Vogelpostzegels, een kortstondige hobby

Als jongen van een jaar of veertien heb ik mij nog een poosje toegelegd op het verzamelen van vogelpostzegels. Vanavond vond ik een verstofte envelop terug met een aantal exemplaren.

– De meest curieuze, dankzij zijn driehoekige vorm,  is de trotse, maar enigszins naïeve gier van de Islamitische Republiek Mauretanië:

vogelpost 1
– De Bondsrepubliek Duitsland gaf deze hop uit, met wat opcenten voor de jeugd – het gaat dus om een equivalent van onze kinderpostzegels:
vogelpost 2
– De fraaiere exemplaren echter, kwamen uit het Oostblok, waar ze volgens de mare werden geproduceerd om aan westerse deviezen te komen. Een voorbeeld uit een kippenserie van Roemenië:
vogelpost 3
– En dan onze grutto op een postzegel uit Polen:
vogelpost 4
– Nee, dat hadden die ouwe communisten wel goed voor elkaar: de plaatjes op hun zegels.


Mormel

Bordje op dampaal bij Roden:

2014-10-12 035

Alsof een achteloze wandelaar zo’n bordje opmerkt! Tegen de tijd dat die de volzin uitgelezen heeft, hangt het mormel ook al lang en breed aan zijn broekspijp. Maar enfin, deze disclaimer is weer eens wat anders dan het geijkte ‘Wacht u voor den hond‘. Overigens hoorde uw fotograaf niets op zich afstormen – het beest werd zeker net elders uitgelaten.

Heb even geprobeerd of ik ook zo’n hondenbordje kon maken en dit bleek warempel het geval

Onze Nero is van nature een bijterig wezen
Wiens kaken een ieder terecht moet vrezen
Wij delen het u voor alle zekerheid mee
een gewaarschuwd mens telt immers voor twee.

Lezers die een eigen bordje bij de reacties willen deponeren, moeten vooral hun gang gaan.


Het nieuws van Donderen wordt gevreten…

In Noord-Drentse dorpen staan vaak van die overkapte publicatiebordjes waar men het zeer lokale nieuws opprikt. In Donderen bleek dat nieuws er zo uit te zien:
2014-10-12 059
Ik vroeg mij af hoe dit effect ontstaan kon zijn, want de papiertjes waren niet of nauwelijks verweerd. Het kon dus niet door de inwerking van zon en regen zijn ontstaan. Het moest iets dierlijks zijn, besloot ik. Maar de gedachte dat het muizen waren, moest ik ook verwerpen – die klimmen toch niet verticaal omhoog om aan papieren te gaan knabbelen. In dit stadium van mijn gedachtegang keek ik omhoog en ontwaarde de verantwoordelijken:
2014-10-12 062
Het nieuws van Donderen wordt gevreten… door slakken.


Rondje Noordenveld

Een langzamerhand overwoekerd rakende stapel afvalhout aan de Madijk bij Peizermade:
2014-10-12 005
Overal langs de weg bij natuurgebieden sterk geurende stapels met maaisel:
2014-10-12 008
Bij de Waalborg, Roderwolde:
2014-10-12 014
Ze houdt me in de gaten:
2014-10-12 027
Het eerste herfstgeel bij de golfbaan, oostkant Roden:
2014-10-12 030
Onbedoeld monument voor de landbouwmechanisatie tussen Lieveren en Bunne:
2014-10-12 036
Desintegrerende berk:
2014-10-12 045
Calder in de natuur:
2014-10-12 057
Stoppelveld in de buurt van Donderen:
2014-10-12 063
Landgeit op de Welterberg in de buurt van Veenhuizen:
2014-10-12 071
Bij Vries:
2014-10-12 080
Holle boomstam op het terrein van een houthandel, Vriezerbrug:
2014-10-12 083


‘Als in een bepaald stuk whisky voorkwam, werd dat veranderd in thee’

‘De Tuinen hangen nogal aan elkaar. Tenminste, als er wat aan de hand is. Zo van: ‘Heb ie nog wat heurd? Nee? Din zal ’t wel goud wezen dus.’ Zo gaat dat nu nog.“

Aldus de acteur, regisseur en RONO-coryfee Harm Jan Tuin (1930-1992) in een mooi Nieuwsblad-interview dat Syp Wynia hem in 1985 afnam. Deze Tuin kwam uit Finsterwolde en hij was heel in de verte familie van mij: zijn grootvader en mijn overgrootmoeder waren broer en zus.

De manier waarop de Tuinen met elkaar omgingen, daar herken ik wel wat in. Zo liet ik bij die ene keer dat ik hem sprak onze verre verwantschap ongenoemd. Hij had een toneelkleding- en rekwisitenverhuurbedrijf in de Oosterstraat, waar ik voor de Huurdersactie Oosterpoort een koeiekop van papier-maché leende, die we nodig hadden voor een ambulante straat-evocatie van een huisjesmelker. Ik vergat het ding na onze propagandatocht terug te brengen, na twaalf jaar kwam ik voor het eerst weer in het wijkpand en daar stond het toen nog steeds bovenop een kapstok.

