Petrus Camper over regionale verschillen in stalreinheid en veepest
Geplaatst op: 15 februari 2014 Hoort bij: Het Noorden 2 reacties“Wat zal ik nu zeggen van afwasschen, van rossen, borstelen, en reyn houden der beesten? Ik oordeele dat het niet schaaden kan, maar zyn in Holland en in Friesland, daar de koestallen met eene verbaazende zinnelykheid onderhouden en het vee gerost, gewasschen, gekamt en zeer wel opgepast wordt, niet zoowel de koejen in verschrikkelyke meenigte gestorven als in het Gorecht en in Drenthe daar de stallen morzig zyn en het vee er ontoonbaar uitziet? En, ’t gene uwe oplettenheìd nog meerder waardig is, zyn er van die ongehaavende, morzige beesten niet zoo wel verscheidene opgekoomen en hersteld als van de sneeuwwitte en glinsterende koejen in Friesland en Holland?”
Bron: Petrus Camper, Lessen over de thans zweevende veesterfte, openlyk gehouden (…) in het Theatrum Anatomicum te Groningen (1769), pag. 92.
Stemwijzer
Geplaatst op: 15 februari 2014 Hoort bij: autobio 1 reactie
Meestal staat de SP derde of vierde op mijn lijstje, dan is het toch wel verrassend dat ze dit keer bovenaan staat, weliswaar ex aequo met GroenLinks, maar toch. De veganistische Dierenpartij komt sowieso niet in aanmerking bij me en de PvdA, anders nog wel eens mijn alternatief voor GroenLinks, maakt vanwege zijn gebrek aan sociaal profiel een duikeling.
Heb nog geen zwaartepunten aangegeven, dit keer. Zal de partijprogramma’s van SP en GroenLinks nog maar eens vergelijken. Op voorhand neem ik aan dat de SP wint op sociaal gebied, terwijl GroenLinks het qua milieu-standpunten wint. Moeilijke keuze wordt dat!
Stemwijzer 2014 gemeente Groningen
v
Nepwegwijzers
Geplaatst op: 14 februari 2014 Hoort bij: Kunsten 1 reactieBij het zoeken naar paddestoelen – namelijk die van de ANWB – in mijn fotocollectie kwam ik deze twee weer tegen, gemaakt in 2008 en 2009 respectievelijk bij Noordlaren en bij een pad tussen Kropswolde en Nieuwe Compagnie.
De eerste verwijst naar privéterrein:

De tweede is kunstzinnig en poëtisch bedoeld:

Vraag me nu af of er nog meer van zulke paddestoelen zijn, die het ijzersterke ontwerp van de ANWB eer aandoen, door het te emuleren.
Kwaliteitswaren uit Groningen
Geplaatst op: 13 februari 2014 Hoort bij: Stad toen 1 reactieVerlovingsringen van Ten Berge (1935):

Levertraan van Grijpma & De Hosson (1936):

Brandkasten van de fa. J.H. Remmers (1936)

Vloeibaar behang (1946):

Huis in Obergum verraadt zijn geheimen
Geplaatst op: 11 februari 2014 Hoort bij: Ommelanden 5 reactiesWas vandaag tussen de bedrijven door even in Obergum om te kijken in het pand waar ik laatst ook al even was. De echte rommel is opgeruimd en nu treden allerlei kleine bouwsporen aan het licht, die iets vertellen over zijn verleden.
Versierde deurpost, zeventiende eeuw:

De versiering maakt deel uit van een dubbel stel zuiltjes, dat weer een restant is van een beddewand:

Sleutelstuk, dat ik niet terugvind in deze kleine catalogus:, maar dat ook uit de zeventiende eeuw is:

Vanaf een moment in de negentiende eeuw tot 1950 is het pand een bakkerij geweest. Misschien hangt met die functie samen dat de kelderverdieping van onder tot boven betegeld was, hoewel het (tegelijkertijd) ook een woonkelder kan zijn geweest. Die tegels – witjes en gekleurde – zijn er op een gegeven moment grotendeels uit gesloopt, helaas. Restant van een kanariekooitje (tegeltableau):

De tegels kwamen uit verschillende perioden – de rechter met de florale motieven werd gemaakt in de periode 1725-na 1800::

Linksonder een soldaat, rand met bloemen en vogels:

Kinderspelen, die ook nu nog wel worden gemaakt:

Gehavend landschapje:

Antiek sluitwerk:

Bij het opruimen kwamen twee borden als deze tevoorschijn. Waarschijnlijk zijn ze gebruikt voor een noodbrug, toen de boog van Winsum-Obergum in de oorlog opgeblazen was:

Partijtje oude flessen. Een etiket dat ik natrok bleek van rond 1900:

Verroeste lettervormen van de bakkerij:

Gietijzeren ornament aan zoldering voor ontluchtingskoker:

Behangetje met tedere bloempjes:

Als je het mij vraagt een sierlijst van een ledikant uit de achttiende eeuw:

Krantenpapier dat op een betengeling zat, geeft het jaar van een vorige verbouwing prijs:

Klaas Jan, bedankt!
Marktdag bij helder weer
Geplaatst op: 10 februari 2014 Hoort bij: Stad toen 6 reactiesFoto’s uit een mapje dat waarschijnlijk in ‘Hotel de Doelen werd verkocht. Ik denk dat ze uit de tweede helft van de jaren twintig dateren.
Er zijn ook foto’s van een bescheiden chaos op de Grote Markt, maar hier zijn de kramen grotendeels keurig in carré opgesteld. Misschien maakte het uit om wat voor markt het ging.
Het gezicht vanuit het zuidwesten:

De blik vanuit De Doelen – de weg aan de zuidkant van de markt was nogal breed, zeker in vergelijking met tegenwoordig:

Bussen van diverse modellen, een trammetje, mensen die met de fiets aan de hand staan te teuten op de rand van het plein – blik vanaf het Scholtenhuis naar het westen:

De Vismarkt fingeerde intussen als parkeerplaats – daar kwam begin jaren zeventig pas een eind aan:

Een gevalletje syfilis in Groningen (1704)
Geplaatst op: 8 februari 2014 Hoort bij: Stad toen 5 reacties“Als ik in het jaar 1704 nog te Groningen practiseerde, wierd ik ontbooden by een fraay burger man (ik zoude in dit geval niet liefst iemand noemen). Deeze hadde des nagts de burgerwagt mede waargenoomen ende beneevens zyne andere medeburgers eens hertig omgedronken van een zeeker zoort van zwaar bier, dat in die stad gebrouwen word ende men daar kluyn noemd. Tegens de morgen, als men naa huys gaan zoude, konden ze niet scheyden, zonder alvoorens daar een brandewyntje op gezet te hebben, het welk dan oorzaak was dat deeze man (dog wat teeder en de hertigste niet) beschonken raakte. Aldus tehuys koomende, vind zyn vrouw (die op die tyd al hoog zwanger was) te bed, gaat by haar en wil met haar de trouwgemeenschap genieten, maar deede vergeefsche poogingen, alzoo de natuur niet en volgde.”
Zo begint de beschrijving van een casus ‘Spaensche pokken’ (syfilis) door Henricus Buyzen in de derde druk (1735) van zijn Practyk der medicyne (p. 262-264). Voordat deze arts en predikant naar Haarlem verhuisde (ca. 1707), was hij zo’n vijf jaar werkzaam in Groningen geweest. Vandaar dat zijn boek ettelijke ziektegeschiedenissen uit die stad bevat. Buyzen, geboren in Coevorden, studeerde en promoveerde aan de Groninger Academie bij hoogleraren als Bernoulli en Eyssonius. Voor een andere hoogleraar, De Moor, deed hij wel lijkopeningen.
Destijds was al wel duidelijk hoe syfilis zich verspreidde. Buyzen betwijfelde echter of dat alleen door besmetting van buitenaf gebeurde. Met het Groninger geval wilde hij aannemelijk maken, dat men syfilis niet alleen opliep door “vleeschelyke vermenging”, “het slaapen bij een pokkige, het kussen aan, het zuygen van en gebooren worden uyt een pokkige”, maar dat men deze ziekte ook kon krijgen door een interne oorzaak. Daarbij betoonde de Haarlemmer arts zich een warm aanhanger van de theorie dat lichaamssappen en de bijbehorende humeuren in evenwicht moesten zijn, of dat anders onherroepelijk ziekte zou volgen.
De gezeten burger wiens naam Buyzen ongenoemd liet om zijn reputatie niet te beschadigen en wiens karakter hij eerder teder dan vurig achtte, probeerde het na een dag of vijf, zes opnieuw bij zijn zwangere vrouw:
“…nam hy wederom de genoegten van het houwelyk, wel met beter genoegen, dog van een ongelukkige uytkomst, want gekoomen zynde, vond [ik] haar alle beyde aan een vuyle zaadloop vast, zynde de materie geel, groen en stinkende, verzeld met veel pyn ende snydingen in het watermaaken.”
Etterende geslachtsorganen, brandende pijn bij het urineren – symptomen van de sief:
“Inzonderheyd klaagde hier de vrouw over, wiens eene zyde der vrouwlykheyd ook al zeer gezwollen ende ontsteeken was, klaagende alle beyde niet te weeten wat haar scheelde.”
Dokter Buyzen die er pas na drie weken bijgeroepen was, schreef beide echtelieden een conditum voor, een middel dat hij ook lijders aan gonorrhea liet gebruiken. Omdat bij de vrouw voorzichtigheid geboden was, kreeg zij een lagere dosering, wat gecompenseerd werd met een zalfje. Volgens Buyzen genazen man en vrouw beide. Intussen wilde het er bij hem niet in dat er in dit geval een externe oorzaak was:
“Ik konde deeze geschiedenis van die lieden wel gelooven, overmids niet anders in haar geheele gedrag konde bemerken, als dat het vroome ende ook Godvreezende menschen waaren, waarvan ook alle die haar kenden geen andere getuygenis droegen.”
Maar als er geen besmetting van buitenaf was geweest, wat zou dan de oorzaak zijn geweest? Al redenerend kwam Buyzen tot de conclusie, dat de man, toen die in kennelijke staat zijn vrouw benaderde,
“…zyne natuur geweld aangedaan heeft, en dat in dit zyn bedryf, het zaad wel is bewoogen geworden, dog in zyne vaten en blaasjes ontroerd en in wanordere gebracht, waardoor, om dat het niet van hem afscheydede, is bedurven geworden, welke bedervinge zig in een tweede gemeenschap tot zyn vrouw heeft overgebracht.“
Met andere woorden: het ongestorte zaad van de eerste keer, was na vijf dagen bedorven en veroorzaakte de Spaanse pokken, waarmee de man bij de tweede gelegenheid zijn vrouw besmette.
Buyzen correspondeerde met meer ervaren vakbroeders over deze belangwekkende casus en zij schreven hem,
“dat op deeze wys diergelyke ongemakken wel meerder ontstaan”.
In het Groninger burgermanshuis zou er helemaal geen probleem zijn ontstaan, als de man meteen of anders de volgende dag, “nugteren zynde, zig zelven van deeze stoffe ontlast” had, oftewel gauw dat zaad kwijtgeraakt was. Het bezwaar tegen deze theorie,
“dat als dan het egte bed niet vry is van zulke ongemakken”,
wuifde Buyzen weg met het moralistische argument, dat ook het in dronken staat gemeenschap hebben “onbetaamelyk” is,
“want God heeft de voortteelinge tot een ander eynde, als om die beschonken of dronken zynde te pleegen, geschikt.”
—
Andere Groninger gevallen (en ook een Friese casus) in het boek van Buyzen:
- p. 230: een verwaarloosd geval van kinderpokken, dat na dertig jaar het overlijdem van de patiënt ten gevolge had.
- p. 239: een geval van jicht, dat bestreden werd met een afkooksel van “dikke, witte en veelvoetige may-wormen”. volgens Buyzen een middel dat artsen maar beter konden overlaten aan kwakzalvers en landlopers.
- p. 264: een student die in Leeuwarden een druiper opliep.
- p. 315: omzwervende soldatenvrouw met geperforeerde darm wil dat er na haar dood een lijkschouwing plaatsvindt.
- p. 319: vrouw van trekschipper heeft sporen ontlasting in haar braaksel.
- p. 325: boer van buiten de Ebbingepoort heeft zijwee met etterspuwing.
- p. 321: een boerenjongen uit de Ommelanden lijdt aan dezelfde kwaal.
- p. 336: weversvrouw uit de Visserstraat met waterzucht.
- p. 338: peuter buiten de Herepoort met waterzucht.
- p. 338: vrouw uit Eenrum met baarmoederverzakking (?).
- p. 342: bloedspuwingg bij de oude vrouw Leentje Jans uit de Oosterstraat.
- p. 344: Groninger heer met zaadloop sterft zeer Christelijke dood.
- p. 361: Bij boerenruzie te Burum (?, in Friesland) loopt een van de vechtenden een hersenbloeding op en ligt maandenlang in coma.
Bommen Berend over de Groninger vrouwen
Geplaatst op: 7 februari 2014 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen“Van Gaalen
Ofschoon nu de burgers binnen Groningen haare huysen voor oogen sagen ruïneeren en verbranden, egter begaf haar de moedt niet. Wanneer zy malkander ontmoeteden, was dit de gewoone aanspraak: Hoe vaart gy? Hoe gaat het met uw huys? En ’t antwoordt: ‘t Meeste gedeelte legt reets onder de voet. Ja ’t myne ook. De Bomben-Barent sal de Stadt evenwel niet krygen.
De vrouwen waren even soo verdraagsaam en moedig als de mannen, en konden in dien tydt met minder verbaastheit een brandende bombe of een gloeyende kogel in haar huys sien vallen of vliegen, als te vooren wanneer iemandt met morsige laarsen of schoenen in haar beste vertrek quam stappen.
Een seekere vrouwe, welker grootste rykdom in een enkel huys bestondt, sag een bombe daarin komen rollen. Dierhalven greepse met der haast eenige der beste meubelen en een silveren beeker in haaren boeselaar, liep daarmeede de deur uyt, haalde den beeker voor den dag, en zeyde tot het omstaande volk: Desen sal ik noch aan den Heer Commandant Rabenhaupt vereeren, indien hy de Stadt behoudt.
Eene andere, welker huys boven haar hooft verplettert en zy onder de puynhoopen half begraven wierdt, riep met een heldere stemme, terwyl men haar daaruyt hielp: De schelm sal de Stadt evenwel niet hebben.
Feuchtwangen
Diergelyke dingen geven veel moedt tot verdeediginge en behoudenisse van een beleegerde stadt; nademaal het kermen en huylen der vrouwen, integendeel, den mannen de couragie beneemt.”
—
Bron van dit citaat: pagina 368-369 van een samenspraak tussen Siegfried van Feuchtwangen, grootmeester der Duitse orde en Christoffel Barend van Galen, bisschop van Munster, p. 261 e.v. in Maandelyksche berigten uit de andere waerelt of de spreekende dooden, bestaande in redeneeringen tusschen allerhande verstorvene potentaten en personagien van rang… (Amsterdam, september 1731). Overigens lijkt veel van de stof voor deze postume samenspraak te zijn ontleend aan pamfletten uit 1672.
Een geval van Twitter-miscommunicatie
Geplaatst op: 7 februari 2014 Hoort bij: Webdinkies 3 reactiesIk zag dat iemand deze ‘dialogue de sourds‘ favoritiseerde en ik dacht, laat ik haar hier maar neerzetten, dan kan ik haar zelf op een geëigend moment ook nog eens bestuderen:

Politieke rokerij
Geplaatst op: 5 februari 2014 Hoort bij: Familie, Geschiedenis Een reactie plaatsenIk geloof dat mijn grootvader deze wel eens rookte:

Pas veel later werd ik me ervan bewust dat de fabriek van deze sigaren in Nieuwe Pekela stond, dat er een door Fré Meis geïnspireerde, succesvolle vrouwenstaking was geweest, en dat de fabriek een paar jaar daarna sloot (1971).
Tevoren kwamen uit zo’n sigarendoos grote sigarenbanden met de konterfeitsels van zeer gerespecteerde, zoniet hoog vereerde westerse politici die je kon sparen, zoals:
– Churchill (‘We will fight them on the beaches…”):

Kennedy (“Ich bin ein Berliner“):

En Brandt (“Zu oft mit der Faust auf den Tisch zu schlagen, bekommt der Faust schlechter als dem Tisch“):

Zouden er aan de andere kant van het IJzeren Gordijn soortgelijke sigarenbanden zijn geweest, maar dan van communistische politici? Een dergelijk exemplaar met Fré Meis, dat had me nog wel wat geleken.
Hectiek in De Toekomst
Geplaatst op: 4 februari 2014 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
“Toen kwamen mannen als Troelstra en anderen naar voren en de felheid en verbetenheid waarmee zij de stampvolle zalen van het gebouw De Toekomst toespraken had tot gevolg dat er grote opgewondenheid heerste. Tafels en stoelen vlogen soms door de lucht! Mijn collega’s en ik zaten aan de perstafel. En eerlijk gezegd, wij zaten wel eens in de piepzak. Ik wil maar zeggen, dat aan het beroep van journalist in die tijd wel enig risico was verbonden.”
Aldus de oud-verslaggever Albert Tonkens over de tijd (1900-1911) dat hij bij het Nieuwsblad van het Noorden werkte. Bron: dezelfde krant van 2 januari 1965 (rubriek ‘Noorder Rondblik’).
Schaatsen als wedstrijdsport
Geplaatst op: 4 februari 2014 Hoort bij: De actuele wereld, Geschiedenis, Stad nu 4 reacties

Rondje Eiteweert
Geplaatst op: 2 februari 2014 Hoort bij: Onlanden 6 reactiesBij de Madijk:

Gallway-runderen van boer Buist:

Peizerdiep bij de stuw:

Op de oostoever, nabij de stuw, probeerde een motorcrossor keer op keer zijn vastgelopen motor tegen een wal omhoog te brengen, wat hem steeds weer mislukte:

Wandelaar op de vlakte:

Wegje langs hakhout:

Buizerd:

Lichteffect in de verte:

De tabaksmerken van Huiser & Zonen
Geplaatst op: 2 februari 2014 Hoort bij: Stad toen 2 reactiesIk zag bij Harm Renkema de foto links van de tabaksfabriek van de familie Huiser:

Tegenwoordig zit er een reclamebureau in het pand dat goed geconserveerd is en waar de oude functie en de belangrijkste merknaam ‘Het Wapen van Nederland’ nog steeds op te vinden zijn, al is de naam van de uitbaters boven het zolderraam verdwenen.
Hoewel het betrekken van Oostersingel 9 wel eens gezien wordt als begin van het bedrijf, was dat toch niet zo. Het bestond al eerder. In 1913 werkte Huiser sr. nog als knecht bij de tabakskerverij van Aalfs aan de Gelkingestraat, waar hij een brand veroorzaakte, maar in 1916 was hij voor zichzelf begonnen met een elektrisch aangedreven loonkerverij en stelenpletterij aan de oostkant van het oude Winschoterdiep, nabij de groothandel in levensmiddelen van Albino:

Sigarenmakers, vaak thuiswerkers, konden hier dus aan goedkoop vulsel voor hun sigaren komen. Het pletten van de stelen van tabaksbladeren doet vermoeden dat ze zo nog de allerlaatste restanten van de grondstof tabak, welke ze voorheen misschien weggooiden, te gelde konden maken. Bij dit pletten kwam vocht vrij, dat tuinders heel goed konden gebruiken tegen rupsen en andere plaagdieren. Dit bijproduct verkocht Huiser voor eigen rekening:

Zoals ik me eens heb laten vertellen, spoten tuinders dat spul op hun gewassen. Of dit nou echt een biologisch bestrijdingsmiddel genoemd mag worden, betwijfel ik een beetje. Aan het Winschoterdiep ging de familie Huiser na verloop van tijd tevens in pijp- en pruimtabak voor consumenten handelen, en dat gebeurde daar al met stoomkracht en onder het merk ‘Het Wapen van Nederland’:

Na de verhuizing naar de Oostersingel, plaatste Huiser een assortimentsadvertentie in de krant. Hij deed voortaan uitsluitend in diverse soorten pijp- en pruimtabak:

Naast het merk ‘Het Wapen van Nederland’ verkocht hij een ‘Reclame Heerenbaai’ met een tabaksplanter als beeldmerk:

Zijn tabak mocht Huiser dan de beste vinden, zijn arbeidsvoorwaarden waren dat niet. Althans niet in de ogen van zijn personeel. In april 1926 ging dat in staking, omdat Huiser eerdere beloften niet zou zijn nagekomen. Huiser huurde daarop onderkruipers in en ontsloeg de stakers. Het gevolg was dat de vakbond van tabaksbewerkers in diverse kranten, o.a. het Nieuwsblad van het Noorden en Het Volk nauwelijks verhuld opriep tot een boycot van Huisers tabak.

Vermoedelijk derfde Huiser dankzij deze antireclame behoorlijk wat omzet. Pas in augustus werd het conflict bijgelegd, wat de bond ook weer in diverse kranten liet weten:

Uit de jaren dertig dateren enkele uitgeknipte Huiser-verpakkingen in mijn bezit. Die van een half ons zware pruimtabak met een vriendelijke leeuw als beeldmerk (tevens verkocht in een blauwpaars pakje) ziet er zo uit:

En dit is die van de multifunctionele pijp- en pruimtabak nummer 7, met het belangrijkste merk:

En hier heb je die van pijptabak nummer 3, met weer die planter als merk:

Doordat de aanvoer van tabak vanwege de oorlog op zee grotendeels wegviel, kwam er tabaksdistributie in 1942. Dat jaar werd tabak getuige de talrijke inbraken en diefstallen bij fabrikanten ook letterlijk roofgoed. Bovendien raakte de term bukshag in zwang. In de laatste oorlogsjaren was er nauwelijks goede tabak meer en rookte men voornamelijk Nederlandse tabak, vaak van eigen teelt. De tabaksdistributie zou pas in 1949 ophouden. Toen ook ging Huiser weer reclame maken voor zijn oude merken. Zoals ‘Het Wapen van Nederland’:

En voor de pijptabak nummer 3 met de tabaksplanter als beeldmerk:

Van na de oorlog zijn me geen verpakkingen van en reclame voor Huisers pruimtabak bekend. Mogelijk stopte Huiser & Zonen met dit product. Tegelijkertijd kwam het bedrijf met een nieuw product. In de oorlogsjaren was shag populair geworden ten koste van andere tabaksvarianten. Dat hing duidelijk samen met het invoeren van de tabaksdistributie. Het Nieuwsblad schreef:
“De grootste vraag is naar shag, dan komen de sigaretten en daarna pas de sigaren. Ook rooktabak blijkt zeer gezocht. De voorkeur naar shag wordt verklaard, doordat het zelf-rollen zeer is toegenomen, omdat men uit een half ons shag meer sigaretten weet te draaien dan de veertig van het rantsoen.” (= Veertig per week, HP.)
Huiser bracht in de vroege jaren vijftig achtereenvolgens drie merken shag uit. Ten eerste was dat de mogelijk naar de Engelse Kamp verwijzende ‘Timbertown’, waarvoor de fabrikant deze advertentie enkele malen onder de bioscoopprogramma’s liet afdrukken:

Ten tweede was dat ‘Senang’, waarmee ze zo te zien mikte op Indische repatrianten:

En ten derde was dat ‘Scooter’, een lichte Virginia-shag. Dynamische en zich op een nieuw vervoermiddel voortbewegende jongeren vormden hiervan de doelgroep:

Uiteindelijk heeft de assortimentsverbreding Huiser & Zonen niet mogen baten. In 1961 verdween het familiebedrijf tamelijk geruisloos.
“Zoo vele vlugge en vaardige meisjes, door eene loffelyke eerzucht gedreven”
Geplaatst op: 31 januari 2014 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieToen ik een paar jaar geleden het stukkie schreef over de allereerste grote schaatswedstrijd voor meisjes in Groningerland (1808), heb ik vast en zeker in de volgende nummers van de Ommelander Courant gekeken, of er nog een follow-upbericht was. Ik vond niets in de gedigitaliseerde legger.
Naar me nu gebleken is, verschilt de gedigitaliseerde Ommelander van 6 januari 1809 echter met de niet-gedigitaliseerde Ommelander van dezelfde datum die zich in de collectie van de Groninger Archieven bevindt. Blijkbaar heeft de drukker tijdens het drukken het zetsel gewisseld, zodat er meerdere versies van hetzelfde nummer zijn. Alleen de Gronarch-editie bevat het verslag van de alsnog gehouden wedstrijd, die dus niet definitief afgesteld, maar slechts uitgesteld was
Hieronder dit wedstrijdverslag, waarbij opvalt dat dienstbodes er vandoor gingen met de prijzen die door enkele heren uitgeloofd waren
“Zuidbroek den 3 January. De wedloop op schaatsen tusschen Oldambster meisjes, welke op den 26 der vorige maand moest worden gestaakt, is op heden hervat en gelukkiglyk uitgevoerd. De toevloed van aanschouwers, ofschoon niet zoo groot als by de vorige reis, was echter vry aanzienlyk. Het Gemeente-Bestuur had, ter verzekering van den geregelden afloop dezer vermakelykheid, de meest geschikte maatregelen genomen, en men had het genoegen, van dezelve met den besten uitslag bekroond te zien. De tegenwoordigheid van een Detachement Koninklyke Gens d’Armes, bragt hier niet weinig toe by, en diende tevens, om den luistrer te vermeerderen van een feest, het welk aan de verwachting, die men zich van hetzelve had voorgesteld, volkomen heeft bewantwoord.
Zoo vele vlugge en vaardige meisjes, door eene loffelyke eerzucht gedreven, door de hoop op eene ryke belooning ontvonkt en door de toejuiching der aanschouwers aangemoedigd, onderling te zien wedyveren in eene kunst welker eigene bevalligheid niet weinig wordt opgeluisterd door de bevalligheid der schoone sekse, leverde een toneel op, alleszins schoon en bekoorlyk, en men zal naauwelyks een winter-vermaak kunnen noemen. dat voor de Noordsche streken eigenaardiger is, en meer overeenkomt met onze vaderlandsche zeden.
De koude was op dezen dag streng en de wind hevig, doch de moedige wedloopsters trotseerden wind en koude, en de meesten munteden zoodanig uit, dat ieder van haar wel eenen eereprys was waardig geweest. De overwinning kon echter slechts door eene behaald worden.
Zy viel ten deele aan Ludgert Tammes, oud omstreeks 20 jaren, geboren op de Meeden in den Oldambte en thans wonende, als dienstmeid, bij Hendrik Alberts te Noordborke. De prys, bestaande in een buitengewoon fraai gouden ooryzer naar den nieuwsten smaak, werd aan haar toegewezen, en tevens aan Geertruida Koenes, oud byna 22 jaren, geboren te Midwolde en thans als dienstmeid wonende by Jan Edskes in de Eexta, een buitengewonen prys, zynde eene bevallige en sierlyke halsketen van goud, geschonken.
Een der commissarissen over dezen wedloop, de Heer Mr. H.A. Spandaw, Secretaris der jurisdictie van de beide Oldambten, reikte uit naam der Heeren Deelnemers, aan de verdienstelyke maagden de eereteekens op eene plegtigewyze openlyk over, en deed by die gelegenheid eene gepaste aanspraak, terwyl de aandoeningen van verrukking en erkentelykheid, welke de beide met goud bekroonde kunstenaressen bezielden en die zy zoo eenvoudig en welmenend lieten blyken, dit tooneel byzonder treffend en roerend maakten.
De bekroonde meisjes werden nu, met de verworvene eeretekens versierd, in triomf rondgevoerd en keerden vervolgens opgetogen van blydschap en met een dankbaar gevoel naar hare woonplaatsen terug.
Een ieder was te vrede met den afloop van dit onschuldig ys-vermaak en de avond werd verder in betamelyke vreuigd op eene vriendschappelyke wyze doorgebragt.”
Zoals gezegd had Zuidbroek de primeur van een dergelijke wedstrijd. Drie dagen later werd onmiddellijk buiten de A-poort van de stad Groningen de eerste schaatswedstrijd voor meisjes uit de hele provincie gehouden, waar Tryntje Scholtens uit Winschoten het gouden oorijzer won. Het Oldambt bracht blijkbaar nog wel meer talentvoolle schaatsenrijdsters voort, dan de winnaressen in Zuidbroek.

Recente reacties