Een ‘gekraakt’ lijkenhuisje in Uithuizermeeden

Door een bericht van eind 1894 in diverse regionale kranten lijkt het alsof een lijkenhuisje in Uithuizermeeden gekraakt was. Bij nader inzien lag de zaak wat anders. Ze leidde tot de oprichting van een lokaal daklozenhuis.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Aldus de Provinciale Groninger Courant van 20 december 1894, in een bericht dat een dag later compleet werd overgenomen door de Winschoter. Kennelijk was het een opmerkelijk nieuwsfeit. In hedendaagse termen: kansarm gezin kraakt lijkenhuisje en burgerlijke pers breekt daar de staf over. Maar dat blijkt toch een te eenvoudige voorstelling van zaken, die bij nader onderzoek plaats moet maken voor een meer genuanceerd beeld.

Paaptilsterweg
Om te beginnen met dat lijkenhuisje. Het stond op de gemeentelijke Algemene Begraafplaats aan de Paaptilsterweg, even buiten de bebouwde kom van Uithuizermeeden. In 1860 kwam dit kerkhof gereed. Iets later verrees hier een ‘berg- en woonhuis’. Dit staat er min of meer nog steeds, want in 1983 werd het weliswaar wegens een verregaand verval afgebroken, maar ook weer opnieuw opgebouwd, op dezelfde fundering en onder gebruikmaking van zoveel mogelijk de oorspronkelijke bouwmaterialen. ‘We kunnen het nu een royaal bemeten lijkenhuisje noemen’, schrijft de lijkenhuisjes-deskundige Pieter de Vries, ‘maar oorspronkelijk was het natuurlijk maar een kleine woning voor de opzichter en een bergruimte, die tevens fungeerde als lijkenhuisje’.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Als het pandje inderdaad reeds als woning in gebruik was, dan maakt dat de ‘kraak’ in mei 1894 natuurlijk een stuk minder bizar. Jan Veenstra (geb. 1935), in 2010 de buurman van de begraafplaats, die op die plek ooit het steenhouwersbedrijf van zijn vader overnam, kwam bewoning van de begraafplaats ook geheel niet vreemd voor. ‘Dat was een behoorlijk huisje voor toen’, zei hij: ‘Voor nu niet meer, maar voor toen wel. In 1970 was er nog een woning voorop het kerkhof, waar een familie Smit in woonde, dat weet ik nog wel.’ Veenstra denkt dat het lijkenhuisje ‘voor nood’ even bewoond was: ‘Een gedeelte was bestemd om er touwen en planken te bewaren, in een ander gedeelte kon worden gewoond.’

Onechte kinderen
De Provinciale Groninger Courant had het bericht in die donkere dagen voor kerstmis 1894 niet van zichzelf. Ze nam het over uit de Ommelander Courant, waarin het al op 19 december was verschenen. Doordat er tegen deze oorspronkelijke bron, die niet bewaard bleef, een smaadaanklacht werd ingediend, komen we de naam van de man te weten, wiens gezin het lijkenhuisje bewoonde. Dat was Oltman Luurssen. Deze arbeider, geboren in 1856 te Ditzumerverlaat in Oost-Friesland, zat in het voorjaar van 1894, zoals de kranten al schreven, inderdaad gevangen, en wel van 24 april tot 23 juli in de Groninger strafgevangenis. Bovendien had hij vijf kinderen, wat ook weer conform de berichtgeving is. Deze kinderen waren allen in Uithuizen geboren. In het voorjaar dat hun vader vastzat, waren zij één tot tien jaar oud. Dit betekende dat ze nog nauwelijks konden werken  en (bijna) volledig tot last van de ouders kwamen. Opmerkelijk hierbij was dat Oltman Luurssen en hun moeder Hilje Kremer nog niet getrouwd waren. Waarom niet, daar kan je naar gissen. Misschien konden ze het huwelijk niet betalen, of maakte het ze niets uit. In elk geval zou het paar pas eind 1896 in het huwelijk treden, nadat er nog een ‘onecht’ kind bijkwam. Tijdens de plechtigheid erkende Luurssen alle zes de kinderen en kregen ze ook zijn achternaam.

Met voorbedachten rade
Voor mei 1894, de maand van de ‘kraakactie’, woonde het gezin nog op de Hefswal bij Uithuizermeeden. Hefswal wordt althans als woonplaats genoemd in het vonnis, dat Luurssen tot drie maanden gevangenisstraf veroordeelde. Hij had in de nacht van 17 op 18 februari 1894 met voorbedachten rade een koperen koffieketel, rokken, een beddelaken, een jak, een borstrok en een lap bruin bevers goed weggenomen uit de stookhut, het washuis en van de bleek bij de boerderij van Hulsewe op de Noordpolder. Deze goederen verstopte hij in en om zijn huis. Toen echter de Uithuister marechaussees binnen en week voor zijn deur stonden, bekende hij grif en wees hij de plekken aan waar hij de buit verstopt had. Wat voor de rechter waarschijnlijk de reden was om de celstraf te halveren ten opzichte van de eis, want de officier had nog gewild dat Luurssen zes maanden zou brommen.