Die grootvader van Harm Jan Tuin, Harm Tuin, was landarbeider en anarchist in Finsterwolde. Harm-Jan vertelt in dat interview dit over die opa van hem:

“Hij bereidde in Oost-Groningen de vergaderingen voor waar Domela Nieuwenhuis sprak. Zelf kan ik me nog herinneren dat ik voor de oorlog op 1 mei naar Dommering in Winschoten werd gesleept. En wie sprak daar? Oom Jan, die later nog burgemeester van Hoogezand en Groningen geworden is. Hij stond met de vuisten in de lucht.“

Met die Oom Jan wordt uiteraard Jan Tuin bedoeld, de eerste sociaal-democratische burgemeester van Groningen, een bedaarde man die hier leiding gaf aan de Wederopbouw. Voor de oorlog was die Jan Tuin al de leider van de SDAP in de provincie Groningen; hij sprak veelvuldig op partij-bijeenkomsten en fulmineerde daar dan tegen fascisten èn communisten. Omdat hij als burgemeester van Hoogezand Mussert niet beschermde tegen een arbeidersblokkade op de diepswal en ook weigerde joden te laten arresteren, ging hij in 1942 als een van de eerste bestuurders naar een gijzelaarskamp in Noord-Brabant.

Zijn neefje Harm Jan uit Finsterwolde werd afgezien van die ene 1 Meiviering buiten de politiek gehouden,

“ook in de oorlog. Ik was stomverbaasd, toen ik pa in 1945 boven op een wagen vol NSB-ers zag zitten, gewapend met een karabijn. Pa, die nog nooit geschoten had en ook niet kón schieten, met een geweer. En met een oranje band om de arm. De kleur stond hem eigenlijk niet aan.”

Maar de passie bij Harm Jan thuis lijkt toch minder de politiek, dan theater te zijn geweest. Vader, moeder, ooms, tantes, allemaal stonden ze op de planken:

“Bij ons werd altijd over toneel gepraat. Mijn vader was actief in de geheelonthoudersbeweging en die speelden ook altijd toneel. Als er in een bepaald stuk whisky voorkwam, werd dat veranderd in een kopje thee, of koffie of limonade. Behalve in propagandistische stukken natuurlijk, dat was van dik hout zaagt men planken.”

Naschrift 11 december 2015:
Levende beelden van Harm Jan Tuin zijn hier te zien (vanaf 4:15).


Dubbele regenboog

2014-10-11 004
(Hoogkerk – Zuiderweg.)


Het karakter van de Leekster Courant

“De gouden formule van de Leekster Courant was het kleine, menselijke nieuws. De Leekster Courant berichtte veel over mensen. Alle namen van de zwemdiploma-behalers werden vermeld. De burgerlijke stand, kleine advertenties. Veehandelaren stonden er voor in de rij op vrijdagmorgen.”

Uit een verslag van een causerie door oud-Leekster Courant-journalist Jan Niemeijer, welk verslag te vinden is de jongste editie van Historisch Leek, een nummer dat geheel gewijd is aan de Leekster Courant (het citaat komt van pag, 20).

Zie ook.


De Koude Oorlog in Finsterwolde: “Je had echt geen revolver nodig”

Mijn grootvader had nog een andere neef die bestuurder was: Harm Tuin, van 1945 tot 1956 burgemeester van Finsterwolde en nadien nog een poos van Slochteren.

Als Harm Tuin in die laatste gemeente met pensioen gaat, staat er een afscheidsinterview in de krant dat voor het leeuwendeel over zijn periode in Finsterwolde gaat. Dat was tevens het dorp waar hij geboren en opgegroeid was als zoon van de anarchistische landarbeider die hier al menigmaal ter sprake kwam. In Finsterwolde schopte Harm Tuin het voor de oorlog van gewoon ambtenaar tot gemeente-secretaris. Hij kende er zijn pappenheimers.

In Finsterwolde gold burgemeester Harm Tuin, zelf sociaal-democraat, als de vastberaden rots in de branding der felle communistische agitatie. In die rol werd hij een BN-er. Toen de regering in 1952 de door de CPN gedomineerde raad op non-actief stelde, trad Harm Tuin aan als regeringscommissaris.

Volgens hem gingen de communisten er “zeer agressief en intimiderend” te werk. Ze zeiden dat er arbeidersbloed aan zijn handen kleefde en maakten hem uit voor verrader en fascist. En dat terwijl hij in de oorlog in Vught gevangen had gerzeten. Toch maakte hij er zich niet al te druk om, zei hij in het interview:

“Bepaalde dingen kunnen zo vaak gezegd worden, dat zij hun zeggingskracht verliezen.“

Hij vond ook niet dat hij gevaar liep, zoals velen meenden.

