Aanbesteding met een klein bouwschandaal in Dwingeloo

Foto: Dwingels Eigen (met dank!)

Westeinde 65a, later Heuvelenweg 17 in 1965. Foto: Dwingels Eigen (met dank!)

In mijn familie was het eigen woningbezit bij de vier jongste generaties dominant, wat qua historisch onderzoek grote voordelen biedt. Eigenaar-bewoners zijn namelijk door de bank genomen veel gemakkelijker naspeurbaar dan huurders. Niet alleen zijn er geheid koop- en hypotheekaktes in notariële archieven bewaard, via ouwe kranten kan je bovendien particuliere aanbestedingsprocedures reconstrueren.

Zo liet mijn grootvader Albert Vondeling in 1939/1940 het bovenstaande dubbele woonhuis met werkplaatsen en winkelruimte bouwen aan het Westeinde van Dwingeloo (later herdoopt tot Heuvelenweg). De architect ervan was R. Koeling Pzn. uit Eemster, die volgens de aankondiging, op 2 juni 1939 in de Meppeler Courant, ook de aanbesteding voor mijn grootvader regelde:

Foto van beeld op leesapparaat voor microfiches, Drents Archief. Helaas is de Meppeler Courant niet via internet beschikbaar.

Foto van beeld op leesapparaat voor microfiches, Drents Archief. Helaas is de Meppeler Courant niet via internet beschikbaar.

In deze tijd speelde een verhaal dat mijn moeder wel eens vertelt om aan te tonen hoe “loos” mijn grootvader was. Die werkte sinds het voorjaar van 1939 als electriciën in Dwingeloo. Aan dagelijks op en neergaan vanuit Zuidhorn viel natuurlijk niet te denken bij het toenmalige (openbare) vervoer en zolang hij nog geen huis in Dwingeloo had, logeerde hij er in hotel Mulder aan de Brink, terwijl zijn gezin nog even in Zuidhorn bleef wonen. Of het nou in hotel Mulder of bij een klant was weet mijn moeder dus niet, maar op een gegeven moment kwam mijn grootvader een klein bouwschandaal ter ore. De aannemers uit Dwingeloo en omgeving maakten gemene zaak en hadden afgesproken “er een kop op te doen”, dus hun inschrijvingen met een gelijk bedrag op te hogen, dat ze dan naderhand onder de verliezers zouden verdelen. Mijn grootvader liet zich vervolgens tegen deze en gene ontvallen, dat ook een aannemer uit Zuidhorn gading maakte naar de klus. “En toen deden ze de kop eraf”, aldus mijn moeder.

Het Nieuwsblad van het Noorden berichtte op 14 juni 1939 over deze aanbesteding:

c -  1939-06-14 NvhN over aanbest
De hoogste inschrijvers waren dus zo’n 20 % duurder dan de laagste. Volgens een iets uitgebreider bericht in de Meppeler Courant van een paar dagen later, waren er 11 inschrijvers geweest voor het timmer-, metsel-, grond- en stucadoorswerk, terwijl zich 8 gegadigden voor het verven en behangen hadden aangediend. De concurrentie was dus redelijk groot. Overigens dong er geen enkele aannemer uit Zuidhorn mee.

Uiteindelijk gunde mijn grootvader het werk niet aan de laagste inschrijvers, in wie hij kennelijk onvoldoende vertrouwen had. Volgens de Meppeler Courant van 21 juni mocht aannemer R. Koning uit Ruinerwold het pand gaan bouwen, terwijl B. Eggink uit Dwingeloo het glas- en schilderwerk ging doen. Welke bedragen hiermee gemoeid waren, bleef helaas onvermeld, maar we kennen in elk geval de bandbreedte – al met al zal het pand mijn opa zo’n 6000 gulden hebben gekost.

Het rechter gedeelte, met de winkel, werd vast het eerst afgewerkt. Het linker gedeelte verhuurde mijn grootvader naderhand aan de onderwijzer Benus en diens vrouw, ook mensen met een Groningse achtergrond.

d - huis opa V 2010 ofzo


Plaatjes van de stad uit een “prachtalbum” van Hommes

In de zomer en vroege herfst van 1928 adverteerde de koffie- en theehandel Jac Hommes uit Groningen voor een album over het noorden des lands. Tegen inlevering van koffiezakken kon men de plaatjes voor het album krijgen:
a - Hommes en zijn prachtalbum
Volgens de firma Hommes wilde zij de kennis van het noorden vergroten:

“Zijn land leeren kennen is de beste wijze, het te leeren liefhebben. Niet een ieder is in de gelegenheid zich die kennis door reizen en trekken eigen te maken. – Een prachtig hulpmiddel is zich door afbeeldingen een voorstelling van zijn land, de zeden en gebruiken te kunnen vormen.”

