Pekela en haar scheepvaart, een vroeg getuigenis

“Pekel Aa. Er zyn twéé aanzienelyke volkplantingen van dien naam; de Boven of Nieuwe en de Beneden of Oude Pekel, van welke wy hier spreeken; zy stooten onmiddelyk aan den anderen en maken dus één geheel.

De kronkelende Aa, door menigvuldige doorgravingen op veele plaarzen met aarde gevuld, en in ‘t Hoofddiep geleid, houdt op zommige [plaastsen] nog haren ouden loop. Dit heeft ten gevolge, dat in beide Pekels zommige huizen gedeeltlyk tot ’t Oldambt, gedeeltlyk tot Westwoldingen behooren.

(,,,)

De beide Pekels vertoonen een zeer aanzienelyk vlek. Aan weerzyden van de Aa of het Hoofddiep staan huizen, meestal naast malkanderen of met kleine tusschenruimten ter lengte van twe en een half uur. Jammer is ‘t, dat men wegens de doorsnydingen telkens bruggetjes (hier batten genoemd) over het water heeft moeten leggen, welk den doortogt ongemakkelyk maakt. Te Veendam en Wildervank heeft men dit beter begrepen, en dit ongemak met twee diepen te graven verhoed.

De scheepvaart is alhier aanmerkelyk. Eén- of twee-en-twintig-honderd vaartuigen gaan jaarlyks uit ‘t verlaat; ze zyn van verschillende grootte en takelagie. Praamen en tassen brengen turf naar Stad en Lande en tot in het Oostfriesche. Kleine tjalken voeren die brandstof naar Emden, Norden en andere oorden van Oostfriesland. De groore tjalken vaaren met turf op Hamburg; daar worden ze bevragt met greene en eiken balken, kromhout, koren en andere Duitsche waaren, de Elve afkoomende en te Hamburg ontscheept. Deze Pekelaars lossen hunne laadíngen in Holland of Friesland en keeren gemenelyk ledig naar huis.

Hunne grootste vaartuigen zyn koffen en smakken. Zy worden hier wel gemaakt en maaken zeil naar ander landen, maar kunnen noyt naar huis wederkeeren. De reden is omdat de zoogenoemde Staatenzyl van boven gedekt is en dus den doortogt belet. Dit brengt groote belemmering aan de scheepvaart toe, en schoon men menigmaal gezogt heeft van dit ongemak ontheven te worden, altyd is zulks om staatkundige redenen, zegt men, tevergeefs geweest. Deze schepen zyn dus genoodzaakt, in Holland, Friesland, Delfzyl of Groningen den winter op te leggen.

De kleinste smakken worden în Holland of Friesland bevragt op Noorwegen, zy brengen vandaar (meest van Drontheim) noordsch hout enz. De grootste smakken of koffen, die doorgaande 60 of 70 lasten voeren (een last wordt op ses-en-dertig-honderd ponden gewigts gerekend) worden in Holland en Friesland bevragt met allerleie waaren en stukgoederen. Zy vaaren op Koppenhage, Stettin, Dantzig‚ Elbingen, Koningsbergen, Memel, Riga, Nerva, Petersburg en verdere havens van de Oostzee. Terugkeerencle brengen zy mede rogge, tarwe, lyn- en hennipzaat, hennip, vlas, yzer, pik, potasch enz. Ook vaaren ze wel op avontuur naar de Oostzee en nemen daar vragt aan op Fransche havens aan ’t Kanaal, Duinkerken, Brest, en anderen; zelfs naar de bogt van Frankryk, Nantes en Bourdeaux, alwaar zy onderscheidene Fransche goederen – wyn, suiker enz. – op Holland  of de Oostzee laaden.

Nog vaaren er veele Pekeler scheepen in ’t voor- en najaar met haver op Londen, Leverpool en Edenburg, vanwaar zy, met steenkoolen enz. bevragt, wederkeeren.

De scheepvaart wordt hier nog vermeerderd door twee kalkbranderyen, welke door Oostfriesche motten (een soort van vaartuig) van schillen, dat is schelpen voorzien worden, en de kalk naar Bremen, Hamburg enz. vervoeren.

Het is dan niet te verwonderen, dat men hier veeIe en groote scheepstimmerwerven vindt; ik heb er veertien geteld.

(…)

Ik ben hier wat breedvoerig geweest; het behoort tot de belangen van ’t Vaderland, en het is der moeite waardig deeze plaats te kennen. Waarlyk, een vreemdeling moet verbaasd staan, wanneer by aan het einde van dit gewest, op den zoom van ons Gemeenebest, naby Westfalen, zulk eene schoone en bloeiende volkplanting vindt.

De oprechtheid en goedwilligheid der achtingwaardige Pekelaars, daar weelderige overdaad minder bekend is, en eene gelykheid van staat en levenswys vry van allen overmoed het leven veraangenaamt, doen my dikwyls denken met hoeveel genoegen ik aldaar onze Paasch- en groote Zomerrust doorbragt, en vriendschap van braave burgers genoot.”

