Vrouw eist uitkering via het gerecht

“Door ouderdom en zwakheid” was ze niet meer in staat “voor haar kost te arbeiden en zich daardoor een genoegzaam onderhoud te verschaffen”, aldus Geertruid Jochums tegen de Oldambtster drost. Daarom had ze zich voor steun vervoegd bij de diakenen van haar woonplaats Oostwold. Maar in plaats dat die haar “billijk verzoek” inwilligden, gaven ze een weigerend antwoord. Daardoor vond ze zich in “droevige omstandigheid gedompeld” – als ze geen steun kreeg, vreesde ze “van gebrek te moeten omkomen”.

Voor de achttiende eeuw zag ik wel wat rekesten van Winschoter armen, die zich onrechtvaardig door de diaconie behandeld voelden, maar het verzoekschrift van Geertruid is het eerste dat ik zie van een arme, die steun wilde afdwingen. Dat gebeurde in mei 1806 en je zou een verband kunnen vermoeden met de armenwet van 1800, die de armenzorg – tot dan toe voornamelijk een zaak van kerkelijke filantropie, in principe een zaak van overheidsbemoeiienis maakte. Dat Geertruid Jochums min of meer recht meende te hebben op een uitkering, blijkt uit de passage in haar rekest waarin ze ingaat op de taak van de diaconieën in het algemeen en de toestand bij de Oldambtster diaconieën in het bijzonder:

“Daar nu de instellingen der diaconiën zulk ene rigide behandeling en strenge afwijzinge niet eischen, in tegendeel hulp aan de noodlijdenden toe te brengen, voorschrijven, te meer zoo als hier plaats heeft de diaconiën in een goeden staat zich bevinden…”

Redenen voor haar verzoek aan de drost, om zowel haar als de Oostwoldiger diakenen te horen.

Deze “commissie” of hoorzitting vond plaats op 20 mei 1806 en de diakenen brachten er in bijzijn van Geertruid naar voren, dat zij al “vrije woning en turf” van de diaconie “genoot”. Hoe lang dat zo was, staat er niet bij, maar ik kan me voorstellen dat dit nog niet zo lang was. Enfin, de gratis huisvesting en energie legden een bodem, maar aan het verstrekken van weekgeld en brood waren de diakenen voorlopig nog niet toe, omdat ze meenden dat Geertruid zich ‘s zomers nog wel redden kon:

“dat zij ten minsten in het zomersaisoen door vrouwen arbeid van wieden of anders, daar zij alleen was, konde bestaan.”

Na hoor en wederhoor van partijen ging drost De Sitter hierin mee. Hij weigerde verder op Geertruids verzoek in te gaan.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6975: samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop, 1806-1807.


Onverbeterlijke knaap naar de marine gestuurd

Berend Hindriks was op een treurige missie in de drostenborg. Hij kwam er om de Oldambtster drost te vertellen dat zijn zoon Hindrik Berends, al 16 jaar oud, ondanks een correctie door de drost en “tot innig leedwezen” van zijn vader, zich andermaal schuldig had gemaakt aan “wanbedrijven van onderscheidene zoort”. Als er niet op tijd werd ingegrepen, zo vreesde Berend, zouden er “de grootste onheilen” uit voort kunnen vloeien, niet alleen voor hemzelf, maar ook “voor de goede ingezetenen zijner woonplaats”. Hij wilde dat graag voorkomen. Daarom vond hij zich in “de harde en onaangename noodzakelijkheid” gebracht om zich tot het gerecht te wenden, met een onderdanig verzoek om een adequate maatregel tegen zijn zoon te treffen.

Berend Hindriks deed dit verzoek op 11 februari 1806. Voor een week later, de achttiende, schreef de drost een zitting uit. Daar bleek hem niet alleen dat de vader de waarheid sprak, maar bovendien “het baldadig wangedrag van den zoon”. Vandaar dat hij de vader toestemming gaf

“zijnen zoon te bezorgen om in ’s Lands Zeedienst geëmplojeerdt te worden voor eenige jaaren, opdat zulks gelegenheid geve hem tot inkeer te brengen en zig in ’t vervolg als een stil ingezeten te gedragen.”

Zou het geholpen hebben?

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6974: samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop, 1805-1806.


Gemor en ongenoegen op het Wildervankster kerkhof

Op het kerkhof van Wildervank was de spanning soms om te snijden, in 1805. Dat kerkhof lag bij de hervormde kerk, maar er werden ook wel katholieken begraven. Vroeger, namelijk voor de Bataafse revolutie van 1795, toen de Hervormde Kerk nog de bevoorrechte was, werd er dan louter door de hervormde diakenen gecollecteerd. Hun armenfonds gold immers als het algemene, ook voor bijvoorbeeld katholieken die eerst niet bij het eigen kerkgenootschap terecht konden. Maar de laatste jaren zetten de katholieke armvoorstanders van Veendam en Wildervank zèlf een bekken of schaal neer, waarin de nabestaanden en andere bijwoners van een katholieke begrafenis hun liefdegaven konden doneren. En dat zette kwaad bloed, vooral als de hervormde diakenen afwezig waren en hervormde klokkenluiders (buren van de dode) als hun plaatsvervangers het hervormde bekken op het kerkhof plaatsten. Dan stonden er immers twee armenfondsen elkaar concurrentie aan te doen.

