Een briefje van Daisy Stork
Geplaatst op: 30 december 2015 Hoort bij: Drenthe vrogger, Familie 4 reacties
10-12-‘53
Lieve Bruid,
Zo graag had ik je vanmiddag even persoonlijk de hand gedrukt, maar de jaarvergadering van het bestuur der Volkshogeschool waarvan ik lid ben, maakt dat ik vanmiddag niet in Havelte kan ontbreken. Datum en agenda waren al weken tevoren in onderling overleg vastgesteld; mijn man moet in Wapserveen zijn. Mag ik je nu schriftelijk bij je vertrek uit onze gemeente van ganser harte het allerbeste wensen?
Moge het huwelijksleven je dàt geven, wat je je ervan voorstelt…
Veel heil en weinig
zorg of druk
Veel zon en zegen,
veel geluk!
Je zult zelf wel ervaren dat gedeelde vreugde inderdaad dubbele vreugde is, eigenlijk driedubbel, en dat de kleine en grote zorgen samen zoveel gemakkelijker worden gedragen dan wanneer je het ooit alleen zoudt moeten doen.
Ik hoop dat je je spoedig in je nieuwe woonplaats zult thuis voelen, het is overàl goed wonen, als je maar jezelf voor honderd procent begint te geven en aan te passen aan je nieuwe omgeving. Dan duurt het niet lang of die omgeving komt ook in vertrouwen naar jou toe.
Wil je de heer Perton ook namens ons gelukwensen? Heb een heerlijke dag en geniet van de wittebroodsweken in je eigen home.
Met de beste wensen, vooral ook voor je ouders, en een vriendelijke groet vanD. M. E. A. J. Stork-v.d. Kuyl
Dwingeloo
10-12-1953
Dit briefje van Daisy Stork (1912-2000), die het getuige het wat hanepoterige handschrift en de bijgevoegde correcties in haast schreef, zat tussen de paperassen van mijn moeder. Natuurlijk bevat het wat frasen, die de burgemeestersvrouw van Dwingeloo wel vaker zal hebben gebezigd bij het feliciteren van een bruid of bruidspaar. Maar afgezien van de conventies staan er toch ook wat zaken in, die wat meer persoonlijk waren.
Zo resoneert in de passage over het samen dragen van zorgen de periode dat Daisy Stork er alleen voor stond. Van 1942 tot 1944 verbleef haar man in een gijzelaarskamp en op onderduikadressen, terwijl zij het in haar eentje moest zien te redden.
De zinsnede over het zich overal thuis voelen is eveneens een persoonlijke – Daisy Stork was immers grotendeels opgegroeid in Nederlands-Indië, waar haar vader als officier steeds weer overgeplaatst werd, zodat zij in twaalf jaar tijd elf verschillende scholen bezocht. Zoals ze in haar memoires schreef: “Je ontwikkelt als vanzelfsprekend een groot aanpassingsvermogen”. Bovendien gaf ze, toen ze zich in maart 1937 in Dwingeloo vestigde, zichzèlf meteen helemaal aan haar nieuwe omgeving, die haar ook weldra volkomen vertrouwde. In haar briefje klinken, wil ik maar zeggen, haar eigen ervaringen door.
Mijn moeder had zeer veel respect voor haar en getuigde daarvan, telkens als er iets over de voormalige burgemeestersvrouw van Dwingeloo in de krant stond. Dat ontzag hing beslist samen met de academische status van mevrouw Stork. Mijn moeder was nu eenmaal gevoelig voor status. Maar in dit geval speelde dat een ondergeschikte rol. Want wat betreft Daisy Stork vloeide mijn moeders respect voornamelijk voort uit het sociaal-culturele werk van mevrouw Stork in de gemeente Dwingeloo en wijdere omgeving.
Voor mijn moeder was Daisy Stork in de eerste plaats de voorzitter van de ‘Nederlandse Bond van Boerinnen en andere Plattelandsvrouwen’, afdeling Dwingeloo, waarvan haar moeder (mijn oma) ook lid was. Let wel: afgezien van de vrouwelijke leden ging het hier niet puur om een vrouwenvereniging, want in de doelstelling stond uitdrukkelijk dat deze club de plattelandsbelangen in het algemeen wilde bevorderen. De Dwingeler afdeling gold als een van de grootste en actiefste van Drenthe, terwijl Drentse vertegenwoordigsters als Daisy Stork een buitenproportionele rol speelden op het landelijk niveau.
Al in 1938 vaardigde de afdeling Dwingeloo de jonge, 25-jarige, nog geen jaar in de gemeente woonachtige burgemeestersvrouw af naar een algemene vergadering in Groningen. Die zomer volgde ze de weduwe van de huisarts op als afdelingsvoorzitter. Soms hield ze zelf lezingen, maar er is vanaf 1939 ook sprake van de organisatie van excursies en avondcursussen over koken, naaien, kinderverzorging en opvoeding. Uit die cursussen kwam het eerste landbouwhuishoudonderwijs (overdag, voor meisjes) voort. Ook hierin speelde Daisy Stork weer een rol.