Bron van de citaten: pag 249-256 uit Jacobus de Rhoer, ‘Eene plaatselyke beschryving van Westwoldingerland, beneevens de dorpen Bellingewolde en Blyham en ’t gene verder tot dien rechtstoel behoort’, pag 229-280 in: Verhandelingen ter nasporinge van de wetten en gesteldheid onzes vaderlands .(…) door een genootschap te Groningen Pro Excolendo Iure Patrio, deel IV tweede stuk (Groningen 1809).

NB: Getuige een opmerking op pag. 279 van dit deel is de tekst in 1790 geschreven.


Zelfs met een blok aan haar been bleek ze niet te houden

Verzoekschrift, dat de kerkeraad van Delfzijl op 28 oktober 1788 indiende bij het gerecht van die plaats:

“Geeft UEdel Mog. op ’t ootmoedigste en met diep respect te kennen de kerkenraad in de Fortresse Delfzijl, hoe dat de E. Cornelisjen Ludolphs, dogter van wijlen Ludolph Pieters en Lijsbet Harms echtelieden, gedoopt den 8 maij 1746, naa de dood van haar vader, met haar moeder eenige jaaren door onse diaconie is gealimenteert, zoo alderslegts haar gedragen heeft, dat sij bij ’t leven van haar moeder een onegt kind gebaart heeft, en na derselver beide dood een tweede onegt kind, ’t welke overleden zijnde, tegen alle vermaninge, bestraffinge en bedreiginge van ons angewent, in hoererie voortleeft. Nu voor eenige weeken, Edel Mog. Heeren, is zij weggelopen geweest en heeft haar linnen en wollen goed dat zij aan ’t lijf hadde, verkogt, zoodat zij bijna nakent wederom is gekomen, waarover zij geklopt is, een blok met een kettinge aan ’t been gesloten is, egter met al haar goed dat zij hadde, zondagh den 6 julius met ’t blok aan ’t been is wederom weggelopen, na Gronigen gereist, daar haar nigt, zoo men segt,van eenig goed vervreemt, en dus vresende voor kwaad te begaan, bloot te staan.

Tevens UEdel Mog. zeer gedienstig verzoekende UEdel Mogend gelieven te veroorzaken dat genoemde Cornelisjen Ludolphs gratis mogte in ’t Provincie Tugthuis mogte geplaatst worden ’t zij voor eenen zekeren tijd, of voor al hun leven, om met hun handen werk de kost te gewinnen.”

Curieus aan dit rekest is de E. voor Cornelisje, de eerste keer dat die voornaam valt. Zo eerzaam was Cornelisje immers niet in de ogen van de kerkeraad. Als ondersteunde van de diaconie kreeg ze tot twee maal toe een onecht kind en ondanks alle maatregelen bleef ze “in hoererie” voortleven. Meermalen liep ze weg, zelfs met een blok aan haar been, en verkocht dan de kleren die ze van de diaconie gekregen had, terwijl ze ook nog haar Groningse nicht zou hebben bestolen. De kerkeraad was bang dat het van kwaad tot erger zou komen en verzocht daarom haar opsluiting in het tuchthuis. Een beetje vreemd is de laatste regel van het citaat. Daarin gaat de kerkeraad of zijn advocaat over op een meervoud en lijkt er sprake van overname van een formule uit gerechtelijke vonnissen.

Of Cornelisje inderdaad naar het tuchthuis ging, is nog even de vraag. Gedeputeerde Staten, die als bestuurders van het tuchthuis dit rekest het eerst voor ogen kregen, verwezen de kerkeraad op 17 juli al naar het lokale gerecht, mogelijk ook om niet zelf voor de kosten op te hoeven draaien. Richter Helperi van Delfzijl vroeg op 29 oktober, een dag na de indiening van het rekest, aan Cornelisje om op de aantijgingen te reageren. Dat moest ze binnen acht dagen doen, maar in het civiel-rechtelijke prothocol zag ik geen vervolg. Mogelijk is er een vonnis in het strafrechtelijke prothocol, dat ik nog moet bekijken. Dat recidiverende ongehuwde moeders naar het tuchthuis werden gestuurd, was echter niet zo ongewoon, dat gebeurde wel vaker.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 733 (gerechten Fivelingo) inv.nr. 74.


Niet uit het hart

Ik ben even bezig met een wat groter project, een geschiedenis die zich in de Ommelanden afspeelt.

052
Daardoor staat het webloggen tijdelijk op een wat lager pitje.
060
Hetgeen niet betekent dat het uit mijn hart verdwenen is.


Wat de doodgraver van Delfzijl verdiende

Is met eenparigheit van stemmen geresolveert, dat Jan Mäser, die door den Kerkenraat tot dootgraver aangestelt is, voor een oud mensche graf in de kerk zal genieten een gulden en 10 st[uivers] en van twee verdiepingen twee guld[en[ 10 st., van een jonge dode half zoveel als van een oude. Op het gevloerde kerkhof een guld. 4 st. en twee verdiepingen eens zo veel. Op het groene 18 st. Voor een jonge dode op ieder plaatse boven gespecificeert de helft. Ook zal de dootgraver gehouden zijn alle jaar precijs het gelt op te halen van het gevloerde kerkhof wegens het onderhout, en hij zal geen graven openen op het groene, of hij zal eerst zes stuiver voor ieder oude dode aan den boekhouder brengen , en van een kind vier stuiver, dog militairen zullen vrij zijn. Voorts zal de dootgraver het gevloerde kerkhof wieden en continueel schoonhouden, en zo daar gaten in vallen, wederom sligt en egaal vloeren. Zullende des dootgravers tractement jaarlijks vijftien gulden zijn.