Omdat ze later niet het verwijt wilden krijgen hier nooit iets aan te hebben gedaan, besloten de hervormde diakenen zich te wenden tot de drost. In hun rekest meldden ze, dat

“nu en dan tusschen de beide dissenten, gemor en ongenoegen ontstaat, hetwelk tot nog toe wel niet tot dadelijkheden is uitgebarsten, maar egter te vrezen staat dat zulks op een of ander tijd daartoe mogte geraken en waar door toch niets dan haat en vijandschap konde, ja gewisselijk zoude geboren worden.”

De hervormde diakenen wilden verder niet ingaan op het recht van de katholieken om te collecteren, maar vroegen de drost onderdanig om zijn tussenkomst “ter behoud van rust en voorkoming van verder onaangenaamheden”. Graag zagen ze dat hij beide partijen zou horen met het oog op een gezamenlijke regeling, en mocht die er niet komen, dan wilden ze graag dat de drost zelf de knoop ging doorhakken.

De drost hoorde beide partijen binnen een week, om precies te zijn op 5 november 1805. Maar hij kon ze niet tot de gewenste “provisionele minnelijke schikking” brengen. Een besluit nam hij echter ook niet. Volgens hem hoorde de kwestie eigenlijk niet thuis bij zijn gerecht. De klagers, zei hij, moesten zich tot de daartoe bevoegde macht wenden. Welke macht dat was, liet hij in het midden, althans dat schreef hij niet op, maar mogelijk zijn in de archieven van het gewestelijk bestuur en/of de landelijke overheid soortgelijke, maar iets later gedateerde rekesten uit Wildervank te vinden.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6974: samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop, 1805-1806.


Jacobje en Pieter, een Oldambtster liefdesgeschiedenis

Eind januari 1805 vervoegden zich Pieter Hindriks van der Wal en Jacobje de Muinck in de drostenborg te Zuidbroek. Ze gaven er het gerecht te kennen dat ze

eene oprechte genegenheid voor elkanderen gevoelende, zich onderling trouwbeloften hebben gegeven, in het vast vertrouwen dat dit haar engagement bij de wederzijdsche familiën, in allen opzigten zouden worden geagreëerd (= goedgekeurd)”

Maar dat bleek een vergissing, want tot hun “innig leedwezen” hadden ze moeten ondervinden dat Jacobjes voogden, te weten Tonko Barlagen, Harm Ayolts Boer, en de zijlvest Luiken Egges,

weigeren, of ten minsten aarzelen om aan haar hunne toestemming tot een huwelijk (…) te geven.”

Tonko Barlagen, uit Scheemda, was oom van vaderszijde van Jacobje en Harm Ayolts Boer, van Meeden, de oom van moederszijde. Ook de vreemde voogd, van buiten de familie, Luiken Egges , was kennelijk tegen het huwelijk gekant. Zijn functie van zijlvest (namens Scheemda en Nieuw-Scheemda) bij het Termunterzijlvest laat alleen al zien dat Jacobje tot de toplaag van de Oldambtster samenleving behoorde.

Jacobje was in 1787 in Scheemda geboren als dochter van Bouwo Marcus de Muinck en Eetje Aijolts en dus nog maar zeventien jaar oud op het moment dat ze zich verloofde. Haar vader kwam uit een eigenerfde boerenfamilie in Scheemda, haar moeder uit eenzelfde geslacht in Meeden. Na daar getrouwd te zijn in 1784, betrokken zij een boerderij in Scheemda, waar in 1785 eerst een zoon geboren was. Die oudere broer en Jacobje werden halfwees in 1793, toen hun vader overleed. Omdat hun moeder bijna anderhalf jaar later hertrouwde met een boer uit de Landschapspolder in Oost-Friesland, werd er een boedelinventaris opgemaakt. Deze bestond louter uit roerende goederen. Toch laten de vier boerenwagens, de vier ploegen, het overdekte rijtuig, de sjees, de acht paarden, de 2500 gulden aan gedorst en ongedorst koren en de maar liefst 29.000 gulden die Jacobje en haar broer toegewezen kregen, er geen twijfel over bestaan dat we hier met een vermogend boerenmilieu te maken hebben. Het onroerend goed mocht dan voorlopig teruggaan naar de wederzijdse familie, later kregen de Jacobje en haar broer alsnog de ouderlijke boerderij terug. Deze lag “oostert in de Scheemda” en er hoorde 114 deimt (ruim 51 hectare) “best groen- en bouwland te veen en te velde” bij, welk vastgoed los in zesjarige termijnen werd verhuurd.

Of Jacobje met haar moeder meeging naar Oost-Friesland is onbekend. In 1805 woonde ze officieel echter in het Oldambt. Waar is onbekend, maar waarschijnlijk bij haar grootmoeder Tetje Harms, de weduwe van Aijolt Tonkes in Meeden. Over haar verloofde Pieter Hindriks van der Wal kom je veel minder te weten, maar die was eerder, in 1801, op de Pruissische of Landschaftspolder getrouwd met een vrouw uit Bonda (Bunde) en dus waarschijnlijk weduwnaar, toen hij en Jacobje zich engageerden. Ze zullen vast in die Oost-Friese omgeving kennis met elkaar hebben gemaakt.

In elk geval was er qua staat en stand geen sprake van een mesalliance. Pieter en Jacobje waren er bij de drost namelijk van overtuigd,

“dat er tegen hun voorgenomen huwelijk noch uit hoofde van verschil in jaaren of conditie, noch uit eenige andere hoofde eenige bezwaren kunnen worden ingebragt”.

Ook zou dat huwelijk “niet onaangenaam” zijn aan Jacobjes (verdere) familie. Daarom verzocht het paar de drost om de zaak in onderzoek te nemen, door beide partijen te horen.