Dit is de voorkant van het album:
b - img184
Hoewel het album oer het noorden ging, werd het hier niet gedrukt, maar in Deventer. Ook de illustrator kwam van elders –  de plaatjes waren namelijk aquarellen van de Amsterdams/Gooise kunstenaar en graficus Eelco Cornelis Leegstra (1891-1968), wiens werk volgens een krantenbespreking uit die tijd de toets der kritiek zonder meer kon weerstaan.  Toch vond ik het in eerste  wat vagefloeperig, wat mede zal komen doordat er veel charme verdwijnt bij het verkleinen tot albumplaatjes. Ik heb die van de stad Groningen gescand, licht bewerkt en hieronder geplaatst. Zo vergroot blijkt de kwaliteit nogal wisselend.

– Grote Markt met kramen en wagen van Hommes –  er lijkt iets mis met het perspectief:
c - Grote Markt
 Peerdekeuren op de 28ste augustus, vrij naar het bekende werk van Eerelman:
d - Peerdekeuren
– Gezicht op de Vismarkt door het Koude Gat:
e - koude Gat
– Het Poortiershuisje aan het Damsterdiep:
f - Poortershuisje Damsterdiep
– Oosterhaven, iets te ruim uitgevallen:
g - Oosterhaven
– Hardddraverij in het Stadspark, waar de paarden kennelijk nog met de klok mee reden:
h - harddraverij Stadspark
De kunstenaar zal hebben gewerkt naar prentbriefkaarten, want ik denk niet dat hij voor het maken van deze plaatjes naar Groningen kwam. Goed opgeleid was hij wel: hij had immers de Tekenschool voor Kunstambachten en de Rijksacademie voor Beeldende Kunst in Amsterdam doorlopen. Naast illustraties voor met name jeugdboeken maakte hij affiches, kalenderplaten, maar toch ook wel vrij werk.


Meppeler blad voor huisvlijt

huiselijke kuns 1
Fraaie Jugendstil-advertentie, voorkomend in het allereerste nummer van het blad Huiselijke kunst, dat in april 1910 verscheen. Het betrof een uitgave van G.P. Dikkers Azn., die in Meppel een magazijn voor huisvlijt- en kunstnijverheidsartikelen gecombineerd met een postzegelhandel dreef. Via zijn blad wilde hij lezers op de hoogte brengen van nieuwtjes op het gebied van vlakbranden, kantklossen, houtsnijwerk, batikken en wat dies meer zij. In ettelijke regionale en landelijke kranten werd zijn blad aangekondigd en ook wel positief besproken als

“Een periodiek, waaruit men heel wat mooie dingen voor de huishouding kan leeren maken. Platen en tekst ademen distinctie en goeden smaak”

Toch maakte het zijn eerste jaargang amper vol. Kennelijk was de markt ervoor niet groot genoeg en kon het niet uit. Opmerkelijk was nog dat Dikkers ook advertenties voor transatlantische correspondentie- en uitwisselingsclubs opnam:

winnipeg hobby club

Ik kreeg mijn exemplaar, dat voorzien is van het stempel ‘proefnummer’, jaren geleden van Boekito, en vond het vanavond terug in een verhuisdoos. Aangezien ik er verder niets mee doe, denk ik dat ik het maar aan het Drents Archief schenk, want dat heeft het vast niet in zijn collectie.


Hommeldag


Bevrijdingspenning

Onlangs via Marktplaats gekocht – deze penning:

Bevrijdingspenning 1
Echt veel informatie is er niet over te vinden, maar hij is eind april 1946 geslagen bij de Rijksmunt in Utrecht om de Bevrijding van een jaar eerder te herdenken. Op de voorzijde staat volgens een krantenbericht uit die tijd niet zozeer de Nederlandse maagd, als wel

“…een Vrijheidsfiguur met vrijheidehoed, die zich een weg baant met zwaard en vredespalmtak uit een prikkeldraadversperring”.

Op de achterkant vertrapt de Nederlandsche leeuw een hakenkruis dat al aardig verbogen raakt:
Bevrijdingspenning 2

De ontwerper van de penning, Oswald Wenckebach, zat in een nationaal comité voor oorlogsmonumenten. Hij heeft naderhand ook het provinciale oorlogsmonument (St-Joris en de draak) op het Martinikerkhof in Groningen ontworpen.

Volgens het aangehaalde krantenbericht kon een degelijke bronzen afslag van de penning in mei 1946 voor ƒ 4.50 gekocht worden bij hoofdpostkantoren in steden als Groningen, Winschoten, Assen en Meppel. Een koper kreeg er een statiefje bij waar hij de penning op kon plaatsen. Dat statiefje ontbrak bij mijn aankoop.


