Gebruiksaanwijzing bij de vuilnisemmer
Geplaatst op: 30 januari 2014 Hoort bij: Stad toen 3 reactiesIn 1947 voerde de gemeente Groningen uniforme metalen vuilnisemmers met deksels in. Ook kregen de vuilniswagens een beladingssysteem, waarmee de nieuwe emmers veel gemakkelijker en met minder gemors konden worden geleegd dan de ouwe emmers, die vaak van boven nog open waren en onderling zeer verschilden. In eerste instantie schafte de gemeente 40.000 stuks aan, die ze genummerd en wel aan de huishoudens uitdeelde. Bij elke emmer zat een kaartje met een corresponderend nummer. Dit zag er zo uit:




Sonja, de speurhond uit Uffelte
Geplaatst op: 29 januari 2014 Hoort bij: Drenthe vrogger 1 reactie
“UFFELTE, 13 Juni. Eenige dagen geleden werd de speurhond van rijksveldwachter v.d. Berg, Sonja, ziek. Onmiddellijk werd een dierenarts gewaarschuwd. Hulp mocht evenwel niet meer baten; gisterenmorgen is het dier gestorven.
Het is wel iets bijzonders, als in de kolommen van een krant melding wordt gemaakt van het sterven van een hond. Sonja verdient echter, dat voor haar een uitzondering wordt gemaakt. Daarvoor heeft deze tot in wijde omgeving bekende speurhond gedurende vijf jaar te veel nuttig werk ten dienste van de gemeenschap verricht. Heel wat delicten, welke anders wellicht nimmer tot opheldering gebracht zouden zijn, heeft Sonja, samen met haar baas, tot een snelle oplossing weten te brengen. Wat voor het gewone politioneele opsporingswerk verborgen bleef, daar bracht de scherpe neus van Sonja meermalen uitkomst. Vele zijn dan ook de gemeenten, ook buiten de provincie, waar men voor het doen van nasporingen de hulp van den rijksveldwachter en zijn herdershond inriep.
De heer v.d. Berg zal ongetwijfeld slechts noode van zijn trouwe metgezel hebben kunnen scheiden. Het zou echter gewenscht zijn, daar deze politieman blijkbaar de moeilijke kunst verstaat, goede speurhonden op te kweeken, dat hij spoedig in het bezit van een nieuwe hond gesteld wordt.”
Aldus de Meppeler Courant van 16 juni 1939. Die krant is helaas niet gedigitaliseerd en op internet gezet, iets waarmee de firma Boom die hem uitgeeft, veel goodwill zou kunnen kweken. Minder plaatselijke kranten die wel via internet in te zien zijn, noemen Sonja echter ook wel.
Zo was er begin september 1937 een bijenkorf met de honing er nog in van een erf in Busselte gestolen. Brigadier Van de Berg kwam toen met Sonja uit Uffelte over. Op het erf vond hij voetstappen en een stuk krant, waar hij Sonja aan liet ruiken. Meteen ging de hond zoeken over enkele akkers en bleef staan bij een eikenbosje naast de weg. Daar liep het spoor dood. Vermoedelijk was de dief ter plaatse op de fiets gestapt en over het verharde fietspad richting Havelterberg gereden, waardoor de hond niets meer kon uitrichten. Maar de politie wist nu wel waar ze de dader zoeken moest en vond in Havelterberg een arbeidershuis, waar de kapotgesneden bijenkorf lag met het andere stuk krant, naast een intact opzetstuk van de Busselter boer en een emmer vol met honing. De verdachte zoon des huizes bekende en gaf aan dat Sonja tot de plek waar hij op zijn fiets was gestapt het juiste spoor had gevolgd.
Was dit een half succes, bij een inbraak in Blesdijke, waar de dief – waarschijnlijk een bekende van het slachtoffer – er eveneens op een fiets vandoor ging, was de inzet van de hond van nul en generlei waarde. Dat gold eveneens bij de vermissing van een jongetje uit Steenwijk. Speurhonden willen dus nog wel eens meer tot de verbeelding spreken, dan effectief zijn.
Brigadier Van de Berg kreeg inderdaad een opvolger voor Sonja, die hij Damon heeft genoemd. Damon kwam nog veel vaker in het nieuws dan Sonja, maar ook zijn inzet leverde lang niet altijd succes op.
Groninger lekkernijen (nou ja)
Geplaatst op: 28 januari 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 4 reactiesHeftige mosterd van Witkop uit Winschoten (1923):