Ruim drie weken later waren de voogden nog steeds niet klaar met hun antwoord. Meermalen werd de zaak op hun verzoek uitgesteld. Pas op 23 april was het zover, dat ze voor het gerecht hun redenen konden geven voor de weigering, in te stemmen met het voorgenomen huwelijk van Jacobje en Pieter.

Ze verklaarden dat Jacobje nog maar achttien jaar oud was en dus nog minderjarig. Ze had zich verloofd “zonder hunnen voorkennis of consent” en achteraf konden ze niet gedwongen worden om tegen hun zin toestemming voor het huwelijk te geven. Hierbij beriepen ze zich op verschillende wetsteksten, vooral uit het Oldambtster landrecht, maar ook uit de stadsconstitutie (het Oldambt viel nog onder de stad). Omdat Jacobje zich op dat moment in Oost-Friesland bevond – kennelijk was ze het Oldambt ontvlucht – eisten ze dat Jacobje zich eerst weer naar haar “geboorteland” zou begeven, om zich onder hun toezicht te plaatsen. Daarna kon Pieter dan alsnog hier om hun toestemming komen vragen.

Mochten Jacobjes voogden hopen dat hun beroep op wetsteksten de doorslag zou geven, dan kwamen ze bedrogen uit. De hoorzitting, zo overwoog de drost, was namelijk bedoeld om hun bezwaren tegen het huwelijk te vernemen. En “wettige redenen van de weigering” had hij niet gehoord. En omdat hij met de “summa tutelo” of de oppervoogdij in het Oldambt belast was, en volgens de voogden ook zelf mocht besluiten “zoo als ter bevordering van het geluk der pupille zal bevonden worden te behooren”, besloot hij ook nog maar even “de naaste vrienden” van Jacobje te horen. Onder vrienden moeten we hier familie verstaan – blijkbaar was er nog andere familie in het geding, dan beide mannelijke voogden van vaders- en moederszijde.

Die andere familie, zo bleek op 4 mei, bestond louter uit vrouwen. En die dachten nogal verschillend over de kwestie. Siwerdina de Muinck, de vrouw van Simon Abels, en Jacobje (= Jacoba) de Muinck, de vrouw van voogd Tonko Barlagen, verklaarden dat zij hun toestemming voor het huwelijk weigerden,

“voornamelijk omdat zij daarin niet vooraf en naar behoren waren gekend, en zich dus niet genoegzaam naar den persoon van P.H. v.d. Wal hadden kunnen informeren”.

Ook deze tantes van vaderszijde volstonden dus met een formele reden: Jacobje had voor haar verloving om toestemming moeten vragen en niet achteraf. Tegenover deze beide “volle moeijen” van Jacobje, stonden echter een andere tante, te weten Bouke Aijolts, de vrouw van Jurjen Pieters, en de grootmoeder van Jacobje, namelijk Tetje Harms, de weduwe Aijolt Tonkes. Van deze beide verwanten van moederszijde werd er in de nieuwe hoorzitting “een schriftelijk consent tot het huwelijk” getoond.

Vaderskant wilde dus niet en moederskant wel instemmen met het huwelijk. Waarschijnlijk gaf vooral die grootmoeder de doorslag. Overwegend dat de voogden zich “in geen detail van redenen” wilden uitlaten over hun weigering, maar zich louter beriepen “op de letter van de wet”, hoewel de procedure juist op hun verzoek zo lang duurde omdat zij hun weigering verder hadden willen motiveren; bovendien overwegend dat er tegen Jacobjes verloofde “noch ten aanzien van zijn persoon en morele qualiteiten, nog ten opzigte van zijne conditie en omstandigheden” iets was ingebracht; en ten slotte overwegend dat Jacobjes grootmoeder en de ene tante wèl hun toestemming voor het huwelijk gaven, besloot de drost, in deze zaak als oppervoogd optredend, het ontbrekende consent van de voogden aan te vullen, en om Jacobje de Muinck te machtigen tot de voltrekking van haar voorgenomen huwelijk met Pieter Hindriks van der Wal.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6974: samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop, 1805-1806.


Een dagje naar de stad

Deze boer tussen Hoogkerk en Halfweg heeft zijn schaapjes niet op het droge:
2016-02-13 002
Voor Stad & Lande foto’s gemaakt in GRID,  het Grafisch Museum dat naar de Sint Jansstraat verhuisd is. Soms is een flits wel mooi:
2016-02-13 029
Letters op het atelier van Hendrik Nicolaas Werkman:
2016-02-13 051
Druksel:
2016-02-13 058
Nog veel meer druksels:
2016-02-13 060
Tussendoor wilde ik even naar het pas geopende kattencafé aan de Oude Ebbingestraat, maar er hing een bordje voor de deur: “VOL! Vandaag alleen reserveringen. Sorry.”
2016-02-13 081
Dan maar meteen naar het archief. Onderweg veel lawaai op de Zuiderhaven. De Gyas-Hunzerace zat eraan te komen:
2016-02-13 083
Wat dichterbij:
2016-02-13 084


Een aangenaam oponthoud in Termunterzijl

Moest vanmiddag voor Stad & Lande een portret maken van twee heren in het bestuur van het nieuwe Visserijmuseum, dat begin juni te Termunterzijl zijn deuren opent. Met het OV ben je er vanaf de stad verrassend snel, in een uur tijd. Ik pakte vanwege het mooie weer een trein eerder, om wat rond te kunnen lopen in het gehucht, waar voorouders van me hebben gewoond.

