Het volle leven in een antiek fotoblad

Het Noorden in Woord en Wereld, een gezocht fotoblad uit het Interbellum, komt nog op Delpher. Naast plaatjes van bijv. landschappen, monumenten  en sportsituaties, bevat het af en toe ook sociale fotografie. Een keuze uit de jaargang 1930:

– Garnalenvissers koken hun vangst in de haven van Termunterzijl. Hiervoor gebruiken ze een bakstenen kuip aan boord van een ijzeren praam met een houten, keetachtige opbouw:

2015-07-07 015

Wasdag in de Leemdobben bij Sellingen. Op een morsig erf haalt de moeder voorovergebogen het wasgoed op uit een teil met heet water. Om haar heen scharrelen een paar kinderen. Linksonder een schommelwieg:

2015-07-07 018

Handelaar in zo te zien tweedehands potten en pannen aan het Zandpad te Winschoten. “Wees nou bliede mit joen man”, zegt hij volgens het onderschrift, “en koop van mie nou dizze kan”. Vandaar dat alle vrouwen hem grif hun geld toesteken, althans voor de fotograaf, die dit tafereel vast naar zijn hand gezet heeft:

2015-07-07 029

Ambulante mandenmaker op onbekend woonwagenkampje aan het werk voor zijn onderkomen. In de deuropening kijkt zijn vrouw toe:

2015-07-07 052


Groningen moest lang wachten op zijn eerste schoonheidskoningin

Bij het stukje van gister over de allereerste Groningse miss-verkiezing – die niet doorging, omdat geen enkele Oldambtster schone zich bij de organisatie vervoegde – beloofde ik ook nog in te gaan op de eerste  miss-verkiezing in de stad. Het ging meteen om een Miss Groningen, volgens een advertentie te kiezen op zaterdag 14 juni 1930:

Nieuwblad van het Noorden 10 juni 1930.

Nieuwsblad van het Noorden 10 juni 1930.

Waarschijnlijk ging ook deze verkiezing niet door, omdat er, afgezien van deze aankondiging, niets over te vinden is. Zowel het Nieuwsblad van het Noorden als de Provinciale Groninger Courant schrijft er namelijk met tittel noch jota over. Wat niet kan liggen aan  het particuliere karakter van het evenement, of aan een morele stellingname. Particuliere evenementen werden heus niet versmaad en juist als een krant zoiets als een miss-verkiezing af zou keuren, maakte die krant er moralistische woorden aan vuil.

In de crisis-, oorlogs- en wederopbouwjaren is er in de kranten verder nooit sprake van een “miss Groningen”. Die duikt pas op in 1967 en haar naam was Maria.

 


Eerste Groningse miss-verkiezing draaide uit op faliekante mislukking

“Op de dorpen hebben we de reclametentoonsteilingen, de kermissen, zomerfeesten en veekeuringen. Ook daar doet de invloed van den modernen tijd zich gelden en de schoonheidswedstrijden-manie is zelfs overgeslagen naar het Groningsche dorp Noordbroek, waar ter gelegenheid van de landbouw- en nijverheidstentoonstelling men zulk een concours organiseerde ter verkiezing van Miss Oldamt. Dat men zelfs op een dorp een gouden medaille voor zoo iets beschikbaar stelt, typeert wel zeer duidelijk, dat ook ten plattelande de oud-vaderlandsche degelijkheid aan het verdwijnen is. Toch niet geheel en al. Want het feit, dat geen der Oldambster jongedochters zich voor het concours opgaf, bewijst, dat de levensernst nog niet is heengevaren uit Groningen’s landouwen.”

Aldus de Nieuwe Tilburgsche Courant van 27 juni 1930.

Het platteland stak qua organisatie dit keer de stad de loef af. Even later zou er in de stad Groningen een eerste miss-verkiezing gehouden worden. Daarover graag een andere keer.


Dorpsgezicht vanaf ’t nieuwe fietspad

001

 


Fazant bij de Langmadijk

Het begon al te druppen, toen ik deze meneer zag, tussen de Gouwe en de Langmadijk:

2015-07-05 039


Tien jaar weblogger

Ben ik potverdriedubbeltjes begin deze maand helemaal vergeten dat ik tien jaar aan het webloggen ben: eerst met Gelkinghe, totdat dit door Web-log/Sanoma naar de ratsmodee geholpen werd, en vervolgens met Groninganus. Enfin, hoera en we vieren het later nog wel eens.


