Eemstaddin

Een oud, maar charmant pandje aan de Keerweer, een doodlopend steegje bij het Zuiderdiep:
2014-06-21 003
Duitsers durven hier weer te vlaggen (hoek Pelster-, Kleine Pelsterstraat):
2014-06-21 011
Postzakkenjasje – eigen maaksel of confectie?:
2014-06-21 012
Bus van de Commando Dienstencentra bleef op de drukke zebra onder de Martinitoren staan, ook nog nadat de vrouwelijke chauffeur vriendelijk was gevraagd of ze dat wist:
2014-06-21 015


Drents toertje

Uitgestapt op station Veendam, weer ingestapt op station Beilen.

Zwaan als windvaan op de Lutherse kerk in Veendam:
2014-06-20 006
Bij Gieterveen:
2014-06-20 013
Schoolklas op excursie gaat onder de N34 door:
2014-06-20 025
Rietdekker aan het werk bij Grolloo
2014-06-20 030
Oude hooimijt, Grolloo:
2014-06-20 033
Tjasker bij de fietsbrug door het Grolloërveen:
2014-06-20 038
Veenpluis, eveneens Grolloërveen:
2014-06-20 042
Eerbetoon aan de wijkverpleegster voor het oude gemeentehuis van Westerbork:
2014-06-20 055
Doar bluit mien eerdappellaand ook al:
2014-06-20 061
Sluisje in het Linthorst Homankanaal tussen Holthe en Wijster:
2014-06-20 068
Broekbos op het Dwingelerveld:
2014-06-20 072
Koeien versperren het fietspad bij De Mussels:
2014-06-20 079


Trijntje. Of de weifelmoedige hoorndrager

Op 24 februari 1791 meldde dominee Van Bolhuis in de gereformeerde kerke­raad dat Geert Luitjes van buiten ’t Kleinpoortje was komen klagen over zijn vrouw. Die echtgenote, Trijntje, was bijna tien maanden eerder bij Geert weggegaan. Al zijn smeekbe­den om bij hem terug te komen waren vergeefs geweest. Maar ze bleef wel in de buurt wonen, vlakbij ene Jacob Makken, met wie ze een “ergerlijke, gemeenza­me verkering” onder­hield.

Begin februari beviel ze van een kind. Op de achttien­de bracht ze dat onder de naam Jetske ten doop met de opmer­king dat de vader een buiten­landse reis maakte. Maar Geert was helemaal niet van huis geweest en had al die tien maanden geen “verkering” met haar gehad, zodat ’t kind als onecht geboekt moest worden.

Een zeldzaam schandaal. De kerkeraad zond meteen een commissie naar het stadbestuur, om er kennis van te geven. Op 1 maart verzochten Burgemeeste­ren en Raad hun fiscaal (aanklager) om een onder­zoek in te stellen naar het overspel, concubinaat en bedrog van Trijn­tje. Veertien dagen later rondde de fiscaal dit af. Hij hoefde verder geen aandacht aan de zaak te besteden. Toen Julle Ven­huis, de “rotmeester” (buurtbe­stuurder) van buiten Kleinpoor­tje, weer tien dagen later kwam klagen over het “schande­lijk levens­gedrag” van Trijntje en Géért, een gedrag waaraan de buurt zich hartgrondig ergerde, zetten de heren de fiscaal andermaal aan het werk, maar bleven strafmaat­regelen opnieuw uit.

Kennelijk was Geert tegen dominee Van Bolhuis loslippiger geweest dan tegen de sterke arm. Anders bevatte het rechterlijke archief over dit jaar wel Geerts aan­klacht, met een stuk of wat getuigenverklaringen erbij. Alleen op basis van een aanklacht van de bedrogen huwelijkspartner werd overspel vervolgd. Bleef zo’n openlijke verklaring uit, dan berustte de magistraat, tenzij er sprake was van een betrappen op heter­daad. Juist omdat die aan­klacht van Geert uit­bleef, ergerde de buurt zich. Daarom keerde de buurt zich ook tegen hem. Daar kwam de boodschap van de rotmeester eigenlijk op neer.

