Rondje Paddepoel
Geplaatst op: 2 maart 2014 Hoort bij: Stad nu 6 reactiesReitdiephaven:

De Hoge Paddepoel:

Het tuintje bij de Grouwelderij:

Prille nieuwe natuur in de hoek tussen de Bruilweering en de Eelder Madijk:

Groningen, Bierum en Spijk in De Post van den Neder-Rhijn
Geplaatst op: 2 maart 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 1 reactieDe Post van den Neder-Rhijn mag dan nog zo bekend zijn als patriots opinieblad, wie zich bezighoudt met de patriottenbeweging in marginale gewesten als Groningerland, zal de delen niet gauw ter hand nemen. Het aantal artikelen over deze contreien is immers zeer beperkt, zo leert ook weer een quick scan van de delen die op Google Books staan. Maar wat erin zit, heeft soms toch wel waarde. Zo bevat de legger met de nummers uit het voorjaar van 1785 een prachtig standje van zaken over de vrijwillige burgerwapening in Stad & Lande door ene A.H.
Deze burgerwapening was een stokpaardje van de patriotten, die met hun exercitiegenootschappen (of milities, zoals we ze tegenwoordig zouden noemen) een tegenwicht wilden bieden tegen het reguliere leger, dat onder opperbevel stond van de stadhouder, prins Willem V. Op Oudejaarsdag 1784 hadden de Staten van Stad & Lande hun oproep tot burgerwapening doen uitgaan, die bij de oranjeklanten grote weerzin opriep. Vooral om manifestaties van oranjegezindheid de kop in te drukken, verboden de staten niet lang daarna het dragen van de lintjes en kokardes die iemand politieke kleur aangaven.
Een paar maanden later schreef A.H. dus zijn bericht aan De Post van den Neder-Rhijn. Hij meldde dat het in de provincie Groningen “zeer wel” ging met het exerceren, primair in de stad, waar inmiddels 300 man met de oefeningen meedeed. Daar waren ook al bestuurders gekozen en reglementen gemaakt, die ter goedkeuring bij het stadsbestuur lagen. Aan zo’n approbatie twijfelde A.H. niet, want:
“men heeft zich hier ook wel, gelijk elders, tegen de exercitie verzet en het in de war zoeken te brengen, dewijl het ons hier ook niet ontbreekt aan oranjeblazers, doch daartegen hebben wij hier ook braave burgervaders, gelijk de Heeren Burgemeesters Siccama en Van Hoorn, benevens de verdere weldenkende Raaden, welke den wapenhandel (= hantering van wapens HP) wel zullen doordringen.”
Ook in de officiële stedelijke burgerwacht kwam er nieuw elan. Sinds 1594 waren de katholieken buiten deze burgerwacht gehouden, maar er was sprake van dat ze er weer lid van mochten worden – een teken van de toegenomen religieuze tolerantie, vooral in patriotse kringen.
“Kortom het exerceeren, zoo onder persoonen van den eersten rang als onder die van den laagsten, jaa tot kinderen zelfs, is in deeze stad algemeen doorgedrongen en wordt met allen naarijver verrigt. Veele regenten zoo van de Stad en Raaden uit den Hove Justitie als de meeste Heeren der Ommelanden oefenen zich in den wapenhandel , de laatsten in het Stadhouderlijke Hof, en wel in ’s Prinsen eetzaal.”
Of de prins hiervoor toestemming gaf, meldt de correspondent helaas niet, maar het valt zeer te betwijfelen. Volgens A.H. verliep het exerceren ook in de Ommelanden (= Westerkwartier, Hunzingo en Fivelingo) “naar wensch op veele plaatsen” , maar daar dan
“voornaamelijk op zodanigen , welker Heeren voorstanders der Vrijheid zijn, want de verdervende hand werkt in de Ommelanden nog meer dan veele wel denken, voornamenlijk daar de hofgezinden hunnen invloed hebben.”
Als voorbeeld van die orangistische invloed noemt A.H. een versje, dat enige weken eerder op de pastoriedeur van de stokoude, maar “braaven patriottischen predicant” Jacob Venhuizen te Spijk geschreven stond:
“De Ingezetenen van Bierum en Spijk,
Jaagen de Staaten aan den dijk!
Maaken de Prins tot Heer en Koning van het Rijk.
De lichaamen der Staaten op staaken en de koppen op een pin,
Dan hebben de ingezetenen van Bierum en Spijk haar zin.”
Enige durf, ja zelfs politieke overmoed kan de auteurs van dit bloeddorstige poeem niet worden ontzegd. Ook vertoont hun orangisme een royalistische tendens, die je niet zo gauw zult aantreffen bij partijgenoten uit de betere kringen.
Hoe dan ook was Spijk een brandpunt van orangisme, want op de zondag dat ds. Venhuizen er vanaf de kansel het statenplakkaat tegen het dragen van politiek gekleurde lintjes etc. voorlas (iets wat standaard met alle overheidsrichtlijnen gebeurde) en men dat plakkaat op de kerkdeur hing, werd erboven een oranje lint gespijkerd, terwijl er tijdens de middagdienst “een groot aantal van dat volkje met orangelinten en –leuzen” in de kerk verscheen.
Ook A.H. bevestigt overigens weer de scheiding der geesten tussen de meeste predikanten en een groot deel van hun kerkvolk.
“De predicanten in deeze provintie (eenige weinigen uitgezonderd) zijn regt vaderlandsgezind. Verscheiden hunner in de Ommelanden oefenen zich met de leden hunner gemeenten in den wapenhandel, daardoor toonende , dat de behoudenis van den Godsdienst gegrond is op de behoudenis der Vrijheid.”
Bron: De Post van den Neder-Rhijn VII no. 327 (mei 1785) p. 133.
Studenten waren enorme impuls voor vormgeving in de stad
Geplaatst op: 28 februari 2014 Hoort bij: Stad toen, UK + RUG 6 reactiesHet Groninger Museum heeft een prachtige, kleurrijke tentoonstelling over 400 jaar studentenleven in Groningen gemaakt. Vanavond ging die open.
Fortuna in een album amicorum uit de begintijd van de Groninger universiteit, toen studenten zich nog op basis van geografische herkomst organiseerden:

Universiteitswapen – detail van het sterk verweerde vaandel uit 1665 van de gewapende studentencompagnie. Studenten die achter dit vaandel aanmarcheerden, tartten zeven jaar later de soldaten van Bommen Berend met allerlei spotliedjes, die ze hen toezongen vanaf de stadswal:

De grootste interne vijanden van studenten waren eeuwenlang de nachtwachten, naar hun waarschuwingsinstrument ook wel ratelwachten genaamd:

In hun sociëteit (vanaf 1815) smoorden de heren corpsstudenten gaarne een Duits Biedermeyer-pijpje met opdruk van zwaard (Handhaaf) en vijl (Beschaaf):

Eveneens uit het Mutua Fides van de negentiende eeuw, dit overdadig zinnebeeldige schilderij waarvan de strekking mij ten ene male ontgaat, behalve dan dat er onderin een forse kater op de loer ligt:

Voor een historische tentoonstelling is er zeldzaam veel grafische vormgeving te zien. Fraaie typografie van het Corpslied, dat geschreven werd door Jan Gouverneur, alias Jan de Rijmer, tevens de auteur van ‘Toen onze mop een mopje was’;

Zo’n honderd jaar lang hielden studenten bij elk universitair lustrum een Maskerade, zeg maar een optocht in historische kostuums. Affiche uit 1909, toen de intocht van een Fries Nassause stadhouder het thema was:

Fenomenaal affiche voor een Openluchtspel dat in 1924 opgevoerd werd:

Ploeg-kunstenaar Johan Dijkstra gaf bij Vindicat tekenlessen. Dit detail van een liedvel lijkt van zijn hand:

Het sociëteitsbestuur luistert aandachtig naar het voorlezen van de notulen door de abactis I:

Jenever van een merk dat wijnhandel Jos Beeres voerde, en dat de naam van de laatste aapjeskoetsier Hannes (tevens een stadstype) in herinnering hield:

Het officieel geregistreerde wapen van de gereformeerde studentenvereniging VERA, met gouden helm en zilveren schrift. Op speciaal verzoek van de Hoge Raad van Adel is de vis in een laat stadium van de goedkeuringsprocedure alsnog van rug- en borstvinnen voorzien:

Naar vileine tongen bij VERA beweerden, was het wapen van het vrouwelijke studentencorps Magna Pete ontworpen door enkele mannelijke Vindicaters, die daarbij een bepaald onderdeel van het vrouwelijk lichaam voor ogen zouden hebben gehad. Desondanks werd dit k*t-beeldmerk welgemoed aanvaard door de Magna Petentes, die het ijskoud handhaafden toen zij de malicieuze flamoes-opzet alsnog doorkregen. Evenwel moet dit VERA-verhaal als apocrief worden afgewezen, aangezien er duidelijk een uil tussen beide vermeende schaamdelen schuilt. Of zou het een koalabeertje zijn?:

Nee een uil. Daar wijst een aandoenlijke pottenbakkersmok van Magna Pete, medio jaren zestig, nog op:

Andere koek: een blok met actie-affiches, afgezien van die van het Volkscongres helaas bijna allemaal van na mijn tijd:

Deze zit er ook op, volgens mij door of naar Peter Pontiac:

Warm brood bij het kraambed
Geplaatst op: 27 februari 2014 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesHet was nogal een geopinieerd mannetje, die C. Terne, medisch doctor en stadsvroedmeester van Leiden. Maar in het vuur van zijn betoog over vroedvrouwen (1784) stipt hij ook even een ouwe Groninger kraamgewoonte aan:
“Was het de noodzaakelijke plicht niet van vroedvrouwen, door beeter voorbeelden haare leerlingen voor te gaan, om zodanige schandelijke gewoontens tegen te gaan, van bij nacht bij deftige lieden de zuikerbakkers of broodbakkers op te kloppen om warm brood, gelijk in Groningen en anderen plaatsen geschiet?”
‘Men vindt geen land waar men meer met bedekt hoofd gaat’
Geplaatst op: 26 februari 2014 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Elisabeth Geertruida Wassenbergh – Elegant gezelschap (Groninger Museum)
Vertrokken de graaf en zijn metgezel ’s ochtends om vijf uur uit Leer, ’s avonds om acht uur kwam hun trekschuit in Groningen aan. Die afstand was dus een volle dag reizen. Onderweg zagen ze vanaf Zuidbroek aan beide kanten van het Winschoterdiep “zeer mooie , aangename streken en huizen”, weer een teken van de appreciatie voor de rechtlijnige veenkoloniën, zoals die ook uit een iets latere reisbeschrijving blijkt.
In Groningen stond al een koets van de heer Abraham Quevellerius van Swinderen klaar. De vrouw van deze gepromoveerde jurist en rechter kwam oorspronkelijk uit Leer en de reisgenoot van de graaf was haar broer. Geen wonder dus, dat de reizigers “zeer goed opgenomen werden”. Dat de graaf zich toch ook wel informeerde over een commercieel onderdak, blijkt uit diens opmerking dat “anders” het Parlement van Engeland (aan de Herestraat oz.) “het beste logement” in Groningen was.
De volgende dag, de 16e maart 1771, wandelde hij eens rond in “deze schone en grote stad”. Hij zag onder meer de Ossenmarkt, het huis aldaar van de oude mevrouw Van Swinderen, “dat zeer fraai ingericht is”, de Nieuwe Kerk, “waarin ik tot mijn verwondering enige was van de daarbij wonende koster opgehangen vond” en het Prinsenhof “dat men zijn karakter van paleis niet aanziet, zo weinig valt het op”.
’s Middags zagen hij en zijn gezelschap een
“…kunstenaar uit de Paltz die een pop had die wel tien stukken op een klein klavier speelde en telkens de kop en daarin de ogen draaide, als hij naar het notenschrift zag waarvan de man steeds de bladen voor hem omsloeg. Het bespelen gebeurde niet direct met de vingers maar door middel van twee kleine stokjes, als op een hakkebord.”
’s Avonds zag hij de lokale burgerwacht, “die elke avond drie maal afvuurt voor het raadhuis” en de twaalf ratel- of nachtwachten.
Vervolgens neemt hij enkele algemene beschouwingen over Nederlandse steden in zijn reisbeschrijving op, die gelukkig toch ook nog enkele passages over Groningen in het bijzonder bevatten. De eerste beschouwing gaat over de huizen (voor zover hij die gezien heeft) en zegt wellicht evenveel over de beschouwer als het beschouwde:
“De kleinere steden van Holland, waarop ik Amsterdam, Rotterdam en het zogenaamde dorp Den Haag uitzonder, zien er bijna eender uit qua bouwstijl. De huizen zijn klein, met puntdaken en van onder met vooruitstekende luifels of erkers, waaronder men op de banken voor het huis overdekt zitten kan. De bodem is ter plaatse geplaveid met zwarte en witte, vierkante marmeren platen of tegels, of met bonte stenen die in figuren gelegd zijn. De huizen zijn altijd bont opgeschilderd, de vensters van spiegelglazen voorzien en van buiten en van binnen merkt men gelijk hun grote reinheid op. Men begeeft zich ook zelden in de straatjes of men ziet geen dienstmaagd de grond aanvegen of de glazen wassen. De meeste mensen wonen daarom achterin de huizen om de voorste kamer schoon te houden, en gaan ook op enige plaatsen liever achterom het huis in.
In de huizen zelf vindt men biezen matten of zeil, ook zijn de kamers en zelfs de trappen met matten of wollen vloerkleden belegd, waarmee alles schoon blijft. Voor de deuren is er ook ruime gelegenheid om de schoenen te vegen en in Noord-Holland moet men ze zelfs uittrekken, als men een fraai huis van binnen bekijken wil. Iemand krijgt daar sloffen aangereikt en met die aan de voeten beziet men dan het huis.
Onder is het voorhuis, zoals in Holstein en in het Oldenburgsche, met porselein en beelden opgesierd. In de meeste kamers zijn haarden, ovens echter, vindt men er helemaal niet. Hier in Groningen zijn ze met haarden ietwat spaarzaam, omdat iedere eigenaar voor iedere open schoorsteen, zoals een keukenhaard, jaarlijks vijf gulden aan de stad moet betalen (…). Voor de haarden zitten alleen de mannen met hun tabakspijpen, die iemand in een herberg of elders dadelijk aangeboden krijgt, echter meest zonder tabak, omdat aangenomen wordt dat iemand zijn eigen tabak met zich meebrengt. Maar de dames zijn verbannen van het haardvuur en hebben in plaats daarvan hun stoven, die zo gemaakt zijn: vanonder hebben ze aan beide kanten van een ijzeren getraliede kast een koperen plaat, waarop men de voeten neerzet, in de kast zelf wordt een kooltjesvuur gedaan, waardoor het hele ding verwarmd wordt.