Coco Chanel wordt nog wel bedankt

Uitsnede voorpagina brochure Wagenborg, 1937. RHC Groninger Archieven, Toegang 1774 (Documentatie Bibliotheek) inv.nr. 4159/6 (map Delfzijl/Wagenborg).

Uitsnede voorpagina brochure Wagenborg, 1937. RHC Groninger Archieven, Toegang 1774 (Documentatie Bibliotheek) inv.nr. 4159/6 (map Delfzijl/Wagenborg).

“Als te Amsterdam in de zomer een stratenmaker met ontbloot bovenlichaam waagde te werken”, schreef  Louis Heijermans in 1931, “dan zou de politie eraan te pas komen, of zou er minstens een volksoploop ontstaan”. Nee, de doorsnee-Nederlander was nog bepaald geen zonaanbidder, wist de directeur van de Amsterdamse gezondheidsdienst. Het viel hem op dat er meteen over de landsgrens al een totaal andere mentaliteit heerste:

“Daar ziet men, dat de arbeiders buiten meest werken met bloote armen, gekleed met een dun sportflanel, ofwel met geheel naakt bovenlichaam troffel, hamer, schop, houweel hanteren. Niemand let daar op – ieder is gewend de gebruinde, gespierde  kerels zoo te zien werken.”

Volgens  Heijermans kleedden de Nederlanders – en dan vooral de arbeiders, boeren en zeelui – zich veel te zwaar. Zodoende tierden eczemen,  schimmels en puisten welig. “Welk een verschil met hen die de huid aan de zon blootstellen!”, riep de medische volksvoorlichter uit:

“Het zonlicht doodt schimmels en bakteriën, de huid krijgt een bruin gebrande tint, wordt steviger en reageert veel beter op temperatuurwisseling.”

Verkondigde Heijermans een langzamerhand dominante medische opvatting, eeuwenlang hadden artsen bitter weinig met de zon op gehad. De zon, zeiden ze, verdampt de lichaamsvochten en verdikt het bloed. Van een geringe dosis loopt de mens al hoofdpijn, keelpijn en stijve ledematen op. Grotere doses veroorzaken darmstoornissen, galkoortsen en algehele lichaamsslapte. Uiteindelijk kan de zon zelfs leiden tot een “hoofdontsteking”, met een “dolle- of raaskoorts”,  die “in weinig tijds de dood aanbrengt”.

Dit eeuwenlang afwijzende oordeel van medici over de zon spoorde perfect met het destijds gehuldigde schoonheidsideaal van de roomblanke huid. Voordat de industriële revolutie arbeiders in fabrieken opsloot, wees een gebruind vel op agrarische, laag-bij-de-grondse loonslavenarbeid in de buitenlucht, en dat was een associatie waarmee de toonaangevende elites, adel en hogere burgerij, zich ongaarne opgezadeld zagen. Daarom stelden ze zich zo min mogelijk bloot aan de zon. En velen aapten dat weer na.

Bij het voorzichtig ontluikende, nog zeer elitaire kusttourisme van de negentiende eeuw speelde de zon dan ook nog een ondergeschikte rol. Zoals de Franse historicus Alain Corbin heeft uitgelegd, ging men – als men het zich kon veroorloven – naar de kust om te herstellen door frisse zeelucht en kortstondige koudwaterbaden. Die onderdompelingen beleefde men in besloten badhuizen, of in de golven vanuit dichte badkoetsen en beschutte draagstoelen. Het beste weer was bewolkt, het beste seizoen de herfst. Badkleding liet hoogstens onderarmen en -benen vrij. Zonneschijn had als enig nut, dat ochtendnevels en kwade dampen er sneller mee oplosten, zodat de lucht zuiverder werd. Men ging wel wandelen of even zitten in de zon, maar zeker niet liggen, laat staan langdurig. En hoeden en parasols beschermden steevast de weinige onbeklede delen van het lijf.

Als in 1891 de badarts P.J.A. Sluijs de therapeutische waarden van Noordzeebad Schiermonnikoog schetst, is hij wèl positief over het vertoeven in de volle zon:

“Zonneschijn bevordert, meer dan de zonnewarmte alleen, de vorming zowel der roode  bloedkleurstof als van het bladgroen en is ook voor den mensch een levensvoorwaarde.”

Al besteedt Sluijs er slechts een halve pagina aan, tegen twee aan de zeelucht en vier aan koudwaterbaden, het duidt er wel op dat er iets verandert in de medische waardering voor de zon. Maar snel gaat dat niet. De enkele zonnebad-fanatici bij de artsenij worden verketterd door de rest van de professie.

