Twee briefhoofden van Henri Rots

Jaren 20, nog naadloos aansluitend bij de Amsterdamse School:
Rots inv. 13 a
Jaren 30. Eigenlijk was de letter waarin hij zijn naam goot nogal retro:
Rots inv. 13 b
Het aardige is natuurlijk het miniatuurtje van zijn pand aan de Westerhaven. Vergeleken bij de gelinkte Beeldbankfoto lijken de kleuren wel wat overdadig. Zelf bewoonde hij met zijn gezin de bovenwoning, waar hij kantoor aan huis hield:
Rots inv. 14 was 13 b v
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1948 (archief architect Henri Rots) inv.nr. 13: Voorbeelden van briefpapier etc.


Nogmaals de toegangspoort van de Geref. Bewaarschool

Heb vanochtend wat dossiers doorgenomen over de Kleuterschool aan de Zwarteweg. Op een ‘blauwdruk van architect Henri Rots, waarvan ik de kleuren omkeerde, ziet de voorgevel er zo uit:
1 - 1927 henri rots bewaarschool zwarteweg 1a
Ik had hem bijna over het hoofd gezien, maar er bleek ook een nogal klein uitgevallen blauwdrukje te zijn van de verdwenen schoolpoort, die eveneens een ontwerp blijkt van Henri Rots (november 1927). Helaas zijn de lijnen hiervan niet zo scherp:
2 - 1927 henri rots bewaarschool zwarteweg 2b
Maar er is nu wel een vergelijking mogelijk met de foto van Robert Scheltens uit 1972/1973:
3 - IMG_4863
De krullen en golven in de poortomlijsting stonden niet op de blauwdruk en vormden in 1927 een invulling door de maker, de “electrische smederij” S. van der Veen, Moesstraat 14 en 14a. Terwijl in Rots z’n ontwerp de school nog Bewaarschool heette, werd daar later in het poortopschrift Kleuterschool van gemaakt. De hekdeuren droegen in 1927 nog geen pinnen, en de vrij gemakkelijk doorklimbare ruimte tussen hekdeuren en poortomlijsting was nog geheel en al open. Al met al deed het oorspronkelijke ontwerp lang niet zo concentratiekampachtig aan, als de constellatie die Robert Scheltens in 1972/1973 vastlegde.

Naar ik vermoed, werd de poort destijds, in samenhang met een groter besef van de shoah, een doorn in het oog. Het vervangende hek blijkt namelijk al van 1976, toen de kleuterschool nog bestond. Er was dus geen andere gebruiker die om een andere entree vroeg. Van de drie elementen waaruit het nieuwe hek bestond, bleef overigens alleen het middelste bewaard:
4 was 002
Bronnen: RHC Groninger Archieven 2537-14984 (bouwdossier) en 1841-670 (schoolonderhoudsdossier). Met dank aan Peter Riem.


De familie en het vliegtuig

De eerste in mijn familie die in een echt vliegtuig zat, was mijn grootvader Vondeling. In 1968 vloog hij met zijn huishoudster en haar dochter en kleinzoons naar Alberta, Canada, waar hij een heus Indianenopperhoofd met en pracht van een verentooi ontmoette. Deze ontmoeting heeft hij vastgelegd met zijn super 8 camera, een Bell & Howell, die hier in een tasje aan zijn schouder hangt. De foto is gemaakt bij een tussenstop. Zoals hij op de keerzijde van de foto schreef: “Op IJsland gingen we landen om 7600 l benzine in te nemen”. Het vliegtuig op de achtergrond zal een DC 8 van Martinair zijn:
img549
Een vijftig jaar, zestig jaar eerder werd er al wel virtueel in een vliegtuig plaatsgenomen, in een fotografententje op de kermis bijvoorbeeld, voor een zogenaamde rondvlucht boven Paterswolde. Zo liet mijn oud-tante Jurriena (tweede van links) zich met wat vriendinnen op de kiek zetten in een bordkartonnen nepvliegtuig:
img550
Mijn vader (vooraan derde van links) op schoolreis naar Schiphol met de hoogste klassen van de Havelter lagere school. De kist is de DC3 Ysvogel die op 18 maart 1938 in gebruik werd genomen door de KLM, maar  op 14 november van dat jaar al crashte. In de tussentijd moet dus deze foto genomen zijn:
img552
De vier jaar jongere broer van mijn vader, ongeveer in dezelfde tijd. Op de baret zit een vliegtuig gespeld – had hij in zijn jonge jaren vliegeniersaspiraties?
img553
De eerste in de familie die werkelijk een vliegtuig bestuurd heeft, was ikzelf. Een bijzondere ervaring, maar daarover graag een andere keer.


Klein essay over de bewaarzucht

img548 blog2

Ik moet ruimte maken voor de spullen van mijn moeder, om te beginnen in mijn boekenkasten. Nu had ik zo gedacht mijn kinderboeken, voor zover ik die nog bezit, maar weg te doen. Maar dat valt nog niet mee, zal ik je vertellen.

Als ik hap snap wat passages in die verbruinde deeltjes lees, weet ik zeker dat integraal herlezen er nooit van zal komen. Het is ook geen bron voor zelfonderzoek. De formatieve waarde sla ik niet hoog aan, dat is allemaal opgelost in het grote geheel. Een bron van levensinspiratie valt er niet in te herontdekken. Liever dan vormende las ik ook spannende boeken en juist van die spannende heb ik bijna alles al weggegooid. Waarom dan de rest niet? Wat maakt dat ik zo krampachtig vasthoud aan die ouwe, uit elkaar vallende meuk?

Het is zelfs zo erg dat ik de kinderboeken van mijn ouders nog bewaar. Zoals het bovenstaande deeltje uit 1940, destijds te koop voor 42 cent, waar mijn moeders naam voorin staat geschreven met een kroontjespen. Ze was er bij verschijnen nog veel te jong voor en zal het jaren later hebben gekregen. Misschien lag het toen goedkoop in de uitverkoop.

