Boedelinventarissen Weeskamer online
Geplaatst op: 29 april 2014 Hoort bij: Stad toen, Webdinkies Een reactie plaatsenOnlangs zijn alle boedelinventarissen uit het archief van de Groninger Weeskamer als scan online gezet. De stukken zijn toegankelijk via een klapper op de namen van de erflaters en/of hun partners.
De Weeskamer was in de zeventiende en achttiende eeuw de instantie die hele en halve wezen van de stad beschermde tegen de eventuele inhaligheid van hun stiefouders en/of voogden. Onderdeel van het toezicht vormde het opstellen van een boedelinventaris, waarop alle bezittingen van de oorspronkelijke ouders kwamen te staan. Zolang er geen boedelscheiding was opgemaakt, waren die meestal voor de helft het eigendom van de overlevende partner, voor de andere helft van de (half)wezen. Boedelinventarissen vormen een prachtige bron voor onderzoek naar o.a. kleding, huisraad, werktuigen, taalgebruik en veldnamen.
Cerevisia Groningae (kluun)
Geplaatst op: 28 april 2014 Hoort bij: Stad toen 10 reacties“Daar is weinig over het bierbrouwen in het Nederduitsch geschreeven. Dog zeekere Doctor Martin Schokius te Groningen heeft eertijds een klein tractaat in ’t latijn: de Cerevisia Groningae – of van het Groninger Bier, dat hedendaags gewoonlijk Kluin genaamt word – in ’t ligt gegeeven, waarin hij tragt aan te toonen, dat de deugd en duurzaamheid des biers, dat in ’s voorjaar gebrouwen word, hooftzaakelijk afhangt van de leevensgeesten die het water en andere natuurlijke dingen dan weder zouden verkrijgen…”
Aldus het Woordenboek van Chomel (1778, de tweede druk) in het lemma over bier. Heb even gezocht naar het werkje van de geleerde Schokius, beter bekend onder zijn moersnaam Schoock. De universiteitsbibliotheek in Groningen bezit het helaas niet, hoewel Schoock hier hoogleraar was. Het tractaatje lijkt zelfs geheel en al te ontbreken in Nederlandse collecties, misschien ook omdat Schoock, hoewel een erkend turfdeskundige, later als filosoof en universeel geleerde niet helemaal meer voor vol werd aangezien. Voorlopig vond ik alleen in Philadelphia een exemplaar. Het stamt uit 1661.
Eens kijken hoeveel een copie me kost. Daarna een bierliefhebber opsnorren die het latijn machtig is en het boekske wil vertalen. Ben vooral benieuwd, of er een kluinrecept in staat.
Het Hoendiep hield niet van hotemetoten
Geplaatst op: 27 april 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenDe Nederlandsche Jaerboeken memoreren in hun aflevering van maart 1753 dat er een maand eerder nieuwe Gecommiteerde Raden, zeg maar dagelijks bestuurders, van de Ommelanden waren verkozen. Voor het Westerkwartier ging het onder meer om Jacob Kornelis, die zijn vader Kornelis Jacobs in die functie opvolgde. Beide waren afkomstig van Hogemeeden. Over de zoon zegt het jaarboek echter, dat hij “sedert overleden” was.
Die zoon was geen natuurlijke dood gestorven, zo blijkt even later uit dezelfde kroniek, die vertelt over een ongeluk dat plaatsvond op het Hoendiep nabij de Kerkewegsbrug:
“Op den 22 der vorige Sprokkelmaend, ging alhier in een klein schuitje zekeren Kornelis Jacobs, onlangs afgegane Gecommiteerde Raed wegens de Ommelanden , in gezelschap van nog een ander persoon , [bij] welk gezelschap op de hoogte van de Oostwolder pastorie zich voegden de zoo-even genoemden thans verkoren Gecommitteerden Raed Jacob Kornelis en deszelfs huisvrouw , allen met oogmerk om naer hunne woonplaetse te Hoog- en Laeg Meden te reizen. Dezen ter hoogte van de Oostwolder Til of Brug komende, viel een van het gezelschap buiten boord, waerop de anderen straks (= dadelijk HP) toeschooten om hem, ware het mogelyk, te redden; doch by deze gelegenheid alle degenen die in ’t schuitje waren, zich op deszelfs zyde schikkende, sloeg het onderst boven, waerdoor zy niet alleen allen in het water geraekten, maer ook allen ongelukkig verdronken, behalven alleen de bovengemelde Kornelis Jacobs (de vader HP), die ter naeuwer nood door een hem te hulp komenden schipper nog gelukkig gered werd. De persoon van Gecommitteerden Raed, wegens de Ommelanden, hier door ontbrekende, zal daervoor weder een ander verkooren moeten worden.”
Ruim anderhalve eeuw voordat de jonkersfamilie Van Panhuys in het Hoendiep verdronk, was vijf kilometer verderop iets dergelijks dus al eens gebeurd met een andere vooraanstaande familie uit het Westerkwartier. Het Hoendiep, zo zou je kunnen zeggen, hield niet van hotemetoten
Lavater in Hoogkerk
Geplaatst op: 26 april 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk, Stad toen Een reactie plaatsen