Lieftallige juffrouw promoot kaakjes uit Musselkanaal (1925)

Altijd Je Pudding (1928)

Surrogaatkoffie van Kahrel’s, dat proefde je (1944):

De vaas
Geplaatst op: 28 januari 2014 Hoort bij: autobio 6 reactiesDie arme meneer die achteruit schuifelend voor een beter shot, pardoes tegen die artistieke vaas aanliep. Wat zal hij geschrokken zijn. Ik hoop maar dat hij goed verzekerd is.
Zelf had ik een jaar of dertig, veertig geleden een geheel omgekeerde ervaring. De toenmalige schoonmoeder van me had een heuphoge Imari-vaas die ze maar niet kon verkopen tegen de prijs die ze ervoor hebben wou. Ze kwam op het idee om het ding kapot te maken, met een gelijktijdige déclaratie bij haar verzekering.
Als je er gewoon tegenaan liep wilde het niet stuk, had ze al uitgevonden. Ook kreeg ze het niet boven haar macht. Of mij dat wel lukte en of ik die vaas dan op haar parketvloer kapot wilde gooien?
Daar had ik eerst niet zoveel zin in. Maar na een tijdje soebatten wist ze me toch over te halen. Ik stond op uit de zitzak, nam die vaas in mijn armen, tilde hem boven mijn hoofd – hij was inderdaad zwaar – en liet hem met mijn ogen dicht vallen, me instellend op de klap die komen zou.
Er klonk geen klap. Er klonk een sonore donkere, bijna warme toon, die vrij lang aanhield. De vaas was op de vloer afgestuiterd en rolde bedaard naar de hoek van de kamer. Hij was nog heel.
Mijn toenmalige schoonmoeder vroeg of ik het nog eens wou proberen.
Maar ik durfde niet meer.
Fauna betrapt – de Onlandse cameraval Top 5
Geplaatst op: 27 januari 2014 Hoort bij: Onlanden Een reactie plaatsen
Kan je er nog geen genoeg van krijgen? Er is ook een iets langere Top 10, samengesteld door Wim van Boekel zelf.
Een wandeling langs het Hoendiep
Geplaatst op: 26 januari 2014 Hoort bij: De actuele wereld, Hoogkerk, Stad nu 6 reactiesNeem toch maar de bus naar stad:

Geef die man een jasje:

Kon ’t niet laten:

Voormalige Huishoudschool aan het gedempte stuk Hoendiep:

Vuurdoorn:

Raggen met een quad op een parkeerplaats bij de meubelboulevard:

Mooi compact binnenvaartscheepje:

Het Van Panhuys-monument:

De meubelboulevard doet tegenwoordig ook in de wat grotere maten:

Milieudienst in actie:

Dakenlandschap Hoogkerk:

Compositie in rood, zwart en wit:

Groningse mijnwerkers en hun cultuur in Zuid-Limburg
Geplaatst op: 25 januari 2014 Hoort bij: Geschiedenis 8 reacties
Nieuwsblad van het Noorden 26 januari 1957.
Heeft u nog gehoord van die Limburgse solidariteitsbetuiging met Groningen, de afgelopen week? Met name de Limburgse letterkundige, schrijver en dichter Wiel Kusters riep op tot Limburgse solidariteit met Groningen, omdat de ervaringen van Limburg en Groningen nogal overeenkomen. Beide provincies hebben decennialang randstad Holland van energie voorzien, beide zijn met een fooi afgescheept, beide zijn economisch onderontwikkeld en beide hebben nu te maken met krimp.
Kusters merkte daarbij terloops op, dat er veel Groningers in de Limburgse mijnen hebben gewerkt, en dat er nog veel nakomelingen van die Groningers in de voormalige mijnstreek leven. Dat sloot naadloos aan bij iets wat ik vorig jaar hoorde van Ton Grotens, de oud-directeur (1983-1992) van de Gasunie. Voordat hij bij de Gasunie in dienst trad, was Grotens directeur geweest bij de DSM, het petrochemische bedrijf dat in Zuid-Limburg uit de Staatsmijnen voortkwam. Bij de Staatsmijnen begon Grotens’ carrière medio jaren vijftig. Hij vertelde dat hij er alle rangen doorliep vanaf letterlijk de onderste tree op de bedrijfsladder, te weten die van hulphouwer. Nog verbazender aan zijn verhaal was, dat zijn eerste collega’s beneden in de staatsmijn Maurits bijna allemaal van origine Groningers, Friezen en Drenten waren. Die hadden, vertelde Grotens me, nogal eens eigen ploegen, en ondergronds zelfs ook een eigen personeelschef, ene Klaas Gort, die tevens raadslid en wethouder van Heerlen was.
Die noorderlingen, aldus Grotens, werden aangetrokken in speciale wervingscampagnes. Sporen daarvan tref je inderdaad aan in de digitale leggers van regionale kranten. Zo hield Staatsmijnen vlak voor Kerstmis 1955 voorlichtingsbijeenkomsten over het werken in het ondergrondse mijnbedrijf in cafézalen te Annen, Roden en Een. In de eerste week van januari 1956 volgden soortgelijke sessies in Vriescheloo, Stadskanaal-Wildervank, Tolbert, Gasselternijveen, Midwolda, Wildervank, Noordhorn, Oude Pekela, Marum, Wedde, Veendam en Grootegast, terwijl in de tweede week van die maand Scheemda, Nieuwe Pekela, Groningem, Warffum, Beerta, Muntendam, Uithuizen Musselkanaal, Bierum, Winschoten, Siddeburen, Alteveer, Loppersum, Vlagtwedde, Ter Apel, Stadskanaal en Sellingen werden aangedaan. Al met al voornamelijk plaatsen met een hoog (potentieel) overschot aan landarbeiders die met de mechanisering van de landbouw hun werk verloren of nog zouden gaan verliezen en die al gewend waren aan zwaar lichamelijk werk. Desondanks vertoonden ze aanvankelijk blijkbaar nog te weinig animo, want Staatsmijnen gaf in maart ‘56 een kortstondig vervolg aan zijn wervingscampagne met bijeenkomsten in Leens, Uithuizen en Roden, terwijl het bedrijf eind januari ’57 nog eens zes avonden in vooral Oost-Groninger centrumplaatsen organiseerde (zie het bovenstaande knipsel).
Noordelijke werkkrachten die via zulke bijeenkomsten toehapten, moeten kompels zijn geweest van Grotens in diens tijd als hulphouwer. Maar de golf Noordoost-Nederlandse arbeidsmigranten naar Zuid-Limburg in het midden van de jaren vijftig was zeker niet de eerste, zo blijkt uit een artikel van Wim van der Linde dat op de NGV-website staat. In de eerste decennia van de twintigste eeuw was er ook een golf geweest.