Kon het bevoegde gezag niets ondernemen, de buurt had haar eigen mogelijk­he­den al eerder benut. Precies in de maand dat Trijntje Geert verliet om vlakbij Jacob te gaan wonen, in mei 1790, kwam rotmeester Venhuis al eens klagen op het stad­huis. Hij maakte toen melding van “vele desordres en onorden­telijkhe­den” buiten Klein­poortje, veroorzaakt door een huwelijk, en noemde ook de namen van drie jongens die bij de ongere­geldheden voorop liepen. Waar­schijnlijk ging het om een soort van volksge­richt. Maar hoe dit zich precies voltrok, is onbe­kend, want ook daarover ontbreken nadere stukken. Als overspe­li­ge vrouw vormde Trijntje natuurlijk hét voor de hand liggende mikpunt, met Jacob Makken in een glansrijke bijrol. Maar ook Geert kan als “hoorn­dra­ger” (bedrogen echtge­noot) het slachtoffer van glazeningooierij, het insmeren van goed of lijf met pek, een ritje op de mestkar of iets dergelijks geweest zijn.

Laat me de participanten in het huwelijks- en buurtdrama eens wat beter in beeld brengen. Geert Luitjes en zijn vrouw waren nog niet zo lang getrouwd en woonden nog maar pas buiten Kleinpoortje. In november 1788 vestigden ze zich daar. Hij was toen 54 en zij 32. Ze kwamen van het land, zoals dat heette, om precies te zijn uit de omgeving van Garmer­wolde, en betrokken in het streekje aan de Trekweg buiten Kleinpoortje (oostzij­de Winscho­terdiep) een “kamer” (éénkamer­woning) die elf stuivers in de week deed, dus niet wat je noemt een paleis.

Dan was rot­meester Julle Venhuis wat beter af. Die bezat twee kamers onder één kap, vanaf de stad het derde pand voorbij Het Wapen van het Ol­dambt, de zuidelijke van de twee herbergen buiten Kleinpoortje. Het Wapen van het Oldambt bleef zeer lang bestaan en heette vlak voor de afbraak, ca. 1994, het Topper-pand. Waarmee de huidige plek van het echtelijke drama ook aan te geven is, namelijk De Meeu­wen, iets ten zuiden van de Griffe­brug. Ook Jacob Makken, de man met wie Trijntje het hield, was in betere doen dan Geert, want die bezat en bewoonde het zevende huis voorbij Het Wapen van het Oldambt, eveneens een twee-onder-één-kapper. Later erfde Makken trou­wens Het grauwe Paard, een her­berg in de tip tussen de Ooster­weg en Onder de Boom­pjes (Parklaan), dus buiten de Oosterpoort.

In 1791 mochten de démarche van de kerkeraad en de bemoeiie­nissen van het stadsbestuur dan op niets uitgelopen zijn, omdat Geert Luitjes geen voet bij stuk hield, ruim drie jaar later diende de bedrogen echtgenoot alsnog een aanklacht in tegen zijn vrouw. Hij wilde scheiden, wellicht om opnieuw te kunnen trouwen. Maar een civiel­rechtelijke scheidingsproce­dure kostte nogal wat geld. Zo’n investe­ring ging Geerts budget verre te boven. Vandaar dat hij van de heren gedaan probeerde te krijgen om de aankla­gersrol van hem over te nemen, in een strafrechtelijke procedure tegen zijn vrouw.

Dit keer bleven er wel stukken bewaard. Met Trijntje, zo vertelde Geert de fiscaal op 2 juli 1794, had hij slechts een jaar lang geleefd “als man en vrouw toe koomt”.  Maar toen begon ze “sterk te boeleeren” (= in ontucht leven):

“Zoo dat daar veel oneenigheid is door ont­staan. En waarop zij doen voor genomen heeft stilswij­gent van mij te gaan en meede neemende het geene haar anstaande, en doe naast haar pol is gaan onder één dak te woonen”.

Met Trijntje was het, kortom, van kwaad tot erger gekomen. Eerst pleegde ze ontucht, vervolgens kwam er onenigheid, daarna kneep ze er stiekum tussen­uit onder medene­ming van de spullen die haar bevielen, en als klap op de vuurpijl betrok ze de eenkamerwoning pal naast en onder één dak met “haar pol” (= een scheldwoord voor kerels die in het geheim een vriendin onderhiel­den, ook wel gebruikt voor pooiers of soute­neurs).

