Buurman herbergt vreemde joden

2012-10-12 003 huisvesten vreemde Joden Veendam

“Op den ingediende request van Freerk Simons hoe in Veendam an enen Jacob Michiels heeft verhuirt eene van sijne kameren, zijnde met des remonstrants woninge onder een dack. Alsoo Jacob Michiels sig nu koomt te onderstaan om seer veel vreemde joden aan te houden, sijnde na het uiterlijck anschijn veele daaronder van een slegte conditie, dieshalven voor de remonstrant te vresen staat dat te eeniger tijt sulk tot een groot gevolg sal streken, zoo is ‘t dat de remonstrant sig tot de authorisatie van UW Wel Geboorne Gestr moet wenden, seer submis versoekende dat uw Wel Geborene Gestrenge by desen Jacob Michiels gelieve te inhiberen, teneinde sig niet sal onderstaan om eenige vreemde joden in sijn behuisinge te mogen vernagten, ten sij genoegsam securiteit stelle voor de quade gevolgen van dien.

Is geapostileert

Jacob Michiels wort met deesen geinterdiceert eenige vremde joden des nagts te herbergen tenzij met een pas van het Ed. Gerigte zijn voorsien, of dat andersints voor de quade gevolgen soo daar uit mogen voort komen, sal  moeten respondeeren. En sal desen ter sictery worden geregistreert.

Zuidbr[oek] den 8 7ber 1738 /:onderstont:/

A Wildervanck
Drost”

Freerk Simons in Veendam bezat twee éénkamerwoninkjes onder één dak. In het ene woonde hij zelf, het andere verhuurde hij aan Jacob Michiels. Maar nu bood die buurman onderdak aan  “seer veel vreemde joden”, wier uiterlijk Freerk er niet al te gunstig uit vond zien. Als verhuurder kon hij aangesproken worden op de schade die deze gasten aanrichtten. Daarom vroeg hij de Oldambster drost, om aan zijn buurman een verbod op te leggen tot het laten overnachten van vreemde joden, tenzij de buurman zelf zou instaan voor de gevolgen. De drost legde vervolgens aan de buurman op dat die alleen vreemde joden mocht herbergen, als deze een reispas bij de drost hadden gehaald. Bezaten ze een dergelijk document niet, dan stond buurman financieel voor ze in.

Voor de argeloze lezer van dit rekest, lijkt er sprake van risjes, antisemitisme. De namen van de beide buurmannen zouden immers gewoon christelijk kunnen zijn. Maar schijn bedriegt. Want Freerk Simons, een slager, was zelf een jood. Zijn familienaam was Cohen en je mag hem gerust zien als stichter van de joodse gemeente Veendam-Wildervank. In het jaar dat hij dit rekest indiende, 1738, vormde zijn huis de vergaderruimte voor het bestuur van de kersverse joodse gemeente Veendam. Zijn huis stond nabij het Middelste Verlaat. In 1745 bouwde hij voor eigen rekening  een synagoge bij deze woning. Ook kreeg hij een afgelegen stuk grond in erfpacht voor een begraafplaats. In 1764 was hij nog diaken van de gemeente. Hij had zich omstreeks 1735 vanuit Scheemda gevestigd in Veendam, waar hij voor 1785 stierf.

Wat op het eerste gezicht dus antisemitisme lijkt, blijkt met deze kennis een conflict tussen een redelijk geslaagde arrivé en berooide nieuwkomers, waarvan de arrivé vreesde dat ze te zijnen laste zouden komen. Overigens bevat dit rekest de enige Veendammer melding van Jacob Michiels – die zal dus niet lang naast Freerk Simons Cohen hebben gewoond.

Hage en De Vey Mestdagh noemen dit geval niet in hun dikke boek over de joodse gemeenschap van Veendam e.o. Kennelijk hebben ze de rekestboeken van de Oldambster drost niet doorgenomen. Dat is jammer, want uit geregistreerde verzoekschriften als deze, kan je aardig wat over de lokale verhoudingen te weten komen.