Aan zo’n boek kan je nog wel mooi de enorme aantrekkingskracht van het vliegtuig zien, in de eerste helft van de vorige eeuw. Misschien bewaar ik het wel om mentaliteitshistorische reden.


Een verdwenen toegangspoort in Amsterdamse Schoolstijl

Foto: Robert Scheltens.

Foto: Robert Scheltens.

Vidimah liet me van de week deze foto van een Groningse kleuterschoolpoort zien. “Die lijkt me wel wat voor je weblog”, zei ze. En dat vond ik ook wel. Ten eerste omdat het een heel grafische foto is, die ten tweede ook nog eens de nodige associaties oplevert. Zo dacht ik bij het zien meteen: “Gij die hier binnentreedt, laat elke hoop varen”.

De foto bleek van Robert Scheltens. Hij had haar gemaakt in 1972 of 1973 op een locatie ergens in de Groningse binnenstad, vertelde hij me. Maar hij noteerde niet waar en wist ook niet meer welke plek het was.

Op dat moment had ik via de Beeldbank Groningen en Delpher al gezocht op geref[ormeerde] kleuterscholen, maar tevergeefs, want juist deze zat er niet bij. Een nieuwe zoektocht via de plaatjesmodus van Google leverde echter wèl succes op: de locatie is Zwarteweg 19. Vanmiddag ben ik er even wezen kijken en het ziet er nu zo uit:

2015-12-13 002

De poort is vervangen door een ander hek, maar het achterliggende schoolgebouw staat er nog steeds. Dit blijkt een ontwerp te zijn van de later in Westerbork gefusilleerde architect Henri Rots, en werd in 1927 gebouwd in opdracht van de ‘Vereeniging tot Stichting en Instandhouding van scholen voor Lager Onderwijs op Gereformeerde grondslag’. Destijds stond deze foto in de krant:

NvhN 10 nob. 1965

Hoewel het toegangshek begin jaren 70 met de toevoegingen zoals dat prikkeldraad nogal concentratiekampachtig aandoet – ongetwijfeld met de bedoeling om inbrekende junkies te weren – had het gebouw bij de opening in 1927 juist een heel vriendelijke uitstraling. Het kreeg ook meteen een zeer positieve bespreking in het Nieuwsblad van het Noorden. Volgens de verslaggever was de rondleiding door Henri Rots een waar genoegen geweest:

“De school staat met haar fraaien frontgevel naar den Zwarteweg. Er voor is een ruim plein met een zandspeelplaats, terwijl aardige bankjes de kleuters gelegenheid geven te rusten. Naast het gebouw is een ruime bergplaats, terwijl op het buitenterrein nog enkele stukjes grond zijn opengehouden voor schooltuintjes.

Het eigenlijk schoolgebouw maakt een prettigen indruk. Prettig doen al dadelijk de vroolijke kleuren op den gevel aan en, wanneer men binnen komt. wordt men telkens getroffen door de frissche en wel harmoniëerende kleuren, die de architect overal aangaf. “

Exterieur en interieur komen ook aan bod op een pagina met foto’s van Jim Ernst op de Amsterdamse Schoolwebsite Wendingen. Binnen zie je prachtige details zoals de granieten vloer van de gang, het siersmeedwerk van de trappartij en een origineel glas-in-loodraam met de vermanende tekst: ‘Zijt op tijd’. Volgens architect en eigenaar-bewoner Thon Karelse, die in Hervonden Stad 2003 een artikel over het gebouw schreef, werkte Henri Rots in 1927 nog puur in de stijl van de Amsterdamse school, “terwijl het metselwerk er een minder verfijnde (Groninger) variant van is”.

Na de oorlog ging de kleuterschool De Krekels heten. In 1978 werden er bij mijn weten voor het laatst leerlingen geworven. Staat in Groningen zegt dat er later nog het Noordelijk Avondcollege in zat. Aan onderhoud werd weinig gedaan, en sommige bouwelementen zoals de hoektorentjes op het dak en verschillende ornamenten zijn mogelijk uit veiligheidsoverwegingen weggehaald. Ook verdween de originele toegangspoort.

Inmiddels was de gemeente eigenaar. Zij bood in februari 2001 het gebouw te koop aan met een woonbestemming erop. Tevens kreeg het een gemeentelijke monumentenstatus. Voor het herstel gaf de gemeente een zogenaamde Kanjersubsidie die een deel van de restauratiekosten dekte.

Terwijl de school zoveel mogelijk hersteld werd, kwam de poort er nooit weer. Als je het mij vraagt, is er zelfs geen andere foto van, dan die bovenaan dit logje.

Vervolg


Onlander rondje

Rond krooseiland in het Omgelegde Eelderdiep:
2015-12-12 011
Canadese ganzen bij het Oude Eelderdiepje:
2015-12-12 031
Hamersweg:
2015-12-12 041
Vriend mol blijft actief:
2015-12-12 052
Drie gezusters:
2015-12-12 054
Eenzame hoeve:
2015-12-12 071
Valk in boom:
2015-12-12 077
Roderwolderdijk:
2015-12-12 085


Pikant spelletje, verstopt in kookboek

002

Zat wat te bladeren in mijn moeders Electro Kookboek (twaalfde druk, 1949) toen er een strook opgevouwen papier uitrolde. Eenmaal uitgevouwen, bleek dat mijn moeder er een aantal vragen op had geschreven:

  1. Bekoord u de mannen (n)?
  2. Wilt u gekust worden?
  3. Houdt u veel van u man (n) ?
  4. Is u gemakkelijk te verleiden?
  5. Kunt u één genezen?
  6. Heeft u iets?
  7. Kunt u een man (n) van dienst zijn?
  8. Kunt u alle liefde overwinnen
  9. Wilt u het graag?
  10. Kunt u het uitstaan?
  11. Laat u eens iemand aankomen?
  12. Hebt u het graag?
  13. Denkt u aan meerdere mannen (n)?