Zoals we weten beviel Trijntje in februari 1791 van een dochter Jetske, die ze bij de doop voor echt had willen laten doorgaan. Volgens Geert, drie jaar na dato, gebeurde dat “onder voor geven dat ik een vaarensgesel was en buiten Lands was, daar ik maar een deur of drie van haar woonde doen ter tijd”. Mede door allerlei vrouwelijke naberhulp bij kramen en dopen, bleef er in een buurt weinig geheim. Natuurlijk kwam Geert achter Trijntjes bedrog. Dadelijk was hij naar dominee Van Bolhuis gestapt om het kind als onecht in het doopboek te laten zetten. Boven­dien had hij tegen de dominee verklaard dat Trijntje “een Egtbreker hoer” was. Nog sterker, minder dan een jaar later beviel ze weer van een onecht kind, en dat was nog steeds niet gedoopt. Trijntje durfde daar niet mee naar de kerk om het ten doop aan te bieden.

“Na sterke overweeging en onderzoek gedaan te hebben” was Geert er eindelijk uit. Er was geen kans op dat hij ooit nog “de minste troost” bij Trijntje zou kunnen vinden. Hij had “nu dog te lang genoeg gemi­mert”. Daarom wendde hij zich “met alle ootmoedig­heid” tot de magi­straat met het verzoek “om voor Eeuwig van haar gescheiden te mogen wor­den”.

Geert deponeerde zijn aanklacht vlak voor het zomerreces. Voorlopig had de fiscaal het te druk met andere zaken – heren als hij brachten de zomer op het land door, waar ze zich ontspanden, maar ook bemoeiden met allerlei agrari­sche werkzaamheden op en rond hun buitenplaatsen. Pas na het zomerreces maakte de fiscaal echt werk van de zaak. Op 9 september 1794 hoorde hij Geert nog eens, voelde hij Trijntje aan de tand en nam hij de verklaringen op van een stuk of wat getuigen.

Geert bevestigde de aanklacht die van hem opgenomen was met zijn handteke­ning. De “verkering” van zijn vrouw met een ander kon hij niet bewijzen, maar dat ze een “echtbreekster” was, stond buiten kijf omdat ze in de kraam kwam zonder met hem “verkeerd” te hebben. Sinds drie jaar woonde ze niet meer met hem onder één dak, en een even lange periode hadden ze geen echtelijke omgang meer.

Trijntje, die niet kon schrijven, bevestigde tegenover de fiscaal dat ze al drie jaar bij haar man weg was. Ze verliet hem, zei ze, “omdat zij te samen niet konden accorderenstraat boven een pruikmaker woonde hielp haar bij de bevalling. Dat kind was nog niet gedoopt omdat haar man haar geen “handjeverklaring voor de doop) wilde geven. Waarom niet? Dat wist ze niet. Maar ze had Geert er vaak genoeg om gevraagd. Was haar man dan wel de vader van dat kind? Jazeker. Wanneer had dan voor het laatst met haar man verkeerd? Dat wist ze niet, maar ze

“was van haar man gegaan toen zij van dat kind zwaar ging”.

Op de vraag naar het kind dat ze eerder kreeg, verklaarde Trijntje dat Feikje zes jaar geleden gedoopt werd in de Martinikerk. Maar dat was haar oudste, wel degelijk uit het huwelijk met Geert voortgesproten dochter, en die bedoelde de fiscaal natuurlijk niet. Tussen de oudste en de jongste, zo gaf Trijntje toe, kreeg ze voor drie of vier jaar nog een meisje, Jetske, eveneens in de Martini­kerk gedoopt. Dit kind, inmiddels gestorven, had Trijntje zelf laten dopen, “want zij was van haar man gegaan toen zij van dat kind zwanger was” Nadien kwam ze weer bij Geert wonen en raakte zij in verwachting van haar jongste.

Trijntje probeerde dus aannemelijk te maken dat ze een soort knipper­lichtrela­tie met haar man onderhield, waarbij ze zwanger raakte als het licht weer even op groen stond. Volgens haar konden meerdere buren getuigen dat ze, nadat ze haar middelste kind kreeg, weer even bij haar echtgenoot inwoonde.