Terwijl het draadjesvlees geurde

2013-01-11 004

Silhouet-tekening uit een advertentie van de Fa. P. Mees Lzn., Vismarkt 24 Groningen. Deze firma deed, u raadt het vast al, in “complete keukeninrichtingen”. Deze werden door het gehele land bezorgd.  De advertentie stond in het Groninger Adresboek van 1920 en 1921.


Zelfs het taaiste stukje was bruikbaar

“WARSCHAU den 22 December. Gisteren was de Koude en Vorst hier te Lande zoo sterk , dat er maar 4 Graaden aan ontbraaken , om dezelve met den Jaare 1740 gelyk te stellen. Ook heeft men reeds verscheyde Lieden op bet Veld Dood Gevrooren bevonden. Een dronken Mensch op of in de Slede van hier na Widanow rydende, is, door de Koude in slaap geraakt en uyt de Sleede gevallen zynde, door de Wolven tot zelfs zyne Beenen in de Steevels geheel verslonden.”

Bron: Groninger Courant 15 januari 1754.


Kistetiketten

Sommige mensen verzamelen sigarenbandjes, andere de etiketten van sigarenkistjes. Er zitten inderdaad mooie tussen:

ke107a

ke131

ke278

ke311

Meer bij de Sigarenbandenkoning.


Blondona

Blondona NvhN 31.10.1946

(Nieuwsblad van het Noorden 31 oktober 1946 )


Dichte gordijnen ten teken van rouw

Geert H. vertelde me jaren geleden een keer, dat in de straat alle gordijnen dichtgingen, als er een buurman of buurvrouw begraven werd. De gordijnen gingen dicht en alle buren gingen buiten en voor hun deuren staan. Men zweeg. De mannen deden hun hoeden en petten af als de rouwstoet voorbij kwam.

Dat was in de Groninger volkswijk de Oosterpoort, in de jaren vijftig, toen mijn zegsman jong was. Maar dat sluiten van de gordijnen was ook een officiële gewoonte, merkte ik onlangs, want bij de begrafenis van gemeentesecretaris Van der Blij in 1932 heet het:

“Van de gemeentelijke gebouwen waren heden de gordijnen ten teken van rouw neergelaten.”

Vanwege deze toevalsvondst deed ik een steekproefje met de zoektermen rouw + gordijnen (+ neergelaten) in de digitale leggers van het Nieuwsblad van het Noorden. Zodoende kwam ik aan de weet dat dit neerlaten van gordijnen gewoon usance was in openbare gebouwen bij begrafenissen van belangrijke personages.

Zo waren bij de laatste tocht van de Van Panhuyzen in 1907 de gordijnen neergelaten in het stadhuis, het provinciehuis, de universiteitsgebouwen en het academisch ziekenhuis. Maar hier niet alleen, want onderweg, op de route door de stad naar het westen, gold dat ook  voor “enige huizen”. Bij aankomst van de stoet in Leek, bleek dat dorp zelfs in zware rouw:

“De gordijnen van de verschillende woningen waren neergelaten.”

De laatste meldingen van dit ooit dus vrij algemene gebruik stonden in 1961 in de krant – het betrof onder meer de begrafenis van Commissaris der Koningin Offerhaus.

Dat het gebruik sindsdien, en waarschijnlijk nog in de jaren zestig uitstierf , blijkt impliciet uit een verhaaltje van Simon van Wattum. Hij schrijft in 1981:

“Niemand droeg meer rouw, zelfs de gordijnen gingen niet meer dicht gedurende de tijd dat de dode boven aarde stond.”

Dit sloeg waarschijnlijk op het sterfhuis zelf, maar als dààr al niet de gordijnen dichtgingen, waarom zouden buren dat bij de begrafenis dan nog wel doen?

Aanvulling, 8  januari 2013

Kor F. wees me op de voorschriften in het etiquette-handboek van Amy Groskamp-Ten Have, Hoe hoort het eigenlijk? Volgens de vierde druk uit 1940, pag. 32:

“In het sterfhuis gaan onmiddellijk alle gordijnen dicht tot na den terugkeer van het kerkhof op den dag van de begrafenis.

De buren ter weerszijde en aan den overkant sluiten de gordijnen op den dag van de begrafenis tot na terugkeer der familie van de begraafplaats.”