Toen het Zuid-Limburgse mijnwezen zich rond 1900 enorm ontwikkelde, kwamen daar al veel werkkrachten uit Noordoost-Nederland op af. Vaak ging het om mannen, die in de voorafgaande decennia eerst naar het Duitse Ruhrgebied waren geëmigreerd en daar al ervaring met het mijnwerk hadden opgedaan. Door die ervaring, hun grotere geletterdheid en de aanvankelijk geringe animo van autochtone Limburgers voor mijnwerk, kwamen deze noordelingen ook nogal eens gemakkelijker hogerop, wat met hun calvinistsche directheid, hun eigen dorpen of wijken (bijv. Treebeek, Brunssum) en hun eigen kerkelijke leven wel eens zorgde voor irritaties. Van der Linde becijferde dat tussen 1900 en 1913 ongeveer 1600 geboren Noordoost-Nederlanders in de Limburgse kolenmijnen zijn gaan werken, dus ruim 100 per jaar. Vaak namen die een gezin van vier of vijf mensen mee, en kettingmigratie zorgde voor nog eens voor aanzienlijke vergroting van deze allochtone groep. Alleen al bij de Staatsmijnen werkten er in 1923 bijna 2300 personen, die geboren waren in Noordoost-Nederland, zo’n 15 % van het algehele personeelsbestand. Uit de jaarverslagen van de Staatsmijnen valt ook af te leiden, dat vanaf 1913 het aantal noordelingen dat daar per jaar nieuw in dienst trad, toenam tot enkele honderden per jaar in de laatste jaren van de Eerste Wereldoorlog. Vlak daarna, in 1919 en 1920, was er de piek, met in die beide jaren samen 742 nieuwe noordelijke mijnwerkers. Na 1926 was er geen groei meer, maar nam het aantal nieuwe mijnwerkers dat in Noordoost-Nederland geboren was juist af.
Een mooi voorbeeld van die eerste golf emigranten, kwam ik tegen in het Limburgs Dagblad van 19 november 1950, toen het van origine Groningse echtpaar Wolters zijn gouden bruiloft vierde. Volgens het artikel was de man, Jurrien Wolters (NH), in 1881 te Warffum geboren en trouwde hij in 1900 met de iets oudere Grietje Lesterhuis uit Middelstum. Na zijn huwelijk werkte Wolters, die al een half jaartje boerenwerk in Duitsland erop had zitten, eerst in een Duitse kolenmijn. In 1902 hield hij die voor gezien en verhuisde hij met zijn vrouw naar Zuid-Limburg, waar hij zo’n dertig jaar meester-houwer in de staatsmijn Emma was. Maar hun cultuur raakten hij en zijn vrouw intussen nooit kwijt. De kinderen kregen meest nogal Gronings klinkende namen als Geertruida en Aafke en ook de taal van hun geboortestreek lieten ze niet los. Toen de LD-journalist hem verzocht om pasfoto’s voor bij zijn artikel, vroeg de gouden bruidegom namelijk “of de nicotiefen ok goed wazzen”.
Afgaande op een bericht in het Limburgs Dagblad van 25 oktober 1969 keerden “de zwijgzame Groningers, de stugge Friezen en de geharde Drenthenaren” die na de Tweede Wereldoorlog naar de Limburgse mijnstreek verhuisden, bij de mijnsluitingen vanaf 1965 vrij snel terug naar hun geboorteplaatsen, waar ze immers ook wel in een fabriek konden gaan werken. Van der Linde constateert echter, dat ook de nazaten van de eerste golf Noordnederlandse mijnwerkers minder aan de mijnstreek hingen, dan nazaten van autochtone Limburgse mijnwerkers: “Velen waaierden uit over heel Nederland en over heel de wereld.”
Als men in Limburg een praktisch gevolg zou willen geven aan de uitgesproken solidariteit met Groningen, dan zou een nader onderzoek, kwantitatief en kwalitatief, naar de Groningse mijnwerkers heel mooi zijn. Zo ben ik zelf erg nieuwsgierig naar het culturele aspect. Vaag staat me bij – en daar is ook wel een aanwijzing voor – dat er in de jaren vijftig een Grunneger Verainen actief was in de mijnstreek. Ook namen noorderlingen van de eerste golf hun eigen volksliedrepertoire mee. Zo vinden we met het trefwoord Brunssum op de Liederenbank de in Noordbergum (Friesland) geboren mijnwerker Klaas Reitsma met een stuk of wat opnamen, terwijl de uit Wildervank/Valthermond afkomstige zusters Greven er zelfs vertegenwoordigd zijn met regelrecht Groningstalig repertoire.
Industrieel Groningen in Delftsblauw
Geplaatst op: 24 januari 2014 Hoort bij: Hoogkerk, Stad toen 7 reactiesDeze zag ik onlangs in Sappemeer in de etalage van een uitdragerij hangen. Het betreft de grotendeels verdwenen suikerfabriek in Groningen:

