Retour Drenthe

(Foto’s genomen vanuit rijdende auto.)

Langs de A28 bij Assen in de buurt zie je deze megalitische afkorting voor Tourist Trophy:
2014-08-24 004
Weggetje tussen Lhee en Dwingeloo:
2014-08-24 014
Oldengaerde op het westeind van Dwingeloo:
2014-08-24 033
Beukenlaan bij de Honingvlaken:
2014-08-24 039
De Wittelterbrug met de eerste druppels van een beste bui:
2014-08-24 042
Langs de Drentse Hoofdvaart:
2014-08-24 048
Huis aan de Havelter Dorpstraat, in 1939 door de gemeente neergezet als “ambtenaarswoning” en verhuurd aan mijn grootvader Harm Perton tegen de huurprijs van ƒ 270,-  per jaar:
2014-08-24 071
Eursinger Kerkweg met hoge mais op de Havelter es:
2014-08-24 091
Het keuterijtje op het Westeind van Dwingeloo dat mijn oom al fotografeerde:
2014-08-24 095
Het huis dat mijn grootvader Vondeling anno 1939/1940 in Dwingeloo liet bouwen, wat gepaard ging met een klein bouwschandaal:
2014-08-24 101
Berkenlaantje tussen Dwingeloo en Lhee:
2014-08-24 118
Viaduct voor wilde fauna over de A28 bij Spier:
2014-08-24 122


‘Bloeie het Oranjehuis’

2014-08-24 079
Foto gemaakt in Zuidhorn, vermoedelijk bij het veertigjarig ambtsjubileum van koningin Wilhelmina, september 1938. Het bord op de wagen zegt: “Bloeie het Oranjehuis” – de aanleiding zou dus ook nog een Koninginnedag kunnen zijn, maar beslist niet het huwelijk van Juliana met Bernhard, want dat vond plaats in de winter (januari 1937) en de meisjes op en voor de wagen en hun begeleidsters dragen zomerkleding.

Die is bij de meisjes vrijwel uniform, blijkbaar zijn ze lid van een club of vereniging. Een van hen is mijn moeder (de tweede linksboven, die kleine blonde ja). Op de bok van de wagen zit volgens mij de melkboer, voor de gelegenheid uitgedost in geheel smetteloos wit en qua gezicht wel wat weg hebbend van Goering.  Het zal ook wel de wagen van de melkboer zijn, of anders de wagen van de melkfabriek, bijv. de LIJEMPF in Briltil. De schimmel zal vast ook dienst hebben gedaan bij de intocht van Sinterklaas, zo die er al was.

Ik zag de foto vandaag voor het eerst.

 


Natuur dichtbij

Klein geaderd witje op de galerij:
2014-08-23 012
Berm Peizerweg – heksenkring:
2014-08-23 018
Kijk eens mama zonder poten – twee jonge zwanen uit een grote familie bij de Johan van Zwedenlaan:
2014-08-23 024
Toch maar niet meer gaan fietsen:
2014-08-23 038 omg


Rusland op doorreis in Finsterwolde

Naar het westen:

FINSTERWOLDE, 23 Aug. Hedenmorgen werden door een der kommiezen bij ’s rijksbelastingen alhier te De Wolf aangetroffen twee uit Duitschland gevluchte Russen, die krijgsgevangen waren. Zij zijn bij Statenzijl over de grens gekomen en werden gebracht naar de marechaussee-kazerne, vanwaar zij naar Rotterdam zullen worden overgebracht.

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 24 augustus 1916.

Naar het westen:

FINSTERWOLDE. 9 Juli. Hedenvoomiddag werd hier aangebracht een uit Duitschland ontvlucht[e] Russische krijgsgevangene. De man was doodmoe en had ongeveer een uur in den Dollard gezwommen, gedurende welken tijd hij zich van een gedeelte van zijne kleeding had ontdaan. Hij had bij zich een gouden horloge met dito ketting en eenig geld, Vannamiddag werd hij door de marechaussees naar Groningen gebracht en van daar gaat hij naar Rotterdam.