Er waren anno 1765 dus drie begraafplaatsen voor Delfzijlster hervormden/gereformeerden:

  1. in de kerk,
  2. op het met zerken “gevloerde” kerkhof en
  3. op het groene kerkhof.

Waarschijnlijk lag, zoals je het nu nog in Zuurdijk kunt zien, het gevloerde kerkhof aan de zonnige zuidzijde van de kerk en het groene kerkhof aan de beschaduwde noordkant. Dat groene kerkhof was voor de armsten, het gevloerde voor de middenstand. Alleen ‘rijke stinkerds’ kwamen in de kerk te liggen, maar hun erfgenamen moesten daarvoor ook het meest betalen. Verder gold in elke tariefklasse: kinderen half geld.

Naast het “openen” van graven – waaronder we het graven van grafkuilen moeten verstaan en niet, zoals tegenwoordig, het openen van een reeds bezet graf – moest de doodgraver het onkruid tussen de stenen op het gevloerde kerkhof wieden, terwijl hij dat kerkhof ook moest schoonhouden en “slichten” of vlak maken als er gaten invielen. Hiervoor moesten de erfgenamen hem betalen, tenminste als hij er op tijd bij was – hij diende dat geld jaarlijks bij ze op te halen. Voor de diaconie beurde hij tot slot kleine bedragen die nabestaanden aan dit armenfonds moesten betalen voor een graf op het groene kerkhof.

De doodgraver kreeg dus een vast tractement van 15 gulden, dat hij aanvulde met ‘stukloon’.  Dat laatste is ook wel te becijferen. Getuige het begraafboek van Delfzijl werden er in 1765 in totaal 23 mensen  begraven: 10 volwassenen en 13 kinderen. Uitgaande van het laagste tarief van 18 stuivers voor een volwassene en 9 voor een kind, leverde dat bijna 300 stuivers, of nog eens 15 gulden op.

Maar bij de doden zaten ook ettelijke middenstanders en zelfs de oud-hopman van de Delfzijlster burgerwacht. Een 20 à 25 gulden lijkt me dan een betere schatting van het stukloon in totaal.  Met dit werk verdiende de doodgraver dan al met al 35 à 40 gulden per jaar, waar dan nog het geld voor het wieden, schoonhouden en gelijkmaken van het gevloerde kerkhof bij kwam. Laat het in totaal eens 50 gulden zijn geweest. Eerder becijferde ik hier eens dat de minimale kosten van levensonderhoud destijds  een 128 à 150 gulden bedroegen. Het zal duidelijk zijn dat de Delfzijlster doodgraver alleen van dit werk niet kon bestaan. Het ging om een bijbaan.

Bron van het citaat: Acta consistorii Delfzijl 9 januari 1765.


Slachtoffers van de Maartens- en de Kerstvloed

Plaats

Maartensvloed   (1686)

Kerstvloed   (1717)

 

Oldehove

7

Niehove

13

Garnwerd

1

Ulrum

73

Vierhuizen en Zoutkamp

18

41

Hornhuizen

4

117

Leens

182

Nijenklooster

7

Kloosterburen

11

Wehe

25

Zuurdijk

55

Warfhuizen

63

Niekerk

1

73

Vliedorp

7

48

Wierhuizen

40

Pieterburen

70

172

Eenrum

3

126

Westernieland

60

79

Saaxumhuizen

10

30

Den Andel

4

43

Baflo

21

Raskwerd

27

Tinallinge

12

Breede

1

Warffum

22

63

Usquert

41

44

Uithuizen

72

67

Uithuizermeeden

313

208

Oosternieland

4

20

Oldenzijl

5

Zandeweer

10

Eppenhuizen

6

Rottum

5

Kantens

2

Toornwerd

9

Westerwijtwerd

4

Huizinge en Menkeweer

3

Bedum

4

Onderwierum

9

Ter Laan en ‘t Reidland

1

Wetsinge

3

Winsum en Bellingeweer

12

Ranum

8

Maarhuizen

4

Mensingeweer

31

Maarslag

11

‘t Zandt

9

47

Godlinze

53

18

Spijk

104

53

Bierum

61

67

Holwierde

37

20

Uitwierde

9

4

Delfzijl

1

Farmsum

17

4

Oterdum

97

2

Heveskes

11

Termunten

223

Borgsweer

17

Woldendorp

37

Wagenborgen

27

Siddeburen

4

4

Garmerwolde

1

Westeremden

1

2

Garsthuizen

5

Loppersum

5

Wirdum

10

Leermens

15

Oosterwijtwerd

13

Krewerd

1

13

Katmis en Oldenklooster

10

Marssum

2

Losdorp

6

Solwerd

6

8

Nieuwolda

13

Nieuw-Scheemda

4

Oostwold

10

Finsterwolde

8

Eexta

1

 

TOTAAL

1394

2091

De vijf meest getroffen plaatsen waren in 1686 Uithuizermeeden (313), Termunten (223). Spijk (104), Oterdum (97) en Uithuizen (72).