In elk geval kwamen Luurssens inofficiële vrouw en hun vijf kinderen in mei 1894 in het lijkenhuisje op de begraafplaats aan de Paaptilsterweg te wonen. Het sluitende bewijs daarvoor ligt in enige correspondentie die de Commissaris van de Koningin in Groningen en de burgemeester van Uithuizermeeden in juni voerden naar aanleiding van een adres, dat de kersverse hervormde predikant van Uithuizermeeden, C. de Hoogh, bij de Commissaris indiende. Helaas bleef dat stuk zelf niet bewaard, maar volgens een notitie van de Commissaris bevatte het ‘klachten over [het] onderdak van vrouw Luurs en haar gezin’ te Uithuizermeeden. Burgemeester Bakker berichtte de Commissaris vervolgens ‘dat het huisgezin reeds sedert ettelijke dagen een goed onderkomen is bezorgt op het kerkhof in een aldaar staand huisje’. Hij voegde hieraan toe

‘…dat juist de kerkeraad van Ds. de Hooghs gemeente en evenzoo de kerkeraad te Oosternieland hardnekkig weigerde, een der hun toebehoorende onbewoonde huisjes aan het Burgerlijk Armbestuur te verhuren om het gezin daarin te plaatsen. Ds. De Hoogh, ontsticht als hij was over de weinige Christelijke liefde door zijne geloofsbroeders betoond, heeft denkelijk in de hoop dat zijn kerkeraad tot andere gedachten zou komen UHEd. met de toestand van het gezin in kennis gesteld.’

Er was kortom, meteen dat voorjaar al gekrakeel geweest. Toen het gezin van Luurssen het huis op de Hefswal – wegens huurschuld of reputatie – moest verlaten, klopte het voor onderdak aan bij het burgerlijk armbestuur. Dat probeerde vervolgens een onbewoond huisje van een hervormde diaconie te huren. Zowel het kerkelijke armenfonds van Uithuizermeeden zelf, als dat van Oosternieland weigerde echter. We weten het niet, maar waarschijnlijk speelde het ongehuwde samenwonen met maar liefst vijf onechte kinderen hierbij een rol. Hoe dan ook, de weigering stuitte dominee De Hoogh zeer tegen de borst. Nadat de predikant opspeelde, stelde de gemeente Uithuizermeeden alsnog het lijkenhuisje op de begraafplaats ter beschikking. Het gezin van Luurssen betrok dit dus niet door een kraakactie, zoals je op basis van het krantenbericht zou kunnen menen, maar door toedoen van de plaatselijke autoriteiten. Na de brief van de burgemeester oordeelde de Commissaris dan ook, dat zijn tussenkomst niet meer nodig was.  Hij nam de klacht van De Hoogh voor kennisgeving aan en ondernam verder geen actie.

Smaad
Toen eind 1894 de Ommelander Courant berichtte dat het lijkenhuisje al ruim een half jaar bewoond werd, waarbij ze zijn ‘zeer woeste spruiten’ beschuldigde van het voortdurend ‘bezoedelen’ van grafmonumenten, diende Oltman Luurssen een klacht wegens smaad tegen deze krant in. Dat deed hij bij de burgemeester, die de klacht met een exemplaar van de gewraakte krant naar de officier van justitie bij de Groninger rechtbank stuurde. De burgemeester had intussen ook de tegenpartij gehoord, in de persoon van W. Bierma, de uitgever van de Ommelander Courant. In eerste instantie verklaarde Bierma, dat de auteur van het stukje niet in Uithuizermeeden woonde ‘en ook geen belang schijnt te hebben bij de begraafplaats’. Volgens de burgemeester was de publieke opinie in zijn gemeente op Luurssens hand: ‘Algemeen schijnt men het den anoniemen schrijver zeer kwalijk te duiden dat hij zonder de minste aanleiding Luurs in het openbaar beleedigd’. Toen de burgemeester op aandringen van de officier nog een keer met Bierma ging praten, noemde deze Jacob Hoek,  hoofdonderwijzer te Oosterwijtwerd, als auteur van het stuk. In zijn correspondentie met de officier kon burgemeester Bakker zijn minachting voor dit schoolhoofd niet onderdrukken: ‘Dat heer schijnt het voor de maatschappelijke orde noodzakelijk te achten, zijn licht in de locale bladen over alle mogelijke personen en onderwerpen te laten schijnen’. Maar de officier liet zich hierdoor niet verleiden om tot vervolging van Hoek over te gaan. ‘De belediging’, zo overwoog hij, ‘is eigenlijk meer gericht aan het adres van de authoriteiten die zulke dingen (namelijk de bewoning van het lijkenhuisje etc. HP) dulden’. Weliswaar werd ook Luurssen beledigd, maar ‘intusschen is hier meer sprake van kritiek dan van beleediging’. Daarmee was de zaak afgedaan voor de officier, die haar seponeerde.

Daklozenhuis
De bewoning van het lijkenhuisje, het kritische krantenbericht en de lokale verontwaardiging kregen nog een gevolg in een gemeentelijke maatregel. Althans, het rechtstreeks verband wordt nergens expliciet vermeld, maar toch vloeide de maatregel waarschijnlijk voort uit het geval. Om het minder abstract te zeggen: de krantenkritiek op de autoriteiten die het gezin Luurssen in het lijkenhuisje lieten wonen, leidde tot de oprichting van een daklozenhuis in Uithuizermeeden.