In de huizen vindt men eveneens veel marmer en vele tegelwanden en voor de vensters hangen outer bonte gordijntjes met daarop allerlei figuren en landschappen geschilderd. De retirades, zoals hier de beste kamers of huisjes genoemd worden, zijn uitnemend rein en sierlijk aangelegd, men vindt er ook niet zozeer pispotten als wel waterstenen van marmer die zeer gebruiksvriendelijk zijn . De bedden zijn meest hard en ‘s winters en ‘s zomers voorzien van lichte wollen dekens die een paardedeken niet ongelijk zijn.
Het plaveisel in de steden is gewoonlijk van puntige en ongelijk liggende stenen, maar elke straat heeft aan beide kanten brede gangen om te belopen en daarop gaat men zeer gemakkelijk. Deze stoepen bestaan uit louter smalle gebakken stenen, die zeer vast in de grond gehamerd zijn, soms treft men gehele pleinen zo geplaveid aan, ja zelfs zijn in Holland enige landelijke verbindingswegen zo gemaakt, waarop het nog beter rijdt als op de Franse rijkswegen.
Deze beschouwing over de gebouwde omgeving wijkt voor een over het Nederlandse volkskarakter, die enkele nog steeds bekende trekjes aanwijst:
“Het karakter van de Hollandse natie schijnt me zeer oprecht, eerlijk en dienstvaardig te zijn, alleen hebben ze, en dan vooral het gewone gepeupel, de zwakheid dat ze niets ongewoons of bijzonders verdragen kunnen – en dat zelf ook bij vreemden proberen te ontdekken – of ze geloven het recht te hebben om dat meteen als belachelijk te veroordelen. Ze kennen bijv. geen bontmutsen en kunnen ook niet gaarne een rode jas uitstaan. Ze bezitten een grote dosis nieuwsgierigheid, in het bijzonder het gewone volk, en als die eigenschap dan opgewekt wordt, uit die zich vaak in brutaliteit – en dit geschiedt in Groningen meer dan in andere plaatsen. Ze zijn in principe hoffelijk, maar nemen zichzelf niets kwalijk en generen zich nergens voor; een boer houden ze zelden in, ze groeten, maar zetten de hoed meteen weer op hun hoofd en laten hun hoffelijkheid niet in complimenten uitmonden. Men vindt geen land waar men meer met bedekt hoofd gaat, als hier. Tot slot zijn ze zeer gevoelig en nemen ze iemand gemakkelijk iets kwalijk, Een vreemde moet op eieren lopen en beslist geen aanmerkingen maken op hun zeden, gewoonten en instellingen.”
Via Leeuwarden vertrokken de graaf en zijn metgezel naar het westen des lands, maar op 10 april kwamen ze op hun terugreis naar de Evenburg weer even terug in Groningen. Opnieuw logeerden ze bij de familie Van Swinderen, waar ze een soort van visite of verjaardagsfeest meemaakten:
“De dames en hun begeleiders zaten op een rij bij elkaar en elk kwartier werd er op de wederzijdse gezondheid gedronken, op de rij af.”
Er werd ook gegeten:
“Het souper had vele gangen en zonderling veel groentes, geconfijte vruchten en andere zoetigheden, als ook vreemde wijnen.”
Bij dit tweede verblijf in Groningen, bezocht de Duitse graaf vooral hier wonende landgenoten. Zo lag het regiment Baden-Durlach hier een jaar in garnizoen, waarvan generaal Von Sommerlatte de commandant was. Hij kreeg de graaf op 11 april over de vloer. ‘s Middags ging die op visite bij een lokale schilderes:
“Na de middag zag ik bij mejuffrouw Wassenberg prachtige fijn gewerkte historische miniatuurschilderijen, die ze zelf vervaardigde en die enig in hun soort zijn.”
Op 12 april zag de graaf ’s ochtends bij de hoogleraar Oosterse Talen Schroeder – bijgenaamd de Arabier – een nieuw garnizoen zijn inmars doen. Vandaar liep hij de weg op die het nieuwe regiment net had afgelegd en wandelde zodoende langs de “prachtige en sierlijke promenade, de Plantage genaamd” (= de Hereweg en het dan zes jaar oude Sterrebos). ’s Middags bezocht hij als introducé de herensociëteit, “wat een besloten gezelschap in een koffiehuis is”. Ook bekeek hij nog de Hortus Botanicus van de Academie en “de 380 treden hoge toren”.
Mogelijk bekaf door de beklimming van de Martini èn het overvolle programma, vertrokken de graaf en zijn metgezel op 13 april huiswaarts.
Bron: Johan Bernoulli’s Sammlung kurzer Reisebeschreibungen… (deel I, Berlin 1781) 104-111 en 156-157.
Duitse graaf beschrijft Groninger trekschuit
Geplaatst op: 24 februari 2014 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesIn maart 1771 besloot graaf F.U. z L. vanuit het Oostfriese slot Evenburg bij Leer, waar hij logeerde, een plezierreisje te doen naar Nederland. Hij en een jongere vriend staken de Eems over en bereikten via Weener, waar de mensen destijds nog nauwelijks Hoogduits verstonden, in een krakkemikkige postkoets over buitengewoon slechte klei- en veenwegen (“We deden ruim twee uur over iedere mijl”) naar Nieuweschans, waar de ‘Hollandse reinheid’ ze meteen opviel.
In het veerhuis van het vestingstadje dronken de heren een kopje thee, wat leidde tot een bespiegeling in de reisbeschrijving van de graaf over de prijzen in de Nederlandse horeca. Dat men er vooraf alles goed moest afspreken, zoals in Duitsland beweerd werd, klopte volgens hem niet: geen waard zou daartoe willen overgaan. Wel was het oppassen geblazen met de sjouwers van bagage, die men beter niet uit het zicht kon verliezen.