“Ik heb me in die tijd nooit bedreigd gevoeld. Ik durfde op elk uur van de dag en de nacht wel overal naar toe. En dat deed ik ook. Je had echt geen revolver nodig in Finsterwolde: allemaal onzin. (…) “. „Nee, een handgemeen heb ik nooit gehad. (…) Een heleboel geschreeuw, anders was het niet. (…) in Finsterwolde is het altijd bij woorden gebleven”.

In dat interview neemt hij zelfs nog op voor Finsterwolde – de herrie in de gemeenteraad vond hij niet representatief:

“Het hele dorp werd daardoor in een verkeerd daglicht gesteld. Men moet de bevolking van Finsterwolde niet lager taxeren dan die van alle andere plattelandsgemeenten. De mensen in Finsterwolde waren alleen lichter te beïnvloeden en ze gingen met de extremen mee.“

Ondanks alles koesterde Harm Tuin geen rancune jegens de communisten van Finsterwolde:

Wij zijn heel schappelijk uit elkaar gegaan op die raadsvergadering, waar ik afscheid nam”.


Rottumeroog 1915 – genocide op de sternkolonie

Dat Rottumeroog in de Eerste Wereldoorlog een redelijk forse bezettingsmacht had van 125 man Nederlandse troepen, is een weinig bekend feit. Erik Bouwmeester, zelf luitenant-kolonel b.d. der Grenadiers,  schetste in de onlangs verschenen Stad & Lande de geschiedenis van dit detachement, dat vanaf december 1914 bestond uit mariniers.

Deze jongens hebben nooit hoeven vechten, en hun werk bestond voornamelijk in het koekeloeren naar water en lucht: of er mischien schepen, luchtschepen of vliegtuigen met het vaderlandse territorium schonden. Erg vaak gebeurde dat niet en verveling lag dus op de loer. Natuurlijk: er waren boeken. Geregeld deed men aan gym. Ook had het detachement een voetbalteam, dat onder meer tegen teams uit Noordpolderzijl, Warffum en Uithuizen speelde. Er kwamen militaire toneelgezelschappen langs en tevens orkesten. En men had zelfs een eigen krant.

Maar de jongens gingen ook wel de natuur in, om eieren te zoeken waarmee ze hun rantsoen aanvulden. En deze activiteit zorgde voor een relletje.

Eind 1915 bereikte de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten, de beschermster van het eiland, namelijk een klacht dat de volledige sternkolonie door het eierrapen was verdwenen. En dat terwijl iemand van Natuurmonumenten vlak voor het broedseizoen nog een lezing met ‘lichtbeelden’ voor alle manschappen op het eiland had gehouden, waarin hij ze wees op de funeste gevolgen van het eierrapen.

Natuurmonumenten vroeg Toxopeus, de eilandvoogd, of en in hoeverre de melding klopte. Die berichtte dat het zeker niet alleen militairen lag, maar dat ook het hoge water in mei veel eieren had meegenomen.

Het Hoofdkwartier van de Opperbevelhebber van Land-en Zeemacht stelde op verzoek van Natuurmonumenten alsnog een onderzoek in, dat uitmondde in een verbod op het rapen van eieren. De mariniers protesteerden en schreven dat het juist de beide knechten van Toxopeus waren die zoveel eieren raapten, zeker 750 per dag. Die knechten hadden er een mooie bijverdienste aan, want ze deden de eieren voor 7 cent per stuk van de hand aan de mariniers. Indirect waren die dus wel schuldig aan de genocide op de sternkolonie.

Door de Staat van Beleg zal het militaire verbod op eierrapen ook gegolden hebben voor Toxopeus’ knechten. Die waren hun leuke handeltje dus kwijt. Maar dat Toxopeus hun rol in zijn rapport verdoezelde, moet de bestuurders van Natuurmonumenten toch te denken hebben gegeven.


Lieuwerderwolde

De alleroudste geografische naam voor de omgeving van Hoogkerk is, in de meest waarschijnlijke transcriptie:

2 Lieuwerderwolde

Deze streeknaam duikt voor het eerst op in een goederenlijst, eigenlijk een lijst met Friese aanwinsten, van de Duitse abdij Werden uit de jaren 1030-1050.

De hele Middeleeuwen door is die naam Lieuwerderwolde gangbaar geweest, nog tot diep in de vijftiende eeuw. Nadien raakte ze in de vergetelheid, zodanig zelfs, dat allerlei geleerden zich er naderhand het hoofd over hebben gebroken waar dat Lieuwerderwolde nou eigenlijk precies lag. De consensus is nu dat het zowel Leegkerk, als Hoogkerk omvatte, en mogelijk ook een gebied ten zuiden van Hoogkerk dat later bij de stad Groningen ging horen: het westelijke deel van het Gelkingeland.