Chronologisch volgen deze gebeurtenissen elkaar zo dicht op, dat het verband bijna niet kan missen. Als je evenwel alleen de krant leest, lijkt het anders. Van januari tot in maart 1895 heerste namelijk een bijzonder strenge winter. Eerst vond men de kou helemaal niet erg, getuige de vele berichten over schaatspret, maar toen in maart het vaarwater nog steeds dicht bleef, de turf opraakte, en het begon te nijpen voor de mindere man die ook nog steeds niet op het land aan het werk kon, begon het iedereen te vervelen. Het bericht in de Provinciale Groninger Courant van 29 maart 1895 ga je dan tegen deze achtergrond zien:

‘Te Uithuizermeeden zal op kosten van de gemeentekas een gebouw voor dakloozen gesticht worden, geen tehuis voor dakloozen, zooals men dat in de steden vindt, maar een gebouw, waarin huisgezinnen, die hunne woningen door wanbetaling hebben moeten verlaten en nu geen onderdak hebben, tijdelijk met hun inboedel plaats kunnen vinden. Het gebouw zal verrijzen op een stuk gronds, aan de gemeente toebehoorende.’

Het plan om een onderdak voor dakloze gezinnen te bouwen had echter niets met de lange strenge winter van doen, het ontstond al tussen 11 en 18 januari, een week nadat de burgemeester en de officier van justitie hun correspondentie afsloten. Op 11 januari besloot het college een voorstel aan de raad te doen, om 29.000 gulden te lenen, geld dat vooral bedoeld was voor de nieuwe Paaptilsterbrug. Bij de raadsbehandeling echter, deed burgemeester Bakker het aanvullende voorstel om nog 1000 gulden extra te lenen, ‘aangezien met mei enkele huisgezinnen aan den weg komen te zitten’. Dit geld was bestemd ‘om een gebouw voor dakloozen op te richten’. Het voorstel van de burgemeester werd zonder stemming aangenomen en in de loop van februari en maart kreeg het voornemen zijn beslag. Zo besloot het college van B&W medio februari dat de ‘appartementen’ in het daklozenhuis een oppervlakte zouden krijgen van 6,5 bij 5 meter. Gelijk al kwam er protest van enige omwonenden van het stuk gemeentegrond waar het huis zou komen. Zij verzochten de gemeente om het ‘niet in hun buurt te bouwen’. Dankzij de burgemeester bereikte dit verzoek ook de raad. Daar pleitte hij er evenwel zelf voor om het gebouw op de beoogde locatie te realiseren. Op een andere plek zou de gemeente de grond nog moeten kopen, en dan kwamen anderen met een eenzelfde verzoek, want ‘niemand wil zoo’n gebouw graag naast zich hebben’. Bovendien moest het pand ook niet te ver uit de dorpskom staan, immers: ‘de politie moet er dagelijks toezicht op kunnen houden’. Van enig uitstel wilde de burgemeester niet weten, ‘met mei’ moest het gebouw in gebruik zijn, ‘zodat er niet veel tijd is te verliezen’. Zonder stemming ging de raad akkoord. Wel kwam het gebouw in werkelijkheid op een tegenoverliggend perceel gemeentegrond,  ‘als biedende daarvoor ruimer terrein aan’. Eind maart vond de aanbesteding plaats, de laagste inschrijver kreeg de opdracht voor een bedrag van tegen de 1200 gulden.

Blauwdruk voor de verbouwing van het oude tot een nieuw daklozenhuis. Links een ‘appartement’ zoals het eruit zag bij de bouw in 1895, met vier bedsteden en een portaal. Rechts het nieuwe grondplan. Bron: gemeente-archief Eemsmond, archief burgerlijk armbestuur  Uithuizermeeden, inv. nr. 31.

Blauwdruk voor de verbouwing van het oude tot een nieuw daklozenhuis. Links een ‘appartement’ zoals het eruit zag bij de bouw in 1895, met vier bedsteden en een portaal. Rechts het nieuwe grondplan. Bron: gemeente-archief Eemsmond, archief burgerlijk armbestuur Uithuizermeeden, inv. nr. 31.

Het daklozenhuis stond in 1913 als nummer 2 op een staat van gemeente-eigendommen, meteen na het nieuwe gemeentehuis. In 1920 zou de gemeente een nieuw daklozenhuis laten bouwen. De grond daarvoor kwam van het burgerlijk armbestuur, dat in ruil het oude gebouw kreeg. Dit werd vervolgens verbouwd voor bewoning door twee gezinnen., waarbij de oorspronkelijke appartementen waarschijnlijk werden verdubbeld. Dankzij de bewaard gebleven blauwdruk, hebben we nog een beeld van de oude toestand.

Harry Perton

Met dank aan Jeroen Hillenga en Jan Veenstra. Dit stuk stond eerder in een geannoteerde versie in Stad & Lande 2011-2.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

 


Boeren lagen hoog en droog, armen laag en nat

Het kerkhof van Finsterwolde in 2006.

Het kerkhof van Finsterwolde in 2006.