Als ik er op de fiets voorbij kom, stap ik bij de Boog van Ziel altijd wel even af. Maar naar beneden gaan doe ik dan niet zo gauw. Dit keer wel:
2016-02-11 005
Boog met sluisdeuren:
2016-02-11 011
Die voorouders van me woonden in het strookje huizen rechts, aan het Zijldiep:
2016-02-11 012
Gemaal Cremer (voorgrond, nu museum) en gemaal Rozema (achtergrond):
2016-02-11 015
Havenkom met de vissersboot Tm 9:
2016-02-11 016
Dijklandschap:
2016-02-11 019
Het mozaïek van Johan Dijkstra leek wel opgeknapt, zo fris zag het er uit:
2016-02-11 020
Het wapen van het Oldambt, met de viertorende kerk van Midwolda, op het Cremergemaal:
2016-02-11 026
Strop op aanlegsteiger:
2016-02-11 030
Dijklandschap 2:
2016-02-11 032
Poeem over waterlozing op gemaal Cremer:
2016-02-11 033
Lekke sluisdeur:
2016-02-11 036
Sluisdeurenruit:
2016-02-11 041
Gemaal Rozema in tegenlicht:
2016-02-11 050
Sluisbrug:
2016-02-11 056
Aangroeisels:
2016-02-11 058
Kreeg op de terugweg een lift van Jan Köller, oud PvdA-statenlid:
2016-02-11 077 was 085
Hij had nog wel even de tijd en maakte een omwegje naar een gemaaltje in the middle of nowhere tussen Oterdum en Weiwerd. Er bleek een zandstenen gedenksteen in de muur te zitten van het Oterdummer Zijlvest uit 1729. Het middenstuk, opgedragen aan de Overste Schepper Rengers van Farmsum:
2016-02-11 080
En de rechter vleugel, met het wapen van de boerenzijlvest  Albert Klasen van Oterdum. Bovenin het wapen diens huismerk, geflankeerd door diens initialen, en onderin drie klaverbladen:
2016-02-11 082
Geen bui gezien, die kwam er pas op de treinreis terug, bij Tjamsweer:
2016-02-11 091


Een Oldambtster helleveeg

Scheidingen waren rond 1800 tamelijk zeldzaam, maar meestal was het de vrouw die de scheiding aanvroeg en dat dan wegens drankzucht van de man, die zijn handen vaak ook niet thuis kon houden. Een scheiding aangevraagd door een man kwam veel minder vaak voor. Als een man van zijn huwelijk af wilde, nam hij gewoon de benen. Een vrouw deed dat niet, die had doorgaans ook de zorg voor de kinderen.

Een man die wèl scheiding aanvroeg, was Hindrik Harms, in november 1803. Ruim twintig jaar eerder trouwde hij met Aaltje Hindriks. Ze bleek “van een zodanig ongemakkelijk humeur”, dat het hem al vanaf het begin van hun trouwen onmogelijk was, “om met haar in vrede te kunnen leven”. Al twee maal eerder kwam hij met klachten bij de drost, “démarches” die er telkens op uit draaiden dat zijn vrouw beterschap beloofde, zodat “de samenwoning op de goede beloften is gecontinueerd”.

Desondanks kwam het nu weer zo ver. Hindrik vertelde dat hij ”thans niet meer magtig” was

“om zijn eigen geld te bewaren, daar zijne huisvrouw altijd middelen weet, om hetzelve magtig te worden en het dan verbrengt zonder eenige rekenschap te willen doen. Buiten en behalven dat hij suppliant dagelijks van zijn huisvrouw niet anders ondergaat, dan ongegronde verwijten, scheldwoorden en dreigementen, die, indien zij door den suppliant met dezelfde hevigheid wierden gereciproceerd, niet anders dan de fataalste gevolgen na zich zouden slepen.”

Inmiddels had “een lange ondervinding” hem wel geleerd dat ze onmogelijk vredig samen konden leven. Daarom vroeg hij de drost ootmoedig om hem van zijn vrouw te scheiden.

De drost wilde eerst beide partijen eens horen. Na die zitting, op 23 november 1803, ging hij toch nog wéér eens proberen of ze niet tot een “minnelijke cohabitatie” verleid konden worden,

Deze proef viel niet naar genoegen uit, integendeel, want het werd nog erger dan het al was. Daarom sprak de drost op 18 juni 1804 inderdaad de scheiding van tafel en bed uit. De goederen van beide incompatibele echtelieden werden verzegeld, geïnventariseerd en verdeeld.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6973: samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop, 1804-1805.


Een grondkraker op de meenschaar

Eerst vertelde de kerkeraad van de hervormde gemeente Winschoten iets over de achtergrond aan de Oldambtster drost. In 1797 had hun armenkas de beschikking gekregen over

“alle de gronden van de meente schaar te Winschoot ”.

Op zich is dat al nieuw voor me, dat Winschoten net als bijvoorbeeld Midwolde en Lettelbert in het Westerkwartier en Harkstede en Westerbroek wat dichterbij, een meenschaar had: een “woest” liggend en onverdeeld gebied, waar de gemeenschappelijke eigenaren paarden en schapen, jongvee, gust vee en vleesvee in lieten weiden. In dit geval lag de grond waarschijnlijk bij het Zuiderveen, gezien het latere bezit in die buurt van de Winschoter diaconie.