Uit het papier kwamen elf papiertjes met mogelijke antwoorden op deze vragen (waarschijnlijk waren er oorspronkelijk evenveel antwoorden als vragen, maar zijn een paar van de antwoordpapiertjes verloren gegaan):

  • Ja als het donker is
  • Natuurlijk
  • Zeer dikwijls
  • Alle nachten
  • Van onderen wel
  • Als ik het met jou alleen ben zal ik het zeggen
  • Met heel mijn hart
  • O ja waarom niet
  • Als ik in bed lig
  • Van tijd tot tijd
  • Soms wel

Duidelijk gaat het om een pikant spelletje. De combinatie van een vraag met een minder passend antwoord – ook bekend van het zogenaamde Advertentiespel – moest hilariteit opleveren. Blijkbaar was het spelletje niet voor ieders ogen bestemd, vandaar dat het in het kookboek werd verstopt. Daar keken noch man, noch zoons in.

Wanneer mijn moeder dat spelletje speelde? Haar handschrift lijkt wat aan de vroege kant. Ik schat dat het spelletje nog van voor de seksuele revolutie, dus uit de (vroege) jaren zestig dateert. En vermoed dat mijn moeder het speelde met vriendinnen.

Iemand van de lezers die dit fenomeen kent?


Het testen van een nieuwe spoorbrug

Winschoter Courant 2 juli 1940.

Winschoter Courant 2 juli 1940.

Op zaterdag 29 juni 1940 tufte Ol Graitje, de Oost-Groninger tram, voor het eerst sinds lange tijd weer van Winschoten naar Ter Apel. De nieuwe klapbrug te Winschoterhogebrug was namelijk klaar, nou ja, op een likje verf na dan. In haar vorige gedaante gold de brug ter plaatse nog als “een der voornaamste beletselen voor het weer gebruiken van de lijn”.

Met die eerste rit gingen alleen de tramdirecteur en wat -personeel en genodigden mee. Deze stapten uit vlak voor nieuwe en nog niet eerder zo zwaar belaste brug:

“Toen de locomotief tot het midden van de brug was gereden, die onder de plotselinge last wel even een diep gekreun liet horen, stopte de tram. Deskundigen gingen eens kijken hoe het onderstel van de brug zich hield. Toen trok de trein langzaam op en stoomde vrolijk Westerwolde tegemoet…”


Pepermuntje Majesteit?

002 pepermuntje Majesteit


Groningen zakt weg, sportief gezien

”Seizoen 1938-39. Costuums van de 31 eerste klassers K.N.V.B….”:

img547 blog ppp

Linksboven maar liefst vijf Groninger clubs. Deze apart genomen:

img547 xxx

Een op de zes clubs op het hoogste voetbalniveau kwam dus uit Groningen.

De eerste vier van die Groninger clubs hebben later, medio jaren 50, betaald voetbal gespeeld.

Groningen heeft nu nog maar één club van de 37 in het betaald voetbal. Het marktaandeel is dus aardig geslonken. Groningen zakt weg, sportief gezien.

Bron van het plaatje: Wie wat waar? Jaarboek 1941 van het Rotterdamsch Nieuwsblad.


Relatief een Eldorado, anno 1944

Bij de allereerste bijeenkomst van de Historische Vereniging Havelte, voorjaar 1990, hield een voormalige verzetsman een lezing, waarbij hij de opmerking maakte dat de gemengd gehuwde joden, die in de oorlog als dwangarbeiders aan het Duitse vliegveld te Havelte moesten werken, alleen in Nijeveen en Meppel op de koffie werden uitgenodigd. Met andere woorden: in Havelte waren ze niet welkom – omdat de bewoners van dat dorp te bang waren, of misschien zelfs te meegaand met de bezetter.

Een paar weken na die bijeenkomst, namelijk op 4 mei 1990, werd op de TV een documentaire uitgezonden: Westerbork, kamp van hoop en wanhoop. Mijn vader herkende een van de getuigen die in dat programma optraden. Deze man liep op een zomerdag in ’44 min of meer verdwaasd de Havelter Dorpsstraat op en neer en was ter kalmering door mijn grootvader in huis gehaald, waar hij ook de hele middag bleef. Blijkbaar gold dat verhaal van de verzetsman toch niet iedere Havelter. Mijn vader wist er ook nog bij te vertellen dat die getuige schoenhandelaar geweest was in de Groninger Herestraat.

Naderhand las ik het boek dat Willy Lindwer naar aanleiding van genoemde documentaire maakte. De man op wie mijn vader doelde was de ooit zeer bekende violist Benny Behr, die inderdaad in 1944 enige maanden in kamp Havelte verbleef, alvorens hij naar Westerbork gestuurd werd.

Een poos later had ik een gesprek met Bennie Behr, die toen 81 was. Uiteraard vroeg ik hem hoe de omstandigheden in kamp Havelte waren, hoe het gesteld was met de gastvrijheid van de Havelters in het algemeen en of hij zich dat oponthoud in de Dorpsstraat nog kon herinneren.

Hij deed me het volgende verhaal:

“Ik speelde in de G.O.V., de Groninger Orkest Vereniging, maar ben in 1937 naar Amsterdam verhuisd, omdat je in het westen als muzikant veel meer en betere engagementen kon krijgen. Vlak na de bezetting, in juni 1940, ben ik teruggegaan, want ik zag in Amsterdam de bui al hangen. In Groningen kwam ik in de Folkingestraat te wonen, dus midden in de jodenbuurt. In ’42 hebben ze daar iedereen weggehaald, ook mijn familie. Ik heb ze weg zien gaan, dat vergeet je niet.

Gemengd gehuwde joden, dat waren hoofdzakelijk mannen, maar de Duitsers maakten daar onderscheid in. Er waren twee groepen: die zonder en die met kinderen. Die zonder kinderen werden net als de anderen weggehaald. Als je wel kinderen had, werd je gesperrt en kreeg je een persoonsbewijs met een nummer boven de 100.000.

Er waren maar weinig gemengd gehuwden met kinderen in Groningen en onderling was er niet veel contact. Wij waren zogenaamd vrij. We moesten alleen op straat wel een ster dragen en mochten ook niet veel doen. Maar de kinderen zaten wel op school.

