Hanebijtersgang (IV)

Wanneer ontstond die steegnaam eigenlijk?

De alleroudste koopakte, waarin sprake is van de “hanebyters ganck” dateert van 9 september 1664. Het betrof een “camer” (= éénkamerwoning) aan de westkant van het Zuiderkerkhof op pachtgrond.

Die begraafplaats, nu grotendeels ingenomen door het bioscoopcomplex van Pathé, was bestemd voor mensen die  zich geen plekje op een echt kerkhof konden veroorloven. Kijken we naar de stadskaart die Egbert Haubois uit 1631, dan zien we langs twee en een half van de vier zijden van deze begraafplaats al eenkamerwoninkjes staan.:

Zuiderkerkhof eo bij Haubois

Ter oriëntatie: door het midden van het kaartje loopt het Zuiderdiep. Noord is links, zuid is rechts, oost is boven en west beneden. Aan de onder- of westkant van het Zuiderkerkhof zien we de aan één kant half volbouwde steeg die dan nog geen Hanebijtersgang heet.

Voordat de steeg zo ging heten, werd nog de weinig onderscheidende aanduiding ‘bij het Zuiderkerkhof’ gebruikt. Als in 1664 de naam Hanebijtersgang voor het eerst in een koopacte valt, zal de aanleiding daarvoor nog vers in het geheugen hebben gelegen. De hoanebieterijen die aan het uiteinde van de steeg bij de stadswal plaatsvonden, zullen daar toen pas begonnen zijn.

Als we naar de omgeving in wat bredere zin kijken, zien we dat de plek vanuit de binnenstad inderdaad behoorlijk achteraf lag. De Folkingestraat, linksonder op het kaartje, liep nog dood tegen een vrij groot complex aan de zuidkant van de Nieuwstad. Hier kwam in 1667 wel een doorbraak – die na de bouw van de synagoge in 1756 de Jodenstraat of het Jodenstraatje genoemd werd –  maar in het verlengde daarvan kwam er geen brug over het Zuiderdiep. De dichtstbijzijnde brug waarover je de Hanebijtersgang kon bereiken was dus de Haddingeboog (aan de bovenkant van het kaartje) en die situatie bleef waarschijnlijk voortbestaan tot de demping van het Zuiderdiep in 1880.

Nog even de situatie in 1825, toen de steeg aan die ene kant al wel volgebouwd was en er een kazerne aan de walkant van het Zuiderkerkhof stond:

Hanebijtersgang eo

Bron koopakte: RHC Groninger Archieven, Rechterlijke Archieven III x (stad) deel 46 fol. 278 vso (geraadpleegd op microfiche).


Hanebijtersgang (III)

Jean-Claude Taburet

Het bericht over de Hanebijtersgang uit 1922 vond ik door te zoeken op de naam van Cloetingh (1881-1931), een socialistische boekhandelaar en leesbibliotheekhouder, wiens zaak  na zijn dood, bij de Bevrijding, werd vernietigd doordat een Canadese tank er brandend op inreed. Cloetingh was het boegbeeld van de buurtcommissie die in 1929 succesvol de naamsverandering van de Zuidersingelstraat in de Ubbo Emmiusstraat bepleitte.  Eenzelfde rol vervulde hij al in 1922 toen een buurtcommissie een (mislukte) schildering van een hanentoernooi boven de ereboog aan het begin van de straat liet aanbrengen.

Gister zat ik te zoeken op hanebijterij in de verschillende spellingsvarianten, en zo kwam ik de heer Cloetingh warempel wéér tegen, althans  zijn initalen P.L.C. onder een ingezonden stuk uit 1926, dat de geschiedenis van de “Zuidersingelstraat, wijlen Hanebijtersgang” behandelt. Citaat:

“De Zuidersingelstraat ontving in 1874 na de opheffing der vesting dien naam. maar nog steeds leeft in den volksmond de naam „Hanebijtersgang” voort.

Waaraan die naam haar ontstaan dankt, is niet met zekerheid te zeggen. Jhr. Mr. Feith hechtte geen geloof aan de hanebijterij. Of te wel hanegevechten die in deze straat vroeger plaats gehad zouden hebben.

Rasechte oude Groningers weten echter met trots te vertellen van die „hoanekerels”, die in een klein kroegje, waar ze met hun haan-favoriet verschenen, de tegenstanders kwamen uitdagen en onder aan de wallen werd dan zoo’n hanentournooi afgespeeld.”

Niet dat ik zo’n liefhebber ben van dat “rasechte” (meestal is het een adelsbrevet waaraan geen noemenswaardige prestatie ten grondslag ligt), maar ik denk wèl dat Pieter Leonard Cloetingh een goed buurtnetwerk had. Volgens zijn overlijdensbericht dankte hij een “groote bekendheid” aan zijn leesbibliotheek. Hij was trouwens in zijn jonge jaren nog lid van de gemeenteraad geweest voor de SDAP, en vakbondsvoorman van de Groninger typografen. Dat deze man dat gegeven van dat hanentoernooi zomaar verzon, wil er bij mij niet in, al speculeerde hij er na dit citaat wel graag op los..