De oorspronkelijke eigenaars wilden niet voor niets van deze grond af – “onderscheidene lieden” hadden er namelijk “hutten of huizen” op gebouwd. Denkelijk gebeurde dat zonder toestemming van de eigenaars. Dat ging wel meer zo in heidegebieden. Een gewoonterecht wilde dat je op zo’n plek mocht blijven wonen, als de eigenaars je er een jaar en een dag lieten zitten. Ook niet uniek: in Winschoten ondervonden de oorspronkelijke eigenaars waarschijnlijk overlast van de nieuwkomers. Aan hun geschenk aan de Winschoter diaconie verbonden ze namelijk een voorwaarde – de hervormde kerkeraad moest zorgen,

“dat er in ’t toekomstige geen meerder hutten of huizen gebouwd wierden, op gem[elde] meente schaar”.

Maar nu, zeven jaar later, bestond ene Baltus het om zich hier te vestigen. Kennelijk was het een recidivist, want de kerkeraad nam meermalen het woord “weder” in de mond:

“dat zig thans weder eenen Baltus …. opdoet welke de stoutheid durft hebben om tegens het verbod van de Rem[onstran]ten weder aldaar een hut op te bouwen en daar door den eigendom van anderen tot zig te nemen…”

De kerkeraad verzocht de drost dringend om de wedman erop af te sturen. Die moest Baltus dan aanzeggen om dadelijk zijn hut te verwijderen. Weigerde Baltus dat, dan moest de wedman de hut “terstond” laten vernietigen.

Maar zo’n vaart liep dat niet. De drost stuurde de wedman wel op Baltus af met de boodschap dat de hut weg moest, maar de wedman moest erbij zeggen dat Baltus nog drie dagen de tijd had om er tegenin te gaan, tenminste als hij meende “wettige redenen ter contrarie te hebben”

Zo beschikte de drost op 8 mei 1804. Bijna een maand later echter, had hij nog niets van Baltus gehoord. Dit keer gaf hij Baltus via de wedman bevel zijn hut dadelijk te verwijderen en zo hij dat naliet, zou er “tot zijn nadeel” worden besloten.

Baltus bleek nog steeds niet onder de indruk. Weer een paar weken later, op 19 juni, besloot de drost er daarom een boete op te zetten van zes gulden, het equivalent van het weekloon dat een geschoolde scheepstimmerman verdiende (en die verdiende een best arbeidsloon). De nieuwe boodschap luidde: wegwezen of je krijgt die boete.

Maar op 28 augustus zat Baltus er nog steeds met zijn hut. Nu vond de drost het genoeg. Hij veroordeelde Baltus tot de boete. Ook kreeg de wedman opdracht de hut te verwijderen,

“zullende bij resistentie de persoon alhier in civile detentie worden gebragt”.

Baltus had het dus toch nog vier maanden volgehouden. Dat was weliswaar geen jaar en dag, maar het geeft wel aan hoe minder alerte eigenaars dan de Winschoter kerkeraad het slachtoffer van gewoonterecht konden worden.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6973: samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop, 1804-1805.


Groninger studentenalfabet

Academiegebouw van 1854

Naast het Grunneger ABC was er een studentenalfabet:

A is de Academie, die houd ik hoog in eer,
B is mijn schrik en mijn afschuw: de beer.
C is ’t college, waar wijsheid geleerd wordt,
D is de drank, die niet minder begeerd wordt.
E is ’t examen dat eerst ging vooraf,
F is de fuif die ik naderhand gaf.
G is het geld, waarvan ik nooit iets bespaarde,
H is de hospes, die het nijver vergaarde.
I is Io Vivat, het schoonste gezang,
J is de jool die mij nooit duurt te lang.
K is de kroeg waar ik heel vaak ga bitt’ren,
L is de lantaarn die ervoor staat te schitt’ren.
M is Minerva die spruit van Jupijn,
N is de nectar bij ’t vrolijk festijn.
O is de oester in Datema’s kelder,
P is professor, zo kort en zo helder.
Q is de quintessens van zijn betoog,
R is de rector die het corps stelt zo hoog.
S is de sjees die door niemand begeerd wordt,
T zijn de theses waar veel bij beweerd wordt.
U is de uil, ’t wetenschappelijk dier,
V is het vaandel en Vindicats sier.
W is de wetenschap, groot in haar werken.
X is Ximenes, ’t zoetste der merken.
Y is het ijs bij de Rabenhauptstraat,
Z is het ziekenhuis, akelig in staat.

Bron: een Vindicat-lustrumalbum van eind negentiende eeuw. Wat ook aan de laatste regel te zien is, want in 1903 kwam er een nieuw Algemeen Provinciaal, Stads en Academisch Ziekenhuis aan de Oostersingel. En dat was state of the art.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


Een “brutale en ontmenschte dienstbode” in Nieuw-Beerta

Op 8 maart 1804 diende de advocaat Paehlig zich aan in de Oldambtster drostenborg met een verzoekschrift van de wed. Nomdo Jans, die een boerderij bezat aan de oostkant van Nieuw-Beerta, waar haar man diaken en ouderling was geweest. Ze had sinds een week mot met haar grootknecht, want ze vertelde:

“hoe dezelve onder meer andere dienstboden ook in haar dienst heeft zekeren Philippus Harms die bij haar diend voor mr. knegt; dat deze hebbende goedgevonden van dan zijne gewone werk in het mede te helpen toe te bereiden van de spijze voor den volgende dag, te staken op den 1 maart l[aatst]l[eden] en door haar den volgende morgen daar over onderhouden, niet alleen aan haar ronduit declarerende, dat werk niet mede willende verrigten, maar ook zijne dienst bij suppliante, waarin hij wederom voor het volgende jaar was geëngageerd, opzeide en voords zich de honendste en ongemesureerdste expressiën tegens haar veroorloofde.”