Dat een en ander in Dwingeloo aansloeg, blijkt uit het ledental van de plaatselijke Boerinnenbond. Dit groeide in enkele jaren van 112 (in 1938) tot 145 (in 1940). In de oorlog zou dat allemaal tijdelijk ophouden. Burgemeester Stork werd eind 1941 ontslagen, wat ook betekende dat zijn vrouw haar functies neerlegde, waarna, zoals mijn moeder menigmaal memoreerde, de Dwingeler afdeling van de Boerinnenbond besloot om zichzelf op te heffen.
Na de oorlog werd ze heropgericht, met uiteraard weer als voorzitter de burgemeestersvrouw, die zich natuurlijk net als voorheen weer ontplooide als ijverige organisator. In 1952 promoveerde Daisy Stork bovendien op een studie over de Drentse boerin, die deels gebaseerd was op haar participerende observaties, incognito als dienstbode in een Oosterhesseler landbouwersgezin. In 1953 kwam ze opnieuw in het nieuws door de schilders uit de Randstad die zij en haar man naar Dwingeloo haalden, een actie waaraan mijn ouders als huwelijksgeschenk een schilderij overhielden.
In Dwingeloo belichaamden Daisy Stork en haar man als het ware de modernisering die vanaf de jaren dertig over het dorp kwam en die aanvankelijk soms maar schoorvoetend werd omarmd. Net als mijn grootouders waren ze import in het dorp, maar beide gezinnen hadden ook nog iets anders gemeenschappelijk, namelijk het gebruik van een elektrisch fornuis bij het koken. In haar memoires noemt Daisy Stork meermalen dit toestel, dat mijn grootvader als electriciën mogelijk ook wel eens naar Nijengaarde, haar huis op ’t Westeeinde van Dwingeloo, heeft gebracht. Ze leerde er zelfs op wecken en inmaken, waartoe de uitgebreide moestuin bij Nijengaarde het fruit en de groente leverde. Zo’n kooktoestel sprak allerminst vanzelf, want in de meeste Dwingeler huishoudens maakte men gebruik van petroleumstellen of kookkachels op turf. kolen of butagas, terwijl er in 1945 zelfs nog enkele boerderijen waren waar men kookte boven open vuur, in een ketel aan een haal.
Hoezeer de modernisering vat kreeg op Dwingeloo, blijkt in 1953 juist uit een bezwaar tegen de plaatsing van de roemruchte radiotelescoop. Volgens Daisy Stork was een deel van de bevolking daar mordicus tegen gekant, omdat men bang was dat het gebruik van elektrische apparaten zoals radio’s en melkmachines verboden zou worden. Uiteindelijk moest de sterrenkundige Oort eraan te pas komen, om in een hoorzitting o.a. dit bezwaar te ontzenuwen.

Presentatie van een portret door een schilder uit het westen. Rechts Daisy Stork en haar man. Nieuwsblad van het Noorden 19 juni 1952.
—
Bronnen: 151 krantenberichten op de zoektermen Stork + Dwingeloo in Delpher en de memoires van Daisy Stork van der Kuyl: Tachtig levensjaren in twee wereldddelen (Groningen 1997).
Extraatje:
Interview met Daisy Stork, NvhN 6 november 1989.
Rondje Hoogkerk
Geplaatst op: 29 december 2015 Hoort bij: Hoogkerk 3 reactiesStadsparkstrook richting Groningerweg – verloren knuffel op paal:

De blakende Martinitoren, gezien vanaf vloeiveld suikerfabriek:

Ook hier bloeide koolzaad:

Eenzame fietser op het hegepad, met op de achtergrond de rietgedekte woningen aan de Drentselaan:

Groeiend op het steenslag pad bij de vloeivelden:

Vloeiveld met suikerfabriek:

Vrachtwagen van palingrokerij Knol blijkt aan de achterkant beschilderd met de spiegel van een oorlogsschip uit de Gouden Eeuw:

Leegkerk vanuit weer eens een andere hoek, nl. vanaf het kerkhof in Hoogkerk:

Zonder naam en jaar:

Stukje volkskunst:

Last minute-reis naar het zuiden:

Het oude populierenlaantje in Leegkerk:

Arnolds uitvaart
Geplaatst op: 28 december 2015 Hoort bij: Oosterpoort Een reactie plaatsen
De foto op het uitgereikte gedachteniskaartje.
Vandaag in Oudenbosch bij de uitvaart van Arnold geweest.
Hij bleek gestorven aan een longontsteking, waarvoor hij de medicatie weigerde. Dan is het heel gauw gebeurd met je.
Er waren veel meer mensen, dan ik vooraf had gedacht, een paar honderd wel. De hele dienst had hij zelf geregeld , met liederen, teksten en al. Toch zat er ook een mis of eucharistieviering bij. Had nog nooit een katholieke dienst meegemaakt, dus dat was wel indrukwekkend. Op zijn kist lag een strooien popje in kruisvorm, dat zich probeert op te richten. Het scheen te herinneren aan zijn tijd bij de Franciscaanse vredeswacht in Woensdrecht. Naar men vertelde werd hij begraven in het hesje van die Franciscaanse vredeswacht.
In een biografische noot kwam nog ter sprake dat hij omstreeks 1945 eens voor de broeder-overste van zijn orde was geroepen, die hem uitdrukkelijk herinnerde aan zijn gelofte van gehoorzaamheid. Arnold gold als nogal rebels. In één adem door ging het over zijn tijd in de Oosterpoort, waar hij naar eigen zeggen de tijd van zijn leven had.
Hij ligt nu naast het grote Christusbeeld op het kerkhof van zijn orde, waar allemaal eendere kleine metalen kruisjes herinneren aan de broeders die hem voorgingen in de dood. Zo’n kruisje met summiere gegevens zal vast ook op zijn graf komen te staan.
In de trein op de terugweg eerst, een paar banken verderop, een mevrouw in burqa, en later, pal tegenover me, een prachtige Marokkaanse met twee blote knieën stekend door de grote gaten in haar spijkerbroek.
Ome Klaas en zijn kalkoenen
Geplaatst op: 25 december 2015 Hoort bij: Familie 1 reactieVolgens het CBS ligt het aantal kalkoenen in Nederland op een vrij stabiel niveau. Rond de millenniumwisseling is er wel even sprake van een piek geweest, maar denk je die weg dan blijft het aantal kalkoenen sinds 1970 eigenlijk steeds onder het miljoen en de trend is de laatste jaren eerder dalende dan stijgende..
Terwijl ik de CBS-cijfers overpeinsde, schoot me te binnen dat mijn oudoom Klaas ook kalkoenen hield, medio jaren zestig. Dat gebeurde op het achtererf van zijn boerderij in Feerwerd. Hier staat hij ze te voeren terwijl de eenden uit de gracht ook een graantje meepikken en zijn zoon net met een metalen emmer achterlangs komt:

Deze kalkoenen waren meest voor de slacht, vertelde mijn achterneef onlangs. Zo had mijn grootvader er ook wel eens een gekocht. Een enkel exemplaar bleef dat lot echter bespaard omdat ome Klaas er een bijzondere verstandhouding mee had opgebouwd:

Helaas vertelde mijn achterneef er niet bij of zijn vaders lievelingskalkoen ook een naam kreeg. Daar ga ik hem de volgende keer maar eens naar vragen.
Plaggenhutten, spitketen en hun bewoners
Geplaatst op: 25 december 2015 Hoort bij: Drenthe vrogger, Geschiedenis 1 reactieBeelden uit het Bioscoopjournaal van 1 februari 1926, toen langzamerhand tot de rest van Nederland doordrong welke gevolgen de crisis in de turfgraverij had voor de bewoners van de veengebieden in Zuidoost-Drenthe. Dergelijke beelden zouden destijds trouwens net zo goed gemaakt kunnen worden in sommige Friese heidedorpen of in het Westerkwartier en Westerwolde:
Als zo’n kolonie met armoedige onderkomens ook nog op het veen gebouwd was, liep deze groot gevaar bij een veenbrand. Ook hiervan toonde het Bioscoopjournaal beelden, maar dan twee jaar later. Let in het bijzonder eens op de blusmethode:
Hoe de slachtoffers van IJje Wijkstra begraven werden
Geplaatst op: 24 december 2015 Hoort bij: Stad toen 3 reactiesUit het bioscoopjournaal van 22 januari 1929. De Grote Markt stond bomvol, toen de stoet voorbijkwam:
Hun grafmonument op Esserveld, zoals het er vorig jaar om deze tijd bij stond:



Hindrik Vondeling op bezoek in Termunten
Geplaatst op: 24 december 2015 Hoort bij: Familie Een reactie plaatsen
Had ik al eens verteld dat ik deels van vissers uit Termunten en Finsterwolde afstam?
Dit plaatje dook op uit de berg foto’s van mijn moeder. Het is vermoedelijk gemaakt in of omtrent de oorlog en het toont mijn overgrootvader Hindrik Vondeling (rechts) die met zijn zondaagse pak op bezoek is bij familie (Vondelingen of Bottinga’s) in Termunterzijl of Termunten. Heb zo’n idee dat het plaatje redelijk laat in de middag gemaakt is. In dat geval moet het gezien de zon in de rug van mijn overgrootvader (west) geschoten zijn bij de Dollarddijk, ter hoogte van de Punt van Reide of de Breebaartpolder.
Welke familieleden verder op de foto staan en of de lokalisering juist is, zou ik graag eens van mensen uit die omgeving willen vernemen. Mijn overgrootvader houdt een grote beugelfles voor zich uit, waarbij hij deze vasthoudt aan de beugel. Mogelijk is de fles bij de vloedlijn gevonden en vertegenwoordigt deze nog enige waarde, maar wil hij zijn zondaagse goed er toch niet graag mee besmeurd zien.
Wat betreft het net, dat duidelijk te grofmazig is om garnalen te vangen, moest ik te rade gaan bij deskundigen. “Voor een botnet is het te nauw en het garen te dik”, schreef Sjoerd Moes uit Zoutkamp: “Volgens mij zijn ze bezig met een schutwand van een stel fuiken”. Dit wordt bevestigd door een andere zegsman, die er op wijst dat de foto aan de voet van de dijk is genomen: “Vanaf de basaltblokken begon men met het zetten van een schutwand, met dan op het eind een fuik”.
—
Met dank aan Sjoerd Moes en Albert Buursma.
De vakkenvullers van uw buurtsuper wensen u een smakelijke kerstdis
Geplaatst op: 23 december 2015 Hoort bij: Stad nu 2 reactiesBij de buurtsuper stonden vlak voor sluitingstijd wat vervelio’s te ginnegappen. Ze stootten vreemde oe-oe-oegeluiden uit in een ritmisch herhaalde toonreeks. Terwijl ik mijn fiets vlakbij de helverlichte deur en pal onder de beveiligingscamera dubbel en dwars op slot zette, slenterden ze achter me langs de supermarkt in. Bij de kassa kwam ik ze achterop, maar ik was de appelmoes vergeten en moest dus terug. Hun eerste ontmoeting met de caissière heb ik zodoende gemist.
Toen ik zelf bij de kassa stond, kwamen ze mij achterop. Nog even jolig als daarnet en opnieuw die vreemde oe-oe-oegeluiden uitstotend. Eentje nam duidelijk het voortouw: de stoere Jan, die er altijd bij zit.
Terwijl ik mijn boodschappen van de band opnam had ik er niet goed zicht op, maar ik hoorde de caissière aan het viertal vragen of ze eerder bij haar kassa waren geweest. Er klonk een volmondig ja. En of een van hen misschien verantwoordelijk was voor die condooms op de stoep. Het antwoord was dit keer ontkennend, dacht ik, want je hoorde het nauwelijks. Wel vernam ik de reactie van de caissière. Ze zei nogal luid dat zij die troep moest opruimen, namelijk.
Terwijl ik buiten de dubbele sloten van mijn fiets afhaalde, stapten de slungels de deur van de supermarkt uit. “Maar niet weer doen”, zei een van het stel tegen de anderen. “Ja, inderdaad”, beaamde een tweede: “Ik heb geen zin om mijn baantje te verliezen”.
In memoriam broeder Arnold
Geplaatst op: 23 december 2015 Hoort bij: Oosterpoort 3 reacties
Arnold Bosdriesz (1922-2015).
Zondag overleed in zijn woonplaats Oudenbosch broeder Arnold Bosdriesz (93).
Van 1988 tot 1994 was hij de dragende kracht van het Buurtoverleg Oosterpoort. In die tijd heb ik hem mogen meemaken. In feite was hij degene die me weer bij de buurt betrok, in een actie om niet alleen een paar geselecteerde blokken te renoveren, maar ook allerlei blokken eromheen. Dit onder het motto: “Oosterpoort klaar voor 2000!”.
Als ik aan Arnold denk, zie ik een kleine, slanke man in een lange, beige regenjas, met een markante kop, een uiterst doorrookte stem en een licht Amsterdams accent, die vrijwel altijd goed gehumeurd was, graag mocht lachen, ook om zijn eigen anekdotes, maar toch op zijn tijd ook behoorlijk fel van leer kon trekken. Ruzie maken echter, daar paste hij voor. Zo goed als hij in zijn rol van timmerman hout kon verbinden, wist hij ook bruggen te slaan tussen mensen. Bij de gemeente Groningen bijvoorbeeld, kon hij een potje breken. Dat de gemeente destijds zoveel geld reserveerde voor woningverbetering in de Oosterpoort, was in niet onaanzienlijke mate aan Arnold te danken.