In 1808 besloot koning Lodewijk-Napoleon het begraven van doden in stads- en dorpskernen te gaan verbieden, een verbod dat dan ook voor de kerken gold. Volgens Zijne Majesteit ging het begraven op zulke lokaties ten koste van de volksgezondheid. Zijn minister van binnenlandse zaken diende het verbod zo snel mogelijk op te nemen in een wetsontwerp, dat ook moest voorzien in de aanleg van nieuwe begraafplaatsen, gelegen op – omgerekend – ruim een kilometer van de bebouwde kom.

De minister van Binnenlandse Zaken besloot eerst maar eens wat onderzoek te doen. Hij schreef alle gewesten aan met een begraafplaatsen-enquète. Uiteindelijk kwam het vragenlijstje terecht bij o.a. de Oldambtster kerkvoogdijen, die ook bijna allemaal braaf hebben geantwoord.

Voor een tijdschrift analyseerde ik in een artikel de Oldambtster enquète-uitkomsten. Om een indruk te gevan van de enquète, hier de vragen, gevolgd door de antwoorden die één enkele hervormde gemeente, namelijk die van Finsterwolde, gaf, met wat commentaren van mij.

Vraag 1: “Welke is de oorsprong der eigen graven in de kerken en op de kerkhoven?”

Hierbij antwoordde Finsterwolde volgens het enquèterapport ongeveer zoals Zuidbroek, waar men veronderstelde dat de graven (net als de kerkhoven) ooit collectief bezit waren geweest. Inmiddels was dat niet meer zo, want de graven waren allang particulier eigendom. Finsterwolde verschilde echter van Zuidbroek in die zin,

“… dat alhier bij ieder heerd lands gerekend wordt eenige graven te behooren, van welke graven ook in eenige aankomstbrieven wordt gewag gemaakt.”

Met dat heerd werd een boerderij bedoeld, zoals uit het antwoord op de tweede vraag blijkt. Aan iedere boerderij waren dus graven op het kerkhof verbonden. Een dergelijke regeling bestond ook in onder meer Oostwold, Midwolda en Nieuwolda.

Vraag 2: “Hoe veele zoodanige eigene graven bestaan er in iedere gemeente in kerken en op kerkhoven, welke aan particulieren toebehoren?”

“In de kerk is slechts één eigen grafkelder, aangekocht door de famille van den kerkvoogd Heddema, zijnde voorts het kerkhof verdeeld naar het getal der boerenplaatzen, volgens het vorige antwoord. De vier uithoeken van het kerkhof worden alleenlijk gebruikt tot het begraven van behoeftigen en gealimenteerden.”

Naast die ene grafkelder lagen er in de kerk wel degelijk andere graven, maar die werden kennelijk niet als particulier beschouwd. Het ging vooral om predilkanten en kerkvoogden, zoals uit ‘Pathuis’ duidelijk wordt. Blijkbaar werden hun graven als kerkelijk eigendom beschouwd.
In een paar andere kerkgemeenten werden “algemene graven” op het kerkhof gemeld. Waarschijnlijk ging het daar net als In Finsterwolde om graven van armen. De vier uithoeken van het Finsterwolmer kerkhof waren lager, de armen genoten er dus minder droge grafcondities dan de boeren vlakbij de muren van de kerk.

Vraag 3: “Of, en zoo jaa, welke voordeelen ontvangen deze kerken of andere gestichten jaarlijks van het begraven der lijken in kerken of op kerkhoven?”

“Geene voordeelen.”

In verreweg de meeste plaatsen genoten de kerkvoogdijen geen inkomsten van begrafenissen. Alleen enkele grotere plaatsen hadden die, zij het op bescheiden schaal.

Vraag 4: “Hoe vele lijken worden gewoonlijk in iedere gemeente jaarlijks begraven?”

“Pl.m. 35”

In het ‘Register van aangegeven lijken’ dat er bestaat van het Finsterwolde tussen 1806 en 1811, zijn er in 1806 een 23 mensen gestorven en in 1807 een 57 (er heerste toen een kinderziekte, waarschijnlijk mazelen). De kerkvoogd moet beide getallen gemiddeld hebben, waarna hij zag dat 1807 dit gemiddelde toch wel erg omhoog trok, zodat hij het nodig vond om het wat naar beneden bij te stellen.

Vraag 5: “Welke uitgestrektheid zoude dienvolgens een of meer begraafplaatsen buiten iedere gemeente moeten hebben?”

“Het tegenwoordig kerkhof is breedt 14 en lang 10 roeden Gron[inger] maat, de nieuwe begraafplaats zou dezelve uitgestrektheid moeten hebben.”

Aannemende dat een doorsnee-graf ongeveer 5 vierkante meter in beslag nam, nam het gemiddelde jaarlijkse aantal van 35 doden hier 175 vierkante meter aan ruimte in. Omgerekend kwam het geraamde areaal van de toekomstige dodenakker neer op 2372 vierkante meter. Na 14 jaar zou de nieuwe begraafplaats van Finsterwolde dus vol zijn, teminste, als er niet in etages begraven werd. Hier werd vrij voorzichtig geraamd, er waren ook gemeenten die veel hoger in de boom zaten.

Vraag 6: “Op welk een geschikte voet zoude dit een en ander in order kunnen worden gebragt?”