Pas na de Eerste Wereldoorlog wint het geloof in de heilzame werking van de zon flink veld onder de medici. Toch tonen strandfoto’s van omstreeks 1920 nog van top tot teen bedekte badgasten, zittend in de schaduw van de bekende boogvormige strandstoelen. Dat de algemene weerzin tegen een gebronsd velletje verdween, lag dan ook niet aan de artsen, maar aan enkele  rolmodellen uit de modewereld en de amusementsindustrie.

Hèt icoon voor deze smaakomslag is de Franse mode-koningin Coco Chanel. Met haar zwarte jurkjes en mantelpakjes bevrijdde zij de modebewuste vrouw van de ongemakkelijk zittende, stijve en zware kledij die voorheen gangbaar was, en doordat zij een kleurtje opdeed tijdens een Zuid-Franse cruise op het schip van haar minnaar, in 1926, raakte die teint via haar modeshows bonton bij de  jetset. Inmiddels was het overheersende beeld van de arbeider totaal veranderd – van een agrarische dagloner in een fabrieksbleekneus – en door zich bruin te laten bakken was het nu mogelijk van dat nieuwere proletarische imago afstand nemen. Tegelijkertijd kon iemand ermee aantonen over voldoende geld en vrije tijd te beschikken voor een zonvakantie aan de kust. De gebruinde huid werd zo een statussymbool, dat via damesbladen verder ingang vond en langzaamaan mode werd, althans bij vrouwen.

Bij mannen raakte de bruine huid als teken van welvaart, gezondheid, en jeugdige schoonheid met name in zwang dankzij Johnny Weismuller, die vanaf 1932 de hoofdrol speelde in een hele serie Tarzan-films. Dat het nieuwe zonnebad-credo ook Nederland weldra veroverde, blijkt uit de hit van Lou Bandy uit 1936: “Zoek de zon op, dat is zo fijn”. Volgens de tekst trok bij zonneschijn iedereen juichend naar bos en zee. Toch wees Bandy ook op het gevaar van een al te geestdriftig streven naar een “mahoniehouten huid”. In het laatste couplet belandt zo’n fanaat in het hospitaal, “met zijn hoofd tusschen het ijs”.

Zolang de meeste mensen zich weinig konden permitteren en bij hun zesdaagse werkweek jaarlijks hooguit een week vakantie kregen, viel het met dergelijke gevaren nog wel mee. Maar met de reëel stijgende lonen en het groeiende aantal vakantiedagen raakte in de periode 1955 – 1970 het massa-toerisme naar allerlei zonbestemmingen op gang. Niet alleen brachten veel meer mensen hun toenemende vrije tijd zonnebadend door, ook stelden ze door de krimpende badkleding steeds meer huid bloot aan een allengs gevaarlijker zon. Inmiddels weten we waar dat toe leidde: volksstammen met melanoom.

Een verbrande huid leidt sowieso tot minder weerstand, koortsuitslag, en maagdarmstoornissen. Ergens hadden die ouwe dokters dus gelijk, ontdekten de nieuwe. Wier adviezen bij menigeen overigens niet opwegen tegen het eenmaal verworven schoonheidsideaal. Coco Chanel wordt nog wel bedankt.

Dit verhaal verscheen in iets andere vorm in de UK van eind juni 2005. Helaas ben ik de annotatie kwijt, anders had ik wat meer linkjes aangebracht.

 


Naar Delfzijl via Loppersum en Leermens

Lekker tegen de wind in, bij Ten Boer merkte je al dat de zee dichterbij kwam.