Kunstenaarssociëteit de Baboen (1967-1976)

Baboen 3

Midden jaren zeventig had je in een steegje aan de Poelestraat, links naast bioscoop Het Concerthuis, een kunstenaarssociëteit: de Baboen. Ook als alle kroegen met avondvergunningen gesloten waren (volgens voorschift moesten deze om 1 uur ’s nachts dicht), kon je je daar nog na betaling van een gering lidmaatschapsgeld vol laten gieten.

Ik ben er een paar keer geweest. Je kon er over de koppen lopen, tenminste als de atmosfeer – een bijkans snijdbaar mengsel van tabaksrook, alcoholdampen en geslachtshormonen – dat toeliet. Het was voor de hedonistische kant van artistiek en  alternatief Groningen dè plaats om iemand op te pikken.

Bij toeval kwam ik wat krantenberichtjes tegen over deze sociëteit, die aangevuld met wat andere, ons een inzicht verschaffen in haar geschiedenis.

De Baboen was een initiatief van eerstejaars van academie Minerva die graag een centraal gelegen ontmoetingsplek in de stad wilden, omdat hun opleiding er over meerdere lokaties verspreid lag. Begin december 1966 hielden ze een publieke driedaagse actie ‘Poen voor Baboen’ om het geld bij elkaar te krijgen. Van de Grote Markt maakten ze een ‘dynamisch werkcentrum’, waar de mensen  met hun pasmunt mee  konden schilderen aan een ‘kollektief schilderij’, mee konden plakken aan een geldcollage, of mee konden hakken in een boomstronk waar een totempaal uit moest komen.  Ook stonden er een ‘deliriumwagen’ en bakfietsen met pop-art, terwijl in het het voormalige snelbuffet De Kwinke, Herestraat-kraampjes en het Concerthuis  benefietverkopingen van kunst plaatsvonden. Zelfs het nationale TV-programma ‘Van Gewest tot Gewest’ besteedde aandacht aan de actie

Deze bracht 3200 gulden op, wat het nagestreefde minimum overtrof, zodat de herinrichting van de voormalige oud-katholieke kapel aan het steegje naast het Concerthuis kon beginnen. De verbouwing  van dit gemeentelijke eigendom gebeurde om het goedkoop te houden in eigen beheer. Boven de enorme bar kwamen lampen, gemaakt uit bamieblikken met bamboematjes eromheen. Verder stond er veel tweedehands meubilair. Op last van de brandweer, die de zaak inspecteerde, moesten de toegangsdeuren nog worden omgezet, zodat ze naar buiten draaiden in plaats van binnen.

Op 17 november 1967, dus in het nieuwe schooljaar, ging de zaak dan eindelijk open met enige plechtige handelingen door W.E. van Koldam, kabinetschef van de burgemeester en voorzitter van de stedelijke kunstraad. In de soos bleek er ruimte voor 60 personen, veel minder dan ik me kan herinneren. Maar aanvankelijk stonden er ook nog tafeltjes en stoelen, begrijp ik.

Gelijk bij de opening was er al sprake van culturele avonden, met films,  lezingen, teach-ins en muziek, door Minerva te subsidiëren met 100 gulden per avond. In elk geval ging er vanuit de Baboen in het voorjaar van 1968 een Cineclub van start, die in Het Tehuis aan de Lutkenieuwstraat films draaide. In het bestuur van deze club zat onder meer Dick Stapert, die als archeoloog later nationale bekendheid verwierf door het vals verklaren van Tjerk Vermanings ‘paleolitische artefacten’. De Cineclub was duidelijk meer links dan artistiek – in 1968 behoorde ze tot de organisatoren van de 1 mei-optocht waarvoor geen vergunning was aangevraagd en die daarom al bij de start uit elkaar geslagen werd door de Groninger gemeentepolitie.

Later vernemen we niets meer van de filmclub. Qua openbare culturele activiteiten ging er helemaal niets meer uit van de Baboen. In feite sleepte de sociëteit zich van crisis naar crisis. In de zomer van 1972 ging ze al eens dicht,  en eind 1973 sloot ze andermaal. Nadat de brandweer er ’s nachts een in de hens gevlogen gevelkachel moest blussen, bleek namelijk dat de nooduitgang was dichtgetimmerd en ook leken de electrische leidingen nogal gammel.