“Het kerkhof wordt hier op het eind van het dorp, genoegzaam buiten de gemeente gevonden en waar hetzelve ook aangelegd wordt, men zal in de gemeente geene geschikte plaats kunnen vinden die verder van de huizen verwijderd is dan de tegenwoordige begraafplaats. “


Rondje Roderwolde

Bij de Eelder Madijk:
2016-01-23 008
Uitloper Stadspark bij Peizermade:
2016-01-23 017
Roderwolde:
2016-01-23 046
Het steenslagwegje naar Sandebuur:
2016-01-23 052


Een winterse ontmoeting in Friesland

Schaatser met de krachtigste afzet links:
kgrissjs – krassjss
kgrissjs – krassjss
kgrissjs – krassjss

Schaatser met de krachtigste afzet rechts:
krassjss – kgrissjs
krassjss – kgrissjs
krassjss – kgrissjs

Wanneer deze schaatsers elkander ontmoeten,
steken zij elk een wijsvinger omhoog bij wijze van groet.

Zo gaat dat in Friesland.

(Impromptu n.a.v. een logje van Afanja)


Zuidwest-Drentse ooievaarstelling

2015-05-24 304

Begin jaren zeventig deed ik ’s zomers wel vakantiewerk bij de familie Veld in Nijeveen. Kratten met antieke tegels versjouwen, het vlintenstraatje vegen, schuren in de carbolineum zetten, dat soort klusjes. Ik verdiende er, meen ik, vijf gulden per middag mee. Die carbolineumlucht ruik je zelden meer, maar als het me een keer overkomt, keert het hele optimistische zomergevoel van toen weer terug, inclusief de radio Tourflitsen met Theo Koomen.

Een ander geluid daar bij de boerderij van Veld, was het geklepper van de ooievaars. Destijds waren die reuze zeldzaam in Nederland, het ging om een van de allerlaatste paren, een paar jaar later zelfs het allerlaatste paar. Bijna elk jaar waren er jongen. Ik mocht graag staan kijken naar het sierlijke af- en aanvliegen van de ouders.

Dankzij de herintroductie, sinds 1981, van ooievaars door de Lokkerij, heb je tegenwoordig daar in de omgeving weer veel bewoonde nesten. In De Wijk zijn sommige inwoners er al schijtziek van – die roepen om minder, minder, minder. Uit wijdere kring verneem je nog niet van zo’n aversie. Maar daar is de ooievaarsdichtheid dan ook nog lang niet op het peil van 1940.

Dat oorlogsjaar werden er in juli, zoals blijkt uit een bericht in het Agrarisch Nieuwsblad, maar liefst 25 nesten geteld in die omgeving. Nijeveen telde er 3 (waarvan 2 bij een familie Veld), Meppel had er 2, De Wijk 1, Koekange 1, Ruinerwold 13, op de Veendijk onder Havelte zag je er 1, terwijl er op Staphorst 4 waren, waarvan eentje bij (of op?) de hervormde pastorie.

Van deze 25 nesten droegen er 18 (= 72 %) jongen: in totaal 40 of gemiddeld ruim 2 per nest. Bij de 7 andere nesten was het misgegaan om uiteenlopende redenen: geen eieren, eieren niet bevrucht, eieren uit het nest gesodemieterd, of ’t hele nest van de paal afgewaaid. Ook het enige Havelter nest, bij J. Schiphorst op de Veendijk, hoorde bij deze betreurenswaardige groep. Om het rapportje in de krant aan te halen: “Eén jonge ooievaar uitgeworpen en verder niets van terechtgekomen”.


Als burgemeester van Havelte niet fout was, hoe fout moest je dan zijn?

Over burgemeester Eggink van Havelte gesproken – die is nog een keer bekeurd door mijn grootvader. De burgemeester reed namelijk rond in een auto zonder nummerbord, zodat het zichtbare bewijs ontbrak dat er voor dit magistratelijke vehikel motorrijtuigenbelasting was betaald. Als kommies der directe belastingen moest mijn grootvader hierop letten. Hij heette “streng doch rechtvaardig” in zijn ambtsoptreden, kneep ook in dit geval geen oogje dicht en verstrekte de burgemeester een bon. Wat de relatie tussen beide heren geen goed deed.

Ik was dus al een beetje vooringenomen tegen die Eggink. Hij kwam in 1931 uit Indië, waar hij elf jaar gemeente-ambtenaar was geweest. In de oorlog bleef hij aan als burgemeester van Havelte. Na de bevrijding werd hij eerst op non-actief gesteld, om daarna alsnog eervol ontslag te krijgen.

In het Agrarisch Nieuwsblad vond ik een interview met hem. In 1941 maakte hij met wat andere Drentse burgemeesters een reis naar Keulen, op uitnodiging van de bezetter. Achteraf sprak hij zijn voldoening uit over “de uiterst correcte ontvangst”.  Volgens Eggink kon zijn gezelschap de gastheren alles vragen wat ze maar wilden,

“zelfs bleef opbouwende critiek van onze zijde niet achterwege en werd deze ook op prijs gesteld.”

De Havelter burgemeester roemde het Duitse elan:

“De geweldig spontane en enthousiaste wijze van werken was voorts opvallend. Hoe een ieder, man en vrouw, jongen en meisje zijn beste krachten geeft voor zijn werk ten dienste van de volksgemeenschap. Hoe er velen gevonden worden, die zelfs na hun dagelijkschen arbeid, nog vrijwillig een paar uurtjes gaan werken voor de Winterhulp!”