Maar die buren bevestigden het verhaal van Trijntje niet. Lysebet Tobias, de vrouw van Albert Mulder, verklaarde dat Trijntje al ruim drie jaar naast haar woonde, met twee kinderen, maar zonder haar man. In al die tijd had Lysebet Geert daar niet in huis gezien. En ook Rykes, voluit Hinderikus Roelfs en zijn vrouw Grietje getuigden dat.

Voor Trijntje ging het er dus somber uitzien. Temeer daar er ook nog een zwaarder belastende getuigeverklaring kwam, van glazenmakersbaas Schol­tens, vermoedelijk een vriend of werkgever van Geert. In mei 1794 kwam deze samen met Geert eens om half vier in de ochtend buiten Klein­poortje. Daar was nog geen volk op de been geweest, “omdat het nog zo vroeg was”. Geert en hij namen een kijkje in het huis dat Geerts vrouw bewoonde. En daar troffen ze een persoon aan, “in de wandeling Jacob met de Bek” geheten – ziedaar de bijnaam van Jacob Makken – “hebbende zijn kousen nog niet opgebonden, zijnde er geen ander volk in huis”.

Kortom, de glazenmakersbaas had in alle vroegte gezien hoe Jacob Makken zich aankleedde in het huis van Geerts vrouw, maar Trijntje was zelf de deur al uit, of hield zich schuil in bijvoorbeeld de bedstee. Over een sexuele omgang tussen Trijntje en Jacob met de Bek kon Scholtens niets zeggen, maar de aanwijzing daarvoor was wel sterk. In elk geval sterk genoeg om Trijntje in de piepzak te laten zitten. Terwijl de fiscaal de vroedvrouw achterhaalde die Trijntje in april 1792 hielp bij de geboorte van haar jongste dochter – deze vrouw De Raadt getuig­de dat Trijntje Geert als vader noemde – speelde Trijntje de troef­kaart uit, die ze tot dan toe steeds in haar mouw had gehouden en stuurde iemand om hulp uit Garmerwolde.

Uit de vroegere woonplaats van Geert en Trijntje kwam er weldra een verkla­ring van de diakonen (armvoogden) dat Geert Luitjes voor hun bekend had de vader te zijn van Aafien Derks’ kind. Geert was zelf dus niet bepaald brand­schoon, qua huwelijksmoraal. Kennelijk had hij daar in Garmerwolde zelf een onecht kind, dat door de diakonie bedeeld werd, en waarvoor de diakenen de onderhoudskosten op hem probeerden te verhalen.

Wie boter op zijn hoofd heeft, blijft maar liever uit de zon. Dat besef drong nu ook tot Geert door. Hij schreef de fiscaal een brief, waarin hij aangaf dat hij na ampele overweging ervan afzag zijn aanklacht door te zetten:

“En denken ik moet vergeven, zal mij weeder vergeven worden, en eischen niet alles wat men maar kan. En denken het zal maar best zijn om mijn leeven­sloop in eenzaamheid te eindigen. (…) Want alles word opgeraapt of het waarheid ofte onwaarheid is, en daar­over te sweeren in eenige deel is mijn zin niet. (…) Want alles wat al bij gebragt word is voor mij ondoenlijk om te verdeedi­gen, versoeke om die reden dat mijn Heer het maar in de minne laat vaaren.”

En aldus geschiedde. De fiscaal borg de stukken op in zijn archief, wellicht binnensmonds vloekend, en wensend dat hij nooit op Geerts aanklacht inge­gaan was.

(Lichte herziening van een verhaal dat eerder verscheen in De Oosterpoorter.)


Een ontmoeting met Jan Boer

Henk Scholte kwam ooit bij de bekende Grunneger schriever Jan Boer over de vloer en vertelt over diens inspiratie:


Maria Catharina

Net om een uur of zes op de terugweg naar huis, zag ik dit sleepbootje langs het Cascadecomplex varen:

2014-06-17 050

Het was de Maria Catharina, 70 PK, bouwjaar 1938, en volgens de achterplecht afkomstig uit Slikkerveer.  Die zal dus ook op de thuisreis geweest zijn.