De vijf meest getroffen plaatsen waren in 1717 Uithuizermeeden (208), Leens (182), Pieterburen (172), Eenrum (126) en Hornhuizen (117).

Uithuizermeeden was de gevaarlijkste plek om te wonen. Toch vermoed ik dat Termunten in 1686 relatief nog zwaarder getroffen werd – er kunnen maar weinig bewoners die ramp hebben overleefd. Verder maakte de Maartensvloed vooral slachtoffers in volkrijke plaatsen langs de Eemskust, terwijl de Kerstvloed vooral dergelijke plaatsen langs de kust van De Marne trof.  Relatief weinig slachtoffers vielen er beide keren in het Oldambt.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten) inv.nr. 817 – Slachtofferlijst van de Maartensvloed; en Johannes Adrianus Mobachius, Groningerlands zeer Hooge en Schrikkelyke Watervloed, Ter  Overstrooming van een groote menigte van Menschen, enz. op Kers-tyd den 25 Decemb. 1717 (Groningen 1718), de lijst achterin.


De taken van een hondenslager

De E. Kerkenraat heeft eenparig Jakob Pieters aangestelt om:

  1. De honden uit de kerk te weren en die er mochten ingeslopen zijn, zo ze bassen of geraas maken, weer uit te jagen.
  2. Om het oog te houden op de jongens, die op de kerke-solder – of gelijk men ’t noemt: het beuntje – zitten, teneinde die geen ijdelheit of baldadigheit mogen bedrijven, en in dezen wel op te passen, zo in predikatiën als catechizatiën.
  3. Om gedurende de predikatie en catechizatie ’s winters de kerkdeuren toe te houden, en in de zomer dezelve open te houden, volgens ordre en goetvinden van den predikant.

En zal Jakob Pieters opgemelt tot tractement weekelijks genieten tien stuivers.

Aldus een besluit van de Delfzijlster kerkeraad uit 1749. Volgens deze instructie moest de ‘hondenslager’ die erop aangesteld werd (dat ”slagen’ staat voor slaan en niet voor ‘slachten’) dus alleen honden uit de kerk jagen als ze blaften of op een andere manier lawaai maakten. Getuige een post actum zorgden de jongens van art. 2 echter voor een ernstiger vorm van overlast, want de aangestelde Jakob Pieters moest de kerkeraad uitdrukkelijk beloven dit artikel goed uit te voeren.  Dat de man bovendien een functie had wat betreft de temperatuur in de kerk, blijkt uit artikel 3, dat hem in dezen ondergeschikt maakte aan de predikant. De 10 stuivers per week waarvoor Pieters het werk aannam, waren zo ongeveer het dagloon van een ongeschoolde arbeider en zullen een welkome aanvulling op ‘s mans inkomen zijn geweest.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 213 (archief hervormde gemeente Delfzijl) doos 10 Acta consistorii Delfzijl d.d. 26 november 1749, art. 2.


Petretten van Toaldag

Hoogleraar Groningse Talen en Culturen Siemon Reker in gesprek met een oudere kennis:
032
Flip Rodenburg en Eddy de Jonge van Törf:
043
Totaal verschillende types in geanimeerd gesprek:
073
Zangeres Marlene Bakker:
078
Lid van het corporale bittergenootschap Omlandia. Let op de Ommelander vlaggedas, die kennelijk nooit gewassen is, of misschien wel helemaal niet gewassen mag worden:
090
Jan Glas kreeg het eindelijk voor elkaar om me een abonnement op het Gronings literaire tijdschrift Krödde aan te smeren:
093
Zij ging helemaal uit haar bol bij de volborstige uitvoering van de Knoalster Lorelei:
098
Door Henk Scholte, met pianobegeleiding van Bert Ridderbos:
101
Nog meer troubadours – Alex Vissering, Henk Jan de Groot:
117
Edwin Jongedijk:
118
Fans uit de Oosterpoort, moeder en dochter. De moeder heb ik ooit een geïnterviewd. Ze werkte als meisje in de puddingfabriek van AJP. Als andere meiden haar voor ‘puddingsjodder’ uitscholden, dan wees ze lekker op haar loonzakje:
121
De gedippetaaierde, Bote Wilpstra, kwam de K. ter Laanpries uitreiken:
128
Aan Hans van der Lijke, een geweldige liedjeszanger (hoor zijn Wadwerderweg, hier de tekst:
158
Elders vertelde en speelde Erik Bulthuis groteske sprookjes van Grimm in het Gronings:
173
Prachtig uitgedoste bezoekster:
185
Een fan van Bert Hadders en Harry Niehof:
189


Gered uit de ijzige Eems, bij vliegende storm

“Delfzyl den 15 february. De storm die gepasseerden zondag woedde, heeft zig ook alhier, met het vergaan van drie koopvaarders, allertreurigst gekenmerkt. Eene waarvan geen naam niet word opgegeeven, was geladen met stukgoederen; de 2de gevoerd door Hartman L. Franken met wyn van Embden, en de 3de gevoerd door Geert H. Klompien was beladen met garst. Den grootsten lof meet men toezwaaien zo aan ons eigen zeevolk, als die der vreemde natiën hier ter rheede leggende, door welker activiteit en stout bestaan de schipbreukelingen allen gered en nog een gedeelte der ladingen geborgen zyn.”