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 10 juli 1917.

Commentaar: in beide gevallen ging het om Russen, die kennelijk even over de grens in krijgsgevangenenkampen vast zaten. De man uit het tweede bericht ontdeed zich mogelijk van kampkleding. Blijkbaar werden Russen tijdens de Eerste Wereldoorlog in Rotterdam geïnterneerd.

Naar het oosten:

Te Finsterwolde zijn Woensdagavond twee vreemdelingen opgesloten, die werden aangehouden en op hun passen den naam van het kamerlid Wijnkoop hadden vermeld en zeiden naar Rusland te gaan.

Bron:  Nieuwsblad van het Noorden 10 januari 1919.

Commentaar: In het laatste geval ging het waarschijnlijk om communistische verbindingsmensen. David Wijnkoop had zich kennelijk garant voor hen gesteld.  Hij zat in de Tweede Kamer voor de communistische partij.


Ommetje Eiteweert

2014-08-22 054

2014-08-22 062

2014-08-22 073

2014-08-22 083


Blauwmaanzaadsnoepertjes komen te pas

SONY DSC

FINSTERWOLDE, 8 Sept. Twee zoontjes van den handelaar H. Mulder alhier aten zooveel blauw maanzaad, dat de gevolgen niet uitbleven. De jongens vielen in slaap en sliepen ongeveer 36 uren achtereen.

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 9 september 1916.

Commentaar: Het moet haast wel om medicinale blauwmaanzaad of vogelvoer gegaan zijn, want bakkers deden indertijd nog geen blauwmaanzaad op brood, dat is pas iets van de laatste decennia. Er zal dus ook nog de volle mep aan opiaten in hebben gezeten.

 


‘Wat de oorlog ons leert’, mocht oostelijk Groningen niet weten

“De militaire gezaghebber van de in staat van beleg verkeerende gemeenten Beerta, Bellingwolde, Finsterwolde en Vlagtwedde heeft in die gemeenten de verspreiding verboden van de brochure ‘Wat de oorlog ons leert’, een uitgave van het Groningsch-Drentsch comité van den Alg. Ned. Geheelonthoudersbond.”

Aldus De Tijd op 14 november 1914, in een berichtje dat nieuwsgierig maakt naar de inhoud van de verboden brochure. Wat voor les trokken de anarchistisch angehauchte geheelonthouders van de ANGOB destijds uit de oorlog? Helaas viel dat zo een twee, drie niet te achterhalen, maar naar het zich laat aanzien was de christen-anarchist Jac van Rees de auteur van het geschrift, dat in een unieke, wat latere versie nog aanwezig is bij het IISG in Amsterdam. Daar wil ik dus graag kopietjes of scans van, ook omdat de brochure mogelijk iets zegt over de wereldbeschouwing van mijn anarchistische oudoudoom Harm Tuin, die immers secretaris was van de geheelonthoudersclub van Finsterwolde en Beerta.

Gezien de ongeveer 350 mensen die in 1913 een meeting van geheelonthouders in Finsterwolde bijwoonden, bestond er in principe ruime belangstelling voor de verboden brochure. Of zo’n verbod op verspreiding dan wel zin had? Tien kilometer verderop heerste er geen staat van beleg en kon je vrijelijk aan het boekske komen, zonder belemmering door de lokale militaire bevelhebber.

Toch werd volgens het blad De Grondwet van 15 december nog een proces-verbaal opgemaakt “wegens het verspreiden van lectuur, die is verboden door den majoor-commandant, uitoefen[en]de het militair gezag in de grensplaatsen in oostelijk Groningen”. Ongetwijfeld ging het om dezelfde brochure van de ANGOB, in dit bericht ook weer met name als uitgever genoemd, al zou een Groningsch-Drentsch comité van deze bond de brochure hebben ondertekend.

Het Grondwet-bericht duidt de geverbaliseerde aan met H.G. te Finsterwolde, wiens initialen voorlopig niet te herleiden zijn, bijv. via de lijst met staatsgevaarlijke individuen uit 1924. Misschien was er ook wel een vergissing in het spel, en betrof het H.T. Een veroordeling heb ik evenmin gevonden, mogelijk werd het zaakje geseponeerd.

Overigens licht De Grondwet een tipje van de sluier op wat betreft de inhoud van de verboden brochure. Het geschrift deelde “een en ander” mee “over het optreden der Duitsche militairen in België”. Laatst viel me al op dat Nederlandse kranten in augustus en september  1914 nauwelijks iets over de Duitse terreurdaden in plaatsen als Aarschot en Zemst publiceerden, kennelijk bestond er wat dat betreft (zelf)censuur in Nederland, waar men de neutraliteit niet wilde riskeren door al te veel ruchtbaarheid te geven aan de waarheid. Waarschijnlijk schreven de geheelonthouders van het ANGOB de Duitse terreur in België (mede) toe aan drankmisbruik. En daar zuillen ze vast geen ongelijk in hebben gehad. Maar dat laat zich dus pas toetsen als ik weet wat er in die brochure staat.


Scheepsjagers opgeschrikt door concurrent

“TER APEL, 13 Dec. Al te modern!
 Voor een paar dagen passeerde te Ter Apel een echte stoomsleepboot met vijf groote, met steenkool geladen schepen, uit Duitschland komende, achter zich. Geen alledaagsch gezicht; een sleepboot was in deze kanalen der Gron. Veenkoloniën tot nu nooit gezien. De scheepsjagers scholden de boot dan ook hartelijk uit.”

Bron: De Grondwet 9 januari 1917.


Niet alleen een vrolijk drinklied

Groep van drie soldaten, Jan van de Velde (II), 1603 - 1641  Rm RP-T-1891-A-2447

Zat al een poos met een melodietje in mijn hoofd en floot het ook regelmatig, onderweg. Maar van de tekst herinnerde ik me zo goed als niets. Alleen een eindpassage: “…and never a pocket of money” – maar googelen met die flard leverde niets op.

Dat was ook geen wonder, want zaterdag viel me in dat die eindpassage “with never a penny of money” moest zijn. Vervolgens bleek het opsnorren een makkie – het ging om “We be soldiers three”, opgetekend door Thomas Ravenscroft in zijn bundel Deuteromelia (1609).

Natuurlijk ook meteen wezen zoeken naar uitvoeringen op YouTube. Er zit veel bagger tussen, maar er zijn toch ook wel wat aardige interpretaties:

Vrijwel alle uitvoeringen echter, zijn volgens mij gemankeerd door de eendimensionele blik op dit lied als drinklied. Dat is het ook, zeker, maar dat niet alleen.

We zijn drie soldaten, zegt de tekst, en we vragen u uiterst vriendelijk om ons te vergeven, maar we komen net uit de Lage Landen en zijn platzak… Uit het tweede couplet blijkt dat de berooide soldaten op iemand proosten. Dat moet welhaast de weldoener zijn die ze intussen vergeving schonk door ze dat drankje te verschaffen. Geheel en al vrijwillig?

Het jaar dat Ravenscrofts bundel verscheen – 1609 – was ook het eerste jaar van het Twaalfjarig Bestand in de Nederlanden. Talloze huursoldaten, waaronder nogal wat Engelse en Schotse, werden afgedankt. En aan de dijk gezette soldaten waren er berucht om dat ze wel kwaadschiks aan hun natje en droogje kwamen, als ze die goedschiks niet kregen. Je kunt denken aan de Spaanse Furie of soortgelijke plunderingen van steden, maar in vredestijd was het vooral het platteland dat overlast ondervond van zwervende soldaten die zich menigmaal ontpopten als uiterst vervelende, “sterke bedelaars”.

Die tweede laag, die van een lichte dreiging achter alle luchtige vrolijkheid, die zou eigenlijk ook een beetje hoorbaar moeten zijn bij een adequate interpretatie van dit lied. Maar dat is dus niet veel uitvoerende artiesten gegeven.


Via de krant in Winschoten (1916)

Immenga’s mineraalwaterfabriek, bierbrouwerij en bottelarij, een bedrijf dat van zeker 1905 tot 1941 heeft bestaan:
1916-03-12 Winschoter Courant
De stereotype bejaarde in een advertentie voor het hoestdrankje Abdij Siroop:
1916-04-21 c Winschoter Courant
Loodgieter E. Huizinga wist wat zijn primaire doelgroep was:
1916-04-21 d Winschoter Courant
Uit Oude Pekela kwamen de kruidenmengsels van Jacoba Maria Wortelboer. Probaat huismiddel volgens haar nazaten, je reinste kwakzalverij volgens de medische stand:
1916-06-23 Winschoter Courant
Bron: Alle advertenties uit de Winschoter Courant, de edities van resp. 12 maart, 21 april (2 x) en 23 juni 1916.


Stads ommetje

Zijn die studenten nog maar nauwelijks in de stad, of ze fietsen er weer uit, naar het  een of andere introductiekamp, met alle sjaars in uniforme kledij:
2014-08-16 007
Dan wacht ik wel even hè, voor ik erlangs ga – meisje houdt haar paard ternauwernood in bedwang bij de Bruilweringsbrug over het Omgelegde Eelderdiepje:
2014-08-16 016
Boom, Stadspark:
2014-08-16 019
Ubbo Emmiusstraat – steelband op weg naar de Pelsterhof:
2014-08-16 025
Zuiderdiep – koetje, meisje, bulletje:
2014-08-16 029
Guyotplein – verweerd kopje (console):
2014-08-16 037
De deur van de voormalige siersmederij ‘In den Hanekamp’, Taco Mesdagstraat:
2014-08-16 054
Jugendstil balkonhekje achterin de Jozef Israelsstraat:
2014-08-16 059


Het is de lucht achter Gravenburg

5

(Vanochtend, om een uur of negen.)

Heb er een bannertje voor den Twitter uitgehaald:

2014-08-15 002b

 


Frits Casparie – Gezicht op de Meeuwerderweg

2 zo Frits Casparie - Meeuwerderweg

Frits Casparie stond zondag in de Folkingestraat met een kraam vol van zijn linoleumsneden. Deze vond ik het mooist: een gezicht op de Meeuwerderweg, hoek Verlengde Frederikstraat.


Tutjeshut, eerder Tutje Hut, oervorm Tuitjers Hutte

Tuitje Hut, ca. 1830, volgens de ouste kadasterkaart. Links het huis in de hoe tussen de dijk van de Oude A (boven) en de Nieuwe A (onder).

Tuitje Hut, ca. 1830 (kadaster). Links het huis in de hoek tussen de dijken van de Oude  (boven) en de Nieuwe A (onder).

Onlangs hoorde ik hoe een sergeant Lok in Finsterwolde anno 1917 met zijn geweer een Duits militair vliegtuig uitschakelde, dat nog redelijk beschaafd kon landen bij Tutjeshut.

In Lok zijn heldendaad zit natuurlijk op zich al een verhaal, want als ik mij niet vergis was het ook nog eens de allereerste keer dat zoiets boven Nederland gebeurde. Maar dat verhaal stond destijds al in geuren en kleuren in allerlei kranten – er valt nog weinig eer aan te behalen. Veel intrigerender is dan de naam Tutjeshut.

Tutjeshut bestaat niet meer, er ligt nu een plas. Het was een buurtschapje van hooguit een huis of drie ten zuidwesten van Nieuweschans. Het lag in de scherpe hoek die de Oude A en de Nieuwe A daar met elkaar maakten,  op de uiterste westpunt van een Stads Kijle lands. Doordat de stad Groningen hier vanaf de zeventiende eeuw de (onder)grond bezat, zijn er redelijk wat kaarten van de omgeving. Op die van voor 1800 (a, b) is er ter plaatse nog geen enkel huis of hut te vinden, laat staan een specifiek toponiem. Op een schets van uiterlijk 1813 echter, verschijnt er een huisvorm met de aanduiding Tuitjers Hutte, waarover straks meer.

Tuitjers Hutte

Tuitjers Hutte volgens een schets van ca. 1800, die niet west-oost, maar oost-west georiënteerd is.

De buurtschap zal dus omstreeks 1800 zijn ontstaan. De kadasterkaart van 1830 (zie bovenaan dit logje) laat er nog steeds een enkel huis zien met een ronde structuur ervoor, half op de dijk langs de Nieuwe A. Waarschijnlijk betreft het een watermolen met een watermulderswoning erachter. Interessant is dat de grond hier aan het uiterste eind ligt van de opstrek van een Nieuw-Beerster heerd, wiens eigenaar ook de grond en de opstal van Tutjeshut in eigendom heeft. Waarschijnlijk sloeg die watermolen het water van diens en mogelijk ook andermans (lage) land uit naar de A. Op de kadasterkaart heet het hier overigens nog geen Tutjeshut, maar Tutje Hut, een naam zonder bezitterige s die we ook in aanbestedingsadvertenties uit 1829 aantreffen..

Het toponiem hier ontwikkelde zich dus van Tuitjers Hutte, via Tutje Hut, tot Tutjeshut, de naam die vanaf 1850 vrijwel het alleenrecht lijkt te hebben..

De vroegste verschijningsvorm Tuitjers Hutte lijkt me samen te hangen met die van de familie Tuitjer die vanaf ongeveer 1740 in het kerspel Nieuw-Beerta leefde. De familienaam op haar beurt zou afgeleid kunnen zijn van een lichamelijke eigenschap, of een bezigheid. Qua lichamelijke eigenschap denk ik dan aan getuite lippen, en qua bezigheid aan het bespelen van een hoorn of trompet. Maar het zou vanwege tude, het Groningse woord voor kip. ook nog kunnen samenhangen met het houden van kippen, wie weet.

Minstens zo interessant als de oervorm Tuitjers Hutte, is de verdere ontwikkeling van het toponiem. Blijkbaar begreep men rond 1830 al niet meer het verband met de familie, die inderdaad al lang en breed naar Winschoten, Bellingwolde en Nieuwe Pekela verhuisd was. In die tijd staat het Groningse ‘tuttje’ nog voor een onnozel meisje, als we afgaan op de woordenlijst van Laurman. Volgens het woordenboek van Molema uit 1887 is tutje echter.een liefkozende aanspreekvorm voor een bemind  meisje geworden. Terwijl Ter Laan in 1952 bij tutje naar tudde verwijst, wat eveneens staat voor schat: “Kom hier mien tudde!”

De associaties kunnen in de loop der tijd dus nogal veranderen. Helaas is de term hut veel minder vaak in de woordenboeken vertegenwoordigd, maar ik herinner me nog heel goed mijn verbijstering, toen mijn oudoom in Feerwerd er zijn bijschuur mee aanduidde.  Deze hut was inderdaad kleiner dan de hoofdschuur, maar voor mijn Drentse dorpsjongensbegrippen toch nog reusachtig groot voor een hut. Hut betekende in Groningen van oudsher echter ook: kleine woning. Denk aan de sarrieshutten, van de belastingcontroleurs bij alle korenmolens.

Wellicht beklijfde de naam Tutjeshut ook door de klankmatige associatie met gezegden als huttegetut en met hutje en mutje. Huttegetut stond rond 1900 nog voor:  armoedige rommel, allegaartje, samenraapsel en gespuis, terwijl met hutje en mutje betekende en nog steeds  betekent: bepakt en bezakt, met heel het hebben en houden. Overigens komt het mutje in deze combinatie van mutte, motte of zeug, welk vrouwtjesvarkjen ergens wel goed past bij het armoedige samenraapsel.

Hoe dan ook, Tutjeshut hield de fantasie gaande. Gedurende haar bestaan en nog lang daarna.


Van Moskou naar Bellingwolde

Eind 1920 komen twee joodse jongens vanuit het revolutionaire Moskou aan in Bellingwolde. De reis, die ze grotendeels te voet aflegden, duurde zes weken. In een quaranntainekamp bij Enschede vertelden de jongens aan een correspondent van De Tijd over de verschrikkingen die ze achter zich lieten.

Men schrijft ons uit Enschedé:

In het quarantainekamp alhier zijn twee jeugdige Russische Joodsche jongens opgenomen, die, komende van Moskou, een groot gedeelte van den weg naar Nederland te voet hebben afgelegd.

Dankzij de bereidwilligheid van den directeur van dit kamp, waren wij hedenmorgen in de gelegenheid een onderhoud met deze jongens te hebben, waarvan de oudste, dankzij het gymnasium-onderwijs dat hij genoten had, vrij goed Duitsch sprak.

In een afzonderlijk vertrek van een der kampgebouwen kregen wij hen onder het genot van een sigaret spoedig aan het praten, waarbij de oudste, de 17-jarige A. het woord voerde, af en toe aangevuld door opmerkingen van den 14-jarigen B.

Wat den tegenwoordigen toestand in Moskou betreft (al is die wat het moorden betreft beter dan in 1918/19), waar beiden geboren werden vertelden ze ons, dat dit elke beschrijving te boven ging; het was gewoonweg niet te vertellen en nu ze hier eenigen tijd in Holland waren, kwamen hun de verschrikelijke gebeurtenissen in hun geboorteplaats voor als in een droom. De moeder van A. werd op straat door de Bolsjewieken doodgeschoten, omdat ze in het bezit van meer dan 3000 roebel was. Het lijk, dat op straat bleef liggen, werd later door hen weggehaald en met eigen handen op de Joodsche begraafplaats aan den schoot der aarde toevertrouwd. Deze straf wordt op iedereen toegepast, die op straat wordt aangetroffen en die meer dan genoemd bedrag bij zich heeft (= draconische maatregel tegen kapitaalvlucht, HP).

Met de voeding, kleeding en verwarming was het in de groote stad treurig gesteld. Wie niet bij de bolsjewieken is aangesloten, moet het met een kwart pond brood per dag stellen, doch de bolsjewieken zelf hebben aanspraak op het dubbele rantsoen. Wie buiten deze rantsoeneering op straat met brood wordt aangetroffen, wordt doodgeschoten.

Doch dit alleen is niet voldoende, want het „vrouwenbataljon” weet wel uit te vinden waar dit brood gehaald werd, en ook die persoon of personen krijgen den kogel. Dit „wijvenbataljon”, zooals A. het noemde, trekt naar de huizen der meergegoeden, die er van verdacht worden, nog geld of sieraden verborgen te hebben. Alles wordt onderzocht, binnens- en buitenshuis, af- en losgebroken, en wee hun, wanneer er iets te voorschijn mocht komen. Die z.g. rijken zijn van de distributie van voedsel uitgesloten. Het vroegere Russische geld, dat thans is vervangen door bolsjewiekenpapier, is niet meer gangbaar, maar wordt in het geheim toch nog in betaling aangenomen.