Zoals gezegd was er in 1761 elders in de stad Groningen een “Sociëteit van de Hanebijterie”, die in een herbergzaal hanegevechten organiseerde, die zelfs door heren uit de hoogste kringen werden bijgewoond. De waarschijnlijk heel wat proletarischer hanengevechten in de open lucht bij de stadswal, waar de Hanebijtersgang naar toe voerde, vonden volgens Riddering plaats voordat die wal geslecht werd (ca. 1875). In Groningen zullen de hanengevechten de 19e eeuw niet hebben overleefd. Dat gebeurde wel in de Friese Woudstreek, waar in de crisisjaren voor de oorlog zelfs nog “hoannebiterijen” werden georganiseerd. De Leeuwarder Courant laat in 1970 enkele getuigen aan het woord die dit “wrede volksvermaak” met eigen ogen te Oudkerk en Murmerwoude hadden aanschouwd. Vooral werklozen hielden zich hier veelvuldig met de hoannebiterij bezig, ze fokten er speciale hanen voor op. Zo’n hanengevecht was “een grote attractie”, maar ook een “bloederig schouwspel”, en “na afloop was er nogal eens ruzie tussen de eigenaren van de kemphanen”.

Net als bij de Groninger stadswal mocht de politie er absoluut niet achterkomen. De hanengevechten vonden daarom ook in de Friese Wouden op achterafplekjes plaats. Streekbewoners waren woedend op een fotograaf die in een vakbondstijdschrift foto’s van zo’n hanengevecht publiceerde, al kwam dat waarschijnlijk ook door de redactionele bijschriften waarin ze als “grote slechterikken” waren neergezet. Zeker was het vermaak vrij oud in deze omgeving. In Drachten vierde de hanebijterij hoogtij tot een predikant er in 1767 een eind aan maakte. Net als in Groningen, Uithuizen, BafloScheemda en Gieten was in Augustinusga een nauw straatje naar de hanebijterijen genoemd , namelijk de ‘Hoannebitersstege’.


‘Wien Groningsch bloed door de ad’ren vloeit’

Ossenmarkt

Als in 1891 de Groninger veemarkt naar buiten de voormalige stadswallen verhuist, vinden bewoners van de Ossenmarkt het langzamerhand tijd worden dat hun plein een andere naam krijgt, een die recht doet aan hun eigen prestige en tevens elke herinnering aan koeienstront uitbant. Het Wilhelminaplein, zo luidt hun voorstel.

Het stadsbestuur leest het adres van de Ossemarkt-bewoners met een welwillend oog, en neemt hun voorstel zelfs over. Maar er is ook oppositie, want het studentengenootschap ‘Groningana’ stuurt de raad een tegen-adres. En uiteindelijk blijken de tegenstanders een grote meerderheid van de gemeenteraad op hun hand te hebben. Onder aanvoering van archivaris J.A. Feith ziet die de zin van de naamsverandering niet in. Daarom laat het college van B&W de voordracht vallen en houdt de Ossenmarkt haar eeuwenoude naam.

Mogelijk werd in de besluitvorming ook een rol gespeeld door een amusant vers, dat ruim een week voor de raadsbehandeling in de Nieuwe Groninger Courant stond, en dat door andere kranten was overgenomen. De auteur ervan noemde zich X, wellicht ging het om een lid van ‘Groningana’. In dit ingezonden stuk op rijm, herinnerde X aan andere oude en karakteristieke buurt- en straatnamen van Groningen die al teloor waren gegaan, zoals het Oude Bosch, de Lammehuiningestraat, (A-kerkstraat) en het Woerdje (Folkingedwarsstraat). Als de naam Ossenmarkt nou ook nog eens verdween, dan was het hek van de dam en verdwenen er nog veel meer oude namen, zo vreesde X. Alleen aan de naam Carolieweg mochten de heren zich wat hem betreft wel vergrijpen, als ze die dan tenminste op zijn middeleeuws weer Kerelsweg zouden gaan noemen.

Hier is dan het vers van X, dat gezongen kon worden op de wijs van het toenmalige Nederlandse volkslied:

“Wien Groningsch bloed door de ad’ren vloeit
(‘t Zij dan met vreemd er bij)
Wiens hart voor koek en molboon gloeit,
Verhef den zang als wij;
Hij stell’ met ons, vereend van zin,
Als diepbedroefden saam,
Het somber klaag- en smeeklied in:
„Laat de Ossemarkt haar naam!”