Doordat ik niet veel te doen had, kwam ik ook niet veel op straat. Tot midden april ’43 heb ik nog wel in Hotel Baulig in de Herestraat gespeeld, in de hotelbar, die heette ’t Luifeltje. Dat hotel was gevorderd door de bezetter, er woonden daar Duitse officieren. De baas van Baulig, Frans van Rossum, was voor de oorlog zo fout als wat, maar in de oorlog volstrekt anti-Duits. Hij had mij aangenomen; ik speelde er in een trio samen met Pippi Hart op viool en Henk Klompenhouwer op gitaar. Als we speelden zaten er in die bar altijd Duitse officieren, maar ook corpsstudenten. Er heerste daar altijd een gespannen sfeer.

Op een avond komt er een NSB-er binnen, Wagenaar, die was wel drie koppen groter dan ik en zegt tegen me: “En nu is het wel genoeg geweest hè”. Ik vroeg nogal onnozel: “Hoe bedoel je?” Hij: “Nou, je hebt dat bordje toch wel gelezen? Ik geef je vijf minuten”. De Duitsers keken toe en bemoeiden zich er niet mee. Ik ging naar boven en deed Van Rossum het verhaal. Van Rossum probeerde me nog tegen te houden: “Bennie, speel door.” Maar ik had daar weinig zin in en pakte mijn koffer. Toen ik naar buiten kwam stond er een hele haag van NSB-ers. Op dezelfde avond zijn ook Erwin Sander en Claire Hegedüs, twee Hongaarse violisten die in Hotel Willems speelden, eruit geknikkerd.

Later heb ik nog illegaal ’s avonds in de kroeg van de studentensociëteit Mutua Fides aan de Grote Markt gespeeld. Dat is toen verraden, want er waren ook foute studenten. Om één uur ’s nachts stond er toen een aantal NSB-ers voor de deur, maar die kwamen niet binnen. Er was een corpswet dat burgers er niet in kwamen en als ze d’r inkwamen dan sloegen ze die er uit. Ik kreeg toen van iemand een waarschuwing: “Bennie, je moet voorlopig hier blijven.” Even later kwam er een grote jongen naar me toe: “Ben je bang?” Ik: “Nee, maar ik wil niet opgepakt worden”. Die jongen heeft toen een groepje bij elkaar geroepen. Ze zeiden: “Laat je viool maar hier en kom maar tussen ons in mee naar buiten”. Bij de deur werd er door die NSB-ers gevraagd: “Studeer je?” Het antwoord was uiteraard ja en ik ben zo tussen die jongens in over de Grote Markt thuisgekomen.

Je was een parasiet als jood zijnde, een paria, een uitgestotene. Wat ik je nou ga vertellen, daar heb ik nachten niet van geslapen, daar heb ik een een trauma van opgelopen. Een collega van me zei: “Je moet je aangeven bij het Arbeidsbureau, dan keuren ze je en krijg je dertien gulden steun. Anders word je tewerkgesteld”. Goed, ik doe dat en op een middag moet ik in een school in de Peperstraat komen. Daar zitten allemaal gewone werklozen, geen joden, en er wordt gekeurd aan de lopende band. De dokter daar, een fouterik, laat me expres tot het einde wachten; na een paar uur ben ik als allerlaatste aan de beurt. Die dokter zegt: “Alles uit”. En toen ik daar spiernaakt stond riep hij zijn ‘assistentes’ binnen. Moet je je voorstellen: twee jonge meiden die naar je kijken en maar giechelen.

Ook van bet Arbeidsbureau, in opdracht van de SD, kwam het briefje dat ik op 15 maart 1944 in Meppel verwacht werd voor een keuring. Dat briefje kwam een week van te voren. Als ik goedgekeurd werd zou ik naar Havelte gaan om op het vliegveld te werken. Nee, er stond niet bij dat ik gedwongen was om er heen te gaan; er was geen stok achter de deur. Maar het werd wel zwaar opgevat. Mijn vriend en collega Sem Nijveen kreeg ook een oproep voor Havelte, maar die is ondergedoken. En ik weet nog dat ik bij mezelf dacht: “Daar ga je, Jan”.

We kregen een Reisegenehmigung, zeg maar een reisvergunning, en een gratis spoorkaartje. Onderweg werden we niet begeleid, nee. Ik had een rugzak mee met werkschoenen, een hele mooie witte overall en wat ondergoed en verder lepel, mes en vork. In Meppel zijn we dus met een hele hoop anderen, die overal vandaan kwamen, gekeurd door een dokter. Die keuring bleek een wassen neus: even naar je longen luisteren en dan was het goed.

Daarna zijn we naar Havelte vervoerd. De eerste nacht waren er geen bedden of niets en werd er stro gebracht; daar hebben we nog een paar nachten op geslapen. Later werd het beter en kwamen er bedden en matrassen.

In dat kamp zaten inderdaad gemengd gehuwde joden, maar ook bekeerde. Protestantse en katholieke, ze kwamen uit het hele land. Zo herinner ik me een dominee uit Utrecht, een man die wat ouwer was dan ik, hij zal een jaar of vijftig geweest zijn. Er was ook een groepje katholieke Duitse joden. Die wilden niet veel met ons te maken hebben en hielden zich wat afgezonderd.

Hoeveel mensen er in totaal gezeten hebben weet ik niet, want de vriend van mijn schoonzus zat er ook en die heb ik nooit gezien en hij mij niet. We lagen dus ver van elkaar. Laat bet in totaal vier à vijfhonderd man geweest zijn. Er was ook een afdeling in de Kop van Noord Holland, in dat andere kamp zaten er ook zoveel.

We moesten aan het vliegveld werken en ook aan een haven in Steenwijk. Ik meen vijf dagen in de week, dat in verband met de leiding die de weekenden vrij moest hebben. Er werden geen appels gehouden, nee. Wel werd er aangetreden in groepjes, voordat men naar het vliegveld ging. Maar er werden geen namen afgeroepen.