Die Winterhulp, nazi-liefdadigheid, inmiddels ook ingevoerd in Nederland, vond Eggink een “zeer goede instelling”. In Havelte kosstte het hem vrij weinig moeite er collectanten voor te vinden, pochtte hij, omdat

“men in ’t algemeen in zijn gemeente veel voelt voor deze mooie arbeid”.

Wat betreft de tegenwerking die Winterhulp ook ondervond, meende de burgemeester

“dat de geest van die Nederlanders eerst moeten worden omgevormd”.

Hij bepleitte naar Duits voorbeeld een rook-, drink- en variétébezoekverbod voor jongeren onder de achttien, en vertelde iets over een eigen bioscoopbezoekje met de Duitse gastheren. Het betrof een première van een “schitterende Krügerfilm”. Met natuurlijk het bioscoopjournaal:

“De fantastische macht en kracht van de Duitsche weermacht had men voorts op het witte doek kunnen aanschouwen.”

Tot besluit van het interview wees de burgemeester nog op

“…de geest van samenhoorigheid, die het Duitsche volk van hoog tot laag omvat, een geest, die in ons land vaak zoo jammerlijk zoek is.”

Naar deze man is in Havelte dus nog steeds een straat genoemd.


Dorpsjeugd zwom naakt bij Ettelte?

2015-05-24 051

Van mijn vader (1927-2004) weet ik, dat de Havelter jeugd van zijn generatie in de Oude Vaart bij Ettelte leerde zwemmen. Of dat ook voor hemzelf gold, weet ik niet meer – op dat punt vertrouw ik mijn geheugen niet. Later zwom hij nooit, vanwege problemen met zijn oren. Hij kon het, dacht ik, wel, maar had er een hekel aan.

Als hij het geleerd heeft, kan dat haast niet bij Ettelte geweest zijn. Want eind 1940 woonde het gezin van kommies Harm Perton nog in Uffelte, terwijl de Havelter gemeenteraad vlak voor de zomer van 1941 per APV-artikel het zwemmen bij Ettelte verbood.

Zoals het wat omslachtig in het Agrarisch Nieuwsblad stond:

“Deze maatregel werd speciaal genomen, daar het B. en W. gebleken is, dat niet alleen door jonge kinderen, maar ook door kinderen van tien jaar en ouder van beiderlei geslacht zonder eenig toezicht veelvuldig wordt gebaad en gezwommen in de Oude Vaart en wel voornamelijk tegenover een perceeltje bosch bij Ettelte (…) en dat er voorts niet voldoende waarborg bestaat, dat er niets geschiedt dat in strijd met de goede zeden zouden zijn.”

Pubers van beiderlei kunne, gemengd zwemmend zonder badmeester in de buurt, zodat de goede zeden gevaar zouden kunnen lopen…

Naar bleek toen de schoolvakantie dat jaar al voorbij was, wilde Gedeputeerde Staten van Drenthe dat de gemeente Havelte het nieuwe APV-artikel zou intrekken. Dit omdat het zwemverbod zoals Havelte dat geformuleerd had, al onder een provinciaal verbod zou vallen. In provinciale ogen was het Havelter artikel dus overbodig.

Volgens burgemeester Eggink van Havelte klopte dat echter niet: het provinciale verbod betrof het zwemmen zonder badpak, terwijl het in Havelte juist om de zwemlokatie ging. De raad besloot om het artikel niet in te trekken, maar het eerst nog even aan te zien. Het zwemverbod bleef dus voorlopig van kracht.


Toen de Veendijk nog een beurtschipper had

Links een tolhuisje, rechts het vroegere café Rolden (1964). Foto collectie Historische Vereniging Havelte.

Links een tolhuisje, rechts het vroegere café Rolden (1964). Foto collectie Historische Vereniging Havelte.

Omdat ik van Boekito een Drents pamflet uit het begin van de oorlog ontving, dat opriep om de abonnementen op het steeds foutere Agrarisch Nieuwsblad op te zeggen, besloot ik eens te kijken wat deze krant zoal over Havelte schreef.

Grootste verrassing was een interview met het 55 jaar getrouwde echtpaar Rolden van de Veendijk. De naam Rolden komt me bekend voor, latere leden moeten klanten van mijn vader geweest zijn. Die kan je er natuurlijk niet op aankijken, maar het jubilerende echtpaar van 1941 zal het Agrarisch Nieuwsblad trouw zijn gebleven, want dat vond de ‘nieuwe tijd ‘prachtig. Alle plattelanders moesten van Pieter Rolden maar lid worden van het Agrarisch Front, een gelijkgeschakelde boerenorganisatie: „We hebben reeds lang genoeg gezucht onder het margarinekapitaal”.

Pieter Rolden (1863-1953) was geboren in hetzelfde huis waarin hij in 1941 nog steeds woonde, een café met boerenbedrijf waarvan je wel meer voorbeelden op het platteland kon vinden. Het huis stond aan het begin van de Veendijk  en was al vanaf 1804 in de familie. Pieters vader nam het over in 1860. Hij was hier de eerste met de achternaam Rolden, dus een schoonzoon van de vorige uitbater.