Als we die naam Lieuwerderwolde wat beter gaan bekijken, en hem ontbinden in factoren, dan ontdekken we dat de naam uit drie delen bestaat. Van achteren naar voren:

  • wold
  • werd
  • Liuwe

Bij elk van die drie delen wil ik even stilstaan.

Wold

Om met dat Wold te beginnen, dat was niet een woud of een bos. Nee, verre van dat, het ging om een veengwildernis, die in het noorden aan de rafelige rand van de kwelder tussen Dorkwerd en Leegkerk begon en die helemaal naar het zuiden naar de latere Eelder en Peizermaden doorliep. Bij de kwelder en langs de beekjes en geulen die zoet water vanaf het Drents plateau naar de kwelder afvoerden, bestond dat veengebied voornamelijk uit rietmoeras en armetierig, drassig onland met grassen en russen. Wellicht was er op wat hogere zandrugjes naar het zuiden wat meer kreupelhout te zien, en nog verder naar het zuiden zag je wellicht broekbos, in elk geval was het niet iets wat je je bij een woud met majestueuze bomen voorstelt:

Broekbos bij Dwingeloo 2014-06-20 072

Lieuwerderwolde was hierin overigens volstrekt niet uniek, want een groot deel van de provincie Groningen bestond uit dergelijke biotopen. Als je de daar bovenuitstekende Hondsrug met de stad Groningen en Haren voorstelt als het lijf van een vlinder dan waren die woldgebieden de vleugels van die vlinder, die zich naar het westen uitstrekten tot diep in het Westerkwartier en naar het oosten tot diep in Duurswold (de streek rond Slochteren) en de latere veenkoloniën. Aan al die moerassigheid hier dankte de stad haar strategische positie als bruggehoofd tussen Drenthe en de hogere kleigebieden van Hunsingo en Fivelingo.  Als je naar die rijke Friese Ommelanden wilde, kon je nauwelijks om de stad heen. Ze lag zogezegd op een veenpas.

Namen met wold en wolde komen in de omgeving van Hogkerk veel voor. Ik wijs op Peizerwolde, Paterswolde, Roderwolde, Foxwolde, Leutingewolde, Oostwold, Midwolde en niet te vergeten Vredewold of Fredewalda, het zustergebied van Liuvurtherowalda.

Werd

De mens ging deze woldgebieden zo vanaf de tiende eeuw in gebruik nemen en ontginnen. En daarmee kom ik op het middenstuk in de naam Lieuwerderwolde: het element ‘werd’. Ongetwijfeld was dat een wierde of terp. En aangezien archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat Lieuwerderwolde vanaf het noorden is ontgonnnen, zullen we die wierde daar moeten zoeken. Lichtendag, een onderzoeker die een fantastisch proefschrift schreef over de ontginning van de Groningse woldgebieden, wees erop dat de aanwinstenlijst van het klooster Werden ook de naam Liuvurd bevatte, dus Lieuwerd, en dat die wierde en het bijbehorende Lieuwerderwold dicht bij elkaar moeten hebben gelegen.  Hij ging er vanuit dat het toponiem Lieuwerd de aanduiding was voor Kleiwerd, de wierde tegenover Slaperstil aan de andere  kant van de Friesestraatweg.

Ik moet zeggen dat ik daar wel enige twijfels bij heb. Weliswaar lijken de namen Lieuwerd en Kleiwerd wel wat op elkaar, je zou dus kunnen veronderstellen dat de tweede uit de eerste ontstaan is, maar de naam Cleywerd is al vrij oud en komt al voor in het middeleeuwse cartularium van Selwerd. Siemon Reker, die ik er naar vroeg, kent ook geen voorbeelden van namen, waar een k vooraan geplakt is. Voorlopig houdt ik het er daarom op dat we die wierde moeten zoeken in de omgeving van Leegkerk. Het gaat dan wel om een vroege wierde voor die omgeving, waar de meeste wierden, getuige archeologisch onderzoek, uit de twaalfde en dertiende eeuw stammen.  Als ik een gissing mag doen, dan zou ik de wierde aanwijzen waarop de kerk van Leegkerk staat.

In elk geval is het onzin om te veronderstellen dat Lieuwerderwolde vanuit het Drentse Lieveren gekoloniseerd zou zijn, want tussen Lieveren en Hoogkerk heb je nog de oude Drentse dorpen Roden en Peize, en die zouden zich echt niet de kaas van het brood laten eten door een zuidelijker gelegen zusje.