Op de intekenlijst (1780) voorin de Nederlandse vertaling en samenvatting van Lavaters werk over de gelaatkunde, vindt men staan (p. 5):
“Francke en dogter (J.H.) zeepzieders by Groningen.”
Bedoeld zijn de ondernemers van de zeepziederij op het terrein van de voormalige borg Elmersma, bij de brug te Hoogkerk. De dochter, Geertruida, is wel voor een savante gehouden. Uit zo’n notitie als bovenstaande blijkt dat ze haar veronderstelde weetgierigheid niet van een vreemde had.
In totaal waren er 42 Groninger intekenaars op dit werk. Als we de 10 studenten gemakshalve even voor academici tellen, dan behoorde een ruime meerderheid tot de geleerde wereld: 8 juristen, 4 stadsbestuurders en –ambtenaren, 7 theologen, 4 medici. een letterkundige en een mathematicus. Van de niet-academische intekenaren bleken er 7, een grote meerderheid, boekhandelaar. Waarschijnlijk waren die vanuit een commercieel motief in de uitgave geïnteresseerd. Afgezien van deze boekhandelaren en de Frankes was de handelsstand slechts vertegenwoordigd door 3 kooplieden en een jeneverstoker. In hun belangstelling voor Lavater sloten de Frankes dus meer aan bij (een segment van) de geleerde wereld, dan bij hun eigen stand.
Lavater, een Zwitserse predikant, was in geleerde kringen destijds het gesprek van de dag met zijn Physiognomischen Fragmente zur Beförderung der Menschenkenntnis und Menschenliebe (4 delen, 1775-1778). Volgens hem kon je iemands karakter uit diens gelaatstrekken afleiden. Met zijn theorie zou hij bijgedragen hebben aan de populariteit van silhouetportretten in de laatste decennia van de achttiende eeuw.
Floravaria
Geplaatst op: 26 april 2014 Hoort bij: Hoogkerk, Ommelanden 4 reactiesIn enkele weilanden bij Enumatil zie je enorme hoeveelheden paardebloemen:

Op andere percelen staat helemaal niets, terwijl er ook nog stukken zijn, waarvan alleen de randen bezaaid lijken:

Een al jarenlang leegstaand boerderijtje bij de Aduarderdiepsterweg:

De bloemperken worden allang niet meer geschoffeld, maar de tulpen knallen nog steeds dwars door het onkruid heen:

Hospita’s belangrijker dan geleerden bij keus voor Groningen als studiestad
Geplaatst op: 26 april 2014 Hoort bij: Stad toen, UK + RUG 1 reactie“Ouders uit andere gewesten, zelfs uit de verst afgelegene, zenden hunne kinderen na de Groninger Academie, vooreerst omdat door eene eenvoudiger leevenswyze de studiën en andere zaaken daar minder kostbaar zyn. Ten anderen om dat aan den eenen kant de luxe zo groot niet is als in meer bloeijende gewesten. Die wegens den koophandel en andere belangen in de stad Groningen hunne betrekkingen hebben, vinden menigvuldige gelegenheid hunne kinderen daar goedkoop te besteeden en de zorg voor hun aan vertrouwde bekenden aan te beveelen.”
Aldus de uit de stad Groningen afkomstige representant Scato Trip bij een debat in de Nationale Vergadering over de concentratie van het academisch onderwijs (1797). Voor Groningen koos men derhalve niet zozeer om de aantrekkelijkheid van zijn universitaire opleidingen, als wel om de bijkomende omstandigheden. De hospita’s, met andere woorden, gaven de doorslag, niet de geleerden.
Bron: Vaderlandsche historie vervattende de geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden (…) ten vervolge van Wagenaars Vaderlandsche Historie, deel 39 (1807) p. 29-30.
Arcadische genoegens rond de stad
Geplaatst op: 24 april 2014 Hoort bij: Ommelanden Een reactie plaatsenWild raapzaad bij Eiteweert:

Aduarderdiepsterweg:

De ideale camouflage voor een buitenaardse invasie:

Koeientoneel te Leegkerk:

De kerk van Leegkerk:

Kalverselectie bij Slaperstil:

Baggeraars op het Van Starkenborghkanaal:

Bij de grens van stad:

Plaggeturf en baggerturf
Geplaatst op: 24 april 2014 Hoort bij: Geschiedenis 3 reactiesHet verbruik van de twee hoofdsoorten turf en de regionale verschillen daarin, over dat onderwerp staat er een interessante observatie in Le Francq van Berkeys verhandeling over de turfas (1779).
In Groningen en Friesland, zo geeft hij aan, werd “in menigte” de gewone “plagge-turf”gestoken, dus uit hoogveen. Deze diende hier op het platteland als huisbrand.
De stedelingen van Groningen en Friesland daarentegen, verstookten thuis baggerturf, ook wel zwarte turf genoemd. Deze kwam uit laagveen (dus vanonder de (grond)waterspiegel). Ook Amsterdammers gebruikten thuis veel noordelijke baggerturf.
In Hollandse fabrieken werd echter een “ontzachelyke menigte” plaggeturf gebruikt, misschien nog wel meer dan het totale verbruik van deze turfsoort in de provincies van herkomst. Terwijl er dan ook nog noordelijke plaggeturf naar de zuidelijke Nederlanden ging.
Onbewogen land
Geplaatst op: 23 april 2014 Hoort bij: Kunsten, Ommelanden 2 reactiesFilm van Itamar Kool over de omgeving van Westerwijtwerd, haar bewoners en de aardbevingen:
Het Oldambtster Wapen aan de Oosterstraat
Geplaatst op: 21 april 2014 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
De tabakshandel van Pieter Koning, Oosterstraat 33 in Groningen. Links staan stopflessen met snuiftabak, een vijzel en een rijtje gewichten in de kast. Op de toonbank ponds- en/of halfpondspakken pijptabak. Verder weegschalen en achterin de zaak twee bedienden die pakken vullen en afwegen.
De foto komt uit Oud Groningen Stad en Lande van C.H. Peters en zal omstreeks 1920 gemaakt zijn. Peters noemt niet de naam van de uitbater, maar wel diens merk: Het Wapen van het Oldambt:

Oftewel de grote viertorende kerk van Midwolda, waarvan een restant in 1738 verdween, maar die nog steeds prijkt op gemaal Kremer in Termunterzijl. Ook een herberg aan het Winschoterdiep in Groningen voerde tussen 1730 en 1930 overigens dit wapen. net als een kruidenierszaak aan het Schuitendiep in de negentiende eeuw. Het was dus een redelijk populair beeldmerk in de stad.
De firma P. Koning adverteerde jammer genoeg hoogst zelden in het Nieuwsblad. In 1919 gaf zij te kennen dat ze dankzij de weer op gang gekomen overzeese aanvoer de prijzen kon verlagen tot een gulden voor een halfpond rooktabak en 90 cent voor een gelijke hoeveelheid pruim. Tegelijkertijd was de kwaliteit aanzienlijk verbeterd.
Eind 1920 fuseerde het bedrijf met de tabaks en sigarenfabriek van I. Kranenburg. Niet lang daarna verhuisde het naar de W.A. Scholtenstraat 26, waar een nieuw fabrieksgebouw werd betrokken en waar om de hoek aan de Oostersingel nog een tegeltableau aan de onderneming herinnert. Ook in de Tweede Wereldoorlog zal het niet best zijn gegaan met het bedrijf. Volgens het Handelsregisterdossier werd de fabricage van tabak in 1953 stopgezet. Er bleef toen nog een groothandel in tabak en aanverwante artikelen over, maar die sloot in 1961 de deur.
De foto van de oude winkel bleek met een foutief bijschrift afgedrukt bij de regionaal-historische rubriek van Jacob Tilbusscher in het Nieuwsblad van 21 januari 1928. Een week later zette Tilbusscher de fout recht, waarbij hij meldde dat de firma in de Oosterstraat nog een uithangbord met het Oldambtster wapen had, dat helaas verdwenen was. In de gevel van het nieuwe fabrieksgebouw zou het wapen opnieuw zijn aangebracht. Volgens Tilbusscher heette de tabak van de firma Koning naar de vier torens van het Oldambtster wapen ook wel torentabak, maar hier leek hij een nieuw abuis te begaan, want dat was een merk van Lieftinck.
Elementen van de achterlaten tabakswinkel in de Oosterstraat bleven vrij lang in dat monumentale pand zitten. Zo werd bij een restauratie in 1973 een glaspui van deze winkel verwerkt. Verder bleven de zwart marmeren schouw, en een plafond met gestucadoorde rozetten. Kloostermoppen uit het pand gingen naar de Martinikerk.
Sinds 1973 heeft het pand Oosterstraat 33 een horecafunctie gehad, met gelegenheden als club C’est ça en de Ierse pub Sally O’Briens. In de laatste tent ben ik wel eens geweest, maar ik herinner me weinig monumentaals. Ben benieuwd of er nog iets van dat interieur van ‘t Oldambtster Wapen over is.
—
Enigszins herzien op 22 april 2014.
Wind mee vanaf Nieuweschans
Geplaatst op: 20 april 2014 Hoort bij: Ommelanden 4 reactiesEen mooi stuk koolzaad vanaf Nieuweschans in de richting van Nieuw-Beerta:

Imker aan het werk:

Wat dichterbij;

En vanuit een andere hoek:

Boerderij op Finsterwolderhamrik vervalt steeds meer:

Het enige nog zichtbare raam van de bovenverdieping:

Oostwold vanaf de Goldhoorn:

Topgevel boerderij Oostwold:

Het gerestaureerde hek van het kerkhof, Oostwold:

Op de grens van Oostwold en Midwolda hebben ze een enorme kuil gegraven – het is een soort van zwaaikom of sluis:

Deze geeft toegang tot het nieuwe kanaal dat straks aantakt op het Termunterzijldiep. Daarvan is al een stuk klaar bij Midwolda:

Een enorm karwei, zo’n kanaal graven:

Siamees tweelinghuisje op de diepswal bij Zuidbroek:

Met een aardig gevelsteentje van een watermolen:

Kolham, de plek waar in 1959 gas aangetroffen werd:

Kotje in Westerbroek:

Rondje Lieveren
Geplaatst op: 19 april 2014 Hoort bij: Drenthe 1 reactieDistel in de knop, Onlanden:

Wilde raapzaad?, Onlanden:

Ooievaar, Onlanden:

In blad schietende eik, Foxwolde:

Landschap bij Foxwolde:

Foxwolde:

Weehorsterweg, Roden – ontluikend lijsterbesblad:

Het ensemble op de Weehorst staat er nog steeds:

Zuides Lieveren richting Alteveer:

Zelfde plek, maar ingezoomd op het boerderijtje:

Aan de zuidwestkant van Lieveren worden het Nieuwe Diep en de Slokkert, bovenlopen van het Peizerdiep, gehermeanderd:

Nieuwe cascade of vistrap:

Overbodige afrasteringen:

Gereconstrueerd beekje:

Bloeiende brem bij Donderen:

Zonnebadend lam met spreeuwen:

Individualistische waterbeheersing
Geplaatst op: 18 april 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk, Stad toen 2 reacties“De laage landen onder Groningen staan doorgaans van het begin van november, of somtyds nog vroeger, tot aan april, ook wel laater, onder. Dat veel afhangt van de menigte van den gevallen regen; doch voornamentlyk van de westewinden, die den afloop van het water beletten; en de oostewinden, die het spoediger ontlasten. Terwyl men op zeer veele plaatsen de opdrooging als aan het geval (= toeval HP) overlaat. Want op weinige plaatsen heeft men tot de ontlasting gemeenschappen en goede molens; maalende doorgaans ieder landman voor zich zelven met slegt gereedschap maar tot 2 voeten. Men heeft molens tot 3 en een half, hetgeen men meent het uiterste te zyn.“
Met andere woorden: bij Groningen liet men in de achttiende eeuw de lage landen gewoonlijk van november tot april onderlopen. Soms begon dat al in oktober, soms eindigde het zelfs pas in mei, wat vooral afhing van de windrichting en de mogelijkheid om via de zijlen naar zee te spuien. Slechts hier en daar waren er collectieve molenpolders, met grote molens. De meeste boeren maalden slechts voor zichzelf met kleine molentjes.
Bron van het citaat: Iman Jacob van den Bosch, ‘Natuur- en geneeskundige verhandeling van de oorzaaken, voorbehoeding en geneezing der ziekten uit de natuurlyke gesteldheid van het Vaderland voortvloeijende’, in: Verhandelingen uitgegeeven door de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem, Deel 18 (Haarlem 1778) pag. 316.
De tarieven van de beul (1729)
Geplaatst op: 17 april 2014 Hoort bij: Geschiedenis 6 reacties
| Wurgen en verbranden |
ƒ 145 |
| Ophangen |
ƒ 126 |
| Radbraken |
ƒ 125 |
| Levend verbranden |
ƒ 119 |
| Geselen en brandmerken met strop om de hals |
ƒ 104 |
| Onthoofden |
ƒ 92 |
| Geselen |
ƒ 46 |
(Enkele bedragen met halve guldens zijn afgerond naar boven.)
Wat me verbaast aan dit tarievenlijstje voor de Ommelander scherprichter uit 1729, is dat onthoofden zo goedkoop was en ophangen zo duur. Onthoofden was een straf die niet onteerde en maar zelden werd toegepast, en dan uitsluitend op mensen uit de hogere standen. Schorriemorrie uit de heffe des volks liet men gewoonlijk bungelen aan een touw. Dat was routine, als je de frequentie vergelijkt met die van onthoofding.
Op zich maakte de eigenlijke handeling qua kosten niets uit, zo leren de specificaties achter deze bedragen. Zowel het decapiteren als het ophangen bracht de scherprichter op zich 12 gulden op. Hier kwamen veel kosten bij, voor een groot deel ook weer standaard, zoals de reis- en verblijfkosten van de beul en twee knechten gedurende drie dagen, het bouwen en weer afbreken van het schavot enz. De bedragen gingen uiteenlopen door specifiek bijkomende materialen en handelingen, zoals bij een ophanging het touw, het richten van een ladder en het in kettingen hangen van een lijk, of bij het radbraken de bijl en de knuppel en het zetten van het hoofd op een paal.
Naast dit stukloon, dat hij in voorkomende gevallen bij Ommelander rechtstoelen verdiende, genoot de scherprechter nog een vast traktement van 200 gulden ’s jaars. Hij was tevens scherprechter in de stad en bij de provincie, waar hij soortgelijke bedragen zal hebben verdiend. Al met al moet hij heel aardig hebben geboerd. Tegelijkertijd echter, oefende hij een infaam beroep uit en zou hij buiten de samenleving staan.
Naschrift 30.4.2014:
De Amsterdamse beul was duurder.
Brandslachtoffers krijgen overheidssteun
Geplaatst op: 16 april 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen“Op het ingediende request van Geert Beerends en Grietje Cars ehel[ieden], woonagtig onder Dorquert, hoe suppl[ian]ten den zwaren ramp hebben getroffen van op gepasseerde maandag den 24 april jongst, door den blixem hunne boerebehuizing en schuur, met alle boerebeslag, mobiliën, lijfstoebehoren, benevens negen beesten en drie varkens in puin en asch te zien verteeren, waardoor supplten met hun gezin in den diepsten armoede zijnde gedompeld, een waarheid welke UedelMog[ende] alleszins uit nevensgaande getuigschrift door den kerkeraad daar ter plaatse gepasseert zal kunnen consteren. De supplten in deeze hunne behoeftige omstandigheden hoe eerder zo beter een ander behuizinge en schuire nodig hebben, tot welke opbouw ten eenemaal onmagtig zijn, dan wijl de supplten door sommige medelijdende menschen, alle mogelijke redding en ondersteuning zal tragten te bekomen, waarom ook de supplten de vrijheid neemen Uwer Edele Mogende grootmoedig mededogen te imploreren en onderdanig te verzoeken teneinde UedMog de supplten gunstiglijk met eenig oud provincie post of paalwerkhout zullen gelieven te beneficiëren.”
Anno 1786 was er in onze omgeving alleen een brandverzekering voor molens. Andere mensen dan molenbezitters zaten in zak en as na een brand en waren aangewezen op de liefdadigheid van familie, vrienden en buren. Dat was ook het geval met Geert Berends en zijn vrouw, wier boerderij te Dorkwerd na een blikseminslag compleet met alle inboedel, koeien en andere levende have verbrandde. Ze vroegen de heren van GS om wat oud waterstaatshout voor de bouw van een nieuw huis en schuur. Daarna wilden ze nog steun proberen te krijgen van particulieren.
Op 1 mei 1786, een week na de brand, machtigde het college van GS zijn kamerbewaarder Gout om tien zilveren dukatons aan Berends en vrouw uit te tellen. Dat was ruim 30 gulden, blijkbaar vond GS dat beter dan een gift in tweedehands hout. Overigens moest Gout het echtpaar om een “behoorlijke quitancie” vragen, opdat er geen misverstand in de rekenkamer zou ontstaan.
—
Bron: Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nr. 449: rekestboek GS.

Recente reacties