Restauratie gaat ten koste van nieuwbouw

Ben het afgelopen lange weekend, terwijl de TV op de achtergrond het WK Voetbal geeft, nijver doende geweest om ouwe logjes op te kalefateren en daarmee de verschrikkelijke puinhoop op te ruimen die Web-log/Sanoma van mijn ouwe weblog gemaakt heeft.

Dat wanbedrijf liet ons webloggers op 1 maart 2013 definitief in de steek. Sindsdien had ik ongeveer een derde van mijn ca. 4000 logjes hersteld, waarbij ik er ook enkele honderden weggooide (m.n. attenderingen en ooit geëmbedde youtube muziekfilmpjes die niet gauw genoeg terug te vinden waren). Hoe dan ook verliep het proces met ups en downs en vrij traag. In dat tempo zou het een vijfjarenplan worden, vandaar dat een kleine versnelling raadzaam was.

Hersteld zijn nu alle logjes van voor 1 januari 2006 en na 1 januar 2010. Van de tussenliggende vier jaar is ongeveer een derde tot de helft weer in orde. Onderhand leert de ervaring dat ik ongeveer drie of vier maanden in een dag doe, zodat ik voor het rechtzetten van het restant in totaal nog veertien werkdagen nodig heb.

Ik zit nu wel een in een flow, krijg er plezier in, vind het zelfs moeilijk om ermee op te houden. Anderzijds kom ik zo niet aan nieuwe stukjes toe. De restauratie gaat zogezegd ten koste van de nieuwbouw. De mouw die ik eraan pas is het sporadisch twitteren van oude logjes die ik er bovenuit vind steken. Zo blijven de stats nog een beetje op peil. 🙂

Nog een plannetje voor de toekomst: een fijnere categorisering. De vrij zware, met foto’s overladen rubriek Het Noorden had ik al opgesplitst in Ommelanden en Drenthe, maar die Ommelanden-categorie is nog steeds veel te zwaar. Die ga ik na de algehele restauratie nog verder opdelen in landschappen: Westerkwartier, Hogeland, Lageland, Oldambt, Westerwolde, Veenkoloniën en Gorecht.

De geschiedenis-rubriek is ook veel te omvangrijk, ik denk dat ik die daarna ga uitsplitsen. Hoe, dat weet ik nog niet.


Met al die kriebelbeestjes is hooien in een juichpak dus geen goed idee

tenminste niet als je als hobbyboer van rechte lijntjes houdt:

2014-06-14 008

2014-06-14 009

2014-06-14 011

2014-06-14 014

(Landje tussen de Eelder Madijk en de Ter Borchlaan.)


Bloemig ommetje

In de zuidoostelelijke hoek tussen de Madijk en de Bruilweering stikt het opeens van het vingerhoedskruid op een voormalige huisplaats:
2014-06-14 004
Talud naast steigertje tegenover de Eelderwolder nieuwbouw: klaprozen te over:
2014-06-14 021
Eelderdiep voorbij der afslag Schelfhorst – een en al bloeiende krabbenscheer:
2014-06-14 029
Bij de brug over het Eelderdiep – setje waterlelies:
2014-06-14 039
Peize, Groningerweg – havikskruid:
2014-06-14 044
Een en al havikskruid in de berm  van de Hooiweg te Roderwolde:
2014-06-14 063
Onlanden – dichtgroeiende sloot:
2014-06-14 076
Onlanden – rolklaver (met dank aan Hendrika):
2014-06-14 082


Moralistische puutjes van de melkfabriek

Tussen de papieren van mijn vader, die de boekhouding deed voor een paar honderd boeren uit de omgeving, zaten deze twee zakjes waarin – als je het mij vraagt – de lokale melkfabriek het melkgeld voor de aangesloten boeren verpakte. Uit welk jaar ze precies zijn, is me onbekend. Er staan wel data op, maar zonder jaartallen. Me dunkt echter dat ze uit de periode 1950-1965 stammen.

Het gekke is dat op beide puutjes, die getuige de data met en tussenpoos van twee maanden zijn afgegeven, een identieke berekening staat met twee inhoudingen, waarvan er een de O.B. of omzetbelasting betreft.