Eerst langs het Eemskanaal – “Onze vakantie was niet, wat we ons ervan voorgesteld hadden”:
2015-07-03 004
Veld met ikweetnietwatvoorzaad bij Garmerwolde (koolzaad is het in elk geval niet):
2015-07-03 022
Garmerwolde – hangout van de lokale hengelsportvereniging:
2015-07-03 028
Eveneens aldaar – boerderij met vijf driehoekjes (voorhuis en arkeneel zijn gemiste kansen):
2015-07-03 031
Een puttertje op het steenslagpad. Hij vloog net als een kwikstaart steeds voor me uit, om te landen, weer een eindje verder te vliegen enz. Bleek helaas tamelijk  ongedurig als model:
2015-07-03 034
Boer zorgde ervoor dat zijn schapen in de schaduw konden liggen:
2015-07-03 037
Bij het vallaat van Oosterdijkshorn, dat recent gerestaureerd is:
2015-07-03 046
In de gracht van boerderij de Graslanden aan de Stadsweg lag een koi-karper dicht aan de oppervlakte naar adem te happen:
2015-07-03 058
Rijp en groen bij Ten Post in de buurt:
2015-07-03 064
Bij de Groeveweg ten westen van Zeerijp bouwde de NAM een enorme boorinstallatie voor het plaatsen van geofoons op drie kilometer diepte:
2015-07-03 074
Volgens een informatiebord moest de klus zo’n beetje nu geklaard zijn, maar het leek of er panne was:
2015-07-03 076
Bij Zeerijp in de buurt – dat rooie gewas op de voorgrond, dat zijn de stengels van gekopte tulpen:
2015-07-03 081
Eenum – de kerk op het restant van de wierde, een ijsbaan met trapveldje aan de voet:
2015-07-03 085
Eenumerhoogte, tussen Eenum en Leermens, is een geweldig hoge wierde:
2015-07-03 088
Tjamsweer:
2015-07-03 093
Op de dijk bij Delfzijl – laag water in de Eems met op de achtergrond een walmende kolencentrale in de Eemshaven:
2015-07-03 102


Tol van Eelderwolde was aardige melkkoe

RHC Groninger Archieven 1774 (Documentatie Bibliotheek) 4161/1 (map Eelde).

RHC Groninger Archieven Toegang 1774 (Documentatie Bibliotheek) 4161/1 (map Eelde).

Die tol van Eelderwolde was niet zo erg oud. Net als veel andere tollen werd ze ingesteld om de onderhoudskosten van een verharde weg terug te halen bij degenen die er gebruik van maakten. In dit geval kwam zo’n weg, en daarmee de tol, er in 1867.

Dat gebeurde nadat bewoners en passanten al decennia hadden geklaagd over de slechte staat waarin de zandweg door Eelderwolde verkeerde. ’s Winters, maar ook in natte zomers, was deze nauwelijks begaanbaar. De nieuwe klinkerweg tussen Eelde en  de Groninger provinciegrens werd betaald door de gemeente Eelde.  Terwijl de gemeente Groningen voor het noordelijke vervolg van die weg afzag van zijn tolrecht, plaatste Eelde een tolhuis en tolhek in de bocht van Eelderwolde (waar je nu een rotonde hebt).

De tarieven van die tol zijn nooit in een krant gepubliceerd, maar in 1899 werden die van de rijkstollen maatgevend, zodat er na de eerstvolgende tolverpachting 2 cent van elke passserende wielrijder geheven werd. Dat bleek in 1940 nog steeds het tarief voor fietsers. Zo’n abonnement als op bovenstaande foto kon dus alleen maar uit, als je minstens honderd maal de tol passeerde.

De eerste tolpachter die de 2 cent per fiets inde, was eind 1899 ene Hoogeboom, afkomstig uit Eerde/Wapenveld. Voor tolhek en tolhuis betaalde hij 1803 gulden per jaar.  Een verpachting van een  kwart eeuw later bracht 5017 gulden op. Als de tarieven niet verhoogd zijn – en daar lijkt het op – dan duidt deze vermeerdering van de pachtopbrengst op een vertwee- tot verdrievoudiging van het verkeer. En de toename ging maar door. In 1929, het jaar van de mondiale beurskrach, bleek de tolopbrengst voor de gemeente zo’n ƒ 17.000 gulden op jaarbasis: een ruime verdrievoudiging, maar dan in slechts vijf jaar tijd. Daarna liet de crisis zich gelden en was er een terugval, want bij de verpachting van 1936 bleek L. Tijhuis uit Rijssen – de man die het bovenstaande abonnement verkocht – de hoogste bieder met ƒ 12.457,-. Deze Tijhuis was al langer pachter van de tol in Eelderwolde en hij pachtte ook de tol aan de Meerweg. Zou het verkeer in Eelderwolde louter uit wielrijders bestaan, dan moesten er, om de laatste pachtsom terug te verdienen, dat jaar bijna 623.000 fietsers het tolhek passeren.