Die vader van Pieter was tevens beurtschipper. Hij bevoer de Boervaart en de Drentse Hoofdvaart met een punter. die iedere donderdag de boter naar Meppel bracht en dan veevoer mee terugnam naar de Veendijk. Omstreeks 1880, waarschijnlijk dankzij de komst van een verharde weg die ook een tolhuis met zich meebracht, raakte deze beurtvaart uit de tijd. Sindsdien is de Boervaart dichtgegroeid.

Rolden toonde de verslaggever ook het uithangbord dat vroeger bij hun café uithing. Er stond een schip op, varend onder een blauwe hemel met aan het roer een tevreden, pijprokende schipper. Bij dit plaatje stond als tekst van de schipper:

Sta niet te kijken naar mijn schip, dat kan U niet vermaken!
Kom binnen in dit huis en proef mijn drank Die zal U beter smaken!

Rolden zou als jongen ook nog Andries van der Vlies gekend hebben, de eigenaar van Veenrust, een verdwenen buitenplaats aan de Veendijk. Volgens hem was de man kapitein in het leger geweest:

“Het was een groote, forsche kerel, natuurlijk met een huzarensnor en als hij kwaad was, was zijn militaire loopbaan hem nog wel aan te zien. Dan kwam de „bulder” in zijn stem, de punten van zijn snor verhieven zich tot bijna in de oogen Maar zooals het vaker gaat: ook hier een ruwe bast, maar een kern van goud. Als er ergens in het dorp gebrek heerschte, dan zond „mijnheer Van Veenrust” er een mannetje naar toe en er werd geholpen, hoe groot de nood ook zijn mocht.
„Een beste kerel”, aldus Pieter.


Ommetje Eiteweert-Leegkerk

Hamersweg, Peizermade:
2016-01-17 007
Hazenspoor langs de Roderwolderdijk:
2016-01-17 008
Peizerdiep bij Eiteweert:
2016-01-17 014
Boerderij bij de A7 richting Leek:
2016-01-17 016
Bij Vierverlaten op de talud van het Hoendiep een populier die nog steeds zijn blad heeft:
2016-01-17 026
De Poolster uit Harlingen, een tweemastklipper zonder mast, passeert het Aduarderdiep tussen Vierverlaten en de Tichelwerkbrug. Vermoedelijk zorgde deze zeilcharter voor logies van Noorderslag-bezoekers:
2016-01-17 033
Het populierenlaantje bij Leegkerk:
2016-01-17 041
Leegkerk:
2016-01-17 049


De conjunctuur van de fotografie in de oorlog

Bij mijn logje over de prijs van schoolfoto’s in de oorlog, verbaasde een lezer te Moskou zich over het feit dat hier tijdens de Duitse bezetting überhaupt nog foto-ateliers actief waren. Dat was in Rusland wel anders.

Zijn opmerkingen gaven me aanleiding om eens in de krantendatabank van Delpher te kijken naar de aantallen advertenties die foto-ateliers en fotografen van 1938 tot en met 1945 in Nederlandse kranten plaatsten. Verwerkt tot een grafiek zien deze aantallen er zo uit:

Aantallen kranten-advertenties met de termen fotograaf en foto-atelier 1938-1945Op het eerste gezicht lijkt er dus sprake van een enorme toename in de eerste jaren van de oorlog, waarna een daling inzet die voortduurt tot 1945. Hier moeten echter wel een paar kanttekeningen bij worden geplaatst.

Allereerst de toename tussen 1939 en 1941 – deze is gedeeltelijk in de hand gewerkt doordat er in Delpher veel extra kranten uit de oorlogsperiode opgenomen zijn, zowel gewone als nationaal-socialistische. Toch vertoont een individuele titel als het Nieuwsblad van het Noorden ook zo’n toename, althans in 1939 en 1940. Waarschijnlijk probeerden fotografen destijds in te spelen op de grotere behoefte aan portretten van mensen die naar elders vertrokken, denk maar aan reguliere militairen die een ongewis lot tegemoet gingen en nazi’s die aan het oostfront wilden gaan vechten. Bij alle anti-joodse maatregelen in Nederland is er dan van grootschalige deportatie nog geen sprake, dus dat lijkt nog geen rol te spelen aan de vraagkant.

De daling vanaf 1941 zal vooral aan de aanbodzijde liggen. De vele joodse fotografen kregen eerst een beroepsverbod. Die adverteerden dus niet meer. Verder konden de overgebleven fotografen waarschijnlijk steeds moeilijker aan de benodigde chemicaliën komen voor het ontwikkelen en afdrukken van hun foto’s. Veel ateliers gingen dan ook noodgedwongen over op de spaarstand. Bovendien beperkte de papierschaarste vanaf 1943 allengs meer de omvang van de kranten, wat ook zijn invloed op de aantallen advertenties zal hebben gehad. In het gelijkgeschakelde Nieuwsblad van het Noorden nam het aantal fotografen-advertenties zelfs al stelselmatig af sinds 1940.