O Raad, bescherm, bewaak dien grond;
Dat niet de naam verdwijn;
Der plaats waar ’t vette beestje stond,
Welks graf de maag zou zijn;
Wij smeeken van Uw wijsheid, ziet,
Denkt aan uw jongenstijd,
Ontroof ons „’t Ossemarkt” nu niet,
Straks raken we alles kwijt.

Het Oude Bosch, de Spinhuisstraat, de Hanebijtersgang,
’t Lemuuntje en het Woerdje, o Raad!
Wèg zijn ze sedert lang;
„Weg Ossemarkt”, klinkt nu ’t gemor,
„Weg Papengang!” weldra,
O Dolhuisgang, o Kleine Snor!
Straks komt men u te na.

„Stoeldraaijer — bah! dat klinkt gemeen,
Niet minder „’t Koude Gat”
En daar toch al de visch verdween,
Raakt men „de Vischmarkt” zat,
Het Kreupeltje, het Lutjenij, De Laan, de Nieuwe Weg,
Verouderd saam, herdoop ze vrij;
„Dat is goed overleg.”

O Raad, weet gij bij slapte, zeg!
Soms met uw tijd geen raad?
Noem dan „de Croolie” Kerelsweg,
Dan geeft uw doopen baat;
Wïen Groningsch bloed door de ad’ren vloeit,
(‘t Zij dan met vreemd er bij)
Is dan voor u in dank ontgloeid
En roemt u, zooals wij.”

X
6 Nov. ’95


De verzonken klok in het Zuidlaardermeer

Die nacht vroor het dat het knapte. Daarom besloten de mannen van Kropswolde het erop te wagen. Over het bevroren Zuidlaardermeer trokken ze met een slee naar Noordlaren. Ze forceerden stilletjes de deur van de kerktoren, haalden de klok van de balk en lieten die aan de meegebrachte touwen naar beneden vieren, om haar op hun slee te zetten. Via dezelfde weg gingen ze met de klok terug naar Kropswolde. Maar ze hadden pech. Halverwege het meer, zo’n beetje bij de vaargeul, zakten ze met klok en al door het ijs. Ze konden er zelf nog wel uitkomen, ze hadden immers touw bij zich. Maar de klok moesten ze achterlaten. Daar konden ze niet meer bij. En sindsdien kan je altijd, als je tenminste goed luistert, ‘s nachts bij oostenwind een klok horen luiden vanuit het bevroren Zuidlaardermeer.

Dat is de legende die omstreeks 1930 is vastgelegd uit de mond van enkele ouden, die het weer uit de overlevering van ouder tot ouder hadden.

H.M. Luning, de historicus van Noordlaren, onderzocht in 1988 wat er aan was van dit verhaal. De klok van 1712 hing nog steeds in de kerk, constateerde hij, en die klok was weer vergoten van een klok, die in 1628 gekocht was van meester Nicolaes te Groningen.  Het verhaal moest dan van voor 1628 stammen. Een eerdere klok, vond Luning uit, was van 1589 geweest. Maar geen spoor van de Kropswoldiger euveldaad.

Wel hadden de Noordlaarders vanaf 1598 ruzie over de klok gehad, maar dan met die van Farmsum. Dat kwam zo. In 1578 nam de stad Groningen overal in de Ommelanden klokken in beslag om er kanonnen van te kunnen gieten. Zo verdwenen ook drie stuks uit Farmsum richting stad. Een van die klokken bleef echter voor de geschutgieter gespaard en ging in 1589 naar Noordlaren, in ruil voor een zwaardere gescheurde klok.

Zeven jaar later kregen de Farmsumers er lucht van dat een van hun klokken in Noordlaren hing. Omdat de stad vond dat de twee dorpen er onderling maar uit moesten komen, probeerden de Farmsumers met die van Noordlaren te overleggen. Maar de Noordlaarders hielden zich jarenlang oostindisch doof. Toen het toch tot een afspraak kwam, in 1605, bleek de jonker van Farmsum ziek. Zodoende zat er weinig schot in de zaak. Pas in 1609 kwam er een oplossing. De stad wees de klok toen aan Farmsum toe. De Farmsumers vervoerden de klok vervolgens per schip over het Zuidlaardermeer en dat zou dan wel eens de kern van waarheid kunnen zijn van het latere Noordlaarder verhaal.

Aldus Luning. Die indertijd nog geen gebruik kon maken van de Volksverhalenbank, anders zou hij vast wel hebben gezien dat er in Nederlandse volksverhalen bijna net zo vaak verzonken klokken voorkomen als onderaardse gangen.

Grosso modo hebben die verzonken klokverhalen twee motieven. Of er is een groter geheel naar de diepte gezakt dat zich kenbaar maakt door klokgelui. Of de duivel en zijn trawanten hebben een ongewijde klok in het water gesmeten, een klok die dan meestal met kerstmis nog luidt.