En deze hangt in een tweedehandswinkel aan de Zuiderweg in Hoogkerk. Het gaat om de inmiddels verdwenen Hunzecentrale met de vijf pijpen die jarenlang de zuidoostelijke skyline van Groningen domineerden:

Moderne bedrijven die zulke nostalgische borden lieten maken – je zou bijna denken dat het wel verkeerd met ze moest aflopen.
Ontspoorde jongen stierf in opvoedingsgesticht
Geplaatst op: 23 januari 2014 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesMet dank aan een trouwe lezer uit Overijssel kan ik u melden dat de ontspoorde jongen uit Muntendam officieel niet Anno, maar Hanno Slor heette . De kranten noteerden dus de naam, zoals men die op zijn Gronings uitsprak.
Hanno Slor dan, was geboren op 31 mei 1883 aan de Middenweg in Muntendam en dus twaalf jaar oud ten tijde van zijn wandaad.
Anders dan ik meende, is de rechtszaak tegen hem wel degelijk in een openbare zitting behandeld. De kranten hadden daar echter opmerkelijk weinig belangstelling voor. Alleen in de helaas niet gedigitaliseerde Winschoter Courant vond ik een klein stukje, en dat pas vier dagen na het vonnis.
Die uitspraak heb ik nu ook gezien. Ze bevat nog enkele bijzonderheden ten opzichte van de krantenstukken uit oktober 1895. Het ging om de trein uit de richting Winschoten die ’s morgens om negen over acht de plaats delict passeerde. De jongen had de zware ijzeren platen vlakbij de ouderlijke keet bij een overweg over de rails gelegd “om te zien of de trein niet van de rails af zou raken”. Hij stond op een afstandje toe te kijken, werd de volgende dag opgepakt en bekende toen vlot.
Weliswaar achtte de rechter het opzettelijk veroorzaken van gevaar voor het spoorwegverkeer wettig en overtuigend bewezen, maar hij sprak ook een ontslag van rechtsvervolging uit. Daarbij overwoog hij dat Hanno Slor niet geregeld naar school ging sinds hij eens geruime tijd thuis was gebleven wegens het moeten oppasssen op een klein broertje of zusje. Hanno kon zelfs niet eens zijn eigen naam schrijven. Vanwege zijn “verwaarloosde opvoeding” en zijn “gebrek aan behoorlijke ontwikkeling” had hij geen besef van de eventuele ramp die er had kunnen gebeuren. Hij handelde “zonder oordeel des onderscheids” en was daarom niet strafbaar. Tegelijkertijd echter, ging de rechter over tot het opleggen van een soort TBS: hij plaatste Hanno Slor tot diens achttiende in een Rijksopvoedingsgesticht.
Voor Hanno betekende dat feitelijk levenslang. Want twee dagen voor zijn vijftiende verjaardag, op 29 april 1898, overleed hij in Avereest, waar hij opgenomen moet zijn geweest in het plaatselijke Rijksopvoedingsgesticht Veldzicht.
—
Bronnen:
- Vonnis Hanno Slor: RHC Groninger Archieven, toegang 882 – archief Arrondissemenstrechtbank Winschoten, inv.nr. 421 rol nr. 461 dd 6 december 1895.
- Winschoter Courant, zondags bijvoegsel van 8 december 1895 (laatste item rechtbankverslag).
‘De schrik van Muntendam’
Geplaatst op: 22 januari 2014 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesGister was het nog weer in Opsporing Verzocht: het gevalletje van de stalen buis op het spoor bij Lelystad, die zondagavond een gat sloeg in de bodem van de intercity naar Groningen.
Het deed me denken aan soortgelijk gevalletje dat zich in oktober 1895 voordeed bij Zuidbroek. Daar lagen toen zware ijzeren platen op de rails bij het station. De trein uit Nieuweschans stootte erop en daarbij vlogen de hulpmachinist de scherven ijzer om de oren. Net als bij Lelystad was het ijzer dat op de rails had gelegen totaal verwrongen. Het was een wonder dat de trein niet ontspoorde, aldus de kranten.
Weldra pakte de plaatselijke politie Anno Slor op. Noch hijzelf, noch zijn ouders wisten zijn leeftijd precies te noemen, maar hij was twaalf of dertien jaar oud. Zijn familie had wel vaker de kranten gehaald, en niet in positieve zin.
Zo stond dit bericht in het Nieuwsblad van het Noorden van 30 oktober 1894:
“MUNTENDAM, 28 Oct. De familie Slor huist hier reeds sedert den vorigen winter aan den Ouden Weg in eene woning, een hok of keet, zooals zoodanige luidjes in dergelijke omstandigheden, zoo primitief mogelijk natuurlijk, plegen op te slaan. Niemand wil de „Slorren” huisvesting verleenen, niemand, dan Vrouwe Justitia, bij wie de leden van het gezin het telkens weer verkerven. De menschen zijn te lastige personages, dan dat men ze in zijne nabuurschap zou wenschen. Zooals ze dan nu echter aan den weg wonen, veroorzaken ze weder veel last en schade ook, aan de omringende landbouwers. Vandaar talrijke klachten. Maar schoon onze raad een paar maand geleden een oommissie benoemde om in overleg met het bestuur der diakonie eene woning op te sporen, tot nog toe is zulks niet gelukt.”