Aldus de Groninger Courant van 17 februari 1804 in een bericht dat weinig specifiek is over de precieze omstandigheden en nogal de nadruk legt op de lading van de schepen. Vaak zijn dergelijke berichten in de verschillende kranten vrijwel eensluidend, zo niet echter in dit geval. De Ommelander Courant van dezelfde datum heeft namelijk een veel uitvoeriger bericht, waardoor de lezer zich ook een veel beter beeld van de afschuwelijke situatie kan vormen. Zo blijkt de storm een zeldzaam ijzige uit het oostzuidoosten die opspattend water vrijwel meteen deed bevriezen:

“Delfzyl den 15 february. Gepasseerde zondag was men alhier ooggetuige van de bitterste ellenden, maar tevens ook van menschlievende ondernemingen! Kapt. Hartman L. Fransen was met zyn onderhebbend schip de Vrouw Oosting de vorige avond alhier voor de haven ten anker gekomen en wierde des nagts door een vliegende storm uit het O.Z.O, vergezeld van een strenge vorst, waardoor al het water, ’t welk gestadig op en over het dek sloeg, tot ys wierde, overvallen. De schipper des nagts om 12 uur bemerkende dat syn schip lek was geworden, en niet lange daarna ondervindende dat, reeds 3 à 4 voeten water in het schip hadde, nam des morgens om 7 uur, terwyl het water op het laagste was, het besluit, om met een jongetje van 14 jaren de vlugt te nemen naar een nabyleggend schip. Zulks gelukte hem, doch de schipper ziende dat door zyn stuurman niet wierde gevolgd, ging wederom tot aan de arms in het water en slik om zyn stuurman te redden! Dan, dezelve niet meer kunnende beseffen wat tot zyne redding nodig was, moest door den schipper worden agtergelaten teneinde zyn eigen leven te redden. Zodra nu het water begon te wassen, sloeg het schip opzy en zonk vervolgens. De agtergebleven stuurman zogt zyn leven in de mast te redden en hield zich aan de touwen van dezelve vast, met welke hy gestadig onder water wierde geslagen. Men zag dit akelig toneel van hier met betraande ogen aen, elk was vaardig den ongelukkigen te redden, dog weer en wind gedoogden het niet. Twee chaloupen ondernamen zulks echter, dan kwamen, heiaas!, onverrigterzaak terug. De menschlievende en brave kapt. Tjapke Roelfs van Hamburg, liggende met zyn onderhebbend schip, de Vrouw Margaretha, alhier in de haven, begaf zich, schoon oud van dagen, in zyn chaloup en wierd door zes andere brave mannen gevolgd. Deze de harde wind en holle zee trotseerende, en met brandende yver bezield zyn in doodsgevaren verkeerende medemensch te helpen, roeyde met zyn onderhebbende manschappen naar den ongelukkigen en redde denzelven, die, schoon als dood aan de wal gebragt, echter door de vlyt van den doctor wierde gered.

Niet minder akelig was het gene des nademiddags voorviel. Kapt. Geert H. Kompien was mede de vorige avond alhier op de rhede ten anker gekomen en had – boven zyn stuurman – zyn vrouw, een jongetje van vyf jaren en een passagier aan boord. Nadat des nagts en volgende dag in het grootste gevaar van hun leven te verliezen hadden doorgebragt, en wegens menigvuldigheid van ys geen kans zynde hun leven te redden, namen eindelyk het noodlottig besluit, hun anker te kappen, teneinde, waar het mogelyk, hun leven op het strand te redden. Zodra aan strand waren, nam de passagier een touw, bond hetzelve om zyn arm en kwam gelukkig aan strand. Hierop ontbrak het ook geenzints aan menschenvrienden. Het touw door den passagier medegenomen wierd aan een op strand liggend tros gestoken, teneinde door de schipper aan boord te kunnen worden gehaald. Deze hetzelve aan boord hebbende, bond eerst zyne vrouw, daarna zyn jongetje met gemeld touw vast, die door de op strand zynde menschenvrienden door het water wierden gesleept en gered. Intusschen verdiend kapt. Hindrik Janssen alle lof, die zich niet heeft ontzien, toen het arme kind van boord wierde gehaald, zich tot aan het midden in het water te begeven, teneinde hetzelve te redden. Op de wyze als voorschreven zyn ook de schipper en stuurman gered; alle schoon door de strenge koude bevangen, zyn door de nodige verkwikking, hun van alle kantea toegebragt, gelukkig gered.