De grootknecht wilde dus niet meer doen wat hij anders wel deed: ’s avonds meehelpen bij het klaarmaken van het eten (waarschijnlijk zoepenbrij of karnemelkse pap) voor de volgende dag. Hij was naar bed gegaan, lees je tussen de regels door, en de volgende ochtend had ze hem erop aangesproken. Daar reageerde hij nogal heftig op. Dat werk wilde hij niet langer doen, en hij zegde meteen ook zijn betrekking op, en dat terwijl hij zich net had vastgelegd voor het volgende dienstjaar, vanaf mei. Had hij bij zijn nieuwe contract wellicht bedongen dat hij dit werk niet meer hoefde te doen? Hoe dan ook, bij dit meningsverschil schold hij haar voor alles en nog wat uit.

De boerin overwoog dat hij met zijn weerspannig gedrag de bedoeling had “om haar huishouding te verwarren en de overige dienstboden met zijn boos exempel te bederven”, en ze kon eruit opmaken “hoedanig zijn verblijf bij haar zoude worden in de overige weken dat hij in dien dienst zoude continueren”. Daarom ontsloeg ze hem op staande voet. Hij kon zijn verdiende loon tot aan het moment van werkweigering krijgen, en moest dan “aanstonds haar huis verlaten”.

Hiermee volgde ze de gangbare rechtsregels. Maar daar was de grootknecht het niet mee eens:

“edog dat hij het volle jaar loon vorderde, en voor dien betaling het huis niet wilde verlaten.”

Sindsdien speelde hij er nog de baas ook:

“…dat ondertusschen den knegt voortgaat zich geheel mester in haar huis te maken, naar zijn goedvinden handelt, aan en van den tavel gaat, haar hoond en bitter bejegend, en over het geheel naar gene orders luistert, waardoor haare eigene ruste & veiligheid geattenteerd word en hare huishouding in wanorde gebragt, het welk voor haar zoo veel te ondraaglijker is, doordien zij een groot en uitgebreide boerderij heeft, en voor eenen korten tijd haaren man door den dood verloren hebbende, zij als vrouw niet in staat is, zij niet in staat is (sic) zich tegen brutale en ontmenschte dienstboden staande te houden…”

Ze wilde hem niet langer huisvesten of zijn onterechte eisen inwilligen als “loon voor zijnen euvelmoed”. Maar tot dan toe had haar aanbod geen enkele uitwerking op hem gehad. Daarom vroeg ze nu de Drost aan Philippus Harms zijn loon laten geven door de wedman, waarbij dan de kosten van haar verzoekschrift van dat loon moesten worden afgetrokken. Tevens beloofde ze de maanden maart en april alsnog te voldoen, als ze daartoe werd veroordeeld. Na dat aanbod, te doen via de wedman, moest de grootknecht meteen haar huis en plaats verlaten, en als hij dat opnieuw weigerde, moest de wedman hem “delogeren”.

De Drost machtigde inderdaad de wedman ter plaatse om de knecht het geld aan te bieden. Ook moest de wedman tegen Harms zeggen dat het accepteren van het geld niet betekende dat hij geen proces meer tegen zijn ex-werkgeefster kon beginnen over de twee naar zijn inzicht ontbrekende maanden loon. Blijkbaar verkeerde Harms in de mening dat hij geen poot meer om op te staan had, als hij haar geld aannam. Mocht Harms nu toch nog weigeren het geld aan te nemen, dan had de weduwe in elk geval haar best gedaan. Of hij het geld nu aannam of niet, in beide gevallen werd hem gelast haar huis te verlaten.

Heb zo’n idee dat dit muisje nog een staartje kreeg, maar dat moet ik nog nakijken.


Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6972: samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop, 1803-1804.


Hele troepen bedelaars in Winschoten

“Op den inged[iende] req[ueste] van de Gereformeerde (= Hervormde, HP) Kerkenraad te Winschoot dat alhier zedert eenen geruimen tijd het bedelen van gaven aan de huizen met eene voorbeeldeloze vrijpostigheid, in weerwil van de publicatiën daartegens afgegeven, geoeffend is, en nog steeds geoeffend word; dat men bijzonderlijk op vrijdagen geheele troepen van 10 à 20 tot nog meerdere personen, in schijn behoeftigen, langs de straten zijt swerven, om huis aan huis almoezen te vragen; dat deze bedelende troepen bestaan, ja wel grotendeels uit ingezetenen van Winschoot en onderhorige buurten, maar dat zich daaronder ook mengen lieden van vreemde cerspels, vooral van diegene waar het bedelen door deze of gene middelen voorgekomen of belet word; dat niet alleen door ouden die zig tot den bedelzak begeven, maar ook vele jonge gezonde vrouwspersonen, welke het niet aan de gelegenheid, maar aan ijver en lust ontbreekt om de kost met arbeiden te verdienen; dat dit alles niet kan nalaten zeer nadelige gevolgen te hebben, ook wel bepaaldelijk met opzicht tot de diaconie beurs; ’t is dan om deze en gene redenen dat de ondergetekenden de vrijheid nemen dit aan UW[el]Ed[el]Ge[strenge] te kennen te geven, met submis verzoek dat het UW[el]E[del]g[estrenge] behage de wetten tegen de bedelarij afgegeven, alhier kracht te doen hebben, of anders zodanige maatregelen te nemen en in het werk te stellen. als  UW[el]E[del]g[estrenge] ter wering van de uit de bedelarij voortspruitende ongelegenheden en bijzonderlijk ter voorkoming van het verder verval der diaconiebeurs ter dezer plaatze, de geschikste zal oordelen.