In oktober 1895, ten tijde van het ijzer op het spoor, bleek de familie verhuisd naar even verderop, naar de Hondenlaan, op de grens tussen Zuidbroek en Muntendam. Onder koppen als ‘Een verwilderd gezin’ deden diverse landelijke kranten – bijvoorbeeld het Algemeen Handelsblad en De Tijd – nu verslag van haar woonsituatie:
“Reeds geruimen tijd heeft een zekere familie Slor haar tenten opgeslagen in de nabijheid van Zuidbroek. Deze familie, reeds voor een paar jaren uit eene woning op straat gezet, heeft sedert dien tijd geen woning meer kunnen huren, waarom zjj ergens aan den weg eene keet bouwde en daar verbleef totdat op last van den burgemeester van Muntendam dit getimmerde werd afgebroken en de primitieve woning met have en goed werd vervoerd naar de zoogenamde Hondenlaan. Hier heeft de familie zoo ongeveer het geheele jaar gehuisd.
Midden in het veld, omringd door weelderig graan, achtte zij het niet ondienstig eenige knorrige viervoeters er op na te houden, die ruimschoots hun dagelijksche behoeften vonden. Eenige malen werd proces-verbaal opgemaakt tegen een of meer bewoners, die over met vruchten bezaaiden grond liepen, doch de meeste malen bleef eene aanklacht wegens eene zelfde of nog erger daad uit vrees achterwege.
Natuurlijk laat de opvoeding der kinderen alles te wenschen [over]. Een er van werd voor jaren geplaatst in een rijksopvoedingsgesticht en heeft binnenkort zijn tijd „om”, om zoo terug te keeren in den schoot zijner familie in de ouderlijke woning.”
Welke straf Anno Slor kreeg, viel uit de kranten niet op te maken. De zaak zal wegens zijn leeftijd achter gesloten deuren zijn behandeld. Vrijwel zeker heeft hij, net als zijn oudere broer, een tijd doorgebracht in een rijksopvoedingsgesticht.
Zoals gezegd haalden leden van de familie Slor nogal eens de krant. Ze gold wel als “de schik van Muntendam” (De Grondwet 8 juni 1897). Een uitputtende opsomming van alle berichten zou de lezer maar vervelen, denk ik, maar vermeldenswaard is nog dat de mannen de kost verdienden als scheepsjager. Dat bleek althans bij een steekpartij die zich in 1897 in Sappemeer-Oost voordeed tussen vier neven Slor, die ruzie hadden gekregen over een paard, dat daarbij ook deerlijk gestoken was.
De naam Slor, en dit tot besluit, heeft waarschijnlijk te maken met die scheepsjagerij. Slor komt namelijk van sleuren. Als zelfstandig naamwoord staat slor voor versleten en gescheurd goed, een ouwe lap, vod of lor van linnen of katoen. Het bijvoeglijk naamwoord slordig is ervan afgeleid.
De Lethe in de Tweede Kamer
Geplaatst op: 21 januari 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenDe Lethe kwam zelfs eens in de Tweede Kamer ter sprake. In 1853 was dat, na een rekest van 111 Oost-Groninger neringdoenden die naar eigen zeggen fors nadeel van de smokkelarij ondervonden. Zij voldeden immers wèl de accijnzen, die niet betaald werden over de gesmokkelde waren, zodat hun handel duurder uitviel en ze maar moeilijk tegen de illegale concurrentie opkonden. In de belangrijkste landelijke krant, de Haarlemsche, stond te lezen dat…
“…in de gemeente Bellingwolde, en wel in het gehucht Lete, onmiddelijk aan de Hanoversche grenzen, van eene bevolking van 240 à 250 hoofden, slechts vier huisgezinnen tot den landbouwersstand behooren, en al de andere inwoners, zoo mannen, als vrouwen en kinderen, zich bezig houden met het insluiken van aan accijns onderworpen goederen zonder ooit eenig ander bedrijf uit te oefenen, terwijl in hunne woningen altijd een voorraad van deze goederen gevonden wordt, juist berekend naar hetgeen volgens de wet van 1822 bij bijzondere personen ongedekt aanwezig mag zijn. Van dezen voorraad, welke gestadig door aanvoeren van buiten op de hoogte wordt gehouden, worden gedurig meer binnenslands gelegene gemeenten voorzien, zoodat men dagelijks geheele troepen dezer lieden ontmoet, die zich deels buitenwaarts begeven om de goederen af te halen en zich deels binnenwaarts in alle rigtingen verspreiden, zoodat aan de oostelijke zijde van Groningen naauwlijks eene gemeente bestaat, in welke men niet elken dag troepen van dusgenaamde dragers kan waarnemen.”
Bron: Opregte Haarlemsche Courant 16 februari 1853.
Foezel-smokkel niet altijd even populair