Wat noordelijke voorbeelden. In het Tjeukemeer ligt er een verzonken kerkhof, waar  wel eens een klok luidt. Bij Wartena horen schippers en vissers af en toe nog de klokken van een verzonken stad.

Mooier nog, vind ik het verhaal over de klok van het klooster Sint Odolfus  te Stavoren. De lokale bevolking had kosten nog moeite gespaard om het klooster een fraaie klok te bezorgen. Op een kwade dag echter, kwam de bisschop langs, die merkte dat de klok niet was gewijd. Hij vervloekte haar daarom en duivels kwamen haar dezelfde nacht nog halen. Ze vlogen door de lucht en gooiden haar in de Fluessen. Schippers horen daar die klok nog wel eens. Het geluid lijkt op dat van een roerdomp.

Toegegeven: geen van beide motieven – verdronken nederzetting, duivel – speelt bij het Zuidlaardermeer. Of het moest zijn dat de Kropswoldigers bij de Noordlaarders de plaats van de duivels innamen. Wat vanuit het perspectief van de Noordlaarders zeer begrijpelijk is, al waren ze daarin dan volstrekt abuis.

Bron: H.M.Luning, De legende van een klok, Groningse Volksalmanak 1988, 60-63.


Het drama van de Salamander

In het stuk over de Salamander schreef ik, dat deze zaak in gummiwaren en aanverwante artikelen van 1943 tot 1946 helemaal niet meer adverteerde. Ook merkte ik op dat haar telefoonnummer na de oorlog veranderde, zodat ze waarschijnlijk een andere eigenaar kreeg.

Een en ander had een reden, zo bleek uit de Salamander-dossiers bij het Handelsregister.

In 1932 had Dago Wallage, geboren 1907, de zaak overgenomen van de eerste eigenaar en oprichter. Vanaf 1937 woonde Wallage ook definitief op het adres Grote Kromme Elleboog 22. In augustus 1943 stelde het Departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart een bewindvoerder aan, op basis van een “Verordening tot verwijdering van joden uit het bedrijfsleven”. Deze bewindvoerder was de Omnia Treuhand Gesellschaft mbH, die opdracht kreeg de zaak te liquideren. Het Departement van Handel deed dat niet uit zichzelf, maar na een briefje van het Reichskommissariat. Dat episteltje, uit juni 1943, is nog aanwezig:

2013-01-13 062

Dago Wallage, zijn vrouw Martha van Coevorden en hun drie kinderen waren op dat moment al dood. Martha en de drie kinderen werden op 14 januari 1943 in Auschwitz vergast, hun echtgenoot en vader kwam er enkele maanden later om, op 30 april.

Enkele maanden na de Bevrijding, op 15 augustus 1945, stelde het Militair Gezag een nieuwe bewindvoerder aan, een kandidaat-notaris aan de Kraneweg. Deze verhuurde het pand aan de Grote Kromme Elleboog op 1 december 1945. Gezien hun joods aandoende namen waren de huurders mogelijk verre verwanten van het gezin Wallage. Zij konden het bedrijf in 1951 volledig overnemen en hebben de zaak nog tot 1965 voortgezet.

Bron: RHC Groninger Archieven, Handelsregister Groningen (toegang 1972), de inventarisnummers 2007397 en 2019364.


Hanebijtersgang II

SDAP affiche haan

De naamsverklaring die ik voor de Hanebijtersgang heb, is nog steeds niet positief bewezen. Riddering herinnerde zich in 1933 dat er in de omgeving op de stadswallen hanegevechten plaatsvonden, en ik bracht die in verband met het van oudsher overgeleverde toponiem Hanebijtersgang. Dat er 1761 elders in de stad een “Sociëteit van de Hanebijterie” was, die hanegevechten organiseerde, vormde er een sterke aanwijzing voor dat de naam Hanebijtersgang te maken had met de hanegevechten op de achterliggende wal.

Zoals ik al schreef ligt de Ubbo Emmiusstraat, tussen het Zuiderdiep en zeg maar het Groninger Museum, tegenwoordig op de plek van de Hanebijtersgang. De naam Ubbo Emmiusstraat, ontdekte ik van de week, volgde echter niet rechtsstreeks op die van Hanebijtersgang. Er zat nog een naam tussen, te weten die van Zuidersingelstraat. Omdat de Zuidersingel inmiddels Ubbo Emmiussingel heette, en hun straat nu ook mooi opgeknapt was, vroegen de bewoners van de Zuidersingelstraat in 1929 of hun straat voortaan Ubbo Emmiusstraat mocht gaan heten. En dat vond het stadsbestuur goed, en de gemeenteraad ook, zodat de bewoners hun zin kregen en feest vierden.