Omdat de graaf en zijn metgezel de gewone snikke of trekschuit van 11 uur naar Winschoten misten, voelden ze zich gedwongen een eender huurvaartuig te nemen. Deze kwam in Winschoten op tijd aan voor de afvaart van gewone trekschuit naar Groningen, zodat de heren daar konden overstappen. Intussen leidde een en ander tot een lange beschrijving van de Nederlandse trekschuiten in de reisbeschrijving van de graaf. Voor reizigers uit Duitsland, waar bij gebrek aan kanalen een dergelijk openbaar vervoersmiddel ontbrak, vormde de trekschuit immers een enigszins exotisch verschijnsel. Anderzijds waren de Nederlanders zo aan trekschuiten gewend, dat zij er in hun reisbeschrijvingen nauwelijks woorden aan vuil maakten. Daarmee is de Duitse beschrijving tamelijk uniek, of althans bijzonder genoeg om te vertalen. Bij deze dan de passage van de graaf over de trekschuit:
“Hier, in de provincie Groningen, zijn de schuiten merendeels 16 à 20 voetstappen lang en 2 tot 4 passen breed. Verderop in Holland zijn ze 24 tot 26 schreden lang en 4 tot 6 schreden breed. Ze kosten nieuw tussen de 400 en 500 gulden en 10 tot 12 schepen delen gemeenschappelijk de vrachtlonen en geven daarvoor jaarlijks iets aan de staat.
Binnenin deze schuiten kunnen ongeveer evenveel personen gerieflijk zitten, als ze passen lang zijn. Vaak neemt de schipper echter meer passagiers in en ik heb er met 30 of meer personen in gezeten. De passagiers hoeven dit echter niet te dulden, maar kunnen verlangen dat er nog een schuit bij komt. In Friesland zijn de schuiten iets groter en gerieflijker, maar in alle zeven de Provinciën zijn ze dermate laag, dat men er niet in kan staan, wel echter kan zitten, tenminste als men niet langer is dan de gemiddelde man. Voor regen en wind zit men beschut, want binnen is alles aan alle zijden bekleed. Het geheel is van hout, zonder vensters erin, maar met alleen toegangsdeuren aan beide kanten en in het midden op beide zijden een luik om spullen binnen te brengen, doch er wordt niet veel zware bagage aangenomen.
Het vrachtloon voor een mantelzak kost gewoonlijk per halte 2, ook wel 3 of 4 stuivers, verderop in Holland helemaal niets, maar een koffer kost steeds veel meer, waarbij ik alleen opmerk dat iemand bij de schipper nooit meer afdingen kan, dan tot het minimum-bedrag dat de verordening aangeeft.
In de schuit staat in het midden een lange smalle tafel, waarop men gewoon is de bagage neer te leggen. Men zit op banken, die aan de wanden bevestigd zijn en men vindt steeds armbussen, een hangende luchter waarin ’s avonds een kaars of olielicht aangestoken wordt, en soms alleen maar een voorwerp van aardewerk waarin vier of vijf gaten zitten, waar het licht doorheen kan schijnen. Verder ontbreekt er ook nooit, wegens de Hollandse pralende reinheid, een voorwerp van blik, porselein of zilver, dat op een bloemenvaas lijkt en dat kwispedoor genoemd wordt en en dat tot het uitspuwen dient. Men vindt zulke overal, niet alleen in schepen en in herbergen, maar in alle gezelschappen bij de thee en eettafels. NB: op de tafel staande!
Bovenop de schuiten is er nauwelijks beschutting, toch kunnen er een paar mensen bij de stuurman staan. Langs het midden van de mast, die de schuiten bij het passeren van elke brug moeten neerhalen, loopt een lijn die achter bij de stuurman bevestigd is, en die van voren door een paard getrokken wordt, vandaar de naam trekschuit. Op dit paard zit een kleine jongen, elders een grote kerel, die echter altijd jagers of jongens genoemd worden, en die 1, 2 tot 4 duiten drinkgeld krijgen. Deze lui zien er gewoonlijk zeer haveloos uit, rijden zonder zadel en stijgbeugels en hebben in Friesland een oude koehoorn, waarop ze jammerlijk blazen als het schip voortgaat of als het door een dorp komt, opdat de mensen dit horen en een brief kunnen meegeven.
Als iemand er iets aan gelegen is om vroeger aan te komen op een plaats, hoeft men alleen aan de schipper te zeggen dat men de jager enige stuivers drinkgeld geven zal, dan gaat het gelijk al vlugger. Over de schuiten wil ik nog opmerken, dat hoewel iedereen daarin tabak rookt, men er meteen mee moet ophouden zodra een dame of respectabele vrouwspersonen zeggen dat ze het niet verdragen kunnen, dan beveelt de schipper, die orde moet houden, dadelijk dat men de pijpen weglegt. Als echter een manspersoon op zijn beurt zegt dat hij de lucht van de stoven niet verdragen kan, dan moeten de vrouwen deze ook wegdoen. Dergelijke stoven kan men van de ene plaats naar de andere huren en de schipper neemt ze dan mee terug. Dat geldt zelfs ook voor het koffie- en theegerei dat men, als de schuit niet even blijft liggen, uit een herberg kan meenemen, en dat men dan onderweg leegdrinken kan.”
Bron: Johan Bernoulli’s Sammlung kurzer Reisebeschreibungen… (deel I, Berlin 1781) 97-104.
Wordt vervolgd
Rondje Eelder Madijk – Eiteweert
Geplaatst op: 23 februari 2014 Hoort bij: Drenthe 6 reactiesOplichtend riet:

Wat dichterbij:

Vergeten boot:

Richting Peize:

Terug langs de andere kant van het Omgelegde Eelderdiepje

Behoedzaam naar prooi schrijdende reiger:

Mozaïek van nat en droog:

Elzenwalletje:

Beige pluimen:

Boom bij Eiteweert:

Doordat er een boerderij gesloopt is, heb je nu vanaf de oprit naar het viaduct in de Roderwolderdijk zicht op de bailey-brug over het Peizerdiep:

Bloeiend mos op het viaduct over de A7:

v
Kluin, in een encyclopedie uit de 18e eeuw
Geplaatst op: 22 februari 2014 Hoort bij: Stad toen 2 reacties“Kluin is een zoort van bier, hetwelk te Groningen word gebrouwen, niet onsmaakelijk is, en veel na de bijgelegene plaatzen word vertiert. Veel pleeg het na Friesland, en inzonderheid naar Leeuwarden vervoert te worden. Als nog draagt ook het markt- of vragtschip, hetwelk van Groningen op Leeuwarden en versa vaart, uit oorzaake dat het veel van dit bier pleeg te laaden, de naam van kluinschip.”
Bron: Noël Chomel, Algemeen huishoudelijk-, natuur-, zedekundig-, en konstwoordenboek, dl. J-L (Leyden/Leeuwarden 1778), p. 1531.
Scholeksters terug van groepsreis
Geplaatst op: 21 februari 2014 Hoort bij: Hoogkerk 1 reactieEen hele troep scholeksters op het grasveld tussen De Verbetering en de Ruskenveense Plas, ik denk wel een zeventig, tachtig exemplaren. Dit was de middelste sectie:

Las op Twitter dat ze elders ook net terug zijn. Waarschijnlijk is deze zonnewei de uitvalsbasis voor het betrekken van de platte daken in de buurt:

Vanavond hierachter ook de eerste merel die een hele tijd bleef zingen.
Nepreclame
Geplaatst op: 21 februari 2014 Hoort bij: Kunsten 3 reactiesAl een paar keer viel deze reclame me op:

Een blik bonen geserveerd op de bibs van een dame die een wind laat en oeps zegt. Het ontkwam haar.
Het even onwelriekende als onverwachte fenomeen, aldus suggereert de poster, zou samenhangen met het vetverbrandende karakter van de geadverteerde Engelstalige bonen.
Wie echter naar het product in kwestie gaat zoeken, komt bedrogen uit. Het bestaat niet. Het affiche is een opzetje van een buitenreclamebedrijf om de effectiviteit van buitenreclame aan te tonen, een nepperd dus.
Gemeente heeft liever dooie fietsers dan dat ze een likje wegverf spendeert
Geplaatst op: 20 februari 2014 Hoort bij: Hoogkerk, Stad nu 4 reactiesBij het oplaaien van een oude ergernis, nu twee maanden geleden, vernam ik van een manager bij Tuinland, dat hun parkeerterrein niet van hunzelf, maar van de gemeente is. Als ik wilde dat er haaientanden voor de uitritten kwamen, om automobilisten te wijzen op de voorrang voor fietsers ter plaatse, dan moest ik bij de gemeente zijn. En dus richtte ik me tot de gemeente. Vandaag kwam het antwoord:
Uw melding van 17 december 2013 hebben wij in goede orde ontvangen. In uw melding vraagt u of wij haaientanden kunnen aanbrengen bij de uitrit van Tuinland aan de Peizerweg. Met deze mail reageren wij op uw melding.
Wij hebben de situatie beoordeeld. We herkennen de door u beschreven situatie. Op deze locatie is er sprake van een uitrit. Hier gelden de normale voorrangsregels. Automobilisten zouden hier de fietsers voorrang moeten geven. Dit gebeurt niet altijd. Dat is een kwestie van gedrag. Wij denken dat door het aanbrengen van haaientanden het gedrag niet verandert. Dit betekent dat we in dit geval geen maatregelen nemen.
De cursivering heb ik aangebracht. Mijn rescriptie:
Ik ben uiteraard niet ingenomen met uw antwoord.
– Allereerst komt het pas na twee maanden, rijkelijk laat voor het ontvangstbevestigende gedeelte.– Ten tweede ging het niet alleen over de uitrit van Tuinland, maar ook over die van de Gamma.– Met dezelfde ‘argumentatie’ kunt u overal in de gemeente de haaientanden wel weghalen – die veranderen immers toch niets aan het gedrag van verkeersdeelnemers.– Voor de ongelukken die er geheid aan de Peizerweg gaan gebeuren, acht ik op basis van uw antwoord de gemeente Groningen medeverantwoordelijk.
Feestmaal in het Weeshuis
Geplaatst op: 18 februari 2014 Hoort bij: Stad toen 3 reactiesBij hun bezoek aan Groningen in september 1777 werden prins Willem V en zijn vrouw Wilhelmina op het Prinsenhof toegezongen door kinderen uit het armste weeshuis van de stad: het Groene en Blauwe gecombineerde of Diaconieweeshuis. Het vorstelijk paar was dermate vergenoegd over de ordelijke manier waarop de kinderen de psalmen uitvoerden, dat het ’t weeshuisbestuur 26 ducaten ten geschenke gaf, waarvoor de kinderen getrakteerd moesten worden op “een goeden maaltijd”.
Op 23 september was het zover en kregen de kinderen dat maal. En waar bestond ’t uit?
“’s Morgens kreeg ieder een boll met corinten tot ontbyt, ’s middag wierden ze op erweten , rundergebraat en een goede dronk wyn gedurende den maaltyd onthaald. Voorts konden zy den geheelen dag zo veel kluin (sterk Groninger bier) drinken, als zy begeerden. ’s Avonds aten zy rystenbry met zuiker en kaneel, waarby ieder een boll ontfing.”
Tegen het schenken van alcohol aan kinderen bestond dus geen bezwaar. Bij de maaltijd (enkelvoud!) bedienden overigens predikanten en weeshuisbestuurders de kinderen aan tafel. De kinderen waren voor de gelegenheid allemaal met oranje linten versierd en zongen toepasselijke liedjes.
—
Bron: De Maandelykse Nederlandische Mercurius van oktober 1777, 126 en 133.
Veendammer drenkeling voor de dood weggehaald
Geplaatst op: 17 februari 2014 Hoort bij: Geschiedenis 5 reactiesEen van de nuttige en deugdrijke voortbrengselen van de vaderlandse Verlichting was de genootschappelijke aandacht voor het verdrinkingsgevaar. In de achttiende eeuw verdronken er heel wat meer mensen dan nu. Maar weinigen konden zwemmen, terwijl er juist veel meer mensen (vlak) op het water werkten en leefden. Bij gebrek aan straatverlichting donderde je vooral in een maanloze nacht of bij dikke mist zomaar de plomp in. En als men er je dan uithaalde, wist men vaak niet. wat men ermee aanmoest.
De Maatschappij tot Redding van Drenkelingen, opgericht in 1767, propageerde nieuwe, in onze ogen zeer opmerkelijke methoden van behandeling, en keurde tegelijkertijd de ouwe, traditionele af. Zoals bij onderstaande geval anno 1772 te Veendam, waar een apotheker redding bracht, toen een boerenknecht op Prinsjesdag (de verjaardag van Willem V) omtrent ‘t kroegsluitingsuur het Westerdiep inlazerde:
“Te Veendam, een kerspel in de provintie van Groningen, den 8sten maart 1772, des avonds ten tien uuren, viel Jan Harms, een boerenknecht oud twee-en-twintig jaaren, in het zogenaamde Veendammer Westerdiep. Hy zonk naar den grond, en bleef een half uur onder water.
Toen hy er met een schippershaak was uitgehaald, rolde men hem, volgens eene zo oude als nadeelige gewoonte, op een turfvat, doch geheel vruchteloos. Men bragt hem in een huis, en zond op het aandringen van den Heere Nauta, Dokter in de Rechten, om den Heere Arnoldus Wyndels, Apotheeker daar ter plaatse. Dees vond den lyder in een allernaarsten toestand, volstrektelyk zonder pols, de oogen half gesloten en onbeweegelyk, het ligchaam yskoud, en alle de leden styf; in het kort, zodanig dat alles hoopeloos scheen.
De Heer Wyndels liet echter den moed. niet zakken. Men lag op zyn bevel den drenkeling, in een warme deken gewonden, voor een maatig vuur, en trok hern het drooge hembd aan van eenen der omstanders. Men blies hem, zo sterk als mogelyk was, door een tabakspyp in den aarsdarm. Men wreef het geheele ligchaam met een sterken spiritus.
Ondertusschen waren de tanden van den drenkeling zo digt op malkanderen gesloten, dat men veel moeite had om er eenige druppels Naphtus Fini door te krygen: ook beproefde men verscheide maalen, hoewel vruchteloos, een aderlaating.