Op het vliegveld kwam het wel voor dat de bielzen de ene dag veertig meter verderop neergelegd moesten worden, waarna ze de volgende dag weer dan weer ergens anders heen moesten. Dat deden ze om je aan het werk te houden.

Die vriend van mijn schoonzus verzuchtte later soms: “Wat wij daar in Havelte gesappeld hebben…” Er zullen er inderdaad bij zijn geweest die hard gewerkt hebben. Vooral dat werk op die boten in Steenwijk, dat verslepen van die stenen, moet heel zwaar zijn geweest. Aan de andere kant werkte ook Benedict Silberman op die boten. Een teer mannetje met tere handen, waarvan ik me niet kan voorstellen dat die hard met die stenen gesjouwd heeft.

Nee, dwangarbeid in de strikte zin van het woord: daar heb ik niets van gemerkt. We moesten natuurlijk wel steeds werken. Als je lanterfantte en daarbij gesnapt werd moest je nog barder werken. Maar er werd pertinent niet geslagen, anders had ik dat wel geweten. Maar het was natuurlijk wel gedwongen arbeid.

Nou moet ik zeggen dat ik wat dit betreft ook niet de beste getuige ben. Ik heb zelf maar een paar dagen met bielsen hoeven lopen sjouwen. Twee jongens gingen voorop, ik liep in het midden en droeg bijna niks.

Na die paar dagen kreeg ik de kans om kamerwacht te worden. Op het kamp had je barakken, die waren gesplitst in kamertjes voor acht man en die veegde ik dan aan. Wat ik deed was meer een grapje, het was vrij gemakkelijk werk. Ik was als kamerwacht in het kamp bovendien zo vrij als een vogeltje in de lucht.

De organisatie en bet beheer van het kamp waren formeel in handen van de Organisation Todt, maar Duitsers heb ik er nauwelijks gezien. Misschien hielden twee of drie Duisters toezicht op het vliegveld, maar er waren veel meer Nederlanders: collaborateurs en bunkerbouwers die profiteerden van de goedkope arbeidskrachten. Het kamp stond zogenaamd onder leiding van een joodse kampcommandant, die verantwoordelijk was voor ons tegenover de Duitsers.

 Op een keer kwam er een man of vier, vijf van Todt een uurtje langs om het kamp te inspecteren. Ze waren al in de haven wezen kijken en ook op het vliegveld. Ik was alleen met nog een kamerwacht achtergebleven, de rest werkte buiten. Als die Todt-mannen bij de ingang van een bepaalde barak stonden, dan stond ik aan de andere kant, zodat ze mij niet zouden zien. Anders zouden ze gezegd hebben: wat doet zo’n jongen hier, zet hem maar aan het echte werk. Ik heb me dus gedrukt.

Hoe de stemming in bet kamp was? Over het geheel vrij goed, maar verdeeld. Dat hing een beetje van je karakter af. De een was optimistisch en de ander zat bij de pakken neer. Een kennis van me, een fagottist, ook in het gewone leven al somber, was daar helemaal een treurwilg. Ik zelf moet toen vrolijker geweest zijn dan nu. Een neef van me was ook kamerwacht en we zongen de hele dag.

We hebben in Havelte ook geen honger geleden. Het voedsel was er niet slecht, dat ging ging wel, in aanmerking genomen dat bet voorjaar 1944 was. Maar ik moet zeggen dat ik een hele kleine eter ben, ik gaf van mijn pelkartoffeln ook nog twee weg. Wat ik me verder aan bijzonderbeden herinner? Met die neef heb ik, hoofdzakelijk op zondagen, thee rondgebracht, voor een dubbeltje per kop. Anders kon je er geen thee voor weer kopen, want die thee was ook nog zwart. Mijn neef haalde die via via uit Groningen. Het werd grif afgenomen hoor.

Als je ’s avonds door de barak liep zag je de meesten een kaartje leggen. Die zaten dan te klaverjassen of te een-en-twintigen. Sommige anderen schreven brieven.

Zelf heb ik in Havelte, net als later in Westerbork, viool gespeeld. In een  strijkkwartet, dat onder leiding stond van Benedict Silberman. Die heb ik daar in Havelte leren kennen, dat was een hele beroemde dirigent, die voor de oorlog
Bravoure en Charme leidde – een orkest dat veel voor de VARA deed – en die na de oorlog directeur van het Promenade-orkest was. Zijn broer Rudie speelde net als ik viool in dat kwartet. Die viool was door mijn vrouw meegenomen uit Groningen. De andere leden waren Joop Cantor op cello en Leo Blom op altviool. De laatste heeft net als Silberman met stenen moeten sjouwen bij die haven.

Silberman maakte ook onze arrangementen, voor die tijd hele goeie, van bestaande nummers, met name operamelodieën. Hij maakte van klassieke als het ware lichte muziek, voor ieder misschien begrijpelijk, maar heel erg moeilijk om te spelen. Silberman ging niets uit de weg. Dat loog er niet om, daar moest je fiks aan werken, dat was wel even de mouwen opstropen.

Nee, we hebben nooit buiten het kamp gespeeld. We speelden zoals op samenkomsten in een particulier huis. Als we repeteerden kwamen kampgenoten luisteren. Geweldig dat we dat konden doen ’s avonds. Niemand had daar wat op tegen, daar is nooit iets van gezegd.

De afspraak was dat we redelijk vrij konden rondlopen. We liepen ook zonder ster. Genoeg jongens maakten op zaterdag een wandelingetje naar het dorp, om een pakje sigaretten of een rolletje drop te halen. Verder had je een paar honderd meter van het kamp een soort muziektempeltje (Theehuis Faken, HP), waar je limonade en versnaperingen kon kopen. Daar is toen een bom opgevallen (13/5/1944 HP). Die sloeg een hele diepe krater van wel tien meter omvang.