Rondje Ezinge

Een 40 à 50 kilometer fietsen, dat doe ik niet vaak in januari. Bij de volkstuintjes van Hoogkerk:

2014-01-12 003
Schuur met hekken, Leegkerk:
2014-01-12 012
Kronkelsloot tussen Kleiwerd en Heemwerd:
2014-01-12 025
Dorkwerd vanaf de overkant van het Van Starkenborghkanaal::
2014-01-12 033
Feerwerdermeeden, boven de sloot rechts dansten mugjes (wat overigens geen goeie foto opleverde):

2014-01-12 044

Fransum:
2014-01-12 056
In Fransum een expositie van werk, gemaakt door de onlangs overleden Harro Nikkels:
2014-01-12 061
Afgedankte en kapotgeslagen sneldekkers als bermopvulling:
2014-01-12 062
Silhouet-selfie op ’t fietsie bij Suttum (Of: “Pas nou toch op kerel dat je de sloot niet inrijdt”):
2014-01-12 068
Bij mijn achterneef geweest, wat zelden voorkomt in januari. Op de terugweg dit gezicht op een elektriciteitshuisje te Feerwerdermeeden:
2014-01-12 082
Laaiende kop-hals-romp:
2014-01-12 084
Suikerfabriek Hoogkerk:
2014-01-12 096


Studentenkamer, 1977

Een vracht aan planten op plankjes voor de ramen, waar de ietwat later gearriveerde katten wel raad mee wisten.
img164

Grootouderlijk en morgensterrelijk meubilair op sisal matten van de Winkel van Sinkel in de Folkingestraat. Die matten hadden een bepaalde geur, die ik me zo weer voor de geest kan halen. Op het ouderlijke kloostertafeltje staat een smoezelige theepot.

Dat was het zitgedeelte. Nu het keukentje. Bovenop de provisiekast aluminium pannen van thuis. Wegens mensa werd hier niet zoveel gekookt. Onder de pannen het konterfeitsel van Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Fasto-geiser van toen hier aardgas kwam, een decennium eerder. Authentiek granieten aanrecht uit de wederopbouwperiode met onder meer een fles wijn, een fluitketel en een rond kuipje Bona.

img165
De studiehoek:

img166

Hand- en woordenboeken, LP’s en een alles-in-ééninstallatie (radio, pick-up en cassetterecorder) op deels doorbuigende planken van spaanplaat in donkerbruin geverfde boekenkast. Op de voorgrond het met paperassen en boeken overdekte bureau. De lamp erboven is beplakt met een PSP-sticker.

En hier werd dan nog geslapen:
img167
Bedbank/twijfelaar, enige jaren eerder gekocht bij V&D met grote laden eronder waar je kleren in konden. Als bed ten ene male ongeschikt om er met zijn tweeën op te slapen. Rieten kuipstoel (oranjerood). Het schot dat de keuken afschermde was weer donkerbruin, net als de boekenkast.


Het beruchte smokkelaarsoord De Lethe

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Er hangt een romantisch waas rond smokkel. De werkelijkheid echter, was niet romantisch maar rauw, zo blijkt uit oude kranten.

Omdat ik benieuwd was of het zaakje van Hindrik Perton ook nog de Winschoter Courant had gehaald, keek ik even in de legger van die krant over eind 1889. Het bleek jammer genoeg niet het geval. Wel viel mijn oog op een bericht van 6 december over De Lethe, een gehucht bij de Duitse grens achter Bellingwolde:

“Het om zijn sluikhandel zoo beruchte Lethe doet weder van zich hooren, Meermalen vallen er toneelen voor, waarbij kinderen en vrouwen zoowel als mannen op den voorgrond treden, waarbij het niet alleen bij woorden blijft, maar daden aan de vreeselijkste bedreigingen en scheldwoorden klem bijzetten. Gelukkig slechts zijn dit een paar famieljes die het bovengenoemd beroep uitoefenen, en soms, wanneer er ‘geen zaken te maken’ zijn, uit verpoozing zoo’n spectakelstuk opvoeren. Dooden komen er in den regel niet, hoogstens enkele gekwetsten, maar toch laten de sporen der verwoesting nog lang daarna zien, waar de veldslag is geleverd. Van deze ‘uitspanning’ wordt echter weinig notitie genomen: ’t is onder ‘de vrinden’.”

Enerzijds heet De Lethe dus berucht om de smokkel, anderzijds zijn het slechts een paar families die dat als beroep uitoefenen. Onderling gaan die nogal eens gewelddadig te werk.

Die gewelddadigheid blijkt ook wel uit andere berichten, zoals in Het Nieuws van den Dag van 20 januari 1886:

“Zaterdagavond kregen in de Lethe, gem. Bellingwolde, twee beruchte en bij de politie welbekende personen twist over het verraden van smokkelaars aan de administratie. De van verraad betichte J. Smit ging toornig naar huis, doch keerde spoedig daarop terug met een geladen geweer, waarmee hij op zijn makker aanlegde en dezen den rechterarm bijna geheel verbrijzelde. (…) De aanslag geschiedde aan de grens,’ onmiddellijk nabij twee Duitsche douanen.”