A propos:: feest. Zeven jaar eerder, in 1922, deden dezelfde bewoners van de Zuidersingelstraat op hun manier mee aan het 250-jarige jubileum van het Gronings Ontzet. In de krant staat dan:

“Gedurende de a.s. herdenkingsdagen zal het deel der Zuidersingelstraat dat vroeger Hanebijtersgang heette, dezen naam weer dragen.”

Ter gelegenheid van deze buitengewoon heugelijke editie van Bommen Berend bouwde de bewonerscommissie bij het noordelijke uiteind van de Zuidersingelstraat een ereboeg. Aan de Zuiderdiepkant daarvan kwam er een “transparant” op de boog met de straatnaam Hanebijtersgang,

“…alsmede een door den’ heer Spoelstra vervaardigde schildering van een hanentoumooi.”

In de Beeldbank Groningen zit een foto van de bewuste ereboog. De foto is ter plaatse van het transparant wat vaag, en Spoelstra’s evocatie van een hanentoernooi lijkt wat aan de brave kant. Maar de artistieke kwaliteit, daar gaat het hier niet om.  Wat telt is, dat de bewoners van 1922 de voormalige Hanebijtersgang in verband brachten met hanengevechten. Als Riddering zich die gevechten in 1933 nog herinnerde, dan zullen zij dat ook hebben gedaan. Uit die nog levende herinnering kwam de magere evocatie voort.


Gummiwaren. Niet goed, geld terug!

1942 de Salamander 1942

Ik denk niet dat veel jongeren deze advertentie uit 1942 meteen zullen doorgronden en het is dat mij nog een verhaal bijstond van Jaap van Nieveld, die in de buurt van deze onderneming opgroeide, anders had ik er ook niet zo gauw bij stilgestaan. Met de “hygiënische artikelen” en “gummiwaren” bedoelde de adverteerder vooral condooms, ook wel kapotjes of sluifjes geheten, maar dergelijke rechtstreekse benamingen gaven absoluut nog geen pas in de krant (in dit geval het Nieuwsblad van het Noorden), vandaar de versluiering.

Hoe verhullend het taalgebruik ook was, ik denk niet dat een christelijke, laat staan katholieke krant een dergelijke advertentie opnam. Toen ik in de krantenbank van de KB echter de behoorlijk onderscheidende combinatie Salamander + Elleboog door de kolommen van het NvhN haalde,  kwamen er van 1927 tot en met 1976 maar liefst 3662 meldingen tevoorschijn.

Het Nieuwsblad had dus best een goeie klant aan De Salamander. Vooral in de jaren rond 1930 was dat het geval, toen De Salamander bijna dagelijks in deze krant adverteerde. Naderhand nam de frequentie zienderogen af tot hooguit enkele tientalen keren per jaar rond 1940, waarna er van 1943 tot 1946 helemaal niet meer geadverteerd werd en van 1946 tot 1974 weer hooguit eenmaal per week. De enorme afname tot de oorlog en de bescheiden frequenties sindsdien zullen samenhangen met de inmiddels  opgebouwde naamsbekendheid. De eigenaar van De Salamander vond het minder nodig om nog aan de weg te timmeren.

Wat me ook frappeerde, is dat de zaak al zo oud was. De Salamander vestigde zich begin november 1927 op het adres Grote Kromme Elleboog 22. In eerste instantie leek er sprake van een soort Groene Kruis- of zorgdepot:

1927 a Salamander 7.11.1927 vestigingsadv.

Bij een wat breder uitmeten van het assortiment, een anderhalve week later, was er echter sprake van “vrouwendouches” en “bustepillen”, zodat het volwassen publiek al een enigszins beter begrip van de handel kon krijgen:

1927 b Salamander 19.11.1927

Eind 1927 adverteerde De Salamander met middelen tegen “geheime ziekten”, nader gespecificeerd als “urinekwalen” en “vrouwenziekten”, waarbij het een groot deel van de lezers toch echt duidelijk geweest moet zijn, dat de adverteerder geslachtsziekten bedoelde:

1927 c Salamander 27.12.1927

Van het verhaal van Jaap van Nieveld wist ik nog, dat er in de buurt nog enige prostitutie bestond, waar De Salamander zijn klandizie voornamelijk aan dankte. Neemt niet weg dat de advertenties pas na verloop van tijd de core business noemden. Deze is uit 1932:

1932 Salamander 16.9.1932

Sprak de eigenaar hier heren aan, hij had wel degelijk ook dames op het oog (1935):

1935 Gummiwaren de Salamander 1935

De Salamander ging in de oorlog met een telefoonnummer adverteren. Na de oorlog veranderde dat nummer en zal een andere eigenaar op gekomen zijn. Iemand die het, afgaande op dat nummer, tientallen jaren heeft volgehouden. Hij legde er tot diep in de jaren zestig de nadruk op, dat het kopen van gummiwaren een zaak van goed vertrouwen was. Een voorbeeldje uit 1952:

1952 Salamander 19.2.1952

Ook bracht hij de inmiddels opgebouwde goodwill van De Salamander in stelling. De gummiwaren moesten indertijd nog van onze verre bondgenoot komen (1954):

1954 Salamander 12.5.1954

De eigenaar deed medio jaren zestig een poging om ’t vertrouwen nog een impuls te geven, door te vermelden dat al zijn gummiwaren electronisch waren getest:

1966 Salamander 24.11.1966

In maart 1967 verscheen in de advertenties een tekeningetje van het ideale gezin met, naast pa en moe, een jongen en een meisje (de zogenaamde rijkeluiswens). Tegelijkertijd werd  het woordje vertrouwen weggelaten:

1967 Salamander 1967 17.3.1967

Het doel  van de gummiwaren verschoof hiermee van voorkoming van geslachtsziekten naar geboortebeperking,  zoals in 1970 uitdrukkelijk bleek:

1970 Salamander 223.10.1970

Kortom, er verdween een taboe. Ook ‘gewone mensen’ gingen condooms gebruiken. Maar omdat de gummiwaren –  inmiddels tevens van Europese makelij – wat betreft de nieuwe focus een grote concurrentie ondervonden van de anti-conceptiepil etc., en ze onderhand trouwens ook gewoon boven de toonbank te koop waren bij de erkende drogisterij en uit automaten, ging het bergafwaarts met De Salamander.

Eind 1974 kreeg de zaak weer een nieuw telefoonnummer. Ze werd omgevormd tot een “sex-boutiek” eerst, naderhand een “sexfilmclub” met parenavonden (1975) en uiteindelijk een “strikt besloten huis” (1976). Dat bordeel kreeg, mogelijk vanwege de ongewenste associaties die de term salamander gaf, weliswaar een andere naam – Club Pussy Cat – maar die sloot in 1978 de deur. De inmiddels gevestigde horeca-functie bleef echter berusten op het adres, waar sindsdien respectievelijk café-chantant De Babbelaar (1978-1979), bar The Wish (1980-1982), het kunstenaarscafé De Verbeelding (1983-1987) en café Mulder (1987?-nu) hebben gezeten.

Vervolg


Breister, vaandels, jenever en accordeons

De laatste tijd neem ik karrevrachten kranten door, voor gegevens omtrent bepaalde personen. Naast de redactionele kolommen komt er ook nog wel eens een aardige advertentie voorbij.

Zoals deze uit 1910 van een winkel in tricotage-artikelen. Je staat er niet bij stil, maar er waren toen al breimachines voor huiselijk gebruik:

1910 Kuipers Nieuwe Ebbinge breimachine 1910

In de stad Groninger had je in die tijd de keus uit meerdere ateliers waar je vaandels kon laten ontwerpen en borduren. Meier in de Gelkingestraat was er één van:

1910 vaandelfabriek Meier gelkingestraat

De reclame-tekenaar van Van Calcar, de jeneverstokerij uit Hoogezand, nam de letters van zijn tijd:

1928 Van Calcar jenever Sappemeer

En in 1940 adverteerde muziekhandel Hemmes in de Steentilstraat zo met zijn core-business:

1940 Hemmes 30.8.1940

De zaak was toen nog van de vader van de bekende platenhandelaar Roel Hemmes. De zoon, die er tien jaar geleden mee ophield, zette vanaf ongeveer 1960 jazz en pop naast het Nederlandstalige platen-assortiment..


‘Gedenksteen in den Coehoornsingel’

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Vond bij toeval een krantenstukje over deze gevelsteen op de hoek van de Coehoornsingel en de Ubbo Emmiusstraat, nu in een stuk nieuwbouw van de gemeentelijke dienst RO/EZ. Oorspronkelijk zat hij ter plaatse ingemetseld in de boekhandel Cloetingh, waar in april ’45 een aangeschoten Canadese tank op inreed. De steen dateert van anderhalf jaar later:

“Zooals bekend, is men eenigen tyd geleden begonnen met den herbouw van Cloetingh’s Boekhandel in den Coehoornsingel, het eerste zakenpand, dat In Groningen herbouwd wordt. Ter herdenking aan de verwoesting in April 1945 werd hedenmorgen een gedenksteen in den muur van het pand gemetseld, met daarachter een oorkonde in een looden buis. Deze steen is aangeboden door de gezamenlijke bedrijven, die aan dien herbouw van de zaak meewerken, zooals de architect, de aannemer, het technisch-bureau etc. en stelt het pand voor zooals het er na de verwoesting uitzag, met de tank, die er toen stond er op. De inmetseling geschiedde door de echtgenoote van den eigenaar, mevr. T. H. Wever—Holle, in tegenwoordigheid van geheele personeel.”

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 9 november 1946.