Maar er waren ook vrijstellingen. In 1911 besloot de gemeenteraad van Eelde bij de bespreking van de pachtvoorwaarden dat Eelderwoldenaren die ten noorden van het tolhek woonden, dus op het korte eindje naar de provinciegrens, hier geen tol hoefden te betalen. Verder golden uitzonderingen voor vervoerders van groente, fruit en zuivel. Arbeiders die er voor langer dan een werkweek dagelijks langs moesten, werden eveneens vrijgesteld, terwijl boderijders met de halve tol  konden volstaan. In 1927 kregen trams en bussen eveneens vrijstelling, maar bussen uit Friesland moesten dus wel betalen. Tot slot gold er vanaf 1936 een uitzondering voor venters uit de gemeente Eelde.

Mensen die de tol moesten betalen, ontdoken deze nogal eens. Zo fietsten veel stadjers in 1933 via achterafweggetjes langs het Stadspark en het Zandmeertje (nu Piccardthofplas) richting Paterswolde, waarbij ze dan pal achter het tolhek uitkwamen, wat de tolgaarder uiteraard met lede ogen aanzag.  Daarom werd er een tweede tolhek bijgeplaatst, aan welk nieuwsfeit we een mooie krantenfoto van de situatie ter plaatse te danken hebben:

Op de voorgrond het nieuwe tolhek van 1933. Verder naar achter in het midden het oude tolhek, met rechts het tolhuis. De blik is dus naar het noorden gericht. Op het tolhuis, dat sterk lijkt op de exemplaren die nog steeds in Peizerwolde en Foxwolde aanwezig zijn, hangt het kastje met de tarieven.

Op de voorgrond het nieuwe tolhek van 1933. Verder naar achter in het midden het oude tolhek, met rechts het tolhuis. De blik is dus naar het noorden gericht. Op het tolhuis, dat sterk lijkt op de exemplaren die nog steeds in Peizerwolde en Foxwolde aanwezig zijn, hangt het kastje met de tarieven.

De tolmeester van Eelderwolde was ook wel eens al te streng. In 1929 meldde een lezer een “tolschandaal” aan het Nieuwsblad van het Noorden:

“Vrijdagmiddag j.l. waren 2 kinderen te Paterswolde achtergebleven in den speeltuin van „De Twee Provinciën”. Moeder moest vroeg naar huis en zij zouden een uurtje later volgen. Toen zij bij den tol te Eelderwolde waren gekomen, kwamen zij tot de ontdekking dat zij de 2 maal 2 centen „wegenbelasting” niet konden voldoen, daar moeder hun beursje had meegenomen, omdat zij bang was dat de kinderen die bij het spelen zouden verliezen. Na lang aarzelen — het was al tamelijk laat geworden — besloten zij te vragen, of ze zoo mochten passeeren. Dit werd hun geweigerd met de opmerking: „Als elkeen er zonder centen door moest, konden wy niet leven”.

De kinderen moesten toen via de Vosbergen, Harendermolen naar huis. Ze wilden graag vóór donker thuis zijn, doch door hun haast raakten zij bij „De Braak” met elkaar in botsing. Hierbij werd een der fietsen zoo goed als onberijdbaar. De kinderen wisten nog tot achter het tolhek aan den Meerweg door te rijden, doch toen gaf de gehavende fiets het op. Van Haren, waar de fiets in reparatie werd gegeven, moesten de kinderen loopen. De inzender wijst erop, dat het aan den tolgaarder aan den Meerweg te danken is geweest, dat de ouders niet tot midden in den nacht in angst hebben gezeten. Hij hoopt dat diens collega te Eelderwolde een volgende keer in dergelijke omstandigheden evenals hij zal handelen.”

Op het steeds drukkere verkeer van fietsen, naast vooral vracht- en luxe auto’s, was de oude, smalle klinkerweg steeds minder berekend. In 1935 legde Eelde op zijn grondgebied daarom een betonweg aan van 5 meter breed, met parallelle voet- en fietspaden. Verbetering van het Groninger gedeelte liet echter vooralsnog op zich wachten.

Intussen klonk de roep om opheffing van de tol steeds luider. In 1925 verzocht het raadslid Luinge, zelf woonachtig in Eelderwolde, hier al eens om. Vier jaar later liet zelfs een afschaffingsbeweging zich horen, al leek die vooral gericht tegen de tol bij de Meerweg. De verpachting ging desalniettemin gewoon door, want de gemeente Eelde kon de opbrengst niet missen, vond ze, en ze kreeg daarin gelijk van de provincie Drenthe. In 1937 fulmineerde wethouder Rugge van Groningen (SDAP) nog eens tegen de tol in Eelderwolde, omdat Eelde volgens hem rijk genoeg was en de revenuën “grootendeels” werden opgebracht door Groningers. De tol bleef echter bestaan tot 1947  – pas toen brak de dag aan, dat men hem vrolijk ten grave droeg. Het bericht over de uitvaart bevestigt nog eens, dat Eelde er een heel aardige melkkoe aan had.