Arnold kwam oorspronkelijk uit Amsterdam, waar zijn vader in de confectie werkte. Het ging om een tamelijk vrolijk katholiek milieu, Arnolds vader en moeder waren beide actief betrokken bij toneeluitvoeringen. Door de gemoedelijke en opgeruimde manier waarop de broeders van zijn school met elkaar omgingen, besloot hij ook broeder te willen worden. Op zijn twaalfde ging hij naar het juvenaat in Oudenbosch, een soort internaat met jongens die vrijwel allemaal ULO en kweekschool deden, want de orde van St.-Louis was een onderwijscongregatie.
Hij legde in 1940 de gelofte af van zuiverheid, armoe en gehoorzaamheid, waarbij hij tevens de naam Arnold aannam. Tijdens de oorlog bleef hij helpen in Oudenbosch, waar bij de bevrijding enorm veel evacuees en vluchtelingen opgevangen zijn, met name uit het gebied rond de Moerdijk, waar de Duitsers hevig weerstand boden. Om bijvoorbeeld hulpbehoevende bejaarden uit dat gebied te halen, waagden de broeders zich wel eens in het schootsveld. Zodoende is ook Arnold eens door een sluipschutter beschoten – daar moest hij later nogal eens aan terugdenken als hij oorlogsbeelden, bijvoorbeels uit Serajevo, op de televisie zag. Ook vanwege de terugkerende mensen uit dwangarbeiders- en concentratiekampen kwam hij nauwelijks aan nachtrust toe. Overdag stond hij namelijk ook nog gewoon voor de klas, soms tollend van de slaap.
Nadien was hij op verschillende standplaatsen in Noord- en Zuid-Holland werkzaam in het onderwijs. In 1967, toen de onderwijsrol van zijn congregatie uitgespeeld raakte, belandde hij in het bedrijfspastoraat. Eerst onder gastarbeiders in Bergen op Zoom, naderhand in een papierfabriek in Zaandam en van 1972 tot 1977 in de strokarton- en aardappelmeelindustrie in Oost-Groningen. Zo leerde hij onder meer Fré Meis kennen, die hij zeer respecteerde, al onderschreef hij al diens meningen niet.
In 1977 kreeg een burn-out Arnold te pakken en werd hij volledig afgekeurd. Hij leerde de zin van het leven weer zien in een religieuze gemeenschap te Bergeyk, en verhuisde in 1980 naar de stad Groningen. Hier knapte hij een broederhuis aan de Moesstraat op. Eens in de acht weken trok hij een week naar Woensdrecht en maakte daar deel uit van de Franciscaanse vredeswacht tegen de plaatsing van kernraketten.
In de Moesstraat voltrok zich langzamerhand een scheiding van geesten tussen de meer spiritueel aangelegde mensen en de mensen die praktisch nog wat met de wereld wilden. Die laatste groep verhuisde eind 1986 naar het groepshuis De Vlaspit op de hoek van de Dijkstraat en de Nieuwstraat. Onder andere woonde er een Ben, die als regisseur zeer actief was in de Groninger amateurtheaterwereld. Andere broeders waren elders actief en Arnold raakte betrokken bij de strijd om behoud van de Oosterpoort, een buurt die wethouder Gietema het liefst in zijn geheel had willen laten slopen.
Omdat hij over veel tijd beschikte, ging Arnold altijd naar de raadscommissies, en hield ook geregeld de speeches, als daar of elders wat te doen viel. Met ontzettend veel plezier herinnerde hij zich later het maken van Sinterklaassurprises voor de gemeenteraadsleden. Er zaten pseudo-ambtelijke adviezen op rijm in over de de bouwkundige verbeterbaarheid van de Oosterpoort. In deze wijk voelde hij zich als een vis in het water. Iedereen kende hem, maar tot zijn spijt wist hij niet altijd ieders naam.
Omstreeks 1995 vertrok hij en kwam via Amsterdam in Oudenbosch terecht. Tot op hoge leeftijd kon hij nog fietsen. Dat ging de laatste jaren echter niet meer, want zijn gezondheid liep achteruit. Ieder jaar belden we nog een paar keer en kreeg ik ook nog een kerstkaart van hem. Dat is nu dus afgelopen.
Dat God, als hij bestaat, maar een mooi plekje voor hem mag reserveren. In een fijne rookstoel als het kan.