Diezelfde krant meldde een half jaartje later:

“Verleden week Dinsdag is door de Rijks-ambtenaren uit Bellingwolde huiszoeking gedaan bij een paar beruchte sluikers in de Lethe, bij welke gelegenheid een belangrijke hoeveelheid accijns-goederen werd verbeurd verklaard en in beslag genomen. De beide sluikers, die onder één dak wonen, beschuldigden vervolgens elkaar wederkeerig van ‘verraad’, en spoedig kwam liet tusschen hen tot grove handtastelijkheden. Glazen en deuren werden ingeslagen en verbrijzeld, waarna zij elkander ook persoonlijk te lijf gingen. De een, Jan Kuiper, werd zwaar gewond aan het aangezicht, terwijl twee ribben gebroken zijn en hij erg in de borst gekwetst is. Ook zijne vrouw is ernstig aan den arm verwond. Na een gestreng onderzoek is de andere sluiker, Jan A. van der Laan, in verzekerde bewaring genomen en door twee veldwachters naar Winschoten overgebracht. Zijne dochter, tegen wie insgelijks bevel tot inhechtenisneming was uitgevaardigd, is over de grenzen naar Duitschland gevlucht. In het huis van v. d. L. heeft men nog een pistool en een bijl gevonden, waarvan hij zich in zijne drift bediend had.”

Uiteraard was er nogal eens drank in het spel. De Lethenaren spuugden er niet in. Nogmaals het Nieuws van den Dag, maar dan van 4 september 1896:

“Uit Bellingwolde (Gr .) schrijft men ons eenige bijzonderheden over een brand nabij de Lethe, onder die gemeente, in een huis dat een paar meter maar over de scheiding stond en bewoond werd door R. Edens en diens gezin. In dat huis was eene drukke slijterij in sterke dranken (voorloop) en kandij. Zoodra de brand (…) bekend werd, kwam er veel volk op de been, en bij die gelegenheid werd zeer ruim gebruik — beter gezegd: misbruik — gemaakt van den aanwezigen voorraad sterken drank. Sommigen gingen zelfs de voorloop versnijden in een klomp bij de sloot. De gevolgen bleven niet uit. Sommigen kwamen in de sloot terecht en anderen moesten op een kar naar huis gebracht worden. Er volgde natuurlijk eene vechtpartij, totdat eindelijk de gendarmen uit Bunde verschenen en aan deze tooneelen een einde maakten.”

Datzelfde najaar namen de Duitsers geen halve maatregelen tegen de smokkelarij. Ze maakten het gebied aan hun kant van de grens goeddeels onbegaanbaar, aldus het Nieuwsblad van het Noorden:

“Tusschen Lethe (Gr.) en Oost-Friesland (Pruisen) bestaat gemeenschap langs een achttal kleine paden, zoogenaamde hondspaden, waarvan gebruik wordt gemaakt door de smokkelaars. Ten einde den smokkelhandel zooveel mogelijk tegen te gaan, is aan de overzijde der grens begonnen met alle verkeerswegen, uitgenomen de straatwegen, weg te maken.”

Aan het aantal krantenberichten af te lezen, heeft dit inderdaad het gewenste effect gehad. Maar niet definitief, want in januari 1926 was het weer even goed mis, als we afgaan op het Nieuwsblad:

“Op hooger bevel houden rijksambtenaren in de Oost-Groningsche grensplaatsen dagelijks onderzoekingstochten in woningen, waarin vermoed wordt, dat gesmokkelde spriet aanwezig is. Te Lethe, te Rhederweg enz. is reeds spriet in vele woningen in beslag genomen.”

Volgens het Nieuw Groninger Woordenboek van Ter Laan komt dat spriet van spiritus. Deze voorloop of foezel (jenever die bij het stoken het eerst overgaat) was dermate sterk dat mensen het meestal voor de helft verdunden.


Perton probeert pistool en wordt betrapt

Begin 1890 kreeg de dienstknecht Hindrik Perton (18), geboren in Vriescheloo als zoon van een gelijknamige dagloner, maar woonachtig in Bellingwolde als “dienstknecht”, een dagvaarding van het Kantongerecht uitgereikt.

Hij moest binnenkort voorkomen omdat hij op zondagmiddag 1 december 1889 om half drie ’s middags

“zich te Bellingwolde met een geladen pistool heeft bevonden in het veld, buiten de openbare weg en voetpaden.”

Dat was niet de bedoeling, want dat riekte naar jacht. Twee veldwachters hadden hem met het wapen betrapt.

Op 20 januari 1890 eiste de officier van justitie te Winschoten een boete van drie gulden tegen Hindrik. Kon hij niet betalen, dan moest hij twee dagen zitten. Sowieso moest hij zijn pistool inleveren, Dat werd dan vernietigd.

Hindrik erkende schuld. Hij zei

“dat hij geen ander bedoeling bij het afschieten van het pistool had, dan om te proberen of het aan de eischen van een goed pistool voldeed, weshalve hij zich dan ook maar eenige schreden van het erf had begeven.”

De rechter achtte het feit bewezen en vonniste conform de eis.

Waarom Hindrik in de donkere decemberdagen een pistool wilde uitproberen, staat helaas niet in het vonnis. Was het misschien, omdat hij het met Nieuwjaar wilde gebruiken?

Met dank aan Jan-Paul Wortelboer, die me op dit vonnis attendeerde. Vindplaats van het stuk:
RHC Groninger Archieven, , toegang 154, kantongerecht Winschoten, inv.nr. 122 (strafvonnissen) rolnummer 51, vonnis 20 januari 1890.