Dank zy derhalven de menschlievende kapt. Roelofs. Dank zy alle de gene die hunne menschlievende daden zo meesterlyk aan den dag hebben gelegd.

Ook is hier een schip beladen met stukgoederen in de haven gezonken. Er zyn meer ongelukken gebeurd, teveel om te melden. Intusschen zyn alle menschen gered.”


Nu de lucht nog

2014-03-10 001
Gelukt:
2014-03-10 003
Vooroorlogse legpuzzle, met stukjes die niet in elkaar grijpen, zodat je ze steeds weer tegen elkaar aan moet schuiven. Maar het plaatje, een gravure uit de achttiende eeuw, is nog compleet.

De doos beloofde een ander plaatje:

img198

De stukjes weer in wanorde:
img199

v


Een onverwachte verschijning in de haven van Delfzijl

“Groningen den 12 April. (…) Noch is ons tyding gezonden, dat gister, des morgens ten 5 uur te Delfzyl, by het uithaalen van den veerman, door den knecht van het schip van Willem Wyndels, in den haven, met de schippershaak is gevangen, een levendige cabeljaauw, lang 3½ voet. Niemand heugd dat er ooit een cabeljaauw in deze haven wierd gevangen, en dan noch wel op zulk eene zeldzaame wyze.”

Bron: Ommelander Courant 13 april 1790.

Commentaar: kabeljauw, de bron van onze kibbeling en lekkerbekjes, zwemt meestal op minstens twintig meter diepte. Zo diep was (en is) de haven van Delfzijl bij lange na niet. Het exemplaar van omgerekend ruim een meter dat daar aan de bootshaak geslagen werd, was weliswaar bovengemiddeld, maar niet extreem groot.


Schipbreuk op de Eems

Nota bene: dit bericht dateert van vijf dagen na het ongeluk – toen gaf men de hoop kennelijk op. De Paap is de zandplaat pal ten noorden van Delfzijl temidden van de twee vaargeulen in de Eems.

“Delfzyl den 18 Maart. Tusschen den 12 en 13 dezer is op de Paap verongelukt, het schip van Roelf Jans van Delfzyl, die zyn ballast aldaar had ingenoomen, op welke 9 perzoonen geweest zyn, van welke men tot nog toe geene ontdekt heeft, dus allen zyn omgekomen. Het schip is ten eenemaal geheel verbryzelt, men kan het wrak by leeg water hier daaglyks zien,

Nog is in dezelve nagt aan de dyk verongelukt, een schip dat met steen aan de dyk had gevaaren, en by ongeluk zyn touwen gebrooken waren, dog de beide menschen zyn er levendig afgekoomen.”

Bron: Groninger Courant 19 maart 1782.


Ommetje Bedum

Schepen bij een voormalig graanpakhuis EMG aan het Eemskanaal:
2014-03-08 006
Het boerderijtje tussen Noorddijk en Zuidwolde staat er nog en is te koop:
2014-03-08 016
Wipkar bij Noordwolde:
2014-03-08 021
Krokussen:
2014-03-08 025
Ook het boerderijtje bij het Boterdiep bij Bedum staat er nog en wordt zelfs weer bewoond:
2014-03-08 029
Die van even verderop krijgt een nieuw dak:
2014-03-08 031
Bij het Stadspark het eerste ijsje van het jaar. Boomstronk bij het Omgelegde Eelderdiepje:
2014-03-08 042
Grazende ganzen bij de Bruilweering:
2014-03-08 053


Een brandschattend leger, vlak over de landsgrens (2)

De Franse raid op Oost-Friesland komt ook ter sprake in de Groninger Courant, die berichten en brieven uit Bonda (Bunde) publiceerde. Daar woonden indertijd voorouders van mij, waaronder de man die zo’n beetje als eerste de achternaam Perton droeg. Reden om zulke berichten met extra belangstelling te lezen.

Eigenlijk reageerde de Groninger Courant eerst vrij laat op het oorlogsnieuws uit Oost-Friesland. De krant lijkt net zo verrast te zijn geweest door de Franse aanval, als de Oostfriese overheid in Aurich. Verschenen de Franse huzaren op de 22 september 1761 in Oost-Friesland, pas op de 29ste stond het eerste bericht over hun brandgang in het Groninger nieuwsblad. En dat terwijl er nog talloze personele, familiale en religieuze banden tussen Oost-Friesland en Groningerland bestonden: deels sprak men daar dezelfde taal, het calvinisme was er even dominant als hier en predikanten hadden hun standplaatsen nu eens aan deze, dan aan gene kant van de grens.

Dat eerste bericht breekt wel al ferm de staf over de Fransen, “onaangename gasten” die “barbaarschheeden” pleegden. Onder de “schandelijke behandelingen” die de Oost-Friezen moesten ondergaan, mat de krant ook breed uit de bejegening van vrouwen, waardoor immers ook de vlam in de pan sloeg:

“Geen vrouwspersoon is voor hunne spoorloze en verwoede driften beveyligt, dezelven worden door hen deerlyk mishandeld, geslaagen, onteerd of opgeslooten indien haare mannen gevlugt zyn. Zoo dat veele van die weerlooze sexe dikwils met haare zuigelingen hunne goederen en betrekkingen moeten verlaaten en elders hun wyk zoeken, om beveyligt te worden voor de allergruwelykste mishandelingen.”