Bronnen van papier:
RHC Groninger Archieven 1774 (Documentatie Bibliotheek) 4161/1 (map Eelde).
C. Schaafsma e.a (red.), Een nieuwe kijk op het oude Eelde (Bedum 1989) 126-127.


Traumaheli in de buurt vanwege steekpartij tussen buren

Om even half negen vanochtend mijn deur uitstappend, op weg naar mijn werk, viel me op dat er zoveel mensen her en der op straat stonden te kijken naar de bult van Bangeweer. Terwijl een buurvrouw verklaarde dat daar net de traumahelicopter was geland, kwam er een zwaar bepakte arts voorbij, op weg naar een straat even verderop:.
2015-06-30 001
De helicopter bleef op de bult staan:
2015-06-30 005
De piloot stelde iets bij:
2015-06-30 007
Je hebt ruim uitzicht, voorin zo’n ding:
2015-06-30 010
Ik had geen tijd om de 112-verslaggever uit te hangen, maar de aanleiding was inderdaad minder mooi: een burenruzie, waarbij de ene buurman instak op de andere buurman en diens zoon.


Verhaaltje voor het slapen gaan

(Uit Als het klokje 18.45 slaat, een voorleesboekje dat ruim een halve eeuw geleden bij wijze van relatiegeschenk of reclame uitgebracht werd door NV Assurantieaatschappij de Nederlanden van 1845.)


Een middagje in de Oude Wolden

Museum Oude Wolden in Bellingwolde stond al een poos op mijn lijstje “Nog te bezoeken”. Vanmiddag was er een mooie aanleiding om er eindelijk eens heen te gaan: de opening van de eindexpositie Veurnoam/Voornaam, een samenwerkingsproject van kunstenaars rond Groninger voornamen, waar mijn achterachterachterneef een inleidend praatje zou houden..

Kwam er veel te vroeg aan en bekeek dus meteen maar het hele museum. Een vast onderdeel daarvan is het werk van de fijnschilder Lodewijk Bruckman, zoals dit ‘Koksgenoegen’:

2015-06-28 005
Bij de voornamen deze schaal van Ria van Krieken, met o.a. de naam van mijn grootmoeder (Fennechien):
2015-06-28 011
’t Binnenwerk van een andere schaal van Van Krieken:
2015-06-28 013
In een zaaltje zweefde een bolhoed waarmee je selfies kon maken die je dan weer op kunt sturen. Hier denk ik nog even over na:
2015-06-28 019
Mijn achterachterachterneef René Perton zei het bijzonder te betreuren dat de prachtige Groningse voornamen zoals Harm, Fokko, Geert, Elzo, Heiko, Aeilco, Fennechien, Elsiena en Jeurine  aan het uitsterven waren. Zelf heeft hij ook te maken met dit proces, want eigenlijk heet hij Engelke. Dat René lijkt dan afgeleid van zijn tweede , niet Groningse voornaam Frederik. Maar, bedacht ik achteraf: daar zit weer geen n in, dus hoe dat nou zit?:
2015-06-28 032
Fieke Gosselaar las enkele van haar gedichten voor:
2015-06-28 035
Linde Nijland en Bert Ridderbos speelden een paar nummers:
2015-06-28 036
Onlangs traden ze op in Hamburg, bij de Havendagen, waar Bert dit t-shirt op de kop tikte:
2015-06-28 037 was 029
Bleek hem naderhand dat de VVV in Stad het ook verkocht.