Avonduren met elektra in de Ambachtsschool

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Toen de gemeente Marum in 1920 de aanleg van alle elektrische leidingen etc. in de openbare gebouwen aanbesteedde, moesten de gegadigden beschikken over een elektrotechnisch installateursdiploma, om hun deskundige omgang met elektriciteit te garanderen. Toch bleken de meeste van de tien inschrijvers, die allemaal uit de directe omgeving kwamen, niet elektriciën van hun  hoofdberoep te zijn. Dat waren er slechts drie. Maar liefst vijf van de gegadigden, dus de helft, was in hoofdzaak smid en dan maakten ook nog een fietsenmaker en een koperslager gading naar de klus.

Het grote aantal smeden verbaasde ook Geert Braam, die over de aanbesteding vertelt in zijn recente artikel over elektriciteit in Marum,. Toch is het bij nader inzien niet zo vreemd als het lijkt. Toen het er voor de Eerste Wereldoorlog nog naar uitzag dat er overal snel stroom zou komen, en er daarbij een tekort aan mankracht dreigde, sprong de Groninger Ambachtsschool daarop in door stoomcursussen elektrotechniek speciaal voor smeden te beginnen. Dat was tegen het zere been van de vak-elektriciëns, maar die dolven smadelijk het onderspit in de krantendiscussie over deze kwestie,

Ik trof die discussie aan, doordat Geerts artikel me nieuwsgierig maakte naar de opleiding van mijn grootvader Albert Vondeling, die ook elektriciën was. Ik wist al dat hij zijn monteurs- en installateurpapieren haalde als knecht van Beving, de elektriciën van Zuidhorn. Deze Beving, bij wie mijn grootvader zo’n dertien jaar lang heeft gewerkt, was waarschijnlijk geen smid geweest. Van hem vond ik dat hij in 1925 met een compagnon, Bleeker, failliet was gegaan. Hij was wel doorgegaan met zijn bedrijf, want in 1928 stond hij met een stand vol electrische apparaten en radio’s op een middenstandsbeurs in Zuidhorn, waar hij in  1933 een nieuwe winkel in radio’s en andere elektra opende. In dat laatstgenoemde jaar bleken de stroom-opwekkende en -distribuerende bedrijven in de provincie Groningen – P.E.B., G.E.B. en Laagspanningsnetten – een avondcursus in de Groninger Ambachtsschool te organiseren, die twee winterhalfjaren duurde en in totaal 50 gulden kostte. Ik 1938 slaagde mijn grootvader voor het installateursexamen, wat ook in de krant stond. Waar hij het diploma haalde staat er niet bij, maar volgens mijn moeder ging hij op de fiets naar Groningen en volgde hij daar dus zo’n tweejarige cursus in de Ambachtsschool. Hij zal er dan in 1936 mee begonnen zijn en is dus de deuren van dat prachtige schoolgebouw tussen de Driessen- en de Petersstraat menigmaal gepasseerd.

— (Tekst aangevuld en herzien op 11.1.2014.)

Geert Braam, ‘De aanleg van elektriciteit in Marum’, in: ’t Olde Guet, tijdschrift van de vereniging Heemkundekring Vredewold-West, nummer 19 (november 2013), pag, 8-15, in het bijzonder 12.


‘Open brief aan de Nederlandsche Elftalcommissie’

Evert van Linge in zijn glorietijd als voetballer.

Evert van Linge in zijn glorietijd als voetballer.

Vanmiddag na het werk helemaal sjompes geregend. Maar elk nadeel heb een voordeel, zoals de grote filosoof uit Betondorp het formuleerde, want de natte staat van mijn linnen tasje dwong me ook om dat eindelijk eens uit te mesten. En daarbij kwam o.a. het gedicht tevoorschijn, dat op 12 juni 1919 bij wijze van ingezonden brief in De Sportvriend stond, een gedicht waarvan Henk Scholte me vorig jaar een uitdraai leverde (woarveur hai nogmoals slim bedaankt wordt). Het betreft een in Groninger stadsdialect gestelde nominatie van een Groninger voetballer voor het Nederlands Elftal:

“Nou wie dommee mouten speulen
Hail wied in het Zwedenland
Goa ik joe ’n braifie schrieven
‘k Zet het moar in dizze kraant
‘k Hoop, dat dai deur joe wordt lezen
En joe under d’ oogen komt
Want het zol mie aibalds muien
As dat nait zoo was, verdomd!

Moar loat ik nou moar begunnen
Met wat ik joe zeggen wil:
Ik heb heurd, dat je drok zuiken
Noar ’n eerste klasse spil
Doar ken ik joe wel an helpen
Moak joe langer moar nait dik:
Mout je ’n gouje speuler hebben
Neem de spil dan van Be Quick!

Wat dai vent nait fien ken koppen
Man, doar is het end van weg!
Wat dai kerel nait ken waarken
Dat is ja meroakel, zeg!
Of hai nou de bal mout speulen
Mit zien kop of mit zien bain,
’t Is hom t zulfde, aaltied loat-ie
Joe wat hail bezunders zain.