Over Bonda meldt dit eerste bericht, dat de inwoners er 30.000 dukaten brandschatting moesten opbrengen, wat neerkomt op bijna 160.000 Nederlandse guldens:

“Vyf perzoonen der begoedste aldaar zyn als gyzelaars op waater en brood op den tooren gezet, en men telt hen alle daagen een goed getal stokslaagen toe. Zy eysschen van eenige derzelve om 500 ducaten op te brengen eer zy weder van den tooren ontslaagen konnen worden.”

Van de Pruisische Polder, even over de grens bij Nieuweschans, eisten de Fransen eveneens 30.000 dukaten, terwijl er maar 21 boerderijen in deze polder lagen, die dus elk een 7500 gulden moesten opbrengen. Voor zo’n bedrag kon je destijd in de stad Groningen een rijtje huizen kopen, om maar even aan te geven hoe exorbitant deze eis wel was.

Het dorp Weener kreeg van hetzelfde laken een pak.  Hier gijzelden de Fransen  zelfs de predikanten,

“…welke op eene deerniswaardige wyze behandeld worden. De gevangenisplaats is onder in den tooren, alwaar hen zon nog maan beschynd, moetende haare rustplaatze op de planken neemen.”

Op 2 oktober plaatste de Groninger Courant een brief uit Bonda van drie dagen eerder – het Oost-Friese nieuws kwam dus al wat sneller in de kolommen. De correspondent maakte gewag van de slag bij Leer, waarbij een Franse generaal gewond zou zijn geraakt. Intussen kon men zich in Bonda vrijelijk bewegen zonder dat men de kans liep lastig gevallen of uitgeschud te worden. Van deze adempauze maakten de inwoners gebruik, door hun kostbaarheden subiet over de landsgrens in veiligheid te brengen:

“In Bonde is geen een Fransche meer te vinden, zoo dat alles weggevoerd word na de Oude Schans.”

Ook meldde de correspondent dat de Fransen een huis van een voornaam ingezetene van Bonda finaal hadden gesloopt:

“’t huys van Lauwert Pieters ligt onder voet, de muiren zyn omvergeworpen.”

Enkele laatste berichten in dezelfde editie gewaagden van het ophangen, door de Fransen, van een paar boeren in Leer. In Bonda deden de Fransen overigens water in hun wijn:

“De persoonen die te Bonde als gyzelaars gevangen gezeeten hebben, zyn gisteeren, nadat men wegens dat dorp voor 10.000 ducaten geaccordeerd was, weder ontslagen en op vrye voeten gesteld.”

Maar de Fransen kwamen hier nog eens terug:

“Op dit ogenblik ontfangt men berigt, dat ’t by Bonde en daar omstreeks opgepropt van Franschen is, en de toestand aldaar is tot nog toe elendig.”

Dit betrof echter de troepen die de huzaren aflosten en die zich heel wat civieler gedroegen. Bovendien zouden zij op 5 oktober alweer inrukken. In dit geval was de angst dus onterecht.


Een brandschattend leger, vlak over de landsgrens (1)

De Zevenjarige Oorlog (1756-1763) is sowieso al een onbekende oorlog. Vrijwel niemand weet, hoe Oost-Friesland eronder te lijden heeft gehad.

Oost-Friesland viel sinds 1744 onder Pruisen, dat er een gematigd bewind voerde. Pruisen en Engeland stonden aan de ene kant in die Zevenjarige Oorlog, Frankrijk en Oostenrijk aan de andere. Terwijl Pruisen zich militair concentreerde op Silezië, in het hart van Europa, liet het westelijke territoria zoals Oost-Friesland nagenoeg onbeschermd liggen. In september 1761 rukten de Fransen en Oostenrijkers op naar deze achilleshiel van het Pruisische rijk.

Eenmaal gearriveerd, stuurden de Fransen detachementen huzaren brandschattend door Oost-Friesland. Van alle steden en dorpen eisten ze enorme sommen oorlogscontributie. Gelieve meteen te betalen, anders vliegt de boel in de fik. Op de 23-ste september plunderden ze Aurich, dat in hun ogen treuzelde.

Een dag later kon Emden maar een derde van het geëiste somma opbrengen. Ook hier gingen de Fransen over tot plundering.

Norden, op 25 september aan de beurt, bracht zestiende van de geëiste contributie op, maar dat wel in minderwaardige munt. Om hun eis kracht bij te zetten, dienden de Franse huzaren de belangrijkste lokale bestuurder in het openbaar op de markt stokslagen toe. Hij zou er vijftig krijgen, maar bij de veertiende drongen tierende burgers op, dreven de Fransen de markt af en het raadhuis in, waar deze haastig het al ingezamelde geld inpakten. Vanaf het raadhuis schoten ze zich de weg vrij, waarbij twee doden en meerdere gewonden vielen. Op de terugweg naar het zuiden hingen ze in enkele dorpen boeren op, ter afschrikking.