Liuwe

Tot slot van deze ontleding van Lieuwerderwolde nog even dat Liuwe. Hiermee hebben we de vroegst bekende inwoner van deze streek te pakken, de oervader, zeg maar, van Leegkerk en Hoogkerk.

En dat was een Fries! Want de naam Lieuwe is een Friese naam. In dit verband doet het terzake dat er enige twijfel bestaat of Lieuwerderwolde oorspronkelijk nou bij de Friese Ommelanden of bij het Gorecht en daarmee bij Drenthe hoorde. En inderdaad zijn er wat aanwijzingen dat het gebied van origine Drents was. Zo is er een handvol stokleggingsbrieven voor Lieuwerderwolder percelen bewaard gebleven uit de periode rond 1400. Een stoklegging was een Drents ritueel bij eigendomsoverdrachten: door in aanwezigheid van getuigen een stok met een formule op de grond te leggen, deed de verkoper afstand van de grond, terwijl de koper die grond in eigendom aanvaardde door die stok met een soortgelijk prevelementje op te pakken. In Friese streken gebruikte men dat stokleggingsritueel niet.

Ook had de Groninger prefect en schulte begin veertiende eeuw nog enige zeggenschap in Lieuwerderwolder zaken, iets wat ophoudt raadselachtig te zijn als je veronderstelt dat Lieuwerderwolde ooit deel uitmaakte van het Gorecht en daarmee Drenthe. Van sommige namen in Lieuwerderwolde zijn bovendien twee varianten bekend, een Friese en een Drentse. Zo heette Elmersma ook wel Elmersink en Hoiting Hoitum. Eind veertiende eeuw echter, blijkt Lieuwerderwolde duidelijk verbonden met Hunsingo en het is daarmee Fries. Als de grond ooit Drents is geweest, dan werd hij vanuit de Friese Ommelanden door Friese kolonisten ontgonnen, vanaf de hoge oeverwallen langs de kwelder bij Leegkerk en dat zou dan de overgang van Drents naar Fries kunnen verklaren.

(Het bewerkte eerste deel van een lezing over de veldnamen van Hoogkerk, die ik binnenkort opnieuw ga houden.)


Veel prikkelende bijdragen in Historisch Jaarboek 2014

jrbk omslag

‘De geschiedenis is een discussie zonder eind’ zei de befaamde historicus Pieter Geyl ooit en dit jaar doet het Historisch Jaarboek Groningen alleszins recht aan die gevleugelde uitspraak, want over de meeste bijdragen zal het laatste woord nog niet gesproken zijn.

Bij de meest prikkelende artikelen blijken de Middeleeuwen goed vertegenwoordigd. Neem de kwestie van het eiland, waarover de Hunsingoërs en de Fivelingoërs vanaf 1231 twintig jaar lang oorlog voerden. Waar lag het? Was het Rottumeroog of een kweldereiland dichterbij de kust? Door de 14C -dateringsmethode toe te passen op aangetroffen schelpen, geven Harm Jan Streurman en Hans van der Plicht de discussie een nieuwe wending.

Een ander debat betreft de vraag wanneer het Aduarderdiep gegraven is: rond 1400, of toch een eeuw eerder? De hele vroege waterstaatsgeschiedenis van de regio hangt ervan af. Cruciaal is een oorkonde uit 1313. Jakob Loer biedt een nieuwe interpretatie.

Tegendraads is ook de bijdrage van scheidend hoofdredacteur Maarten Duijvendak. Veel Groningers menen dat hun provincie totaal geen garen spon bij de aardgaswinning. Maar is dat eigenlijk wel zo?

Verder vraagt Kees Kuiken zich af, hoe de Rijksuniversiteit Groningen de laatste honderd jaar omging met haar erfgoed, met name de Hortus. Hoe kan het dat universitaire botanische tuinen elders in Nederland konden overleven, terwijl die in Haren in 2001 failliet ging?

Benoît Mater bespreekt de vier tentoonstellingen, die Noord-Nederlandse en Duitse regionale musea organiseerden in het kader van ‘Land van Ontdekkingen. De Archeologie van het Friese kustgebied’. Geslaagd project, of blijft er nog iets te wensen over?

Minder polemisch, maar zeker niet minder lezenswaard zijn de artikelen van Foskea van der Ven en Martinus van Hoorn. Van der Ven gaat in op het Groningse ‘proefproces Duut’ over de uitleg van de Kultuurkamerverordening in de oorlog. Hoe interpreteerden onze rechtscolleges deze Duitse oekaze?

Van Hoorn schetst de geschiedenis van stichting Het Groninger Landschap gedurende de eerste halve eeuw van haar bestaan, waarbij hij onder meer de felle discussies over het buitendijkse Dollardkanaal in de jaren 70 behandelt.

Traditiegetrouw besluit het Jaarboek met twee vaste rubrieken: een over erfgoed en de ander over de belangrijkste historische literatuur die vorig jaar verscheen.