/stond/
Hendrik Cannegieter, C. Smith Eccl. VDM (beide predikanten HP)
Selhuis diaken, W.B. Schuitema diaken
T.F. Schelts ouderling, W. Zuidema ouderling,
J.A. Crebas ouderling, H. Alberts
Noordhof archidiacon

/is geap[postilleerd]/
De wedman des gerichtsstoels Winschoten word ten ernstigsten gelast, deszelfs bedienden daartoe te houden dat de bedelaars van de huizen geweerd worden, ingevolge de daarvan vigerende placcaten.
Actum Zuidbroek den 1 May 1804
/was get[ekend]/
A.J. de Sitter
Drost”

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6972: samengevatte rekesten met de kantbeschikkingen daarop, 1803-1804.


Een walgelijk stukje grond in Winschoten

“Op den ingediende req[ueste] van het Plaatselijk Bestuur  van Winschoot, hoe het zelve tot zijn leedwezen moet ondervinden, dat zeekere miskuil of misvaalt leggende bijna in het midden van de plaats ongebruikt blijft leggen, en met allerhande vuiligheden, krengen van gestorven dieren enz. als het ware overladen is, waardoor niet alleen aan de voorbijgaande het walgelijkste gezigt word veroorzaakt, maar zeer nadelig is voor de gezondheid, zoo dat zelfs in tijden van warmte de vuilste evaporatiën daar uit oprijzen en de lucht geïnfecteerd word, dat het zelve bestuur zig bij de eigenaren daar van herhaalde keeren heeft vervoegd en getenteerd met denselven ter wegneming van dat walgelijk en de gezondheid beledigend plekje gronds, een behoorlijke schikking te maken, zijnde de koopman Jacobus Franken en Cons[orten] als voorstanders over de dogter van wijlen den koopman Jan Franken, edoch die telkens tot antwoord geven, dat zij hoe zeer hieromtrend [..?..] niet durven ondernemen, dewijl de erfgenaam minderjarig is, gemerkt nu het belang der maatschappij vordert dat dusdane incomoditeiten wierden weggeruimd, en zulks in dezen zoo veel te gemakkelijker kan geschieden, doordien er meer dan eens de rijkelijke waarde er voor is geboden om tot andere eindens te worden gebruikt, zoo neemt het voors[zeide] Bestuur de vrijheid, dit onder het oog van het Hoog Edele Gerichte te brengen, met zeer gedienstig verzoek teneinde hieromtrent sodanig moge worden gedisponeerd als het Hoog Ed[ele] Gerichte naar de principes van eenen goede policie zal oordelen te behoren.

QF
ter ord[onnantie] van het Plaatslijk Bestuur voor[noemd]
/stond/
J.A. Crebas
secret[aris]

/is geap[ostilleerd]/
Word praevie hierop gerequireerd het berigt van de geremon[streerde]
Actum Zuidbroek den 24 Dec. 1803
Was get[ekend]
A.J. de Sitter
Drost

Na ingekomen berigt waarvan copie word geaccordeerd, commissoriaal om gereguleert te worden.
Actum Zuidbroek den 24 Jan. 1804
/was get[ekend]/
A.J. de Sitter
Drost

/is geap[ostilleerd]/
Na gehoudene Commissie worden geremonstreerden geauthoriseert de plaats ten requeste gemeld publiek tot een huistede te verkopen, of bij onvermoedelijke minder gelding weder aan zig te kunnen trekken, zullende alsdan finaal gedisponeert worden of de plaats tot een missing  zal blijven, dan niet.
Actum Zuidbroek 28 feb. 1804
/Was get[ekend]/
A.J. de Sitter
Drost”

Er lag dus een mestplaats in het centrum van Winschoten, die enorm stonk, omdat er ook kadavers op werden gegooid. Het Plaatselijk Bestuur wilde graag af van deze wantoestand, ook vanwege de gevolgen die het vreesde voor de volksgezondheid. Maar de eigenaars, d.w.z. de voogden over de minderjarige dochter van Jan Franken, durfden dat niet aan, omdat het terrein op de lijst met eigendommen van hun beschermeling stond. Uiteindelijk weet de drost een schikking tussen het Plaatselijk Bestuur en deze voogden te bewerkstelligen, met dien verstande dat die de grond zullen laten veilen als bouwgrond voor een huis. Mocht de plaats minder opbrengen, dan de waarde waarvoor ze getaxeerd was, dan ging de verkoop niet door, en zou de drost alsnog beslissen of het terrein bestemd zou blijven voor de berging van mest, of niet.

Overigens hoefde dat laatste waarschijnlijk niet te gebeuren, gezien de hoge vastgoedprijzen in deze periode.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6972: samengevatte rekesten met de apostilles of kantbeschikkingen daarop, 1803-1804.


Hoe Veendam een dorpsomroeper kreeg

Begin november 1803 vervoegde Fredrik Boser, een inwoner van Veendam, zich in de Oldambtster drostenborg te Uiterburen. Hij gaf er te kennen dat hij graag omroeper in Veendam wilde worden, zulks “ter voldoening aan het verlangen van verschillende ingezetenen”. Hij meende te beschikken over “de nodige vereischten” voor dit werk, maar zou dit toch niet op zich willen nemen zonder permissie van de drost als hoofd van politie en justitie in het Oldambt. Vandaar Bosers “zeer gedienstig verzoek” om diens toestemming voor het

“opvatten en waarnemen van het ambt als omroeper binnen Veendam, onder zodane bepalingen als het E.E. Gerichte in deszelvs wijsheid zal vermenen te behoren.”