Ook ten oosten van Leer rees er verzet. Bij Holtland werden vijf huzaren die meisjes lastig vielen, door woedende boeren gedood. De rest van hun troep nam de vlucht. Noordelijker, bij Schirum vond er een schermutseling bij een geblokkeerde brug plaats, waar de Fransen het onderspit dolven tegen de boeren, wier moraal zo een aardige oppepper kreeg.

Op 27 september trokken de Fransen uit Aurich langs het trekdiep terug naar Emden. Ten zuiden van Aurich legden ze huizen in de as en schoten ze willekeurige passanten dood. Dorpen werden geplunderd.

De Fransen lieten zich nog verder terugvallen, op Leer bij de Eems. Maar een Oostfries boerenleger ging in de achtervolging met de bedoeling om de huzaren hun buit weer af te nemen. Onderweg kwamen de boeren een in hun ogen verdachte schoenmakersknecht tegen. Na een kort verhoor werd hij als spion gefusilleerd.

De minstens 500, 600 boeren marcheerden verder, op naar Leer. Vlak voor Leer, bij Loga, kwam het tot een schermutseling met ongeveer 500 Franse soldaten. Zo’n 40 boeren zouden hierbij omgekomen zijn, naast zo’n 30 soldaten. De boeren gingen weldra op de vlucht en de soldaten hielden vervolgens gruwelijk huis in Loga en omgeving. Bewoners werden uitgeplunderd en gemarteld en een 15-tal werd er vermoord.

De boeren hergroepeerden zich op 29 september, met versterkingen uit het noorden. De dag erop verlieten de huzaren Oost-Friesland. Ze werden afgelost door 2000 man Oostenrijkse militairen, die de boeren in alle richtingen uiteen deden stuiven, maar er verder heel wat menselijker methoden op na hielden. Zo kwam er een amnestie voor de boeren. De nieuwe troepen bleven ook maar een week.

Naast alle menselijke leed, veroorzaakten de Franse huzaren een miljoenenschade in Oost Friesland. Hun “excessen” baarden in heel Europa opzien. Naar hun aanvoerder heetten talloze Oost-Friese waakhonden naderhand Campfort.

Vervolg>

Bronnen:


Jonge juffrouw speelt galante deuntjes op snaartuig

Ik was nog even nieuwsgierig naar de “kunstenaar uit de Paltz“, wiens pop wel tien stukken op een soort van hakkebord speelde, waarbij deze bovendien nog met hoofd en ogen draaide.

In eerste instantie dacht ik dat het om een marionet ging, maar dat bleek niet het geval. Volgens het stedelijke rekestboek kreeg ene David Moellinger op 1 maart 1771 namelijk toestemming van het stadsbestuur

“om een fraaije konstige machine tot groote verwonderinge der aanschouwers hier te laaten bezien.”

Het was dus meer een mechanisch kunstwerk, een muziekautomaat met menselijke trekken.

Er werd ook voor geadverteerd, getuige de bekendmakingen in de Groninger Courant van de dinsdagen 5 en 12 maart 1771. De eerste toont, dat de Duitse graaf het verschijnsel toch aardig goed beschreef:

“…is alhier te zien een weergaloos MECANYK en MUZIKAAL KONSSTOK, bestaande in eene çierlyk opgetooide juffrouw, zittende op een pedestal, en voor zig hebbende een fraay instrument met 46 snaaren, op hetwelk zy, door middel van twee hamertjes, 10 airtjes van den nieuwsten smaak, ongemeen prompt op de maat, met vereischte trillers en andere çieraaden, hooren laat, makende in het begin van elk stuk een buiging met het hoofd tegens de toehoorders, alles met zulke onbedwongen beweegi[n]g van de handen, en met zulk eenen natuurlyken opslag van de oogen, daar yder kenner van de machanyk, en yder liefheb[b]er van  konsten, zig over ten hoogsten zal moeten verwonderen. “

Je kon dit kunststuk dagelijks van ’s ochtends 10 tot ’s avonds 10 uur zien en horen in Het Hagje, een herberg aan de Oude Ebbingestraat met normaliter een kleinburgerlijke klandizie. Maar met de voorstelling werd ook op wat beter gesitueerden gemikt: “burgerlyke persoonen” betaalden een stuiver per persoon entree en “lieden van rang naar genereusiteit”.

De advertentie van een week later kondigde alweer het vertrek van de attractie aan. De juffrouw heet dan jong, het instrument een snaartuig, de airtjes galant en de uitvoering wonderfraai. Zaterdagavond zou de laatste voorstelling zijn, men had dus nog vier dagen om dit niet te missen.

Helaas kon ik de man die met deze mechanische muzikante rondreisde, David Moellinger, verder niet thuisbrengen, ook niet met enkele l en evenmin als ik hem als Möllinger spelde. Vermoedelijk ging het om een horlogemaker die zich behoorlijk doorontwikkeld had.