En dan komen de ratten uit hun holen

Diuck Spreeuwers

Ziehier wat Dick Spreeuwers uit Enumatil over mij beweert. Karaktermoord, sommige mensen draaien er hun hand niet voor om.

Inderdaad heb ik helaas één keer met meneer Spreeuwers te maken gehad, En die ene keer was  ook meer dan genoeg, voor ons beide. Jammer genoeg komt S. er nu op terug, ondanks zijn eigen uitdrukkelijke wens om dat niet te doen.

Nu bijna drie jaar geleden, op 20 oktober 2011, vroeg deze meneer Spreeuwers als redacteur van de dorpskrant Enumatil om een aangepaste versie van mijn Unox-verhaal. Dat ontving hij met de bijbehorende afdrukbare foto op 31 oktober d.a.v. Vier dagen later kreeg ik zijn ontvangstbevestiging:

Het stukje is helemaal prima en ik ben er erg blij mee.
Heb alleen mijn eigen naam even weggehaald.
Hartelijk dank voor je moeite en mocht je ooit weer eens iets tegenkomen over Enumatil dan houd ik me van harte aanbevolen

Het tweede zinnetje bevreemdde me, zodat ik hem terugschreef:

Hoezo je eigen naam weggehaald?
Ik had die toch niet in mijn stukje genoemd?

Ook vroeg ik hem alsnog om me een exemplaar van zijn krant te sturen, zodra het nummer uit zou zijn en gaf hem daartoe mijn adres. Ruim een maand later evenwel, had ik nog steeds niets ontvangen. Intussen had ik al wel gehoord dat zijn krant verschenen was en ik stuurde hem daarom een minnelijke herinnering:

Nogmaals een vriendelijk verzoek om een exemlaar van de krant met mijn
foto (en stukje) te sturen naar het adres dat ik je eerder stuurde, en
dat je ook in het onderstaande vinden kunt.

Wat er ook volgde, geen boe of bah van Dick Spreeuwers. Weer drie maanden later, op 3 februari 2012 – u ziet: mijn geduld is nogal groot – stuurde ik hem daarom opnieuw een reminder. En omdat ik intussen uit Enumatil vernomen had dat Spreeuwers wel vaker bij dit soort zaken in gebreke bleef, deed ik dat nu helaas wat minder vriendelijk:

Ik heb nimmer een exemplaar van de dorpskrant mogen ontvangen, waarin
mijn stukje + foto heeft gestaan.

Ik vind dit geen manier van doen. Nu ik tegen iets leuks mbt Enumatil
ben aangelopen, zal ik jou daar ook absoluut niet van in kennis
stellen. Net zomin als ik dat in het vervolg ooit nog ga doen.

Wellicht zal ik ook nog een stukje op mijn weblog wijden aan deze gang
van zaken.

Dat hielp de communicatie weer op gang, want dit keer kwam er nog dezelfde dag antwoord van Spreeuwers. Met veel omhaal van woorden beweerde hij dat hij de krant wèl opgestuurd had:

Omdat ik verder niets meer gehoord of retour ontvangen heb ben ik ervan uit gegaan dat u deze ontvangen hebt.
Misschien had u eerst eens even kunnen informeren of dit wel of niet gebeurd is.
Ik vind uw reactie en dreigement erg vervelend net als het feit dat u de krant kennelijk niet ontvangen hebt.
Een exemplaar zal ik morgen nogmaals aan u sturen naar het adres zoals vermeld in uw eerdere mail.
Deze zou u zaterdag, hooguit volgende week dinsdag in huis moeten hebben.
Zo niet dan verwacht ik bericht van u.
Met een evt. stuk dat u nog zou hebben over Enumatil moet u maar doen wat u wilt.
Ik zal er verder niet op aandringen.
Ik vind de gang van zaken betreurenswaardig en uw negatieve instelling teleurstellen.

Meneer Spreeuwers gaf dus de schuld aan de post. Ik bedankte hem alvast voor zijn krant, maar:

Uw bewering dat u die krant opgestuurd heeft, trek ik in twijfel.
Ik heb hier namelijk totaal geen klachten over de bezorging van de mij
toekomende post.

Ook dat vond hij niet leuk:

U maakt mij dus uit voor leugenaar.

Sommige mensen leggen anderen van alles en nog wat in de mond. Hoewel ik tamelijk moe van deze persoon werd, kon ik er niet onderuit hem nogmaals van repliek te dienen::

Leugenaar is uw woord, en als u dat passend vindt, moet u dat helemaal
zelf weten. In plaats van de gebelgde sinjeur uit te hangen, meneer Spreeuwen, zou
ik als de wiedeweerga maken dat die krant eindelijk eens bij mij in de
bus ligt. Kom uw beloften na, dan heeft u voortaan geen gezeik.