Met de Havelters hadden we gewoon contact. Ik weet nog dat ik wel bij een boer De Jong kwam, hij woonde niet zo ver van bet vliegveld, aan een landweg. Ook een paar anderen kwamen daar wel over de vloer. De Jong en zijn vrouw, dat waren schatten van mensen, die hadden maling aan de Duitsers. Ze gaven ons koffie en boterhammen. Mijn vrouw is er ook een paar keer op bezoek geweest, ’s zondags. Normaliter stuurde ik elke week de boel op en kreeg het dan gewassen terug, maar die keren kwam ze langs. Ze heeft op haar manier een keer meegeholpen met het hooien op die boerderij, laten we zeggen dat ze een vorkje beeft meegeprikt. Ik zelf zal er een keer of vier geweest zijn.

Ik kwam dus wel bij mensen in Havelte op bezoek. Maar misschien hebben andere mensen andere ondervindingen gehad.

Die bezoeker bij je grootvader thuis, dat was ik niet. Dat was een neef van mij: Simon de Beer. Die had inderdaad een schoenenzaak aan het begin van de Herestraat.

Wij wisten alles. Nieuws van de buitenwereld, dat kwam allemaal heel snel door. Met de Invasie, op 6 juni, dachten we: “Nou is het in een paar dagen gebeurd.” Als ik dat vergelijk met later in Westerbork: daar hoorden we niet veel van de buitenwereld. Dat was gesloten. Wat je daar hoorde waren geruchten, verhaaltjes, praatjes.

Het vliegveld werd overdag wel eens aangevallen door gevechtsvliegtuigen, maar het kamp zelf alleen bij donker. Ze schoten dan met hun boordmitrailleurs: rekttektektektek. .. dat was een heel angstig gehoor. Als onze barakken onder vuur lagen vluchten we eruit en doken we in sloten en greppels om dekking te zoeken.

Na zo’n beschieting sta ik weer op en zie een man naast me zo achterover vallen. Dat was een dokter uit Tilburg, hij had een kogel door het hoofd gekregen en was op slag dood. Ik was helemaal in paniek (23/4/1944 HP).

Wat voor effect die aanvallen op onze stemming hadden? Och, als we juichend hoera hadden kunnen roepen, dan hadden we het gedaan. Prachtig vonden we dat, schitterend, ondanks het gevaar. Het kon ons niet hard genoeg gaan. Logisch, we dachten aan de bevrijding.

Op een keer moest ik de kamer schoonmaken van de joodse kampcommandant, die verantwoordelijk was onder de Duitse leiding – zijn naam weet ik niet meer. Ik heb toen daar wat laatjes opengetrokken en in een daarvan vond ik Reisegenehmigungen. Daar heb ik toen een bosje van gepikt en ik heb daar krabbels onder gezet. Zo kon een behoorlijk aantal van ons elk weekend naar de familie.

Ik zal het nooit vergeten. Op vrijdag 27 juli was ik op die manier met de bus naar Groningen gegaan en op zaterdagavond werd ik opgehaald, thuis in de Folkingstraat. Er was een avondklok, voor achten moest je binnen wezen, en mijn vrouw was nog even boodschappen gaan doen. Mijn dochter wilde nog even op straat spelen en liet de voordeur openstaan. Ik wist niet dat er buiten een overvalwagen stond. Opeens kwamen er een stuk of vijf SD-ers naar boven met een Grüne Polizei. Die grüne zei: “Ah, wieder eine“. En toen was ik de pineut. De buren vertelden mijn vrouw even later: “Uw man is weggehaald”.

Het kwam zo. Eén van de jongens vond toen hij vrijdags thuiskwam zijn vrouw met de groenteboer in bed. Die groenteboer was NSB-er en heeft hem verraden, gezegd dat die jongen gevlucht was uit Havelte. Ze hebben hem toen in de namiddag opgepakt en hij is doorgeslagen: op Sirnon Berkelo, dat was een sorteerder in een lompenpakhuis; op Daantje Guikema, die een fruitstal had op de markt; op Mo Kisch, op mij en op nog een paar anderen. Eén kreeg er op tijd lucht van, en is diezelfde avond nog op de fiets naar Havelte gegaan. Die konden ze niet vinden en de kampcommandant had nergens wat van gemerkt.

Toen ze boven kwamen droeg ik een jasje zonder ster, maar dat mocht, want ik zat binnen. Ik moest toen naar de achterkamer om een ander jasje aan te trekken. Ik heb me daar helemaal blindgestaard en in de zenuwen nog die Genehmigungen overgepakt naar het jasje met de ster.

Toen ik in de overvalwagen kwam, zaten er al drie man in. Met in totaal vijf anderen ben ik toen naar het Scholtenshuis gebracht, het hoofdkwartier van de SD aan de Grote Markt. Daar zwaaide de beruchte Lehnhof de scepter – die eens gezegd heeft pas gelukkig te zijn als hij uitzicht had op een rivier van jodenbloed. Op de zolder van het Scholtenshuis heb ik die Genehmigungen versnipperd en in de pot gegooid. We hebben daar de hele zondag doorgebracht. Er lagen ook twee marechaussees. Ik hoorde ze zeggen dat als er vliegtuigen zouden komen bombarderen, dat wij dan doodgeschoten zouden worden.

’s Maandags werden we overgeplaatst naar het politiebureau aan het Martinikerkbof en de woensdag daarop gingen we alle vijf naar Westerbork. We werden geboeid en wel door gewone agenten naar de trein gebracht. Die zeiden op het station: “Jongens we willen jullie wellos laten, maar spring asjeblieft niet uit de trein want dan zijn wij verantwoordelijk”.

Op 1 augustus werden we om elf uur ’s morgens door een Unterfeldwebel in een truck vanaf Assen naar Westerbork gebracht. Wat daar gebeurd is, heb je in dat boek van Lindwer kunnen lezen. Ik kwam daar in de strafbarak terecht en op een gegeven moment was er die rechtzitting met Aus der Fünten, waarop ik moest komen vertellen waarom ik uit dat kamp in Havelte naar Groningen was gegaan. Een Groninger inspecteur van politie die speciaal voor mijn geval was gekomen, fluisterde me in dat ik moest zeggen: “lch hatte so eine tiefe Sehnsucht nach meine Frau und Kinder” (ik had zo’n verlangen naar mijn vrouw en kinderen). Dat zei ik ook, en zo werd ik bis auf weiteres vrijgesteld van transport naar Polen.