De drost wilde de lokale autoriteiten echter niet passeren en vond dat Boser eerst maar eens naar het Plaatselijk Bestuur van Veendam moest, om zich daar van een “attest” te voorzien, een verklaring dat het Bosers verzoek steunde. Boser keerde er een week later inderdaad mee terug naar de drostenborg. Dit keer vond de drost het daarom goed dat Boser “provisioneel en op een proeve” als omroeper optrad, en als zijn proeftijd voorbij was, zou er nog een reglementje voor zijn functie worden gemaakt.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archieven plaatselijke gerechten Oldambt) inv.nr. 6972 (samengevatte verzoekschriften met kantbeschikkingen, notities d.d. 8 en 15 november 1803.

Over de stadsuitroeper zie…


Het Tienpunten Tokkieplan!!! Supermarktbezoek

  1. Posteer je tokkiekar zodanig op de stoep dat die minstens vijf fietsen in het daar aanwezige fietsenrek blokkeert. Heb je geen tokkiekar, doe het dan met je tokkieplof of je -brik, hoewel dit minder impact heeft wegens acute verwijderbaarheid.
  2. Dring jezelf de deur in, ook als andere mensen de supermarkt net willen verlaten. Mocht je überhaupt gehoord hebben van de wellevendheidsregel dat uitgaand verkeer voorgaat, doe dan maar alsof je die regel vergeten bent.
  3. Knijp in alle zachte fruit en neem alle pakjes vlees een voor een in je handen (die je natuurlijk niet gewassen hebt, ben je gek).
  4. Laat je supermarktwagentje dwars over het gangpad staan en trek je niets aan van mensen die er graag langs willen. Laat ze maar omlopen. Hoewel ze jou een waardeloos figuur zullen vinden, geeft dit jou een ego-boost.
  5. Gebruik bij de kassa aangekomen geen mien-of-dientje of bordje waarmee de caissière jouw boodschappen en die van je opvolger uit elkaar kan houden.
  6. Haal vooral nog boodschappen op als je spullen al op de lopende band naar de kassa liggen. Dat is efficiënt shoppen, immers.
  7. Knoop een luidkeels gesprek aan met de caissière en neem daarvoor de tijd. Nog beter: ga langdurig ruzie met haar maken over de 2 cent korting waar je recht op meent te hebben.
  8. Posteer je supermarktwagentje nadat je deze proef met glans doorstaan hebt tegen beide uiteinden van de lopende band waarop de caissière je boodschappen deponeerde, zodat de klant die na je komt niet bij zijn of haar terminal kan.
  9. Blijf voor de supermarktuitgang staan praten met klegatokkies en zorg dat niemand erlangs kan.
  10. Kijk vooral niet uit je doppen als je met je tokkiekar-, plof- of brikke de stoep afscheurt. Een aanrijding met alleen schrik is 1, een aanrijding met materiële schade is 2 en een aanrijding met persoonlijke schade maar liefst 3 extra bonuspunten waard.

Doe je best. Je kunt het.


Oldambtster boeren best wel geletterd

Fraaie anekdote vertelt Jan Freerks Zijlker daar in zijn boekje De Groninger Landbouwer en zijn vak (1843).

Zijn grootvader van moederszijde, een Rotger Jans, was in 1768 te Zuidbroek bij de terechtstelling van Jochum Jans de Vriese geweest. Deze Veendammer vadermoordenaar werd geradbraakt, dat wil zeggen: al zijn ledematen werden gebroken en daarna kreeg hij een genadeklap op zijn hart met dezelfde akkerhouw, waarmee hij zijn vader had doodgeslagen. Bovendien werd zijn kop er afgehakt, die de beulsdienaaren op de pin van het rad neerzetten.

Enfin, naast de opa van Zijlker waren er “duizenden aanschouwers” bij die executie. Vooraf deed de zeer populaire predikant van Scheemda, Johannes Heringa “een plegtstatig en indrukwekkend gebed”. Toen ds. Heringa daarmee eindelijk klaar was, haastte Zijlkers opa zich naar de dichtstbijzijnde herberg. Niet voor een borrel, maar om het gebed van Heringa uit te schrijven. Dat deed hij zo “naauwkeurig en letterlijk”, dat Heringa zich er naderhand over verbaasde. De beide teksten vergelijkend, bleek dominee dat ze slechts verschilden wat betreft een enkel bijzinnetje.

Met deze familie-overlevering wilde Zijlker niet zozeer pochen op zijn opa’s fenomenale geheugen, “als zijnde slechts aangeboren”. Opa’s tekst was bewaard gebleven en wat Zijlker werkelijk frappeerde, was

“de duidelijke letter van de blijkbaar in overhaasting geschreven kopij, bij welke vele hedendaagsche schrijvers, wier naamteekening men dikwijls niet eens lezen kan, wel ter schole mogten gaan; alsmede de zuiverheid van spelling en taal (die van dien tijd natuurlijk in aanmerking genomen), ’t welk een en ander toch het bewijs oplevert, dat onze voorzaten in letterkundige zaken ten minste niet zoo geheel vreemdelingen zijn geweest.”

Dat zijn grootvader mogelijk niet zo representatief was voor alle Oldambtster boeren, kwam niet bij Zijlker op. Maar de meesten zullen toch rustig naar die executie hebben gekeken, terwijl zijn opa zat te pennen in de kroeg.

Het vonnis van De Vriese is te vinden in RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 5693 (sententies drost) fo. 262.