Tragiek in een stapeltje knipsels
Geplaatst op: 22 december 2015 Hoort bij: Familie 11 reactiesHad gedacht dat die allang weggegooid waren, bij de verhuizing van elf jaar geleden namelijk, maar nee, in de garagebox van mijn moeder lag ook nog een plastic tas opgepropt met handwerkbladen en knipsels met zelfmaakmode uit de jaren vijftig.
Die knipsels kwamen uit de Margriet, een vrouwenblad waar mijn moeder meer dan een halve eeuw op geabonneerd was, welke volharding haar de zilveren margriet opleverde die we eerder in haar nalatenschap aantroffen. Ze gaven aanwijzingen voor het vervaardigen van vrouwenkleding, mannenkleding en kinderkleding, zowel voor jongens als voor meisjes.
Sowieso lijkt me het bewaren van zulke sterk gedateerde artikelen een teken van forse verknochtheid, maar waar het de jurkjes en wat dies meer zij van meisjes betreft, verraadt het ook nog tragiek. Mijn moeder kreeg namelijk vier zoons, terwijl ze nog wel zo graag een dochter had willen hebben. Dat haar eerste twee kinderen zoons waren, daar kon ze goed mee leven, maar bij de geboorte van haar derde hoopte ze heel erg op een dochter. Getuige een brief van vrienden, verzuchtte zelfs haar moeder in Dwingeloo: “Als het nu maar een meisje wordt”. Die vrienden probeerden haar dan ook te troosten: “Maar och, als alles maar goed is, dat is het voornaamste, dan is het andere maar bijzaak.”
Een deel van de knipsels met zelf te maken meisjeskleding:

Grafisch gezien gaat het vaak om spreads met deels een fijne pseudo-schrijfletter in de kop. Zoals deze – “Wat is moeders meisje mooi”:

“Zusje gaat naar Zee”

“Parmantige peuters”

“Ben ik niet mooi?”

“Moeders kleine schat”:

“Schattig voor zo’n lief klein blondje”

Felicitatiekaartjes ontving ze dus louter voor de geboorte van zoons:

Men kan niet alles bewaren. Straks gaan de knipsels bij het oud papier.
Alleen weerbaar slachtoffer stopt pestkop
Geplaatst op: 21 december 2015 Hoort bij: autobio 9 reactiesWaarlijk iets zeldzaams gezien, gisteravond bij De Reünie: de spijtbetuiging van een pestkop. Het overgrote deel laat het geweten liefst nooit spreken, en houdt de pesterijen later graag voor vergeten. Ook hier lijkt het erop dat daders een veel slechter geheugen hebben dan slachtoffers.
Ben ik gepest? Ja, ik ben gepest. Op de lagere school door een jongen die een paar jaar ouder, een paar koppen groter en een paar keer gedoubleerd was. Fysiek was ik een gemakkelijke prooi, als kleinste van de klas. Dat ik goeie cijfers haalde wekte jaloezie op die zich om te beginnen al vertaalde in het scheldwoord ‘professor’, zo mogelijk ingeleid door het minachtende ‘schele’ . Tegen mijn ‘grote bek’ viel blijkbaar alleen wat te doen met slaag en dat ik nogal gauw hapte was soms ook wel mooi meegenomen.
Die jongen had ook altijd een groepje paladijnen om zich heen. Meelopers, ik ruik ze sindsdien op afstand. De geur van hun laffe kruiperigheid. Hun haaiengedrag.
Die kapitein van het stel, ik herinner me nog goed hoe ik hem in de hoogste klas van de lagere school een keer aanvloog. Hij ging onderuit, ik zat dit keer bovenop hem en sloeg hem waar ik hem raken kon, tot een onderwijzer me van hem aftrok.
Helaas was dit nog niet afdoende, zo bleek onderweg van Havelte naar de middelbare school in Meppel. Op het gewone tijdstip fietste ik meestal met de grote groep dorpskinderen mee en dan was je redelijk veilig, zeker als je aan de rechterkant van een tweetal fietste. Omdat hij een stuk ouder was, reed hij weldra op een brommer en dat scheelde ook weer. Maar in de tweede klas had ik op een van de dagen aan het begin van de morgen een uur vrij en reed ik in mijn eentje naar school. En dan kwam hij me wel eens achterop en kreeg ik een beuk.
Het geluid van zijn brommer kon ik op zeker moment dromen. Die keer kwam het weer dichterbij en dichterbij. Toen het vlak achter me was, maakte ik een zwenk naar links. Hij schoot de berm in langs de Drentse Hoofdvaart, stuurde tegen, en belandde dwars over het fietspad in de slootberm aan de andere kant van het fietspad. Vervolgens dook hij met brommer en al de sloot in, die behoorlijk diep was en smerig.
Ik heb geen helpende hand uitgestoken en ben als een razende naar school gefietst. Ik was bang voor verdere escalatie, maar sindsdien was het afgelopen met het slaan.
De les die ik hieruit trok was dat je je nooit op je kop moet laten zitten.
Wolven in Stadspark en Nieuwstad
Geplaatst op: 21 december 2015 Hoort bij: Kunsten, Stad nu Een reactie plaatsenHad gisteravond zo’n pijn in mijn nek en linkerschouder, dat ik er moe van werd. Het hoofd draaien lukte nauwelijks, zelfs tandenpoetsen deed zeer. Gelukkig gaat het nu een stuk beter. En komt de energie terug.
’s Middags was ik nog even naar de stad geweest, via de uitloop van het Stadspark richting Groningerweg en de Bruilweering. Daar zag ik de eerste wolf, de Grote Boze van Disney, gefiguurzaagd op een schutting van een volkstuin:

Zijn buit bestaat mogelijk uit ganzen, bij de vijver vetgemest door een vrouw met een andere zak. Ze wierp handenvol brood uit. Onder haar capuchon had ze de krulspelden nog in:

Het doel van de reis was Forma Aktua, waar werk te zien is van oprichter Henri de Wolf, zoals dit affiche uit 1981:

Ook zijn Magnum Opus uit 1965 hangt er:

Ben ook nog even naar Winterwelvaart geweest, maar het was er helaas zo druk, dat ik het meteen voor gezien hield. De makke van kleinschalige festivals is, dat ze almaar groter moeten groeien.
Een hamstervoorraad zeep van zestig jaar geleden
Geplaatst op: 19 december 2015 Hoort bij: Familie 9 reactiesHad ik al verteld dat mijn moeder nogal van de bewaarderige was? In haar washok bewaarde ze nog steeds een veelvoud van deze pakken zeep en zeeppoeder:

Vroeger namen deze het hele onderste schap van een linnenkast in beslag. Zoals de laatste zin op de achterkant van een pak Radion laat zien, dateert de voorraad uit 1956. Om precies te zijn de eerste week van november, toen de Suez-crisis uitbrak:

Eerder zaten er ook nog dozen Castella bij, maar die had ze kennelijk wel weggedaan. Mijn moeder, tijdens de Suez-crisis nog net geen 25, legde de hamstervoorraad aan op aanraden van haar moeder, die zich nog heel levendig het zeepgebrek tijdens de Tweede Wereldoorlog voor de geest kon halen.













Recente reacties