En verder stel geen prijs meer op mails van u.

Aan deze toch overduidelijk uitgesproken wens van mij bliefde meneer geen gehoor te geven:

Die krant krijgt u alhoewel u deze niet verdient na onderstaande.
Zoals deze ook al eerder is verstuurd.
Uw aanmatigende toon is totaal ongepast naar iemand die ter goeder trouw heeft gehandeld.
Het past u niet mij valselijk te beschuldigen omdat u een krant die wel verstuurd is niet heeft ontvangen.
Oorzaak onbekend.
Ik zal mij verder niet verlagen tot uw niveau en niet ingaan op uw taalgebruik.
Daar stel ik mij boven.
Tot graag nooit meer horens.

Vervolgens heb ik zijn eigen uitdrukkelijk uitgesproken wens maar ingewilligd en het er maar bij gelaten. Zoals ik al zei: jammer genoeg komt Spreeuwers er nu op terug. Sommige mensen koesteren nu eenmaal graag hun wrok. Hopelijk worden ze er gelukkig van.


Domme praat van iemand die beter zou moeten weten

discussie

Discussie tussen twee eindredacteuren: Marco in ’t Veldt van het Harener Weekblad (NDC) valt me bij; Martin Cusiel van o.a. rtv Noord en Dvhn (NDC) valt me af. Over de schampere tweet van de laatste wil ik het hier even hebben.

Cusiel vindt het maar aandachttrekkerij van mij. Nou leven media en bijgevolg Martin Cusiel van de aandachttrekkerij, want zonder persberichten van allerlei aandacht trekkende personen, instanties en evenementen zouden media met een tamelijk beperkt nieuwsaanbod zitten. Ik neem dan ook aan dat Cusiel hier niets mee te maken wil hebben en doorlopend op zoek is naar geheel en al eigen nieuws. Zijn productie in deze zie ik met belangstelling tegemoet.  Overigens zou Cusiel consequent zijn, als hij die aandachttrekkerij ook bij zijn broodheren zou afkeuren. Deze vallen ons namelijk doorlopend lastig met al hun reclame.

Martin Cusiel vindt verder dat de kwestie héél gemakkelijk met een factuur viel op te lossen. Maar waar stuur je de factuur heen in het geval van De Oude Doos? Op die vraag blijft Cusiel het antwoord vooralsnog schuldig.

En, nog een interessante vraag: hoeveel hou je uiteindelijk over van zo’n factuur? Van een kennis die een rekening wegens geroofd intellectueel eigendom niet betaald kreeg door nota bene een bij Cusiel zéér bekende krant, en die er na meerdere vergeefse aanmaningen uiteindelijk toe besloot een incassobureau op te zetten, weet ik hoeveel hij kreeg, na aftrek van alle kosten: bizar weinig.

Domme praat dus, van Martin Cusiel. En daar wilde ik inderdaad even de aandacht op vestigen.


Laatste waarschuwing voor de Oude Doos: wie niet horen wil, gaat het voelen

De Facebook-community heet De Oude Doos, en de deelnemers eraan zijn zo gefixeerd op hun eigen nostalgistische pleziertjes, dat alles en iedereen er zich maar voor moet laten plunderen.

Neem deze discussie naar aanleiding van het plagiaatgeval. “Waar een mens zich druk om maakt”, zegt een mevrouw Emmie van Vuurden-Buist . En Hennie Haaima: “Ik vind het onzin ze plaatsen alles zelf op internet…dan moeten zij het afschermen zodat je het niet kunt kopieeren of eraf halen”. Blijkbaar is het lang niet de eerste keer dat zoiets op de Oude Doos gebeurde, want Willem ten Berge memoreert: “Dat is nu de zoveelste maal dat een of ander typetje blijlbaar zonodig moet zaaien”. De moderator van deze Facebook-community, mevrouw Tekie Buissink, verzucht: “Gelukkig worden wij verder niet aansprakelijk gesteld…. “ En verderop, als deze voormalige schoonheidskoningin gewezen is op het onrechtmatige van het geval, zegt ze: “Als ik alles moet nachecken wat anderen plaatsen, heb ik helemaal geen leven meer….;-) ….voor mij is en blijft ’t ’n hobby….” Ze is zelfs van mening: “hij zou geld toe moeten geven!!….hier kijken er meer dan bij “meneer’s blog…..🙂