Geplaatst op: 20 januari 2014 Hoort bij: Geschiedenis 4 reacties“Eens was er een tijd, — ‘t is nog niet lange jaren geleden — dat „de duivel in oplossing”, aan gene zijde der grenzen gestookt, of, platweg ge[s]proken, de voezel, de voorloop, het blaasjesnat, langs onze oostelijke grenzen een zeer bekend, een al te bekend artikel was. Zelfs op uren afstand van de grenzen bijna geen woning, waarin de bewoner geen kostelijk plaatsje wist om de algemeene „traktatie” aan de Argusoogen van den ambtenaar te onttrekken. Smokkelen was dus een „dagelijksch tijdverdrijf” voor velen. De smokkelaars verdienden(?) een aardigen stuiver en kenden de hondepaadjes over heide en veld zoo goed, dat ze moeielijk te snappen waren.”
Aldus het Nieuwsblad van het Noorden van 24 maart 1895 in een rechtbankbericht uit Winschoten, dat meer wegheeft van een algemene beschouwing over smokkel in de regio. Volgens het stuk had “het avontuurlijk leventje van den sluiker zijn grootste bekoorlijkheid verloren” en stelde de smokkelarij nog maar weinig meer voor, al werden er nog steeds mensen met varkensblazen vol foezel aan de grens gesnapt.
Eerder schreef ik de afname van smokkel in deze tijd toe aan sterke maatregelen aan Duitse kant van de grens. Maar die kwamen er pas in 1896, terwijl de afname dus al een tijdje aan de gang was.
Nu ik nog weer eens in oude kranten rondkeek, maar dan met varianten op de term foezel, kwam me voor dat de drankbestrijding ook een rol gespeeld kan hebben. Deze was weliswaar sterk verzuild, maar ook zeer fanatiek en bovendien in de Groninger grensstreek actief.
Zo hield de NV, de in deze periode van vrijzinnig-protestants naar sociaal-democratisch evoluerende ‘Nederlandsche Vereeniging tot afschaffing van sterken drank’, in oktober 1897 een propagandaweekend in Westerwolde, dan door het Nieuwsblad omschreven als:
“het land van gering hoofdelijk verbruik aan Hollandsche jenever, maar …. zooveel te grooter aan Pruisischen voezel.”
In Vriescheloo bleek er al een geheelonthoudersgebouw te zijn. Hier speelden de propagandisten een thuiswedstrijd zou je zeggen. Toch was er geen groot, “maar wel een zeer dankbaar publiek”.
De bijeenkomst op zondagmiddag in de hervormde kerk van Sellingen daarentegen, werd “druk bezocht”, waarschijnlijk mede door toedoen van het lokale schoolhoofd, dat deze bijeenkomst opende en afsloot. Oorspronkelijk zou er ook nog een bijeenkomst zijn in Wedde, maar die ging niet door. Een geschikte zaal bleek bezet door een landbouwvergadering, terwijl de Wedder kerkvoogden weigerden om hun godshuis ter beschikking te stellen,
“en wel — en dat klinkt gek — omdat de eene kerkvoogd zoo’n socialistenboel niet in de kerk duldde en de andere „met dy fiene rommel nijt te moaken hebben wol“.
De krant concludeerde dat men hier nog niet zo goed van de geheelonthoudersbeweging op de hoogte was. De blauwe knoop kan, is mijn conclusie, dan ook nauwelijks van invloed zijn geweest op de afname van de dranksmokkel. Wellicht waren er toch nog weer andere factoren, die daarin een rol speelden: economische en hygiënische bijvoorbeeld.
De kluizenaar van De Lethe
Geplaatst op: 19 januari 2014 Hoort bij: Geschiedenis 4 reacties“Op de oostelijke grens van de provincie Groningen, 10 minuten van het gehucht de Lethe, gemeente Bellingwolde, leefde sedert een 30-tal jaren een man, genaamd Pieter Alberts, in den rechten zin des woords in den grond. Zijn hol was niet grooter dan een aardappelkuil, waarin ongeveer 25 H.L. geborgen kan worden. Dit hol had slechts ééne opening, welke tegelijk diende voor ingang van licht, lucht en voor den bewoner. Deze man is thans, na zulk een lange afzondering van de wereld, in bijna 70-jarigen ouderdom overleden. Jarenlang kwamen des zomers vele bezoekers naar zijn hol, om den kluizenaar te leeren kennen.”
Aldus het Het Nieuws van den Dag van 12 maart 1898 in een bericht dat een paar dagen later met huid en haar in De Tijd werd overgenomen. Verkort dook het op in de De Graafschapsbode van 19 maart, terwijl het een maand later nog eens in extenso in De Locomotief stond, een krant die verscheen in het Nederlands-Indische Semarang.
Ik wilde wat meer over deze quasi-wereldberoemde kluizenaar weten, maar het gekke is dat in het overlijdensregister van Bellingwolde over de eerste maanden van 1898 helemaal geen Pieter Alberts te vinden is, noch iemand wiens naam erop lijkt. Het zou natuurlijk kunnen dat de man over de grens stierf, al doet dat gemeente Bellingwolde in de eerste regel van het bericht zulks niet dadelijk vermoeden. Wordt mogelijk nog eens vervolgd.
Retour Obergum
Geplaatst op: 18 januari 2014 Hoort bij: Ommelanden 5 reactiesDorkwerd vanaf de Zijlvesterweg halverwege Slaperstil:

Oostum vanaf de dijk tussen Wierumerschouw en Hekkum:

Venster van een geitenkotje bij Hekkum:

De Vogelvanger van Jon A. Gardella (2012). Misschien ligt het aan mij, maar ik zie vooral vrije vogels en geen mensfiguur:

De boog van Winsum vanaf de Obergumer kant:

Ik was even op visite in dit pandje, dat straks een grote opknapbeurt ondergaat. De voorgevel is van 1880, 1890 schat ik, maar binnen zijn er bouwsporen vanaf de late Middeleeuwen. Als de troep eruit is, kom ik nog een keer en maak ik een reportage:

In de etalage er tegenover deze velocipède die opgebouwd lijkt uit moderne materialen:

Spoorwegovergang Winsumermeeden:

De toiletgroep van het armhuis te Bellingwolde
Geplaatst op: 18 januari 2014 Hoort bij: Geschiedenis 7 reacties
Graag bevelen wij onder uw aandacht aan dit luxe en van maar liefst vier gemakken voorziene, nog in uiterst authentieke staat verkerende conferentieoord, waar het voor een fundamenteel overleg verrekte goed toeven was.
Het betreft de latrine, oftewel het rijtje plees, dan wel ‘privaten’ van het diaconiegasthuis te Bellingwolde, ongeveer een eeuw geleden gefotografeerd door Tonnis Post (die ook mijn grootouders Perton eens voor de lens had).
Men merke op hoe functioneel-luchtig de bouwmeester het ontwerp heeft gehouden, bijvoorbeeld wat betreft het dak, dat door zijn open structuur het hergebruik van regenwater mogelijk maakte. Toen al!
Zelfs aan de behoeften van de kleinere mens is gedacht, getuige het formaat van de meest linkse zitplaats. Je moet er toch ook niet aan denken dat je dreumes achterover door zo’n volwassen gat zou tuimelen, want de capaciteit van de onderliggende opvang bedroeg maar liefst 10 kuub.
—
Bron van de foto: Jaap Kwak en Cees Stolk, Dorp toen & nu, deel I (Scheemda 1986) p. 62.

Recente reacties