Een incompleet liedje

Een lezeres benaderde me vandaag met het verzoek of ik haar helpen kon. In haar jeugd had ze een liedje geleerd, waarvan ze zich nog twee coupletten kon herinneren. Maar ze wilde graag ook de rest er weer bij hebben. Ze had overal zitten zoeken en googelen, maar zonder resultaat. Of ik de coupletten die ze nog wel wist op mijn weblog wilde plaatsen, met de vraag aan de lezers, of zij zich misschien nog de rest herinneren.

Bij deze – de nog wel gekende coupletten luiden als volgt:

Dou’k nog te schoule ging
‘k waas nog zo’n lutje ding
Ik haar een schoetje veur
Dat was zo’n rooie kleur

Doar kwam mien vrijer oan
Hai zag mie hail nait stoan
Hai luip mie stoef veurbie
Ik docht “Verrek om mie”.

In gezelschap van volwassenen werd de laatste regel gekuist tot “Vergoa om mie”. Het liedje dateert in elk geval van voor 1960.

Dus: wie kent het?


Sanoma, zak eens lekker de grond in

Zo, alle foto’s van de jaren 2005 en 2006 van Gelkinghe gesaved. Voor 2005 zijn dat er 241 en voor 2006 zijn dat er een 507. Nu nog de jaren 2007 tot en met 2011, te begroten op een 2500 stuks, dus 3 à 4 maal zoveel als ik nu gedaan heb.

De operatie acht ik noodzakelijk omdat Sanoma per 1 maart de stekker trekt uit Weblog, voorheen Web-log of Webstreepjelog, de host van Gelkinghe. Dit na anderhalf jaar ellende, waarin Weblog, inclusief Gelkinghe, meer uit, dan in de lucht was. Kwestie van een totaal verpunkte migratie, die Sanoma/Weblog zelf van te voren heel luchtigjes opvatte, maar die meteen finaal uit de klauw gierde, deels omdat Typepad, voorheen de cms-leverancier van Sanoma/Web-log, voor het nieuwe cms inncompatibele kloterij afleverde, deels omdat Sanoma alles op een koopje wilde doen, waarbij ze een stel nitwits van jewelste inschakelde om de boel te repareren – lees: nog verder naar de gallemiezen te helpen.

Heb natuurlijk een exportbestand aangemaakt, maar daar blijken geen ‘echte’ digitale foto’s, doch louter dieplinks naar de foto’s op de servers van Sanoma/Weblog in te zitten, en die servers van Sanoma vertrouw ik voor geen cent. Ik zie aankomen dat je daar straks in maart niets meer aan hebt en zie dan nog maar eens aan je foto’s te komen. Bij Sanoma lachen ze vierkant uit, zo klantvriendelijk zijn ze wel. En dan kan je die 3000 foto’s dus allemaal uit het eigen archief opzoeken en selecteren, om ze opnieuw te verkleinen en te bewerken etc. etc., iets waar ik dus helemaal niet op zit te wachten.

U begrijpt: met Sanoma/Weblog heb ik het helemaal gehad.  Door Sanoma hebben heel veel mensen tegenzin in het bloggen gekregen. Wat ik Sanoma allemaal toewens, zal ik maar niet opschrijven.


Van je Parrimarriboo! Heierspoëzie

vdVenne heistelling BrM

In zijn bundel Bie tille harom schrijft Oabel Oabels onder andere over het heien in zijn jeugdjaren, begin twintigste eeuw. Heien gebeurde toen nog op handkracht, door een ploeg mannen die bij een heistelling aan touwen het heiblok omhoogtrok, en dat dan op een paal liet neervallen. Dat omhooghalen en laten vallen van het blok moest synchroon gebeuren. Daarom zong de heibaas een liedje – aan het begin van elke regel trokken zijn heiers hun touwen strak.

Oabels noemt de heiersliedjes “wonderliek”. Vaak maakte een heibaas er inhoudelijk een mengelmoesje van en ook was hij niet eenkennig qua taal , want hij bediende zich van zowel het ABN als het Gronings.  Zo’n heierslied ging bijvoorbeeld zo:

“Dat is er één [blok omhoog]
Maar dat is er geen
Dat zijn er twee
Die tel ik niet mee.
Dat zijn er drie,
Van die schele Marie.
Je weet het niet
Naar wie ze ziet.
Dat zijn er vier,
Van dat zwarte dier.
Dat zo mager is,
Dat krabt zijn kont
Met scherpe nagelen.
Dat zijn er vijf.
De bakker sloeg zijn wijf,
Al met een bolletje
Vlak voor haar holletje.
Wat schraifde dat wief
Mien lief, mien lief
Dat zijn er zes
Woar is de fles
Wie lussen wel geern
n Goude dikke.”

Wanneer de heibaas er niet goed uitkwam, omdat het hem even schortte aan het juiste rijmwoord, dan gooide hij er dit in:

“Van je Parrimariboo!”