Beducht op een rondvaartboot in Paterswolde

En opnieuw een foto die uit het mapje ‘onbekend’ weg mag:

img403 rondvaart Paterswolde Zwaluw

Het betreft mijn grootmoeder Bieuwkje Vondeling-Kroeze met zo’n 25 andere dames in een rondvaartboot. De datering is dit keer niet zo’n groot probleem: tweede helft jaren dertig. Ze woonde toen nog in Zuidhorn, dus zal dit een vrouwenvereniging uit die plaats zijn: ofwel de Boerinnenbond, ofwel een hervormd equivalent.

De plek was wat moeilijker te vinden. Maar in de jaren dertig ging men meestal niet zo vreselijk ver weg op stap, bovendien staan er op de achtergrond fietsenrekken met het opschrift Kahrel’s Thee, een bekend Groninger merk, en is er helemaal op de achtergrond een poort te zien die toegang geeft tot de waterscooters. En die hadden ze in het noorden bijna alleen in Paterswolde, en wel bij Hotel de Twee Provinciën, zo blijkt bij een snelle sondering, o.a. in de beeldbank Drenthe. Vergelijking met foto’s in de Beeldbank Groningen en van HJRNoorden leert vervolgens dat de boot waarschijnlijk ‘Zwaluw’ heette.

Mijn grootmoeder kwam voor de oorlog niet zo vaak op de foto. Waar de andere vrouwen lachen, lijkt zij er een beetje beducht voor:

img403 rondvaart Paterswolde Zwaluw v


Dichtmatig commentaar op de terugkeer van wals en polka

2016-01-14 003

Bron: De Noord-Ooster, zaterdag 1 augustus 1925.


Automaatfototentoonstelling

Was vanmiddag op bezoek bij een 95-jarige nicht van mijn vader, om haar wat oude familiefoto’s te laten zien. Hoorde van haar ook dingen die ik niet wist of die ik vergeten was. Zelf liet ze haar eigen familiefoto’s zien. Voor de jaren tot ongeveer 1930 bleken die nagenoeg gelijk aan de foto’s die ik via mijn ouders erfde van mijn grootmoeder. Blijkbaar bestond er vrij veel uitwisseling van foto’s – mede door de lagere stuksprijs als men meer afnam, bestelde men een stapeltje, om ze uit te delen aan familie.

In een oud album van mijn vaders nicht zit deze pagina met automaatfoto’s die in de jaren 1910, 1920 gemaakt zijn aan de Visschersdijk te Winschoten en in de Brugstraat, de Guldenstraat en de Zwanestraat in Groningen:

2016-01-14 021

Noch voor mijn vaders nicht, noch voor mezelf zitten er bekende gezichten bij, het lijkt wel op een at random verzameling. Maar of er met onbekenden werd uitgewisseld?

Zulke relatief goedkope, destijds erg populaire fotootjes zijn kenmerkend voor die periode. Ze maken ook mooi duidelijk dat de massa uit individuen bestaat, dat ieder mens er één is. Ik zou wel eens een schoenendoosachtige, matzwart geschilderde zaal helemaal volgehangen willen zien met zulke foto’s, per stuk opgeblazen tot ongeveer A4 (wat volgens mij goed kan). Ik vermoed dat dat een heel sterk effect geeft. Ze bij elkaar krijgen hoeft volgens mij ook geen al te groot probleem te zijn.


De prijs van schoolfoto’s in de oorlog

img534

Dit nogal omvangrijke stempel staat achterop een dubbelportret in briefkaartformaat van mijn vader en zijn broer, gezeten in een schoolbank. In de oorlog, toen deze foto gemaakt werd, kostte die op zich dus een kwartje. De prijs ging echter stapsgewijs omlaag als je meer exemplaren bestelde. De laagste prijs was de helft van dat kwartje, bij afname van minstens acht exemplaren.

Voor vergrotingen op passe-partouts, die destijds in mijn voorfamilie duidelijk in onbruik waren geraakt, betaalde je een veel hogere prijs.


Tot in Australië werd er zilverpapier gespaard voor Dr. Denker

“Ja, onze zilverpapier-actie gaat de wereld rond. Zij is bescheiden in onze Noordelijke provincies begonnen, maar al spoedig kwamen er ook zendingen uit andere delen van ons land. België en Engeland volgden, op verschillende schepen wordt voor mij gespaard, uit Canada ontving ik zilverpapier en deze week kreeg ik tot mijn grote verrassing een brief van mevrouw R. Kosse, Memerambi, Kingaroy Line, Queensland in Australië. Zij schreef me:

„Hierbij stuur ik u een gedeelte van het gespaarde zilverpapier. Hoe wij hier in Australië weten van uw actie? Dat zit zo. Op 10 Dec. 1948 zijn wij met de Volendam geëmigreerd. We woonden tevoren aan de Peizerweg in de gemeente Hoogkerk. Een vriendin stuurt me geregeld uw blad. Terwijl ik in het Kingaroy Hospital lag, waar op 1 October onze zoon is geboren, las ik van Uw zilverpapier-actie. Ik ben direct begonnen te verzamelen, vrienden en bekenden helpen mee en ook schoolkinderen.”

Zo wordt nu ook in Australië voor het goede doel gespaard. Onze gezamenlijke actie krijgt steeds grotere internationale vermaardheid…”

Bron: Dr. Denker in het Nieuwsblad van het Noorden van 5 januari 1952.