Laatst hoorde ik weer eens een jeugdige clichématig fulmineren tegen opgestoken vingertjes, maar dat die soms nodig zijn,  laten de bepaald zinnige boodschappen op deze puutjes voor de boeren zien.
1
Penicilline in de melk was vooral in de jaren vijftig een zorg, hoewel er destijds ook geleerden waren die de risico’s wegwuifden:
2


Hekserij in Beerta

“Ten bewijze, dat het geloof aan toovenaars en hekserijen, zelfs in de schijnbaar meest beschaafde en verlichte gedeelten dezer provincie niet is uitgeroeid, kan onder anderen het navolgende dienen:

In den morgen van den 8 Mei ll. vervoegde zich ten huize van R. L. van Dijk, arbeider te Beerta, een vreemdeling, die onder voorwendsel van zijne tabakspijp te willen aansteken, met de huisgenooten een gesprek aanknoopte en van dezelve vernomen hebbende dat het dochtertje van genoemden van Dijk sedert lang in een ziekelijken toestand verkeerde, te kennen gaf, dat hij haar wel zoude kunnen genezen, en dat het hem voorkwam dat zij behekst was.

Op zijn verzoek stelde men hem een linnen draad ter hand, dien hij het kind, op de borst legde en ten deele om den hals wond. Daarna deed hij door de ouders van het kind knoopen in dien draad leggen en vervolgens denzelven in stukkeu hebbende gesneden, legde hij dien tezamengevouwen in de hand van het zieke meisje, en deed toen door den vader de hand van het kind in de zijne sluiten.

De vreemdeling, na zich daarop, gedurende eene wijle tijds, te hebben verwijderd, nam bij zijne terugkomst den draad wederom uit de hand van het meisje, als wanneer, tot groote verwondering der omstanders, bleek, dat al de knoopen uit den draad waren verdwenen, waardoor de ouders der lijderes het volkomenste vertrouwen op het geneeskundige vermogen des vreemden bezoekers opvatteden.

Na verloop van eenige oogenblikken verzocht deze om een ei, een vrouwenrok en een zakdoek, en dezelve bekomen hebbende, wikkelde hij die in elkander en legde dezelve alzoo onder het hoofd van het zieke kind. Den volgenden morgen nam de vreemdeling den rok en zakdoek weder uit elkander roerde het ei, ’t welk daarin was gewikkeld geweest even met een stokje aan, en deed hetzelve vervolgens door den vader in stukken breken, als wanneer daaruit eene pad te voorschijn kwam, waardoor het geloof der ouderen, dat hun kind werkelijk was behekst en tevens hun vertrouwen op den vreemde nogal meer en meer werd versterkt.

Ten gevolge daarvan stelden zij hem op zijne aanvrage den gebezigden rok en zakdoek, benevens nog een vijfstuiverstuk gereedelijk en zonder eenigen argwaan ter hand, terwijl hij hun beloofde dat zij die goederen na verloop van eenige dagen, uitgenomen het geld, zouden terugontvangen, onder bijvoeging, dat hij die goederen nu moest medenemen, om de algeheele genezing van het kind te bewerkstelligen, ’t welk volgens zijne toezegging, na verloop van negen weken volkomen hersteld zoude zijn.

De vreemdeling is daarop vertrokken , en men heeft, na dien tijd, noch van hemzelven, noch van de door hem medegenomene goederen iets hoegenaamd meer kunnen te weten komen.

Zekere F. W. Blumstein, oud 56 jaren, van beroep blaauwverwer, herkomstig uit Hessenkassel, zonder vaste woonplaats, onder verdenking geraakt van de bedrijver te zijn van voorzeide opligting, heeft te dier zake heden voor het Provinciaal Geregtshof, regt doende in hooger beroep van correctioneele zaken, teregt gestaan, doch is bij gebreke van een voldoend regterlijk en overtuigend bewijs der identiteit des daders, van het hem als voren te laste gelegde feit vrijgesproken.”

Bron: Utrechtse Courant 24 september 1847.