J’ hebben zulf het kennen maarken,
Zundag in het Stoadion,
Zeg nou zulf moar ais meneeren,
Of dei vent nait speulen kon!
Doarum, heeren, wees verstandig,
En geef mie nou moar mien zin!
Als je ’t elftal straks goan kaizen
Zet d’r dan van Lingen in.”

De briefschrijver, ene Pseusodomicus, pousseerde uiteraard Evert van Linge (1895-1964), een zeer aanvallend ingestelde stopper-spil en dè dragende speler van het gouden Be Quick uit de jaren ’20. Deze Van Linge zou dertien maal in het Nederlands Elftal spelen, wat veel is, in aanmerking genomen dat Oranje destijds nog niet zo bar vaak speelde. Na zijn voetbalcarrière was Van Linge een bekend architect van modernistische architectuur, zoals de flat op de hoek van de Radesingel (1962). Voor meer uitgebreide biografische gegevens verwijs ik naar de Wikipedia en een In Memoriam uit 1964, toen hij plotseling overleed.


‘Kort onderwys, hoe men de couranten best lezen kan’

Ik had het boekje altijd al eens willen lezen, ook omdat het ooit heel aardig besproken was achterop de NRC. Zelfs overwoog ik een tripje naar de Koninklijke Bibliotheek te maken om het daar onder ogen te krijgen. Nu staat het dan in de DBNL, wat me die trip bespaart.

In het boekje, dat in 1758 te Leeuwarden verscheen, legt de hovenier en broodschrijver Johan Herman Knoop aan de gewone man – , “’t zy Landman of gemeen Burger” – uit hoe hij kranten “met nut en voordeel” kan lezen en begrijpen.

Een drempel daarvoor werpen de vele vreemde woorden op, die in kranten staan. Daarom heeft Knoop aan zijn korte didactische betoog een woordenlijst toegevoegd, die het leeuwendeel van de pagina’s in zijn boekje inneemt.

Over didactiek gesproken – volgens Knoop vormen kranten een uitstekend leermiddel. Hij schrijft

“…dat ’t zeer nuttig zyn kan, dat men de jongelingen in de scholen de couranten laat lezen (…) niet om de nieuwsgierigheid of ’t nieuws, maar om haar de vreemde woorden te verklaren; dienende teffens om deze jeugd een ander en klaarder denkbeeld te geven van de wereld, en wereldsche dingen, en schranderder te doen worden, om met menschen beter te leeren omgaan…”

Het goed kunnne lezen van kranten veronderstelt echter wel dat men beschikt over enige geografische kennis. Vooral moet men weten waar de hoofdsteden liggen, omdat daar het nieuws vandaan komt. Het bezit van kaarten en atlassen zou dan nuttig kunnen zijn bij het lezen van de krant, ware het niet dat dit voor gewone mensen mogelijk iets te hoog gegrepen is:

“Edog deze kennisse der kaarten is ’t meest voor menschen van een meer als gemeene opvoeding en bevatting, en dus niet voor de gemeene boeren of landlieden, schoon ’t in der daat zo zwaar niet is te leeren als zig veele verbeelden…”

Verder blijkt Knoop een verklaard voorstander van het gestructureerd lezen van de krant. De lezer moet vooraan beginnen en niet egens middenin, laat staan achteraan. Ook moet een lezer gedurende langere tijd het krantenlezen volhouden, want anders snapt hij er niets van.

Een probleem dat weer wat meer ruimte in Knoops boekje vergt, is de betrouwbaarheid van de krant. Opvallend is dat Knoop de krant en zijn medewerkers graag het voordeel van de twijfel gunt:

“Het is waar, zommige menschen zeggen wel, de courant liegt, of kan liegen. Dit kan ook wel in zommige gevallen gebeuren, jedog dit is als dan niet de schuld van den schryver of uitgever der courant, maar komt van daan van onzekere of onware berigten, die hy van zyn correspondenten ontvangen heeft, welke zekerlyk ook weer van andere qualyk over de zake of gebeurtenis beregt zyn, dat uit veelerley oorzaken ontstaan kan, als, door abuis of schielykheid, en veel meer andere dingen…”

Vooral in oorlogstijd spreken berichten elkaar wel eens tegen, aldus Knoop. Overigens bestaan er ook leugens om bestwil, met name leugens die kwaad moet voorkomen. En de krant liegt natuurlijk ook wel eens in commissie:

“De courant verhaalt derhalven de dingen zo als ze van andere verhaalt of berigt zyn; als dus andere in deze of gene voorvallen liegen, zo kan noodzakelyk de courant als dan ook niet anders doen.”

Overigens moet een lezer geen staatsgeheimen in kranten verwachten, in de krant staan alleen dingen die iedereen wel weten mag.