Het was niet dan na verloop van twee uuren arbeids, dat men uit een flaauwen polsslag, eenige geringe beweeging, snikkingen en hoestingen, gegronde hoop van herstelling begon op te vatten. Men ging met de zelfde manier van behandeling voort, en hield hem ook de Spir. Sal. Armon. onder den neus. Nu bespeurde men meerder tekens van gevoel en leven, en de mond zich openende, liet men hem een dosis Napthce Vini op wat suiker gebruiken , gaf hem een drankje in, en lag hem te bedde.
Den volgenden morgen volkomen by zyn kennis zynde, deed men hem een aderlaating, het geen hem de borst merkelyk ruimer maakte, en hem een zachte rust bezorgde. ntwaakende, was hy redelyk wel, byna zonder koorts, en gebruikte een kandeeltje.
Des dingsdags den 10den , verklaarde hy van alles wat er sedert het oogenblik zyns ongevals tot den 9den des avonds gebeurd was, niets te weeten,
Hy is door de geduurige zorgen van den Heere Wyndels, die de gouden medaille ontfangen heeft, weder ten eenemaal hersteld.”
Bron: Historie en gedenkschriften van de Maatschappij tot Redding van Drenkelingen, delen I t/m V in één band (ca. 1773) p. 364 (of hoofdstuk XXXVII).
Het spook uit de wiem- of: hoe de Slang verscheen te Eenrum
Geplaatst op: 16 februari 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenOnderstaande spookverhaal trof ik aan in een vertoog uit 1766 over de natuurlijke oorzaken van spokerijen, geestverschijningen en wat dies meer zij. Als het verhaal zich inderdaad heeft afgespeeld op de borg van Eenrum , zoals de vertellers het willen, dan moet het opgetekend zijn vanuit het geheugen van de oorspronkelijke verteller, want volgens het borgenboek van Formsma werd Oosterhuizen, de laatste borg van Eenrum, in 1740 op afbraak verkocht door de laatste eigenaar, een jonker Gerhard Alberda. Omdat de Alberdaatjes ’s winters, zoals bijna alle jonkersfamilies, in de stad woonden, paste die oorspronkelijke verteller, hun particuliere secretaris of schrijver, dan op in hun borg. Anders dan de mensen in de omgeving, geloofde hij niet dat het er spookte. Gezien het uitgangspunt zit er uiteraard een happy end aan het verhaal en terloops komt er een aardig spreekwoord over het spookuur voorbij:
“Dus heb ik van naby gekend zeker secretaris, gewoond hebbende tot Eendrum, een dorp in de provintie van Groningen. Deeze heer heeft my verhaeld, dat toen hy daer woonde, het casteel van de jonker van die plaets de naem had, dat het daer zeer spookte. Dat dien Heer des winters naer Groningen gaende met syn huisgezin, uit dien hoofde niemant kon krygen, om daer des, nagts te slaepen, maer weetende dat hy aen geen spook geloofde, zulks hem verzogt, dat hy ook aennam.
Dog wanneer hy op zekere avond syn soontje op een opkamer reets had te bed gebragt en tot over 12 by een lamp beneden in de keuken zat te breyden, zynde de gragt rontom het kasteel toebevrosen en met sneeuw bedekt, zoo dagt hy by zig zelven: “Als er eens over dezelve dieven quamen inbreken, hoe zoudet gy het maeken?” En terwyl hy dat dagt, quam er onverwagt een swaere slag op de tafel daer hy zat, zodanig dat de lamp omviel. Hy grypt er strax (=meteen) nae, en ten allen gelukke: de lampe was nog brandende. Waerop hy wilde de retraitte nemen naer syn soontje, dog in het omdrayen zag hy, zoo hy meende, een groote Slang met een gespikkelde huid en korte pootjes tegen de tafel overeynd staen.
Hy dagt: “Het is tusschen 12 en één, dan is het spook op de been, zegd het spreekwoord. Daer is nu de oude Slange, de duivel, en dat is een regtvaerdige straf voor uw, omdat gy de verschyning van den boozen altyd halstarrig ontkend hebt”, schoon hy eerst had gemeend, dat de slag door een stok verwekt was, waermede een schelm, over de gragt gekomen zynde, hem had tragten te slaen, of te gooijen.
Dog een weinig verder zig omdraeyende, kreeg die ingebeelde slang eenigzins een ander gedaente, dat hem vrymoedigheyd gaf, er nader nae te zien, en raad eens, mynheer, wat het was? Het was een stok met worsten! De darmen gevuld met vet en mager vertoonden de ronde gedaente van een gesprenkelde slang: de houtte piggetjes, waermede het bovenend der ronde worsten waren vastgemaekt, hadden de gedaente van de korte pootjes der Slange! Maer raed nog eens, mynheer, van waer dit quam?
Hy zelve dagt nog al, dat een schelm hem daermede het hoofd had tragten te quetzen, maer neen, dat was het niet. Wat dan? Boven syn hoofd was het spek, vlees, en worsten opgehangen met een lange stok tusschen de dwarslatten aen de solder. Nu was de stok met worsten, zoo het schynd, wat te kort en daer by door de hitte van het vuur met der tyd nog meer ingekrompen, en ziet: juist ’s nagts tusschen 12 en één uir was de tyd daer, dat die stok aen het glyden raekte, en viel eerst met het eene punt op de tafel, dat die slag verwekte, en straks met de andere kant op de grond, waer door zig de worsten opeenpakten, en zoo bleef die stok met worsten in de gedaente van een slang regt overeynd tegen de tafel opstaen.
Daer heb je nu het gansche spook. Egter zeyde hy tegen my: “Had ik zonder nader onderzoek uit het huis gevlugt, ik zou niet anders blyven denken, of het was de oude Slang.””
Bron: Derde briev aen den Wel Eerw. en Zeer Geleerde Heere Petrus Nieuwland (…) over de mogelykheyd en bestaenlykheid van spooken, spookeryen enz. (’s Gravenhage 1766) pag. 15-16.
Romans, of het gevaar van de Franse kostschool voor jongejuffrouwen
Geplaatst op: 15 februari 2014 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie“Het grootst bederf is het leezen der romans en wulpsche boeken. De jonge dogters, huwbaar wordende in dien tyd als zy te schoole leggen, zyn meest vatbaar voor dit bederf. En hoe zullen zy anders dan aan verliefdheid denken, daar de mademoiselIe nergens op let dan op haar kapsel, kleeding, dansen en zingen? Het is waar, zy worden naauw opgeslooten en belet buitenspoorigheid te begaan. Dikwerf evenwel worden meisjes in de schoolen gevryd, de pruikmaaker, de dansmeester,en de musykmeester brengen de billets doux over, wordt het lighaam niet bedorven, het hart lydt niet te minder, en dit eens vergiftigd door de slegte boeken en het kwaade gezelschap van anderen, wordt niet ligt geneezen wanneer zy in haar ouders huis terugkeeren.”
Bron: De Philosooph nr. 7 – 17 januari 1766, p. 52.

Recente reacties