Later hoorde ik dat met Dolle Dinsdag iedereen die in kamp Havelte zat naar huis mocht gaan, naar de familie. Verscheidene zijn er toen ondergedoken. Die dat in Groningen niet deden werden een maand later, in oktober 1944 weer gearresteerd en naar Westerbork gebracht.

Net als de vijf anderen die op die avond werden opgepakt heb ik in Westerbork de bevrijding meegemaakt.

Ik moet dus zeggen: het was daar in Havelte niet vreselijk. Helemaal niet toen je na de oorlog de verhalen uit het oosten hoorde. Havelte, nadat je alles te weten was gekomen, als je het vergelijkt met dat daar, dan was Havelte een Eldorado. Nee, een concentratiekamp was het niet.”

Tot zover het relaas van Bennie Behr, een van de laatste mannen die uit eigen ervaring kon vertellen over kamp Havelte. We mogen uit dat verbaal opmaken dat de omstandigheden voor de dwangarbeiders aan bet Duitse vliegveld relatief gunstig waren, dat hun bewegingsvrijheid relatief groot was en dat er wel degelijk contacten bestonden met Havelter ingezetenen. Wat dat laatste betreft had die verzetsman het bij bet verkeerde eind.

Harry Perton

Dit interview is eerder in een iets andere vorm verschenen in Onsen Spieker, het blad van de Historische Vereniging Havelte, jaargang 1993 nummer 1.

Samenvatting in het NvhN.


‘Had je dat wel gedacht van zo’n vrouw?‘

Onze oude buurvrouw, over wie ik hier al eens schreef, had eind jaren vijftig, begin jaren zestig achter elkaar enkele verloofdes. Een van hen stuurde, nadat in zijn geval de verkering met haar uitging, brieven naar de oude buren, niet alleen mijn ouders, maar ook de buren van de andere kant. Hierin meldde hij het verlies van vele goederen. Hoewel de brieven in het Nederlands gesteld waren, is de Groningse achtergrond van schrijver onmiskenbaar:

 

Tolbert 19 Aug. ‘60

 

Geachte vrienden!

 

Ik dacht jullie ook maar eens te schrijven. Ik heb A. Willems ook een geschreven en kan het ook wel wachten. Ik heb hier ook wel afleiding, ik heb de tuin wat opgeknapt van mijn zwager, die zit de laatste tijd ook altijd onder doktershanden, hartkwaal en aan de rug (bonen plukken en planten verpoot enz.).

Ik heb een paar neefs hier, zoons van H. Pol geholpen met graskuilen en nu moet ik hun moeder ook de tuin opknappen en ga ook nog wel eens bij de een en ander op bezoek.

Het gaat met mij nog wel hier goed en ik hoop dat het jullie en de kinderen ook nog goed moge gaan.

Ik heb vanmorgen nog een aangetekende brief uit Havelte gehad en wel een van smid Faber om de haardkachel binnen 4 dagen te betalen, staat op mijn naam te boek bij Faber.

Aal heeft mij opgedragen om de kachel te bestellen en zij is zelf mee naar Meppel geweest en heeft de kachel ook uitgezocht. Zij is zelf ook mee naar smid Faber geweest om de prijscouranten in te zien. Ik wou anders eerst mijn eigen kachel daar geprobeerd hebben, dat zullen jullie ook wel weten, maar als het er op aankomt zal ik hem eerst wel moeten betalen dunkt mij, en dan zal ik het later wel op haar verhalen moeten. Maar zal ook wel moeilijk worden, als zij beweert dat ze de kachel ook van mij gekregen heeft, net als met de vloerbedekking. Ik heb de zaak bij de deurwaarder aanhangig gemaakt, maar die had niet veel hoop, als zij beweert dat zij van mij gekregen heeft en een vrouw heeft een sterke arm als zij beweert het gekregen heeft voor bewezen diensten. U begrijpt het wel, want zij heeft dubbel vel voor haar hoofd. De rekening van Jan Weening zal ook nog wel bij mij komen.

Nu ik mist nu nog heel wat goederen, o.a. 2 zilveren lepeltjes, 1 theelepeltje (ik heb ook 2 verkeerde lepels, 2 verkeerde vorken en 2 theelepels gekregen), eetlepelbakje met lepels en vorken, 2 karaffen en bitterfles, 2 grote kommen, 1 diep plat groot bord, 2 etensborden, 10 broodbordjes, koekschaal, puddingvorm, asbakje (Drachenfels, stond vaak op de kleine tafel), bloemen en potten met omhulsels, 1 loper, 1 veger met lange stok, kopstubber met lange stok, soep- en vetlepels, koffiekan met daags theegoed, tuinhandklauwtje, electrische strijkijzer, theetrommel, eenige vazen, sokken, verbandmiddelen, wasblik, uit mijn lade gehaald een blok schrijfpapier, couverten, brief- en anzichtkaarten en postzegels, vitrage, bretels, 2 badhanddoeken, suikerpot, klontjepot en zoutvaatje, warmwaterkruik, eenige kapstokken, 3 kussenslopen en de gouden verlovingsring die door mij zijn betaald, allebei en er zullen nog wel meer goederen zijn, want nu en dan schiet je weer iets te binnen.

Had je dat wel gedacht van zo’n vrouw die beweert de ze goed gesitueerd is? Als zij het uit armoede deed, was het nog daar aan toe en dan was het nog niet eerbaar, maar het is bij haar zoo: als ik het maar heb en hoe ze eraan komt is maar bijzaak. En ze kon wel riaal doen, Piet die betaalde wel.