Enfin, als men de krant zo leest zoals Knoop ’t aangeeft, dan zal de lezer daar zijn voordeel mee doen. Niet alleen geeft het krantenlezen aanleiding tot “nuttige bespiegelingen of tot vermaak”, ook is er materieel voordeel in beroep en bedrijf te verwachten:

“Inzonderheid zyn de berigten uit de zee, zee- en andere steden dikwils van veel belang voor de grote kooplieden, negotianten, assuradeurs &c., zo wel in vredens- als voornamelyk oorlogstyden, om den staat van hunnen koophandel en andere dingen te weten, en dezelve daar na te reguleeren.”

Daarmee raakt Knoop dan aan de bestaansreden van de krant, want deze ontstond begin zeventiende eeuw als een koopmansbrief die zo vaak afgeschreven werd, dat het logischer was om hem te doen drukken.


Alle muzikanten speelden Violetta

De Kermis
Het jaarlijksche concert
Bij het Hoofdbureau van politie dromden vanmorgen weer de straatmuzikanten en -zangers samen, om hun proeven van bekwaamheid en bewijzen van goed gedrag te leveren. Inspecteur Kraaijenga zwaaide den staf op de hem eigen joviale wijze, terwijl de rechercheurs het druk hadden met het opzoeken van verschillende gegevens. Er waren weer tientallen orgels, vele harmonica-virtuozen, strijkjes van ulteenloopende grootte, zangers enzoovoort. De Volendammers ontbraken niet bij de „test” en tal van andere oude bekenden waren op het appèl, zooals ook Proeme de Raedt, ondanks de ongunstige berichten, die een tijd geleden in omloop waren. Hèt kermislied? Dat is de smeltende melodie van Violetta, die nu overal in de straten weerklinkt…”

Bron van het citaat: Nieuwsblad van het Noorden 14 mei 1938.

Nog een versie van het lied.

En nog een Duitse cover: Hör mein Lied, Violetta.

En tot besluit de Nederlandstalige update die de Belgische zanger en kunstfluiter Bobbejaan Schoepen omstreeks 1960 uitbracht. Volgens degene die die deze versie op YouTube postte,  komt de melodie uit Verdi’s opera La Traviata.


Rondje Eelde, Peize, Roderwolde

In de buurt van het Eelderwolder brugje over het Omgelegde Eelderdiepje:
2014-01-05 011
Op de kop van een doodlopend laantje daar, stond een kleine kudde Schotse Hooglanders te zonnebaden:
2014-01-05 015
Stoïcijns filosoof:
2014-01-05 024
Zijn uitzicht:
2014-01-05 025
De weg terug:
2014-01-05 030
Aan gort gereden berm bij de Schelfhorst, Eelde:
2014-01-05 043
De lucht betrekt boven Peize:
2014-01-05 051
Achterstewold, Peize – paarden hoog en droog op hun hooi:
2014-01-05 058
Achterstewold:
2014-01-05 069
Achterstewold:
2014-01-05 071
De dijk van het Peizerdiep bij de Stenhorsten was bezaaid met molshopen:
2014-01-05 074
Blakende knotwilgen:
2014-01-05 075
Boomwal bij Roderwolde:
2014-01-05 077
Onbegaanbaar land:
2014-01-05 082
Duizenden ganzen bij Eiteweert. In de verte bij het hek een paar reeën:
2014-01-05 094
Op de wieken:
2014-01-05 098


Hakke Diene en haar drieling

1 - Drieling Noordhorn Van Sloten ansichtkaart ca 1907

Heb de laatste dagen een stuk of wat streektaal-opnamen bij Soundbites beluisterd en mocht weer constateren dat er juweeltjes van verhalen tussen zitten.

Zo bevat de opname die in 1971 te Zuidhorn werd gemaakt een conversatie over dorpstypen van weleer (9:15-12:00 min.; transcriptie pag. 9-12). Een van die mensen was Hakke Diene. Deze vrouw had een drieling – louter meisjes  – en met die drieling in een kinderwagen reisde ze stad en land af.

Volgens de zegsman die het meest over haar wist, een transportondernemer geboren te Noordhorn in 1925, werd een van Hakke Dienes dochters genoemd naar koningin Wilhelmina. Daarom zou de koningin geld hebben gestuurd, waarvan Hakke Diene die kinderwagen kon kopen. Op toernee met deze kinderwagen verkocht Hakke Diene ansichtkaarten waarop haar drieling stond.

In de omgeving van Zuidhorn was de vrouw vooral bekend van boeldagen. De lokale afmijner wilde niet met zijn werk beginnen, voordat Hakke Diene ook aanwezig was. Zij kreeg allerlei spullen toegeschoven waar niemand op wilde bieden, ook zijzelf niet, ze had er al de hele zolder ermee vol staan.

De man van Hakke Diene, “Haakke”, werkte bij de gemeente, aldus het latere verhaal. Het gezin woonde in een héél klein huisje en toen de dochters alle drie verkering hadden, bleven de vrijers in het weekend wel eens alle drie slapen. Buren vroegen Hakke Diene hoe ze dat deed, met die krappe ruimte. “O”, zei ze,

“Wie gooien d’heule kakkie bie mekoar ien en wie hebben er wat schotten en zo tussen zet, dat ze nie bie mekar komen kennen”.

Tot zover het verhaal op Soundbites. Natuurlijk was ik benieuwd, hoe Hakke Diene in het echt heette, en wanneer dit verhaal zich dan afspeelde, maar om nu meteen bij Alle Groningers te gaan zoeken, leek me gezien haar (bij-)naam onbegonnen werk. Drielingen waren echter, voordat de anticonceptiepil gemeengoed werd, tamelijk zeldzaam en zij haalden daarom gewoonlijk de krant. Dat bleek ook hier het geval. De eerste hit was een bericht in De Grondwet van 30 juni 1905:

“GRONINGEN, 22 Mei. Ze was te voet heel van Noordhorn gekomen, haar kinderwagen voortschuivende, waarin drie zusjes van denzelfden leeftijd, een drieling dus, een vreemde zaak, op de kermis op hare plaats. Althans zoo denkt de moeder er over, want zij rijst (sic) met haren schat over de marktpleinen om haar moederzegen den volke te vertoonen. ln het vertrouwen, dat het publiek voor het bekijken van deze merkwaardigheid een kleinigheid zal laten glijden in het blikken busje, dat zij wel zoo vriendelijk is u voor te houden. Met zekeren trots vertelt zij daarbij dat koningin Wilhelmina niet lang geleden van haar belangstelling in het welvarende drietal heeft doen blijken door toezending aan de ouders van f 25 bij gelegenheid van den eersten verjaardag van het trio, waarvan een naar H.M. is genoemd.”

Een soortgelijk, maar wat korter bericht – getiteld “Op de kermis te kijk” – bleek ruim een maand eerder in de Gooi en Eemlander te hebben gestaan en met deze berichten als uitgangspunt was het zoeken in Alle Groningers een peuleschil. Barberdina Kremer, de vrouw van de (gemeente-)arbeider Harke van Sloten, beviel op 19 juli 1904 te Noordhorn van de drieling. Terwijl de oudste naar de koningin Wilhelmina Paulina Helena Maria genoemd werd, heetten haar twee jongere zusjes respectievelijk heel eenvoudig Luiktje en Renske. Hoewel de zegsman van 1971 van een generatie later was, bracht hij het verhaal (uit overlevering) dus wel redelijk goed over. Alleen was de drieling niet op de verjaardag van de koningin geboren, zoals hij geloofde – Koninginnedag viel destijds immers op 31 augustus.

Nu louter zoekend met de zoekterm Noordhorn in de gedigitaliseerde krantenleggers van 1904, bleek dat de geboorte van de drieling toch ook niet onopgemerkt was gebleven. Het Nieuwsblad van het Noorden berichtte op 21 juli:

“NOORDHORN, 19 Juli. De vrouw van den arbeider H. v. S. alhier schonk heden aan drie meisjes het leven. Moeder en kinderen zijn zeer welvarend!”

Terwijl het Rotterdamsch Nieuwsblad een week later een enigszins kritisch kopje boven zijn ultrakortje plaatste:

“Van ’t goede te veel
Een werkmansvrouw te Noordhom vermeerderde haar gezin met een drieling: meisjes.”

Overigens was de vernoeming van het staatshoofd absoluut niet uniek. Toen in 1906 bij het gezin Heres te Bedum een drieling geboren werd, kreeg het meisje de naam Wilhelmina Helena Paulina, terwijl een van beide jongens naar de prins-gemaal Hendrik Wladimir Albert ging heten (het andere jongetje kwam er bekaaid af als: Jan). En bij een behoeftig huisgezin uit de Amsterdamse Jordaan kregen anno 1910 de drie gelijktijdig geboren kindertjes deze namen: Wilhelmina, Hendrik en Juliana! Mogelijk rekenden arme families, waar een drieling natuurlijk een hevige aanslag op het gezinsbudget vormde, met dergelijke vernoemingen bij voorbaat op een douceur van ons vorstenhuis.

Verder googelen leverde nog op dat Harm Renkema bovenstaande prentbriefkaart van de drieling op zijn Flickr-account heeft staan. Bij Zuidhorn-in-Beeld is zelfs nog een tweede te vinden (op tweederde van de gelinkte pagina). Blijkbaar heeft Hakke Diene meermalen een foto laten maken. Volgens het bijschrift op de Zuidhornster website, die de namen niet helemaal goed weergeeft, schonk de koningin de drieling zelfs heel wat meer dan enkel die 25 gulden, waarvan anno 1905 in de kranten sprake is:

“Wilhelmina werd naar de koningin genoemd. Hare Majesteit werd hiervan in kennis gesteld, die hierop reageerde door hun ieder jaar een cadeautje te zenden, tot hun 21e verjaardag. Op deze dag ontvingen de kinderen een naaimachine, onder de mededeling dat, nu zij meerderjarig waren, gestopt werd met het zenden van verjaardagsgeschenken.”

Volgens Vincent Sleebe, die zich daarvoor baseerde op een brief in het gemeentearchief van Zuidhorn, lieten Hakke Diene en haar man hun drieling nog in 1909 voor geld op de kermis zien.

Bij nazaten van de drieling blijkt het verhaal ook nog wel bekend.