Dat gebeurde ook als het bevoegd gezag langskwam en een net ingezette satire wat al te hard dreigde aan te komen. De heibaas improviseerde namelijk nogal eens. Op lokale toestanden en op voorbijgangers. Vooral vrouwen vormden het mikpunt van zijn gezang. Wat dit betreft bekent Oabels ruiterlijk zijn pudeur:

“Ie kennen alderdeegs  n haaiboas moar nait alles zeggen loaten in n geschrift als dit.”

Daarom citeerde de Grunneger schriever zulke passages niet.

Wie weinig last had van een dergelijke schroom, was Gijsbertus Van den Brink (geb. 1902), een Amsterdamse heier die in 1953 over het verleden van zijn vak vertelde voor de microfoon van Onder de Groene Linde. Hij noemt zijn collegae van weleer “ruwe , onbehakte kerels” en lijkt een verband te leggen tussen hun gevaarlijke werk en hun “rare liedjes”, waarvan zegsman er inderdaad nog een kwartet onbeschaamd sexistische uit zijn hoofd kent. Ook dat is folk – tedere zielen die een allergie koesteren tegen scabreus repertoire, gelieve niet op de volgende links te klikken:

1, 2, 3 Haal op die hei

1, 2, 3 Maartje Toet

De hoerewaardin

Schevenings meisje

img041

Dit plaatje komt uit de Winkler Prins van 1955. Het plaatje bovenaan komt uit een tekenboek van Adriaen van de Venne in de collecties van het British Museum. Heien is tussen het Romeinse tijd en de Industriële Revolutie nauwelijks veranderd qua technologie, zoals ook deze foto laat zien.


‘Winter op de Paaizermao’

2012-09-09 019

Op Open Monumentendag zag ik dit hangen in het dieselgemaal aan de Hamersweg, dat het Eelderdiep hielp met het zich ontlasten in het Peizerdiep, maar nu overbodig dreigt te worden .

Het gedicht slaat op de omgeving, de Onlanden. Nog aangeduid met de oude naam Peizermade, in streektaal: Paizermoa.

In eerste instantie was dus alleen de tekst op het A4-tje overgetikt. Naderhand herinnerde iemand zich de naam van de dichter, die er nog even bijgekrabbeld werd in de smalle witmarge aan de bovenkant.

In dit geval beklijfde het gedicht kennelijk beter dan de dichtersnaam. Het is vaker andersom, vermoed ik.


Het repertoire van Eije Wijkstra & Dirk Tabak

Eije Wijkstra en Dirk Tabak waren trekharmonicaspelers die in de jaren twintig gezamenlijk de kermissen en jaarmarkten van de Friese Wouden en het Westerkwartier afgingen. Maar minder bekend om hun muzikale kwaliteiten, dan vanwege moord en doodslag.

Gerrit van der Valle maakte ze mee en vertelt over ze in deze mooie opname uit 1983 van Onder de Groene Linde. Soms dikt hij dingen aan, zoals in de passage over Wijkstra als scherpschutter. En wat hij vertelt over de Drachtster moord door Tabak, lijkt ook niet helemaal juist. Maar hij is wel een van de weinige betrouwbare bronnen als je iets te weten wilt komen over het repertoire van Wijkstra & Tabak.

Dat repertoire wordt nogal eens opgehemeld. Zo zou Wijkstra vanaf blad stukken van klassieke componisten hebben gespeeld. Wat onjuist is – pas in de gevangenis leerde Wijkstra zich het lezen van notenschrift aan. Ook Van der Valle zegt, dat Wijkstra & Tabak, toen ze nog op vrije voeten waren, geen noot konden lezen. “Ze speelden het allemaal uit de kop en deden dat louter op gevoel”.

Het repertoire van de heren valt ook een beetje tegen.  “Ze speelden en zongen alle liedjes die toen in waren”, aldus Van der Valle. Met andere woorden – ze vormden het toenmalige equivalent van een Top 40-orkestje. Qua zingen noemt Van der Valle Bij de Muur van het Oude Kerkhof, een hit van Willy Derby. Qua dansen herinnert hij zich  polka, wals en uiteraard de valeta. Helemaal niet zo bijzonder dus eigenlijk. Eerder nogal algemeen en dertien in een dozijn.


Rondje Onlanden, Eiteweerd, Leegkerk

Haflinger:

2013-01-12 013

Nog veel open water:

2013-01-12 018

Peizerdiep bij Eiteweerd:

2013-01-12 019

Bomijs:

2013-01-12 022

Struweel:

2013-01-12 025

Boerderij op het Matsloot-gedeelte bij de A7:

2013-01-12 032

Te vroeg gepiekt:

2013-01-12 044

Zon koestert ram:

2013-01-12 046