Dwars door ’t Oldambt

Mozaïek van Jan van der Zee op voorgevel van cafetaria in Meeden
2015-06-27 013
Meeden – een kleine biotoop boven het portaal van de toren:
2015-06-27 016
Meeden – de kerk vanaf het platform tegen de toren:
2015-06-27 017
Tussen Meeden en Westerlee:
2015-06-27 021
De Toekomst in Scheemdermeer. Voormalige strokartonfabriek, waarvan de ruïne ten koste van veel geld is opgeknapt, maar die nu alweer een paar jaar leeg staat, helaas:
2015-06-27 031
Dezelfde fabrieksgebouwen, maar dan van de noordkant
2015-06-27 036
Door het bos naar Midwolda – oude laan:
2015-06-27 038
Een hoekje facelia:
2015-06-27 039
De bedoeling was eigenlijk om vanaf Midwolda door de polders naar Nieuw Statenzijl te gaan, maar het werd toch weer Finsterwolde, over de Goldhoorn, waar het graan nog groen was:
2015-06-27 041
Met de foto die ik onlangs kreeg in mijn achterhoofd, op het kerkhof van Finsterwolde gezocht naar het graf van  Elzo Perton, mijn betovergrootvader. Heb ‘t opnieuw niet kunnen vinden. Wel vond ik het graf, uit 1898, van Fennechien Mantjes, de oma van mijn oma. Blijkbaar waren destijds grafstenen toch niet helemaal buiten bereik van mensen uit een arbeidersmilieu:
2015-06-27 047
Het kerkhof van Finsterwolde om een uur of half zeven vanavond. Het gezang van de vogels moet je er even bijdenken:
2015-06-27 052
Schuren in Nieuw-Beerta? gezien vanaf Oost-Finsterwolde:
2015-06-27 054
Dak van schuur op de Ganzedijk:
2015-06-27 056
Dit is geen aardbevingsschade – schuren bij Drieborg, rechts is een restauratie onderweg:
2015-06-27 061
Hier verkleurt het koren al wat:
2015-06-27 062
Klaprozen in een tuintje tussen Drieborg en Nieuw-Beerta:
2015-06-27 064


Variabele maximum snelheid

Laatst fotografeerde ik een verkeersbord met reliëf langs de Bruilweering:

001 - 2015-05-23 012

Heb naderhand nog zwaar zitten prakkezeren over dat opgebrachte plaatje waar de nul op staat. Wat voor zin heeft het om door het wegnemen van dat plaatje met dat tweede cijfer te variëren? Bij gelijkblijvende cijfergrootte zou de bandbreedte qua snelheid toch slechts 30 à 39 kilometer per uur zijn?

Het raadsel werd vanavond opgelost. De nul blijft gelijk, maar door het bordje langs een scharnier om te slaan, ontstaat een iets hogere standaard-snelheid:

002

Met een beetje goede wil, echter, lijkt 350 ook wel haalbaar:

003


Roden contra Peize op Waterloodag

Ook in Peize werd op zondag 18 juni 1865 de Slag bij Waterloo herdacht. ’s Morgens gebeurde dat in de kerk met een speciale preek, ’s avonds was er in hetzelfde gebouw declamatie, koorzang en orgelspel, waarbij uiteraard toepasselijke stukken ten gehore werden gebracht.  De spil van dit alles, de onderwijzer Swartwold, viel daarna nog een serenade te beurt.

’s Middags echter, was het een poosje erg stil in het dorp. Zo’n dertig boerenjongens kwamen te paard bij elkaar,

“die met standaard en vaandels voorzien, een wandelrid door ’t dorp deden naar Roden.”

Juist dit onderdeel van de Peizer festiviteiten zou drie weken later leiden tot een venijnige anonieme briefwisseling in de Provinciale Drentse en Asser Courant. De redactie had de eerste brief wel even op de plank laten liggen, want die was al gedagtekend op 20 juni. Blijkbaar kon de krant na weken talmen de kopij opeens erg goed gebruiken. Terwijl de brief  afkomstig heette uit Roden, hekelde hij de inactiviteit daar ter plaatse op Waterloodag. Daarentegen stelde hij de Peizenaren wegens hun activiteiten juist aan de Rodenaren ten voorbeeld:

“De 18 Junij is voor Roden’s ingezetenen stilzwijgend voorbijgegaan. ’t Was alles stil in ’t dorp — ja het scheen er nog stiller dan op andere dagen. Geen nationale noch Oranje vlag zag men op dien dag van den toren wapperen. De geheele gemeente scheen te dommelen. In den namiddag hoorden we op eens het getrappel van paarden en het: “Wien Neerlands bloed” drong tot ons oor door. ’t Was een veertigtal jongelingen uit onze meer levendige zuster-gemeente Peize, die ons met dit bezoek vereerden en ons herinnerden aan ’t gebeurde voor vijftig jaar.

Versierd met Oranjestrikken, kokarden en bandeliers en voorafgegaan door standaards en vlag, zag dit 40tal er werkelijk aardig uit. In een der logementen hebben ze een weinig vertoefd. De orde, welke onder hen heerschte, was opmerkelijk; het afstijgen, opzitten, op hunne plaats gaan. ’t voorwaarts, halt, stap, galop. enz., alles werd op commando en zeer goed ten uitvoer gebragt. Dat de jongelui van Peize goed zingen, hiervan was hun gezang hier ter plaatse een bewijs.