Avondrondje Eiteweert – Leegkerk

Kleine vos op distel:
2014-06-08 011
Paadje bij de Groningerweg, Peizermade:
2014-06-09 006
Hamersweg:
2014-06-09 016
Hamersweg (waar iemand trouwens weer afval had gedumpt)::
2014-06-09 021
Een vette haas te Eiteweert
zat heel erg doodgemoedereerd
te kijken naar ’s zons ondergang.
“Vroeger””, sprak hij, “was ik donders bang,
maar als Onlander heb ik dat afgeleerd”.
2014-06-09 040
De hoeve Eiteweert:
2014-06-09 044
Vanaf de Tichelwerksbrug:
2014-06-09 054
Bij Leegkerk:
2014-06-09 064


Een windhoos bij Woltersum

Uit Woltersum: Terwijl gisternamiddag plm. 2 uur de donder vreeselijk ratelde en de bliksem de lucht doorkliefde, zette zich ten Zuiden van ons dorp een windhoos op. Hij nam een aanvang ongeveer bij de voormalige Westzijdermeer, slingerde aldaar eenige hokken vlas van den landbouwer J. Smit uit elkaar en omhoog, vervolgde den weg vandaar over Luddeweer naar Hooghammen en kwam onderweg met verschillende stukken in hokken staande rogge en met op ruiters staande erwten in aanraking, waarvan sommige als vogels door de lucht vlogen.

verscheiden meters over den grindweg midden in een stuk land is geslingerd. Een paar arbeiders, uit ons dorp, die juist daar op de plaats, waar het instortte een schuilplaats hadden gezocht, kregen eenig letsel aan arm en been. Hun hoofddeksels, vertelde men, zijn door den wind opgenomen en hebben ze niet weer gezien.

Vanaf Grauwedijk ging hij meer noordelijk en liet zijn macht eerst in het Eemskanaal tusschen brug 7 en 8 gevoelen. Daarna moest de boerenbehuizing van den heer W. Knotnerus het ontgelden. Hier werd de schuur verzet, vele ruiten werden stuk gedrukt, boomen ontworteld, etc. Vandaar ging het naar de plaats van den landbouwer Keijer, alwaar hij ook, doch in minder mate schade aanrichtte.

Waar het eind van de verschrikkelijke verwoesting was kan de verslaggever niet melden, maar wel dat velen van een dergelijk bezoek in ’t vervolg verschoond wenschen te blijven. Het gebeurde overal in een tijd van slechts twee minuten- In ons dorp was het op dat moment bladstil geweest.”

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 11 augustus 1906. (Er omheen staan soortgelijke berichten uit omliggende plaatsen, zoals Loppersum).


Het Leekster Hoofddiep in diverse kwaliteiten

In Leek, eigenlijk een ouwe veenkolonie, wilde men de oudste verkeersader, te weten het Leekster Hoofddiep, niet weer opnieuw opengraven. In plaats daarvan voorzag de recente opknapbeurt van het centrum in een suggestie van die vaart:
2014-06-07 042
Het ongedempte Leekster Hoofddiep begint pas een flink eind verder:
2014-06-07 044
Hier laat de gemeente Leek momenteel de beschoeiing opknappen:
2014-06-07 046
Paaltjes met metalen plaatjes op de koppen, die waarschijnlijk moeten voorkomen dat die koppen bij het inslaan uiteen gaan rafelen:
2014-06-07 047
Het platform met de dragline die de palen inslaat:
2014-06-07 053
De paaltjes vormen niet helemaal een kaarsrechte lijn (aldus kniesoor):
2014-06-07 056
Wellicht omdat de bodem daar (vanwege een vroegere wijk of zijkanaal?) wat weker is, zijn de palen op sommige plaatsen wat dieper de grond ingegaan:
2014-06-07 062
Verderop liggen er al keien achter de nieuwe buining:
2014-06-07 067
Nog weer verder heb je een oude, sterk aangetaste kade:
2014-06-07 074
Een brug moet daar zelfs zodanig gestut worden, dat scheepvaartverkeer er finaal onmogelijk is:
2014-06-07 077
Trouwens, ook auto’s mogen er niet meer over die brug:
2014-06-07 079
Een sluis is daar zo lek als een mandje:
2014-06-07 084


Bij de begrafenis op een pestkerkhof

Haubois 1640 Nkh uitsnede blog

Detail uit de vogelvluchtkaart van de stad Groningen, omstreeks 1634 gemaakt door Egbert Haubois. Het betreft een begrafenis op het nog onbebouwde Nieuwe Kerkhof, waar dertig jaar later de Nieuwe Kerk zou verrijzen.