Voor nu twee maanden geleden, toen de jongens den tocht ondernamen, was de toestand in Moskou zóó, dat iedereen een goed heenkomen zocht. A. wist niet waar zijn vader heengetrokken was. De ouders van B. en een jonger broertje zijn eveneens deze stad, waar alle familieverband schijnt verdwenen te zijn, ontvlucht. Waarheen? hij wist het niet.

De Zionistenbond waar A. lid van was, is in Rusland, waar buiten de Bolsjewisme-organisaties niets erkend wordt, een verboden organisatie, en het lidmaatschap daarvan wordt bij ontdekking met den kogel gestraft.

Sluit men zich bij de bolsjewieken aan, dan zijn daar direct, vooral wat de voeding betreft, tal van voordeelen aan verbonden. Een boer, die in de stad komt en met een bolsjewiek in aanraking komt, ziet tegen hem op als iets buitengewoons. De soldaten ontvangen in de eerste plaats voedsel en menigeen is blij, ook al is hij geen bolsjewiek, voor den dienst opgeroepen te v/orden, omdat dat beteekent kleeding en voedsel. De troepen, die tegen Wrangel vochten (aldus A), gingen in het vuur met een ongekend elan, omdat hun onder aanvoering van de kopstukken der bolsjewieken, overvloed van voedsel was toegezegd. In Moskou telde men onder die kopstukken schoenmakers, huisknechten e.d.

De beide knapen waren de stad ontvlucht, met het vooropgezette doel Holland te bereiken en met de gedachte, dat ze daar vrij zouden zijn. Nu ze van ons vernamen, dat dit niet het geval was en dat ze vermoedelijk naar het kamp te Harderwijk zouden worden overgebracht, kwamen ze in opstand; vooral A., die verklaarde dat hij geen boosdoener was en dat hij niet naar „Herderwiek” wilde.

Wat de tocht zelf betreft, hadden ze kans gezien per trein de grens van Letland te bereiken. Een keer in Letland werd de tocht te voet voortgezet tot ze in Duitschland kwamen. De nachten werden veelal doorgebracht in nabij de stations staande goederenloodsen. Verder Duitschland in ontvingen ze hier en daar geld en dat stelde hen in staat af en toe per trein te reizen. Zoo ging het verder tot ze eindelijk, na een tocht van 6 weken, in de buurt van Bellingwolde over de Hollandsche grens kwamen en door de grenswacht werden opgepikt.

Hoe het hun hier beviel? Ze lachten toen we die vraag stelden en betuigden dat ze nog nooit in zoo’n goed land waren geweest; iedereen gaf hun geld en eten kregen ze volop. Toch kon A het niet goed zetten, dat hij eigenlijk een gevangene was. Hij wilde vrij zijn en evenals zooveel andere landgenooten, die naar Amerika trekken, hier in het vrije Nederland werken om den kost te verdienen.

We bemoedigden deze beide slachtoffers van den ontzettenden wereldoorlog met een enkel woord, zoodat ze ons bij het heengaan dankbaar de hand drukten, misschien in de meening, dat we iets voor hen zouden kunnen doen. Toen we nog een oogenblik buiten bleven toeven, zagen we de beide jongens, zoons van welopgevoede en eertijds welgestelde menschen, in de lichte kampkleeding, met groote klompen aan de voeten, de hun aangewezen barak weer binnengaan, om straks, o wreede werkelijkheid, op transport gesteld te worden naar Harderwijk. En dan

Naschrift –
Toen we het bovenstaande hadden opgesteld, gewerd ons door bemiddeling van den directeur van het quarantainekamp het verzoek, de namen der jongens achterwege te laten. Dit verzoek was speciaal gedaan door A. (gefingeerd evenals B.) omdat hij, zoo de door hem verstrekte inlichtingen onder de oogen mochten komen van den bolsjewieken-spionnagedienst, vreesde, dat zijn broer, die in Rusland soldaat is, daarvan de dupe zou worden.

Bron: De Tijd 10 december 1920 (in de dagen erna door vele kranten overgenomen).