Men heeft dus duidelijk nog niet begrepen. Daarom nu deze uitdrukkelijke waarschuwing voor De Ouwe Dozen: Het zonder toestemming klakkeloos copiëren van teksten die elders (bijv. op internet) gevonden zijn, mag sowieso al niet en al helemaal niet als de oorspronkelijke maker er niet bij vermeld wordt. Want dat is er gebeurd: een tekst waarvoor IK onderzoek gedaan heb, wat dus redelijk wat tijd kost, en die IK geschreven heb, wat dus eveneens redelijk wat tijd kost, is er klakkeloos ONDER ANDERMANS NAAM (nl. die van Geeske Mast) gepubliceerd. Vervolgens heeft deze mevrouw Mast ook nog De Oude Doos en Sikkom toestemming gegeven om het daar te publiceren. Op de voor mij zichtbare lokaties (De Oude Doos en Sikkom) is de werkelijke auteur (in eerste instantie) niet genoemd, er is niet naar de bron (nl. mijn weblog) gelinkt, nee, mevrouw Geeske Mast (en in commissie De Oude Doos en Sikkom) doet of het allemaal van haar zèlf komt en pronkt dus met andermans veren. En dat is gewoon diefstal, ordinaire diefstal.

De wet en trouwens ook de voorwaarden van Facebook zijn hier héél erg duidelijk over. Als ik bij de rechter mijn recht zou gaan halen, zou dat de copieerders en wellicht ook mevrouw Tekie Buissink als moderator van De Oude Doos veel geld gaan kosten. Van een claim heb ik nu nog afgezien, maar voor een volgende keer schakel ik ­­­­­­– ook vanwege dit soort discussies, waarbij persoonlijke aanvallen niet worden geschuwd – gewoon meteen een advocaat in onder het motto: wie niet horen wil, moet maar voelen.

Overigens zouden excuses van De Oude Doos, cq Tekie Buissink, op zijn plaats zijn. Die heb ik dus niet gezien, wat bepaald niet voor haar pleit.

Harry Perton

Naschrift 12:20 uur:

De gewraakte uitlatingen zijn inmiddels verwijderd, maar ik had er al screenprints van gemaakt.


De Dag van de Groninger Geschiedenis, editie 2014

Er was erg veel concurrentie, dit jaar. In Warffum opende de expositie Groningse van kerkschatten, op Nienoord die over de Leekster Courant, en de mogelijk laatste dag met mooi weer nodigde ook meer uit tot fietsen, dan tot binnenvertier. En dus was de Dag van de Groninger Geschiedenis iets minder druk dan anders. Maar toch nog heel plezierig.

Ik kon eigenlijk alleen ’s ochtends fotograferen. Voor de opening van het gebeuren zie je dan al allerlei gesprekjes van mensen die elkaar een poos niet hebben gezien en het fijn vinden elkaar weer te treffen. Antonia Veldhuis deelde weer haar flyertjes uit, die o.a. verwijzen naar haar column Webdigit@@l:
2014-10-04 006
Jeroen Hillenga, de archivaris van o.a. Delfzijl, in gesprek met iemand die volgens mij ook veel weet over scheepvaart:
2014-10-04 013
De Groninger Archieven en het OVCG zijn nog steeds op zoek naar  foto’s van het dagelijks leven in de Tweede Wereldoorlog. Dus niet zozeer de overbekende bevrijdingsfoto’s, maar beelden waaruit blijkt hoe het gangbare door de oorlog anders werd. Er was meteen al iemand die foto’s kwam inbrengen::
2014-10-04 019
Het fraaiste object op de Informatiemarkt – de miniatuur mest- of wipkar op de tafel van stichting Stelmakerij Wever in Mussel:
2014-10-04 027
Doedelzakspelers, vlak voor hun opkomen:
2014-10-04 029
Tijdens de opening – Jan Glas bekijkt het programma:
2014-10-04 034
Meteen bij de opening stond er al een flinke rij bij de Oldambtster poffertjeskraam en die stond er ’s middags nog:
2014-10-04 038
Plezier voor het grut – een stoomtreintje van Nienoord:
2014-10-04 042
Bezems bij een kraam van de Onstwedder Gaarv’n:
2014-10-04 048
Hé, Fongerz maakte ook brommers –  zoals dit exemplaar met zitgelegenheid voor twee (zij uiteraard achterop met wapperend hoofddoekje):
2014-10-04 052
Voor haar had Fongerz de saxonette:
2014-10-04 059
Prachtig schilderij van het station Zuidbroek, waar binnenkort het Noord-Nederlands Trein en Trammuseum zijn deuren opent:
2014-10-04 060 was 54
Een kijkje op de boekenmarkt – Bladzij 20 deed goede zaken:
2014-10-04 066
Debat over majoor Thomson, de held van Durazzo, hier manhaftig tegen vuige aantijgingen verdedigd door Jolien Berendsen:
2014-10-04 070
Debat II – Klaas van Berkel moet niet veel hebben van de dogmatische scherpslijper Ubbo Emmius, de geschiedschrijver Ubbo Emmius krijgt een genadezesje:
2014-10-04 075
Bij het vallen van de avond ligt de reddingsboot Gebroeders Luden nog bij de Eelderbrug
2014-10-04 081