Ik heb nog geen woning, ben al doende geweest in Roden, maar niet aangegaan: te hoge prijs. Ik heb nog aanbiedingen. Mocht jullie eens wat nieuws van Aal weten, dan had ik gaarne bericht. Ik eindig nu maar en de hartelijke groeten

van je oud buurman P.Pol

adres Dr. Mansholtweg 4 Tolbert

 

Deze Pieter Pol werd in 1898 geboren te Doezum, als zoon van een “karreman”. Vlak voor de oorlog was hij landbouwer in Boerakker en commissaris van een nieuwe landbouwcoöperatie voor het zuidelijk Westerkwartier. Destijds handelde hij ook in Duitse fokzeugen, afkomstig uit Twente. Na de oorlog woonachtig in Tolbert, moest hij voorkomen voor een tribunaal, maar van een veroordeling is me niets bekend. Wel vond ik nog dat hij knap oud is geworden, ruim honderd jaar, want pas in 1998 overleed hij in een bejaardenhuis te Leek. Sindsdien ligt hij begraven in Tolbert.


Souvenir aan een uitzicht

Opnieuw een foto thuisgebracht uit het ‘mapje onbekend’:
img546 blog

Het torentje op de achtergrond herkende ik gister opeens als het torentje van de Sionskerk, aan de Korreweg bij de Floresvijver. Gewoonlijk zie je dat torentje van de andere kant, vanaf de Floresvijver. Op deze foto zie je zijn achterkant, over de binnenplaats van het blok Korreweg-Celebesstraat-Ceramstraat heen.

Rechts op de foto zie je de achterkant van de Celebesstraat. Op de binnenplaats bevond zich de christelijke Sionsschool. De poort van die school zit aan de Celebesstraatkant en is te bereiken via een steeg aan die straat. De twee ramen rechts in het gebouw met het puntdak op bovenstaande foto, staan links om de hoek bij de schoolpoort op de gelinkte foto.

Opvolger van de Sionsschool is de eveneens christelijke basisschool ‘De kleine Wereld’. Die heeft toevallig net een filmpje  op haar website staan, met wat shots vanaf het schoolplein aan de kerkzijde van de school. Daar zie je de toren zo:

imgobs kleine wereld celebesstraat blog
De foto moet gemaakt zijn vanaf het adres Ceramstraat 24a, waar Sikke Postma vanaf 1939 woonde, terwijl mijn oudtante Annie Vondeling na hun huwelijk in 1963 bij hem introk. Hij fotografeerde niet, zij zal dus de foto hebben gemaakt. Dat moet in elk geval gebeurd zijn voor ca. 1970, want toen verhuisden ze naar Buitenpost. Mogelijk is de foto vlak voordien genomen om een aandenken te hebben aan dit uitzicht.


Een kudde meerkoetjes

Bij het Aduarderdiep tussen de Steentil en de Schifpot, vanmiddag:
2015-12-05 002
Een kudde meerkoetjes:
2015-12-05 003
Het ging wel lekker snel daar.  Stak over naar de Feerwerdermeeden, waar een paar honderd meter een haas voor me uitrende. Viel aardig bij te houden, tot het beest eindelijk naar rechts zwenkte en een grote sprong over de sloot maakte.

Op de terugweg over Oostum tegen die wind in. Afgezien van wat ferme vlagen viel dat nogal mee, want het was door de bank genomen al aan het luwen. Thuis zag ik dat het nog windkracht 6 was.


Ongekende oudoom was huismeester Nienoord

Toen mijn grootmoeder Bieuwkje Kroese (Kroeze) op Sinterklaasdag 1962 plotseling overleed, werd haar jongere zus Lieuwkje een soort plaatsvervangster voor haar. Ze leken sprekend op elkaar in uiterlijk, en hadden een soort van goedmoedige mopperigheid gemeen. Drie zomers logeerden we wekenlang bij tante Lieuwkje in Feerwerd.

Als kinderen waren we niet bij de begrafenis van oma aanwezig geweest. De andere broers en zussen van haar heb ik bij mijn weten nooit ontmoet. Ik geloof ook niet dat de Kroeses onderling zo familieziek waren. De zussen Kroese kwamen wel eens bij elkaar en spraken dan onderling Fries, dat is het enige wat ik weet van hun onderlinge contacten.

Bij de papieren nalatenschap van mijn moeder zaten wel wat foto’s en rouwbrieven. Daaronder die van Theodorus Kroese (1918-1991), de jongste broer van mijn oma. Van mijn moeder hoorde ik al eens verhalen, die ik vanmiddag bij mijn achterneef bevestigd kreeg. Ome Theo had geen erg gelukkig leven gehad. Hij was jong getrouwd met de dienstbode op hun grote huurboerderij bij de Dijkstreek en had daar acht kinderen mee gekregen. Wegens zware tb moest hij naar Beatrixoord in Appelscha en raakte daar een long kwijt. Ook nadien schijnt hij nog eens een hele poos in een sanatorium te hebben gelegen. Hij werd arbeidsongeschikt verklaard, ontdekte dat zijn vrouw vreemd ging en scheidde van haar. Hij verhuisde van Zevenhuizen naar Leek, waar hij zijn tweede vrouw leerde kennen. Met haar had hij geen kinderen.

Als ik de korte versie van zijn naam door Delpher haal, doe ik de ontdekking van de dag, iets wat ik niet eerder had gehoord. Tussen ca. 1963 en 1983 blijkt hij vrijwillger huismeester te zijn geweest van Nienoord in Leek:

“Kroese was voor het Nationaal Rijtuigenmuseum een soort manusje-van-alles in de goede zin van het woord: hij zorgde onder andere voor het onderhoud van de rijtuigen.”

Hij werd begraven bij de kerk van Midwolde en maakte zijn laatste rit in een Twentse lijkkoets, die eerst een rondje over de binnenplaats van Nienoord maakte, voordat ze de lange beukenlaan naar Midwolde opging.

Ik geloof dat ik dit wel een interessante oom zou hebben gevonden. Jammer dat ik hem niet heb gekend. Binnenkort maar eens kijken bij zijn graf.