zij dien weigerde aan te nemen, haar broodheer verzogt hadde dien handpenning weder te restitueren aan meergemelden brouwer, hetgeen hij ook aangenomen had te doen, wetende zij egter niet of zulks geschied is. Dat zij Eefke Jans derhalven vermeende, daar zij zich nimmer besteed hadde, ook niet verpligt te zijn in dien praetensen dienst bij gemelde brouwer Albert H. Buiskool te komen (zonder dat haare genegenheid hierin behoefde geconsidereerd te worden, als hebbende om bijzondere redenen een zeer groote afkeer om aldaar te dienen). Verklaarde wijders deze haare verklaring desnoods met solemnelen eede te willen sterken.”
Er was in haar visie dus helemaal geen sprake van onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden geweest. Ze had zelf niet gezegd wat voor loon ze wilde verdienen, en evenmin gevraagd om een jonger meisje naast haar als tweede dienstmeid. Buiskool had haar wel gevraagd, maar ze had geweigerd met het argument dat ze haar huidige betrekking nog niet had opgezegd. Uit de zinsneden die tussen haakjes in haar verklaring staan, blijkt dat dit een smoesje was om van Buiskool af te zijn. In werkelijkheid had ze een grote afkeer van hem en/of zijn huishouding, maar kon ze hem dat met goed fatsoen niet vlak in het gezicht zeggen. De reden die ze wel opgaf, bleek echter onvoldoende om van Buiskool af te komen. Hij zei dat hij haar huidige werkgever wel over zou halen en legde zijn handpenning neer op tafel. Maar die munt had ze niet opgenomen (ten teken van acceptatie) – ze wist zelfs niet eens om wat voor munt het ging en hoeveel deze waard was. In elk geval liet Buiskool het geld liggen toen hij uit het huis van haar moeder vertrok. Waarschijnlijk was het haar moeder die het geld naderhand bij haar huidige baas liet bezorgen, waar Eefke nogmaals de acceptatie weigerde. Of haar broodheer het geld weer aan Buiskool teruggaf, zoals hij haar beloofde, wist ze niet. Maar ze had zich pertinent niet “besteed” bij Buiskool en wilde dat desnoods onder ede bevestigen.
Impliciet blijkt dat Eefkes moeder de getuigenverklaring van Buiskool tekende, terwijl Eefkes voogden helemaal niet in het verhaal gekend werden. Nu kon de drost wel moeder en dochter met elkaar confronteren, maar dat viel buiten het bestek van een verzoekschriftenprocedure. Zoals de zaak er voorstond, concludeerde hij dat “het quaestiese poinct” van de arbeidsovereenkomst “niet volledig” was bewezen. Daarom besloot hij het verzoek van brouwer Buiskool af te wijzen.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6975: samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop, 1806-1807.
Naschrift: Ik heb in het civiele prothocol nog even nagekeken of Buiskool in beroep ging tegen het besluit van de drost, maar dat bleek niet het geval. Hij berustte blijkbaar in de uitkomst..

Recente reacties