Twee doodgravers zijn bezig het vooraf gegraven graf te dichten. Naast de groeve staat de barve, de uit de kerk opgehaalde draagbaar waarmee de buurmannen of de gildebroeders van de dode diens kist naar het kerkhof hebben gebracht. Je kunt veronderstellen dat zij zich tussen de belangstellenden bevinden. Wat verder opvalt is dat mannen en vrouwen apart gegroepeerd rond het graf staan. De vrouwen dragen waarschijnlijk speciaal voor de gelegenheid, lange sluiers en -gewaden en de mannen hebben hun meer gewone kledij aan. Achter, rechts voor de kerkhofspoort, staat een tafeltje met daarop het bekken van de diakonie. Straks, na de begrafenis, deponeren de aanwezigen daarin hun liefdegaven voor de armen. Een zich van de begrafenis afzijdig houdende man, mogelijk een diakoniedienaar of een diaken, houdt toezicht op het tafeltje.

Het Nieuwe Kerkhof kwam in 1623 tot stand als begraafplaats voor slachtoffers van een pestepidemie. Volgens Ast en Overdiep die dit memoreren in een boekje over de kaart van Haubois (1983), werden lijkdragers destijds “gewapenderhand gedwongen tot uitoefening  van hun taak”. Of het hierbij ging om dragers die het stadsbestuur speciaal voor de epidemie had aangesteld, of om buren of gildebroeders, vertellen Ast en Overdiep  er helaas niet bij, maar als het om buren ging, staat hun mededeling op gespannen voet met een observatie van Anthony Deusing. Schrijvend over de angst voor pestbesmetting rept deze Groninger hoogleraar geneeskunde (1647-1666)  juist van een zeer grote sociale druk bij buren onderling om aanwezig te zijn bij het afleggen, kisten en ten grave dragen van een pestslachtoffer uit hun buurt:

“Het ís een onmenschelijke en yselijke gewoonte, die ín de Stadt Groeningen in zwang gaet, dat namelyk een gansche buurt, daerin dikwils twintigh, dertigh en meer huisgezinnen woonen, zich na het lijk, dat eerst van de Pest gestorven is, begeeft, alwaer geen ontschulding moet plaets grijpen, alwaer ze – schoon dat zommige noch zoo schreumachtigh of uit eenige eigenschap der natuure tot het verrichten dezer diensten onbequamer, en al zouden ze ook alleen maer ydele toezienders zyп – alle nochtans gedwongen worden te verschijnen en dat met deze dreigementen, dat byaldien ze mee met de Pest bezocht worden, van alle gebuuren zullen verlaten worden, indien ze zulx niet doen. Dit is een treffelijke Godtvruchtigheit aen de dooden bewezen, die de levendigen zonder alle liefde en barmhertigheit in ziekten en ter doot sleept.”

Kortom, hoe ongeschikt ook, iedere naber moest zonder meer aanwezig zijn bij het doen van de naberplichten, zoniet, dan weigerden de buren ook de naberplichten te doen als hij of zij ziek of gestorven was. Absentie leidde kortom, tot het verstoken zijn van de gebruikelijke zorg en daarmee sociaal isolement. Uit een oogpunt van volksgezondheid laakte Deusing deze praktijk, maar volgens hem kon een stadsbestuur daar een eind aan maken door het toestaan van plaatsvervanging bij naberplichten, bijvoorbeeld door ingehuurde krachten of dienstboden. In de achttiende eeuw bestond die mogelijkheid inderdaad in Groningen. Omdat vooral de beter gesitueerden zich daarmee aan de naberplichten onttrokken,  bracht dit als nadeel met zich mee dat de buurtsolidariteit op losse schroeven kwam te staan en arm en rijk uiteendreven, maar dat kon Deusing uiteraard niet voorzien.


Pubers

Hans Koster filmt met een statische camera alledaagse sociale situaties in de stad Groningen. Dit keer had hij een stel ongedurige pubers op de Grote Markt in het vizier: