Afscheid van de Jaron el Pebro
Geplaatst op: 25 februari 2013 Hoort bij: autobio, Oosterpoort 3 reactiesOp een van mijn eerste wandelingen langs het Winschoterdiep, in 1977, toen ik nog maar pas in de Oosterpoort woonde, zag ik hem liggen: de Jaron el Pebro. Ook toen al, lag hij er een tikkie verwaarloosd bij, maar met zijn grote kajuit, zijn hoogliggende, brede achterdek en vooral zijn rank gelijnde achtersteven bleef hij aristocratisch afsteken tegen de belendende, plompe, authentiek-Groninger vrachtvaarders. In mijn verbeelding zag ik hem al dobberen, ’s zomers – boven het kampanjedek had ik een gepavoiseerd baldakijn gemonteerd waaronder gasten in het wit zoete drankjes nuttigden.
Vanwege de naam dacht ik dat hij van Spaanse herkomst was. Pebro had immers veel weg van Ebro en de J spreekt de Iberiër gewoonlijk uit als G, dus dat Jaron sloeg misschien op de mythische veerman die de doden overzette. Bovendien had ik ooit in een Kijk, toen nog een blad voor aankomende alfa’s, een schilderij van de een of andere Franse impressionist gezien, waarop dergelijke schepen al spelevarend op de Seine uitgebeeld waren, iets wat de zuidelijke en feestelijke veronderstelling alleen maar kon bevestigen. Het moest dus een rivierboot zijn, op onbegrijpelijke wijze verdwaald in het noorden. Een schuit met heimwee, kortom.
Bij mensen die er tegenover woonden informeerde ik eens naar de eigenaar. De man bleek een even verderop wonende haringhandelaar, maar ik werd gewaarschuwd dat hij een veel te hoge prijs wilde hebben, zodat ik maar afzag van verdere stappen.
En toen zat zat ik op een avond in de buurtkroeg naast Freddie. Freddie, volgens hemzelf bij het voetballen een verdediger die niet met zich liet dollen, was geboren en getogen in de Oosterpoort. Zijn opa bevoer nog het Winschoterdiep met schuiten vol drek (heen) en turf (weer). En Freddie zelf werkte op een scheepswerf. We raakten aan de praat over zijn stiel en en ik bracht na verloop van tijd de Spaanse schuit te berde. Freddie wist het nog goed, hij was zo’n klein ukkepukkie (hand op heuphoogte) toen Bronno Schut de boot uit Hamburg haalde. Dat moest zo’n jaar of twintig, vijfentwintig eerder gebeurd zijn, eind jaren zestig. Nee, het was geen Spaanse boot, maar, ofschoon Duits, wel degelijk een rivierschip. Dat kon je zien aan dat boven water zwevende dek, zoïets garandeerde namelijk een hoge stuwing. En die Spaans klinkende naam dan? Och, Schut had gewoon de eerste lettergrepen van de namen van zijn vijf kinderen achter elkaar gezet: Jacob, Ronnie, Ellie, Peter en Bronno.
Schut, zo vertelde Freddie, had de boot indertijd helemaal, van top tot teen, opgekalefaterd. Hij had daar een paar jaar over gedaan, want telkens als het geld op was lag het werk stil. Maar uiteindelijk had de Juan el Pebro er pico bello bijgelegen. Mooi houtwerk, netjes in de verf, etcetera. Schut echter, had er maar één enkele keer mee gevaren, in een zomer, met zijn familie. Naderhand durfde hij niet meer. Ik moest namelijk weten: Het is een diepganger, die steekt wel 1.80 meter onder de waterspiegel. Die moet je weten te hanteren, je moet ook danig rekening houden met die linksschroefsigheid, bij een brug lig je anders dwars tussen de dukdalven voor je het weet.
Enfin, toen Schut een haringhandel begon, werd de boot als onderpand gebruikt voor een lening bij een bank. Sindsdien werd er er nooit meer naar omgekeken. De boot was ook nooit meer op de helling geweest, terwijl dat toch minstens één keer in de vier jaar moest. Ja, hij was vermoedelijk dermate zwaar verwaarloosd dat hij niet eens meer dreef, maar met zijn kiel op de bodem van het diep rustte. In elk geval was dat staal nooit geen twee millimeter dik meer. Als je die boot per se zou willen opknappen dan moest er een nieuw vlak onder, wat wel vijftien mille kostte. Wie wilde daar nou nog aan beginnen? Het geval was hoogstens nog de schrootprijs waard. Aldus Freddie.
De volgende ochtend maakte ik nog maar weer eens een ommetje langs het Winschoterdiep. Het was koud, nat en winderig. De Jaron el Pebro dreef nog, maar daar was dan ook alles mee gezegd. Het was één bak roest, waarop weer en wind vrij spel hadden. De naam viel nauwelijks nog te lezen. Er lag allemaal rotzooi binnenboord; ik zag een geiser, een douchebak, jerrycans, veel groen uitgeslagen en vermolmd hout. Alleen de ratten van het Winschoterdiep hadden er nog plezier van.
Echte schippers woonden er al nauwelijks meer in de wijk, ze stierven langzamerhand uit. De pakhuizen waren gesloopt of verbouwd voor studentenhuisvesting. Ooit was het Oude Winschoterdiep de weg waarlangs de stad alle producten uit Oost-Groningen naar zich toe haalde. Inmiddels was het een doodlopend rak. Als er een nieuwe, vaste brug ook dit laatste open kanaalrak afkneep, dan konden de schepen er alleen nog maar per trailer uit. Niemand zou die moeite nemen voor de Jaron el Pebro.
—
(Herziene versie van een verhaal dat in 1990 verminkt in De Oosterpoorter verscheen.)
Begrafenis door kameraden
Geplaatst op: 24 februari 2013 Hoort bij: Stad toen 5 reacties“Heden had alhier eene eenvoudige plegtigheid plaats. Het stoffelijk overschot van de dezer dagen overleden bedienden op de Groninger en Prov. Groninger Courantdrukkerijen, Sierks en Van der Horst, oppassende werklieden, vaders van huisgezinnen en in de kracht huns levens, werd door een veertigtal hunner kameraden grafwaarts vergezeld grafwaarts vergezeld, allen deftig in het zwart gekleed. De pleinen en straten, waarlangs de lange trein trok, waren gevuld met toeschouwers, die niet zonder aandoening en blijken van goedkeuring deze hulde zagen, aan afgestorven vrienden toegebragt. Nadat de lijken in een en ’t zelfde graf waren nedergelaten, werden door L. Grashuis en J. Rehwinkel eenige toepasselijke woorden ter eere van de nagedachtenis der beide afgestorven kameraden gesproken.”
Bron: Provinciale Groninger Courant 20 april 1858.
Commentaar: Een dergelijke begrafenis door vakgenoten was kennelijk zeldzaam in de tijd dat de gilden allang afgeschaft en de vakbonden nog lang niet geboren waren. Vandaar dat deze uitvaart de krant haalde. Een voorvader van onze huidige burgemeester werkte kennelijk ook als letterzetter of krantendrukker.
Herinneringen aan ’t Groningen van 1900-1915
Geplaatst op: 24 februari 2013 Hoort bij: Stad toen 1 reactie
“Overigens verkreeg ook dit marktplein een gans ander karakter door het toenemende verkeer. Ik herinner me nog de talrijke bodewagens, die er des dinsdags en vrijdags geparkeerd waren. De drukke eierenmarkt aan de noordelijke kant van het Stadhuis en de vele tweedehandsboekhandelaren. Hoevele oude bekenden mis ik hier. Waar is moeder Noorman, de stoere groentevrouw met de wollen muts op, die met haar bokkenwagen de markt bezocht en er haar groente uitventte. Waar is de evangelist Jacobus Horn, die er in zijn koepeltentje bijbelse en andere godsdienstige lectuur verkocht. Waar mijn oude vriend Cloetingh, die er zijn socialistische lectuur aan de man en aan de vrouw bracht. Waar onze oude bouquinisten Pieter Beyer, Frijdal, Leemhuis en Bouma? Wat heb ik niet in hun stoffige voorraden gesnuffeld en hoe rijk voelde ik me als ik weer eens voor luttele stuivers mij de bezitter wist van een boek, dat mijn belangstelling had.”
Deze unieke herinnering aan tweede handsboekenkraampjes op de Grote Markt is van Bernard Ram, PvdA-wethouder Arbeidszaken van Amsterdam, en hij schreef haar op in zijn nostalgische serie Een wandeling door Groningen, een halve eeuw geleden, die eind 1954 in het Nieuwsblad verscheen. Ram was opgegroeid in de stad-Groningen en beschijft toestanden uit zijn vormende jaren, zo tussen 1900 en 1915. Vaak schort het die herinneringen wat aan diepgang, de verhalen zijn soms nogal opsommerig, maar er zitten ook mooie passages in en met elkaar vormen ze toch een aardige momentopname van het Groningen van voor de Eerste Wereldoorlog. Daarom leek het mij wel dienstig om linkjes naar de hele serie te geven, met een korte inhoudsopgave per aflevering:
- 1 – Inleiding. Vervoerszaken, straatverlichting en huisbrand. De badmeester en lantaarnschoonmaker Diephuis.
- 2 – Armoe en bedéling, het Soephuis, lonen, werktijden en woningtoestanden, kroegen, de politiek. Beschrijving van de Boterdiepbuurt waar Ram opgroeide.
- 3 – Vervolg jeugd aan het Boterdiep, het slepen van trekschuiten voorbij de Rodeweg, de kalkovens en de Halfwegsmolen buiten de stad. Nadere beschrijving van de Boterdiepbuurt: tapijtenklopperij, de joodse begraafplaats op Grote Verzoendag, het exercitieterrein, de vlintenklopperij van het armbestuur, kinderspelletjes.
- 4 – De Grote Tentoonstelling van 1903, met het Japanse paviljoen. De komst van de labaratoria in de buurt. De academiebrand van 1906.
- 5 – De bewaarschool in de Nieuwe Kijk in het Jatstraat, de populaire arts R. de Waard, de lagere school aan het Noorderkerkhof, de schoolbibliotheek, het verteluurtje, meester Bos van de schoolatlas, openbare lessen die door de ouders werden bijgewoond.
- 6 – De Nutsbibliotheek aan de Uurwerkersgang met de belangrijkste titels. Spelen op het kerkplein van de Nieuwe kerk, Niemeijer, herberg het Blauwe Paard, de stalhouderij van Goldhoorn, het Guyotplein, Roorda van de leerboeken Engels.
- 7 – De Ossemarkt en zijn voorname bewoners, Marktstraat, Oude Ebbingestraat, onderaardse gangen, de paarden en de electrische tram, tramremises, het Hereplein en het Viaduct.
- 8 – De beide markten, die “in ongunstige zin” zijn veranderd sinds de oorlog. Benoeming van alle zaken vanaf de Boteringestraat met de zon mee. De tweedehandsboekhandel.
- 9 – De torenwachter als gever van brandalarm. Vismarkt e.o., Bommen Berend-viering, de houten wielerbaan die Groningen een tijdje gekend heeft.
- 10 – Mei-kermis – opsomming van alle attracties, inclusief de “neger als portier” bij een stoomcarrousel. De uitdrukkingen “Drukke Dinsdag” en “Drukke Woensdag”. Een rondgang over het Martinikerkhof met het politiebureau en de brandweerkazerne.
- 11 – De zuidzijde van het Martinikerkhof, het Toevluchtsoord, de Maagdenbrug , Boumans Hof, de diepenring tot de Noorderhaven met zijn bedrijvigheid zoals pompmakers. De beurtvaarder op Ameland en het motorbootje dat passagiers naar Schiermonnikoog vervoerde, de pleziervaart naar de Duitse eilanden Borkum en Norderney.
- 12 – Langs de Reitdiepsdijk naar Blauwborgje en terug via de Paddepoelsterweg. Zuidzijde Reitdiep met de barkmolen, het Noorderplantsoen met zijn Melkhuis en molen de Noordstar op de plek waar de watertoren kwam.
- 13 – De Ebbingestraat, de Violenstraat met zijn scholen, omgeving Noorderstation, Studentenpad. De omgeving van het Damsterdiep, Singelweg, het Typografengasthuis en het Slachthuis.
- 14 – Oosterhaven, Winschoterdiep, de Hereweg met café Waterloo en het Boschhuis, het zwembad bij de redoutes, het Engelsekamp, het wrongelhuis Vorenkamp in Helpman en Villa Gelria als keerpunt.
The City Waites
Geplaatst op: 21 februari 2013 Hoort bij: Muziek Een reactie plaatsen
Dankzij Wim Bloemendaal kwam ik The City Waites weer tegen. Ooit had ik een veelvuldig afgedraaid cassettebandje met hun oude muziek, die eens niet op een belcanto manier, maar op een folkachtige wijze gebracht werd. Hier vier nummers, na lezing van Wim zijn logje gevonden op YouTube:
- The Jovial Lass (or the Milking of the Cow)
- The Three Ravens
- Sir Eglamore the Valliant Knight
- England Be Glad
De teloorgang van het begrip arbeider
Geplaatst op: 18 februari 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Taal 7 reactiesMartin Hillenga signaleerde onlangs, dat je het woord arbeider nog maar zelden in de krant leest.
Inderdaad noemt geen hond zich meer zo. En die ontwikkeling is ook al tientallen jaren aan de gang. In de jaren negentig kon ik een ouwe communist bij mij om de hoek altijd aardig op de kast krijgen met de constatering dat er helemaal geen arbeiders meer waren, of, preciezer, dat niemand zich meer zo noemde.
Maar wanneer zette die neergang in? Een geëigend middel om zoiets te meten zijn de jaargangen Leeuwarder Courant bij de Krant van Toen. De aantallen keren dat het woord arbeider in enkel- of meervoud in de Leeuwarder verscheen, heb ik voor de periode 1900-2005 weergegeven in onderstaande grafiek:

De hoogste frequenties kwamen voor in de crisisjaren dertig en vooral de eerste oorlogsjaren. Tot dan is er trendmatig een stijging, die misschien ook wel samenhangt met de dikte van de krant. De papierschaarste en dunne, kleine krantjes van de laatste oorlogsjaren vertalen zich in elk geval in zeer lage frequenties. Een opleving is er kort na de oorlog, en in veel mindere mate ook nog in de tweede helft van de jaren vijftig en de periode 1968-1972, maar daarna zet de definitieve neergang door.
Eigenlijk vormen de jaren zestig niet of nauwelijks een trendbreuk, terwijl het begrip arbeider toen wel een herwaardering kreeg bij de spraakmakende linkse gemeente. Die geringe opleving in die radicale tijd is wat mij nog het meest verbaast. Maar die verbazing komt wellicht ook voort uit een overschatting van het belang der jaren zestig.
Fietsstad Groningen in het Noors
Geplaatst op: 17 februari 2013 Hoort bij: Stad nu 13 reacties
Noorse documentaire over (on)veilig fietsen besteedt van 14:53 tot 22:43 aandacht aan Groningen als ideale fietsstad. Het kwantitatieve verschil tussen Bergen en Groningen wordt uitgelegd aan de hand van stroopwafels, en het stadsbalkon voor het Hoofdstation bestaat nog niet, zodat we nog eens met eigen ogen kunnen aanschouwen hoe mooi het wel niet was op het zwarte plein dat er eerst lag. Gelukkig legt verkeersambtenaar Cor van der Klaauw alles in het Engels uit – hij ziet een verband tussen fietsstad en compacte stad.
(Reen bedankt voor de link nadat poster van de via Vimeo geëmbedde video deze privé zette.)
Buskaartje, 10 maart 1971
Geplaatst op: 16 februari 2013 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesWie wat bewaart heeft wat:

Zulke buskaartjes kwamen uit een ondoorgrondelijk apparaat van metaal, ovaal en onbestemd groenig, waaruit allerlei allerlei vrolijker gekleurde pinnetjes staken. Deze machinerie werd met het grootst mogelijke gemak bediend door de buschauffeur, die hiervoor ons volste respect verdiende. Als de pinnnetjes op de goede plek stonden, slingerde hij aan een hendel terzijde van het apparaat en kwam daar simsalabim zo’n papiertje uit. De techniek stond voor niets. Dit was nog in de tijd van voor de strippenkaart, die we straks ook vergeten zullen zijn.
Groningen was brandpunt anarchisme
Geplaatst op: 15 februari 2013 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen“Verplaatsen wij ons in den tijd van de stichting der S.D.A.P. (1894, HP)
In geen enkel deel van het land was de arbeidersbeweging, door Domela Nieuwenhuis en Chr. Cornelissen geleid, zóó absoluut in anarchistisch vaarwater gedreven als in het Groninger land. De beweging was daar, naar dien tijd gemeten, massaal te noemen. De stad Groningen was niet het centrum, dat lag meer naar het Oosten: Hoogezand-Sappemeer en het zoogenaamde Oldambt. Daar was, behalve Domela Nieuwenhuis, de welbespraakte anarchist Tj. Luitjes, de groote man. Op het kongres van 1893 van den Sociaaldemokratischen Bond, waren uit de provincie Groningen 27 afdeelingen vertegenwoordigd, ruim een kwart van het heele kongres. Nog in den zomer van 1894 werden daar vele openluchtmeetings gehouden, waarvan verschillende door meer dan duizend personen werden bezocht en tal van deelnemers verschenen omhangen met groote roode sjerpen met opschriften als: leve de anarchie!
Ik herinner mij op een dezer meetings aangesproken te zijn door zekeren Hommes uit Finsterwolde, een oppositioneele burgerman, die mij kapittelde over mijn blijkbaren afkeer van het anarchisme, mijn „parlementaire” neigingen en mij zeide: als het overal in het land was als hier, dan konden we de revolutie vandaag nog beginnen.
Ik kan niet zeggen dat het denkbeeld mij erg aanlokkelijk voorkwam, wanneer men de meetinggangers gadesloeg. Het was ruw volk, in dien tijd in die streken. Noch van wat het socialisme was, noch van de reëele machtsverhoudingen had men eenig begrip. Socialisme, dat was de afschaffing van het privaatbezit, onder welke leuze dan ook de meetings werden belegd, maar over hetgeen daarmede bedoeld en [of dat] bereikbaar was, heerschten de vreemdste denkbeelden.”
Uit W.H. Vliegen, [in memoriam] J.H.A. Schaper, De Socialistische Gids jrg. XIX no. 9 September 1934.
Gymnasiaal uitje naar Roderwolde (1936)
Geplaatst op: 13 februari 2013 Hoort bij: Drenthe vrogger 6 reacties“Men schrijft ons: Wie op den Peizerweg bij Bommelier westwaarts trekt komt bij een idyllisch plekje. Daar zaten dinsdagmiddag 30 juni omstreeks 2 uur een 34-tal gymnasiasten bij het voetveer. Daar ter plaatse heeft het Peizer Diep een meander, vanwaar een kanaal loopt naar Roderwolde.
Het Peizer Diep is omzoomd met oevers van moerassen. Van de flora trok het meest de aandacht de kalmus met zijn geurige wortel. Kalmus wordt gebruikt in Deventerkoek, haarwater, aetherische tincturen, tegen haaruitval, als spiritus met kalmus.
Over een uitgetreden paadje reden wij naar Roderwolde met zijn interessanten molen. Daar bij dien molen genoten wij van het uitzicht over de groene landouwen mét verspreid geboomte, overkoepeld door een kleurenrijke hemel vol van de schoonste tintenpracht zatgezogen. Op het stille kerkhof schaarden de gymnasiasten zich om het zandsteenen doopvont waar drs. G. D. Jonker een stemmingsstuk voorlas van ds. D. van Dijk.
Over den Roderwolderdijk ging het door onlanden, waar de wulpen riepen. Na een koele pauze in Hoogkerk ging het huiswaarts.”
Bron: Nieuwsblad van het Noorden 1 juli 1936
Doopvont onder afdak
Geplaatst op: 11 februari 2013 Hoort bij: Drenthe, Drenthe vrogger 3 reacties
Zij is van Bentheimer zandsteen, middeleeuws en het enige restant van de katholieke eredienst in Roderwolde. Over haar exacte ouderdom verschillen de meningen. Deskundigen houden het erop dat ze uit de vijftiende eeuw dateert. Maar dat lijkt voornamelijk gebaseerd op het dunne voetstuk – terwijl dat er los onder lijkt te zitten, dus ook een vervanging kan zijn. Zijn die ineengestrengelde kabels op de kuip echt niet romaans?
Romaans of vijftiende-eeuws, dat scheelt nogal in het aantal gedoopte kinderen. In het eerste geval waren dat er duizenden, in het tweede honderden.
Met de Reformatie, omstreeks 1600, werd het nul, want toen verloor de vont haar functie. Maar zoals alle Drenten hechtten de Roderwoldigers aan antiek als dat een prijs heeft, en de vont bleef daarom staan waar ze stond, ondanks de vrome drijvers die het ding de kerk uit wilden bonjouren.
Probleem was wel: het dorp verhuisde langzamerhand. Op de plek van de oorspronkelijke nederzetting, daar bij dat romanogotische kerkje van baksteen, daalde het maaiveld en werd het veel te nat. De Roderwoldigers trokken hun nieuwe boerderijen een eindje zuidelijker op. ’s Zondags liepen ze dan altijd terug naar het oude en verlaten lint, naar dat kerkje.
Maar zoveel zicht hadden ze niet meer op hun kerk en ze lieten die ook vervallen. In 1828 viel het besluit tot nieuwbouw bij het nieuwe lint. Het oude kerkje zou worden gesloopt, en van het nog bruikbare materiaal zou men het torentje bouwen van de nieuwe kerk, die in 1831 klaar kwam.
De doopvont bleef moederziel alleen achter op het oude kerkhof. Alleen door bomen beschut tegen weer en wind. Tot er in 1874 een lijkenhuisje kwam, en het kerkbestuur besloot aan dat pandje een afdakje te laten maken voor het oude doopvont.
Zoals op bovenstaande prentbriefkaart heeft zij er, getuige de soort letters op die kaart, zeker nog tot diep in de twintigste eeuw gestaan. Tot men het tijd vond voor haar opname in de nieuwe kerk, die intussen ook al behoorlijk oud was.
Sindsdien heeft het lijkenhuisje op het kerkhof van Roderwolde een afdakje, waarvan menig bezoeker zich afvraagt wat de functie ervan is.

Een flierefluiter in Mafraq
Geplaatst op: 8 februari 2013 Hoort bij: autobio 2 reacties
Ik was aan het indutten tijdens 1 Vandaag, tot ik opeens een reportage uit het streekziekenhuis van Mafraq hoorde aankondigen. Dat Mafraq, “de Parel van Jordanië”, ook wel “Geschenk van Allah”, ligt vlakbij de grens met Syrië. Uit het hospitaal kwamen gruwelijke beelden van zwaargewonde en gemartelde Syriërs. Het ziekenhuis kan de stroom niet aan, de enige chirurg is er volcontinu aan het werk, het ontbreekt ze aan allerlei middelen.
Maar die ellendige actualiteit maakte een mooie herinnering los. Mafraq, dat ziekenhuis, ik ken ze. Niet van eigen waarneming, ik ben niet zo’n globetrotter. Nee, daar zat een toenmalige vriend van me, het type van de aangename flierefluiter. Na zijn afgebroken geschiedenisstudie was hij een tijd lang wezen varen, tot zijn vader, een grote eierenbroeder uit het zuiden des lands, het geboemel van zijn oudste zoon welletjes vond, en hem terugriep naar huis om hem een betrekking in Mafraq aan te bieden. Toen X daar eenmaal zat, in het najaar van ’76, bleek die functie heel weinig om hakken te hebben. Vandaar dat hij vaak in dat streekziekenhuis te vinden was, bij enkele jonge Palestijnse artsen met wie hij vriendschap gesloten had.
Destijds sympathiseerde ik hevig met de Palestijnen. Ik kocht al jaren vrijwel elke aflevering van het Palestina Bulletin, waarvan de omslag uit aaneengeschakelde Palestijnse vlaggen bestond. Eén ervan besloot ik uit te knippen en te voegen bij een brief aan X. Een leuke verrassing voor zijn Palestijnse vrienden, dacht ik.
Per omgaande kreeg ik een standje:
“Op de eerste plaats: jij met je eeuwige strijd, internationale verbondenheid, steun aan de broeders… Vergeet het maar, want daar schiet je geen reet mee op. De paar Palestijnse vrienden die wat geleerd hebben, en die ik nu ken, zijn te lui om hun kont af te vegen, maar erg sympathiek. Wat hun zaak betreft hebben ze gelijk. De Israëlies hebben het veel te bont gemaakt; ze moeten op zijn minst de westelijke Jordaanoever teruggeven.
Maar je moet niet vergeten dat ik hier in gebied zit waar de stam Beni-Hassan overheerst. Dat is koningsgetrouw volk, tegen de Palestijnen bovendien. En daar komt Perton met Informatie van het Palestina-Kommitee aanzetten, een Palestijnse kreet in een Palestijnse vlag. Om de ramp kompleet te maken: ik open de brief hier op kantoor waar veel Beni-Hassan vrienden aanwezig zijn. “Wat schrijft hij?”, zeggen ze. En daar verschijnt de vlag met die leuze. Gelukkig waren er twee Palestijnen bij die onmiddellijk begonnen te juichen en triomferende gebaren te maken. Een verschrikkelijk gekakel begon, iedereen begon door elkaar heen te schreeuwen. Alleen omdat jij zo’n stom stuk papier stuurt. Bijna was het misgelopen, maar gelukkig was iedereen vandaag toevallig ongewapend, zodat we niet op de barricaden hoeven voor het middageten.”
Als dank voor de vlag met de leus had hij een formuliertje van dat streekziekenhuis voor me ingevuld. Volgens dat formuliertje leed ik aan een “vocal waterfall in political matters” en daarom kreeg ik een “operation on the mouth and throat” voorgeschreven, “to be carried out at once”.
Vanwege de herinnering ging ik natuurlijk even op X zijn naam googelen. Ik wist nog wel dat hij zijn vader was opgevolgd, maar als ik check hoe het nu met hem gaat, kijk ik daar toch wel even van op. Want wereldwijd heeft dat bedrijf ruim 2400 mensen in dienst en hij staat met een geschat vermogen van enkele tientallen miljoenen in de Quote 500. Twee jaar geleden kreeg hij een hoge onderscheiding. De flierefluiter heeft niet slecht geboerd!
—
NB: Dit stukje is op 19 april 2013 geanonimiseerd op verzoek van de betrokkene.
John Stoel, beeld van een loopbaan
Geplaatst op: 7 februari 2013 Hoort bij: Kunsten 1 reactie
Overzichtstentoonstelling in Wageningen, tot eind mei.
De verdelging van “schadelijk gedierte”
Geplaatst op: 6 februari 2013 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenIn 1850 betaalde de provincie Groningen premies uit voor in totaal 776 dieren die men had doodgemaakt omdat men ze als schadelijk ervoer:
- 296 vossen (waarvan 152 jong)
- 3 arenden,
- 153 valken,
- 20 otters,
- 188 bunzings,
- en 116 wezels.
Behalve de otter, berucht als “vischvernieler”, bestond het “schadelijk gedierte” dus vooral uit soorten die het gemunt hadden op pluimvee en ander gevogelte, groot en klein.
Vanaf 1703 waren er – steeds gelijk gebleven – premies voor het doden van otters en vanaf 1705 waren zulke premies er ook voor vossen, hanebijters (kiekendieven), (ganzen)arenden en andere grote roofvogels. Wanneer de kleinere soorten valk, bunzing en wezel erbij kwamen is aan de hand van Jan de Bruijns plakkatenlijst niet te achterhalen. Mogelijk dateerden die regelingen van na 1795.
Het kwantitatief belangrijkste mikpunt was in 1850 duidelijk de vos, gevolgd door de bunzing en de valk. In elk geval werd er in 1850 geen enkele hanebijter buitgemaakt. Die vogel was al zo goed als uitgeroeid, denk ik. Toen de premie op hem werd ingesteld, in 1705, heette het nog dat de hanebijter zich sterk vermenigvuldigde. Eerder werd hij blijkbaar nog niet als plaag ervaren.
Het zijn maar momentopnamen en je zou willen dat de complete administratie bewaard gebleven was, maar voor de periode tot 1795 gaat dat sowieso al niet op. Anders dan bij de stadsrekeningen zijn bij de provincierekeningen geen bijlagen bewaard, waaruit je van die staatjes als boven zou kunnen halen. De boekhouding blijft dan, afgezien van misschien een enkele jaargang, beperkt tot de negentiende eeuw, en ik vrees vooral tot de periode na 1850. Toen ging de provincie namelijk de gedrukte verslagen van de toestand in het licht geven, waaruit het bovenstaande staatje indirect voortkomt..
‘Eene hanenbijterij in Londen’
Geplaatst op: 5 februari 2013 Hoort bij: Geschiedenis 11 reacties
In zijn werk De Volksvermaaken (1871) reserveerde Jan ter Gouw drie pagina’s (357-359) voor de hanegevechten, “welke even oud als algemeen zijn”. De hanegevechten, zegt hij, “kwamen als volksvermaak bij alle gelegenheden te pas – op vastelavonden, kermissen, ja zelfs bruiloften”:
“De stedelingen genoten ’t vermaak der hanegevechten des zomers in de herbergen buiten de poort, en er werden weddingschappen bij aangegaan, waar de winner nooit, maar de kastelein altijd het beste van voer.”
Volgens Ter Gouw waren hanegevechten in Nederland al vrij lang op hun retour. In Engelsen was dat anders en bestond er nog steeds een grote liefhebberij voor. De Engelsen kenden ook geheel eigen varianten, namelijk de Battle royal en de Welch main. Bij het eerste werd een onbepaald aantal hanen allemaal tegelijk in de cockpit losgelaen. Deze moesten dan doorvechten tot er nog maar eentje overeind stond, “die dan koning kraaijen mag”. Bij de Welch Main ging het eraan toe zoals bij een WK voetbal in de knock outfase. Van 32 of 16 deelnemende hanen stonden er steeds 2 in de pit tot er eentje doorging. De Engelsen, aldus Ter Gouw,
“genieten daarbij ’t grootste vermaak, en geen beet noch slag, geen wending noch zijsprong ontgaat daarbij hun vlammenden blikken”.
Toch was er in Engeland wel degelijk al discussie over dit amusement. De Engelse vastenavond was “sedert eeuwen een ware hanenmoord”, maar dat begon al danig af te nemen.
“Ja, sommigen meenen zelfs opgemerkt te hebben, dat sedert dertig jaren de invloed der moderne beschaving ook al op de hanen merkbaar is, en zij zoo vechtlustig niet meer zijn als vroeger.”
Nog net van voor dat verval, uit 1833, dateert een gruwelijk mooie beschrijving van “eene hanenbijterij in Londen”, geplaatst in het Mengelwerk van de Overijsselsche Courant. Volgens de anonieme auteur bestonden er in Engeland zelfs boeken over het trainen van vechthanen. en hij haalt daarbij Lichtenberg aan, die ooit beweerde dat de vechthanen in Engeland een zorgvuldiger opvoeding kregen, “dan menig jonge Lord”. De “groote hanenbijterij” die onze correspondent bijwoonde, vond plaats in ‘The Royal Cockpit’ aan de Tufton Street in Westminster, waar ook een aantal illustere personages aanwezig was. De cockpit bestond hier uit een soort amfitheater rond een met schotten afgezette ring – maar laat me de auteur citeren, die er uitstekend in slaagde zijn opwinding weer te geven, al neemt hij op het eind van zijn beschrijving ook duidelijk afstand van het vermaak:
“De hanenbijterij zou een aanvang nemen. Een bediende besproeide de matten , opdat de hanen niet zouden uitglijden. De oppassers der hanen verschenen, elk hunnen haan in eenen zak hebbende, op het tooneel; de eene heette Nasch, de andere Fleming. Nasch opende zijnen zak en nam er eenen haan uit, den schoonsten, dien men ooit zag. Hij was rood en zwart, krachtvol en van heerlijke veeren. Hij strekte eerst slechts den hals uit den zak, en deze zag uit als eene vreeslijke slang; men meende, dat het dier er uit vliegen en tot aan het dak zich verheffen zou. Het ligchaam was ineengedrongen , krachtig en van schoonen vorm; de lang donkerblaauwe pooten glinsterden en geleken op stangen van ijzer; aan elken natuurlijken spoor zag men nog zeer sierlijk een kunstigen van zilver, die 1,5 duim lang was, bevestigd. De breede bek geleek veel op dien van eenen arend; hij liet de zwarte oogen rondgaan en die oogen glinsterden als diamanten; zij waren onbedriegelijke kenteekenen zoo wel van eenen wilden als bedachtzaamen moed. De vleugels waren sterk, breed en met scherpe haken voorzien. De kam was afgesneden en de staart driehoekig opgemaakt, gelijk bij een paard. De andere haan was een niet min schoone vogel. Zijne veeren waren geel en hier en daar zwart. Hij scheen wat ligt, maar zijne spieren waren veerkrachtig en sterk. — Toen hij zijne tegenpartij zag, scheen hij onrustig te worden; hij bewoog zich henen en weder, doch hield zich stil — De beide hanen werden bij de signalementen, die van hen gegeven waren, onderzocht en wèl bevonden.
Thans begon de kampstrijd. Elk trok zich van het tooneel naar de zitplaatsen terug, met uitzondering van Fleming en Nasch. De weddingschappen begonnen nu van beide zijden met hartstogtelijkheid. Eerst streelden de beide meesters hunne hanen; doopten de vingers in water, bevochtigden daarmede de banden, waarmede de sporen waren vastgebonden; en maakten nog vee! meer toestel. Toen namen zij de hanen op, stelden ze tegen elkander over en hitsten hen aan. De voornaamste kunstgreep was dat zij deden, alsof zij den eenen op den anderen wilden werpen; hen daarbij kop en hals streelden en daarmede voortgingen, tot men de dieren niet langer zonder gevaar in de armen kon houden. Beide hanen tegelijk losgelaten, vielen met ongelooflijke woede op elkander aan.
De positie van de hanen in de eerste oogenbhkken, waarin zij tegen over elkander stonden, was schoon, edel en hoogst verrassend. Zij vertoefden een oogenblik in deze positie, bek aan bek, en stortende zich dan, met de snelte van den bliksem op elkaar. De krachtvolle vleugels, de sterke sporen verwarden zich in elkander, zoo dat de beide dieren slechts éénen klomp schenen uit te maken. De eigendommelijke toon , die men hoorde, toen de hanen op elkander stieten, laat zich met niets beter dan met het spoedig én geweldig uitspannen van eenen natten paraplui vergelijken. Reeds dadelijk na den eersten aanval, scheen de haan van Fleming te wankelen; hij viel en zijn bloed vloeide; hij was doodelijk gewond. Fleming en Nasch namen hunne dieren van den grond op, hitsten hen aan, en stelden ze weer teegen elkander over. Men heeft er geen denkbeeld van, hoe zorgvuldig en teeder die menschen met hunne vogelen omgingen. De haan van Fleming was, gelijk gezegd, doodelijk gekwetst; zijne beenen waggelden; hij liep heen en weer ais een dronkene; boog den kop nu eens regts, dan weder links en zijn staart zocht den grond; maar de haan van Nasch, die nog vol kracht en vuur was, wierp zich weder op hem en gaf hem den genadestoot. De moedige kampioen stortte levenloos op den mat needer, trotsch en mannelijk nog in den dood. Ik kon mij niet van eene zucht onthouden , en wendde mijne oogen en gedachten weg van het bloedig tooneel — maar het geroep der genen die gewed hadden, verhief zich alom, en ik gevoelde diep welk een jammerlijk vermaak het is, dat deze menschen najagen.
Het was van belang den zegevierenden haan te zien. Hij had een paar ligte wonden ontvangen; maar het scheen dat hij door de overwinning nog veel sterker en grooter geworden was. Met majesteit stapte hij over het tooneel en zijne oogen fonkelden nog eens zoo sterk.”
—
Het schilderij (1889) is van de Franse Vlaming Rémy Cogghe en hangt in het Musée d’art et d’industrie (La Piscine) te Roubaix.





Recente reacties