Maar welken geest heerscht er in Roden? Waarom ook zoo iets niet eens begonnen, om de jongelui een pleizierigen dag te bezorgen? Waarom steken de jongelui zelve de handen niet uit den mouw? ’t Scheen evenwel, dat er jaloerschheid onder Rodens jongelui heerschte, toen zij zagen, dat hunne naburen zich zoo vermaakten. Wij mogen dit te meer denken, daar de Peizer jongelui, vooral zij die in de achterste gelederen reden, klaagden dat Roden’s jeugd hen en hunne paarden, bij ’t verlaten van het dorp, met steenen, kluiten, stokken, enz. hadden gegooid. “

Een paar dagen eerder had de Roder jeugd, waaronder  zich “zonen van de gegoedste ingezetenen” bevonden, ook al een bruiloftsgezelschap uit Steenbergen met zand bekogeld. Retorisch vroeg de briefschrijver of vreemden Roden niet meer ongehinderd mochten passeren, wie er de schuld had aan dit wangedrag en of er niets aan te doen viel. De jeugd van Peize was wel klaar met Roden, zo schreef hij:

“Dat de Peizer jongelingen verontwaardigd waren over dat slechte onthaal, behoeft niemand te verwonderen, en, naar wij vernemen, zijn zij hierdoor tot het besluit gekomen, om hare zuster-gemeente, die naar het schijnt liefst in afzondering leeft, nooit of nimmer weder met dergelijk bezoek te vereeren.“

Tot besluit van zijn epistel uitte briefschrijver nog een vrome wens voor Roden:

“Moge de geestelijke en zedelijke beschaving ook hier meer en meer doordringen!”

Er kwam een antwoord van een andere anonymus uit Roden. Deze plaatsgenoot billijkte juist de Roder rust op Waterloodag, terwijl hij veel afdong op de activiteit der Peizenaren:

“Stilheid heerschte in ons dorp op 18 Junij, dit was met onze Burgerlijke wet in overeenstemming, die wil dat onder de godsdienstoefening hoegenaamd niets mag plaats vinden. Het verwonderde onze ingezetenen dan ook zeer, dat Peizer jongelieden den zondag uitkozen om in Roden le komen en ergernis en aanstoot aan onze godsdienstoefening te geven. (…) Wel is waar geschiedden te Roden dien dag geene openbare vertooningen , maar dit werd vervangen door eene indrukwekkende rede in de kerk. waarbij werd aangetoond, hoe God Nederland voor 50 jaar heeft bijgestaan, waardoor allen werden opgewekt om tot God eene bede te rigten voor den dierbaren Vorst en het geliefde vaderland.“

Deze tweede briefschrijver liet onvermeld dat het om de middagdienst ging, die gewoonlijk veel slechter werd bijgewoond dan de ochtenddienst. Als je hem moest geloven, dommelde de godsdienst in Peize of waren de Peizenaren althans veel minder kerks dan de Rodenaren:

“Door een ooggetuige werd ons uit Peize medegedeeld, dat de godsdienstoefening aldaar slechts door 12 menschen werd bijgewoond.“

De Peizer paardendressuur en zangkunst kraakte hij af:

“De orde en het gezang en hun rijden liet wel iets te wenschen over, alhoewel het kommando werd uitgevoerd door iemand, die zijn tijd meest in de school verslijt en in den waan verkeert, om zelf nog baas te worden. (…) Opgewondenheid. veroorzaakt door het gebruik van sterken drank, scheen onder hen te heerschen, daar eenigen, na hier omstreeks een half uur vertoefd te hebben, bij het commando “Voorwaarts!” van hunne paarden vielen… “

Je reinste slapstick. Volgens briefschrijver hadden de Peizenaren hun smadelijke afgang uit Roden aan zichzelf te wijten:

“Van het werpen met kluiten waren zij zelve de aanleiding. daar de commandant de onachtzaamheid had, zijn bandelier in Roden te vergeten, dat hij zelf terughaalde, gevolgd door eenige rijders. Bij deze gelegenheid zouden zij de kinderen, die hen nazagen, bijna overreden hebben. Deze het hazepad niet kunnende kiezen, verweerden zich door met steenen, stokken en kluiten te werpen.“