Net als alle horecagelegenheden in de binnenstad merkte  de Baboen hoe het junkendom opkwam. Zo werd er in 1974 de flipperkast eens leeggehaald. In de winter van 1974 op 1975, ging de soos opnieuw geruime tijd dicht. Ik denk dat de zaak op de fles ging, want er volgde een doorstart onder een andere naam: Artis. In juni 1975 werd dat geopend door cultuurwethouder Jacques Wallage. Overigens burgerde de nieuwe naam niet in – in de volksmond bleef de soos de Baboen heten.  In het laatste jaar van haar bestaan, 1976, was de bekende kunstenaar Tom Hageman voorzitter van het stichtingsbestuur, en zelfs hij noemt de sociëteit in zijn cv Baboen.

Het enige wat nu nog aan de Baboen herinnert is de Baboen-Bokaal, hoofdprijs van het jaarlijkse Pinkstertoernooi voor kroegvoetbalteams. In het tweede jaar van zijn bestaan, 1974, werd dit toernooi gewonnen door Freaks United, terwijl de gedoodverfde winnaar Blue Trippers afdroop na een mislukte strafschoppenserie. Zelf was ik in de jaren zeventig nog wel eens bij de toeschouwers te vinden – hier een sfeerbeeld van het Pinkstertoernooi uit die tijd. Het toernooi om de Baboen Bokaal bestaat nu nog steeds, en zo te zien is er qua ambiance weinig veranderd.

NB: de illustratie is van Emily Balsley (Flickr creative commons).


Groninganus’ Top 40 zoektermen over 2012

De termen Groninganus (1096x),  Harry Perton (96x) en Gelkinge (36x) daargelaten, is dit de top 40 van zoektermen over 2012 – waarbij ik in sommige gevallen dingen heb samengevoegd:

(Groninger) eierbal(len) (maken) 175
veemarkt 72
ron van zonneveld (overleden) 66
distelvinken/putters vangen 64
droedels 63
willy weits (+ organist Groningen) 58
godert walter 56
koe ontploft / onploffende koe 52
hinckaertshuis 43
blauwborgje 30

lagemeeden 29
johan dijkstra 26
transferium, hoogkerk 26
groninger archieven 23
lettelberterdijk 21
eerste / oudste tractor 21
hammond orgel 21
ol grait 19
werf de poffert 19
porrenhuis 18

aagrunol 17
slag bij heiligerlee 17
(draaiorgel) de arabier 17
suikerfabriek hoogkerk 17
hoogkerk (2012) 17
de poffert 17
bruilweering 16
blauw gras 16
buddy hermans 16
(oude) houten schooltas 16

behang 16
dolle kervel 15
antieke woonwagen te koop 15
noordfolk 15
typisch hollands martinitoren 15
familiewapen oosting 14
moeshuis hoogkerk 14
onlanden 14
museumweekend 14
(rondje) tolbert 14

Veel Westerkwartier en agrarische toestanden, kortom. Ik zal dit jaar proberen om weer wat meer stad in dit weblog te stoppen.


Jacques Wallage en de linke lijsterbes

Wallage koninginnedag ca 2007

Jacques Wallage was nog niet zo lang burgemeester van Groningen, toen ik vanuit de burelen van de gemeentelijke dienst Ruimtelijke Ordening aan het Zuiderdiep een licht gemor hoorde opstijgen. De ambtenaren daar vonden de nieuwe burgemeester maar een “ijdel mannetje”. Volgens mijn zegspersoon, zelf werkzaam in die burelen,  zou Wallage zich zich met punten en komma’s bemoeien, en met zaken waar hij zich helemaal niet mee te bemoeien had. Ik mocht dit overigens niet verder vertellen.

Als ik iets niet verder vertellen mag, dan vergeet ik het vaak. Het kwam weer bij me boven,  toen ik vanmiddag de lezing las, die Wallage eind 2011 als voorzitter van de ‘Raad voor Openbaar Bestuur‘ hield voor de conferentie Prettig Contact met de Overheid.

Wallage vertelt in die lezing, dat hij in 1998 nog maar een paar weken burgemeester was, toen hij een brief ontving van een “mevrouw”. Zij schreef dat ze “iets heel raars” meemaakte:

“Bij mij voor de deur staat een lijsterbes en ik kreeg een brief van de gemeente dat die gekapt moest worden en dat ik bezwaar kon maken. En terwijl ik met mijn bezwaar naar de brievenbus liep zag ik dat mijn lijsterbes was gekapt. Wat vindt u daar nou van burgemeester?”

Dus Wallage belt de directeur Groen:  “Leg mij eens uit, hoe werkt zoiets?”

De directeur Groen: “Ga jij elke keer bellen als wij een lijsterbes kappen?”

Wallage: “Nou ja, als dat de relatie tussen overheid en burger raakt misschien wel.”

Directeur:  “Okee, ik zoek het voor je uit”.

Er gaat een dag overheen, dan belt de directeur Groen Wallage terug.

Directeur: “Euhm, ja, we hebben een fout gemaakt.“

Wallage: “Okee, wat voor fout?”

Directeur: “We hebben de verkeerde brief gestuurd. We hadden een brief moeten sturen dat het een noodkap was, want dan hoef je het bezwaar niet af te wachten”.

(Zo’n noodkap kan alleen als een boom gevaar oplevert voor de omgeving.)

Wallage tegen de directeur: “Heb je ooit wel eens van een levensgevaarlijke lijsterbes gehoord?”

Directeur: “Nou nee, dat niet”.

Wallage: “Okee, wat gaan we nu doen?”

Directeur: “Hoe bedoel je?”

Wallge: “Nou, wat gaan we doen? Ik zou zeggen – plant een nieuwe lijsterbes!”

Volgens Wallage, en dat kan ik dus indirect bevestigen, ging dit verhaal bij de ambtelijke diensten rond

“…als het voorbeeld dat je met deze burgemeester wel een beetje op moest passen, want die deed gekke dingen.”

Ook verder trouwens wel een aardig verhaal, die lezing van Wallage uit 2011.


Hoe men een bedeltraditie om zeep hielp

Nieuwjaarscie gem. H. 1891

BronSchager Courant, 1 februari 1891.

Commentaar: Om welke gemeente H. het hier ging, ben ik niet gewaar kunnen worden. De gemeenteverslagen van Hoogkerk, Haren en Hoogezand over 1891 bieden helaas geen aanknopingspunt. Wel doet dat “achterbuurt” in combinatie met dat “rijke boeren” mij het meest denken aan Hoogezand.

Wat hiertegen spreekt is dat Hoogezand een vrij voorlijke gemeente was. Het nieuwjaarslopen was medio 19e eeuw tot een plaag geworden, in Oost-Groningen liepen ieder begin van het jaar bijvoorbeeld honderden Muntendammers vaak troepsgewijs langs de deuren te bedelen. In heel veel gemeenten waren er daarom vanaf de jaren 1840, 1850 al nieuwjaarscommissies, die de goede gaven bij de beter gesitueerde inzamelden en aan ‘echte armen’ uitdeelden, onder uitsluiting van figuren die van elders kwamen. Het valt moeilijk in te zien waarom Hoogezand voor 1891 niet tot deze gemeenten zou behoren.


Ol boer op klompen

1 - agenda 1947

R. zei dat ze nog oude agenda’s had. Die van 1947 lag toevallig onder handbereik. Het bleek een zakboekje, uitgegeven door de LIJEMPF, de Leeuwarder IJs en Melk Producten Fabriek. Veehouders konden er bijvoorbeeld in aantekenen, wanneer hun koeien waren gedekt. Maar in dit geval waren die pagina’s nog blanco. Achterin het boekje stonden stukjes voorlichting over onder meer melkmachines en tussen ettelijke pagina-paren lagen klavertjes vier. Die verzamelde haar moeder, vertelde ze. Haar moeder had er echt kijk op. Die zette haar kruk bij een koe neer om die koe te melken, en dan zag ze verderop een pol klaver staan en daar haalde ze zo de klavertjes vier tussenuit.

Eerst ventte haar vader zo veel mogelijk melk uit bij klanten in de stad en ging alleen de overtollige melk naar de LIJEMPF in Briltil. Toen de oorlog vorderde, mocht dat niet meer en moest eerst alles naar de LIJEMPF. Daar werd de room eraf geslingerd en dan kregen ze, zeg maar, de blauwe melk in twee soorten terug: taptemelk en melk waar nog een klein beetje vet in zat. Nog weer later, na de oorlog, moest haar vader een keuze maken tussen zijn melkloop en de fabriek. Hij koos voor de fabriek. Eerst was dat de LIJEMPF, maar naderhand moesten ze voor een andere fabriek kiezen en dat werd de Ommelanden aan de Friesestraatweg.

In de oorlog hielp ze haar vader wel mee met het melk rondbrengen in de stad. Daar had ze ook nog zo’n agendaboekje van. Sommige klanten rekenden namelijk niet meteen af, maar pas aan het eind van de week. Dus tekende ze met potlood de bedragen op in dat boekje. Ik vroeg of ze zich nog de naam van zo’n klant wist te herinneren. Ja, Rut Hofman was daar een van. Die had een kapsalon op de zuidhoek van de Carolieweg en de Herestraat. Hij was ook toneelkapper, grimeur, toneelspeler en regisseur en deed samen met zijn vrouw altijd de Tomasvaer en Pieternel op Nieuwjaarsdag.

Bij haar thuis waren ze lid van een rederijkersvereniging, OBK in Adorp. De afkorting stond voor ‘Oefening Baart Kunst’. Maar als ze er de gek mee wilden scheren, zeiden ze ook wel eens: “Ol Boer op Klompen”. OBK had zo’n drie keer per winterhalfjaar een uitvoering. Ze wist nog wel, vlak na de oorlog was het een keer zo glad op de weg, dat ze er op klompen heengingen. Bij OBK hadden ze er helemaal niet op gerekend dat de leden van de Paddepoel die avond nog zouden komen.

Via de OBK waren ze ook lid van de Grunneger Sproak. Ze herinnerde zich nog de voorzitter, Barth de Ridder – die had een radiozaak ergens in de stad. De secretaris, met wie hij later ruzie kreeg, mijn oudoom Hein Vondeling, was wel eens bij ze aan de deur geweest om een praatje te maken.


Rondje Onlanden, Leegkerk, Dorkwerd

Stadssilhouet vanaf de Onlanden:

2012-12-29 006

Bosje rond verlaten huisplaats:

2012-12-29 009

Leegkerk:

2012-12-29 013

Leegkerk:

2012-12-29 019

Paardje aan de Gaaikemadijk:

2012-12-29 021

Mestbult Gaaikemadijk:

2012-12-29 027

Dorkwerd:

2012-12-29 044

Kerk van Dorkwerd:

2012-12-29 046


Onveilig fietsen langs de Peizerweg

2012-09-26 002

Een terugkerende ergernis, dit jaar, zijn de automobilisten die hun wagens dwars over het fietspad langs de Peizerweg neerzetten, terwijl ze voor dat fietspad moeten stoppen en dat al helemaal als er fietsers in aantocht zijn. Vooral bij de uitgangen van de Gamma en de Tuinland is het telkens weer raak. De auto’s schieten hier soms vlak voor je het fietspad op. Als fietser heb ik hier ettelijke keren stevig moeten afremmen. En ook wel moeten wachten tot meneer of mevrouw de automobilist eindelijk de Peizerweg op kon.

De genoemde bedrijven weten ervan. Ze verdommen het om de voorrangsregel op hun terrein te accentueren door bijvoorbeeld wachtstrepen of haaietanden op het asfalt voor het fietspad te schilderen. Wel huren ze op drukke dagen types in, om het verkeer bij de uitgangen te regelen. Die types laten nogal eens automobilisten voorgaan, terwijl fietsers  rècht op die voorrang hebben.

De politie weet er ook van, want die heb ik er wel eens over gemaild. Maar je ziet ze op deze lokatie nooit, blijkbaar vinden ze het wel goed dat het bedrijfsleven hier de zaak in zijn voordeel regelt.

Als er aan de Peizerweg eens een zwaar ongeluk gebeurt met een fietser, doordat een auto vlak voor die fietsee het fietspad opschiet, dan acht ik de bedrijven èn de politie mede-verantwoordelijk. Ze hebben immers geen flikker gedaan om de veiligheid van fietsers hier te verbeteren.

Dàt wilde ik toch even vastleggen.


Het veer te Garnwerd, ooit van Hammingh

Oversetterie Garnwerd octrooi Lewe 1728 2012-11-22 004

Evert Joost Lewe, Heer van Aduard en onderhorige dorpen, &c. verklare door desen dat ik aan Eghbert Clasen en Grietie Hindriks sijn huisvrow tot Garnwert heb geaccordeert en geoctrojeert tot het regt van de oversetterie tot Garnwert, gelijk ik haer octrojere bij desen op naervolgende conditiën:

  • Dat sij sullen wesen vlitige, nughtere en sobere oversetters, d[i]e mensen haren dienst van noden hebbende, gedienstigh, jverigh en beleeft sullen bejegenen en bedienen;
  • Dat sij niet meer en ook niet minder sullen mogen nemen als hier op door het Gerighte is gestelt so als hier onder koomt te volgen en uitgedrukt staet.
  • Dat sij ook in cas van quaede bejegeningh daervan het gerighte sullen moeten adverteren [= inlichten, HP], binnen so korten tijdt als de merite [=ernst] van de sake sal vereissen.
  • Dat sij van jeder mens out ofte jonk, allene ofte met anderen, ofte met enigh vee overvarende, sullen nemen een halve stuver, voor jder peert ofte koebeest andehalve stuver of twe blanken, voor jder out schaep een halve stuver, voor jder lam een oortien; ’s morgens voor sonnen opgangh, ’s avont na sonnen ondergangh en als er ijs in het water is dubbelt.
  • Sullen hiervan geëximeert [= uitgezonderd HP] en bevriet wesen het Huis van Aduard met alle die daertoe enige relatie hebben, het Geright van Aduard met hare dienaren, voor hare personen de predikant, schoolmeester en schatbeurder voor hare personen, de elf huisgesinnen van Klein Garnwert met hare domestiquen en arbeiders, so lange als die actueel in haren dienste sijn en niet langer, voor arme personen en met dese expresse conditie dat sij bij dage, dat is naer sonnen opgangh en voor sonnen ondergangh sullen moeten overvaren of anderzints daer voor betalen neffens  andere so hijr voren staet uitgedrukt.

Aldus gedaen tot Aduard den 13. Meert 1728,

Lewe

Zo luidde het octrooi (alleenrecht) voor de overzetterij of het veer van Garnwerd, verstrekt door de heer Lewe van Aduard in 1728, waarbij ik de voorwaarden maar even achter bolletjes heb gezet. Blijkbaar sprak het niet vanzelf dat  overzetters of veerlieden vlijtig, nuchter en klantvriendelijk waren, daarom werd dit een vereiste in het eerste artikel. Als de overzetters zelf slecht behandeld werden, dan moesten ze het gerecht daarvan op de hoogte stellen, des te sneller naarmate de zaak ernstiger was. De tarieven schreef de heer van Aduard voor in het vierde artikel – bij duister en ijsgang betaalden de klanten het dubbele. Tot slot definieerde hij in het vijfde artikel enkele groepen die (overdag) niet hoefden te betalen. Vooral die laatste voorwaarde zou in de nadagen van het veer problemen geven, waarover straks meer.

de afgesneden bocht van Garnwerd

Het Garnwerder veer dateerde van een eeuw eerder. De provincie, die hier grootgrondbezitter was, sneed toen de drie Hunze- of Reitdiepmeanders ten oosten van Garnwerd af met een kaarsrecht kanaal tussen Wetsingerzijl en Schilligeham. Op deze manier raakte een kleiner gedeelte van Garnwerd ten oosten van dit nieuwe diep, oftewel Klein Garnwerd, afgesneden van het grootste gedeelte van het kerspel inclusief het kerkdorp op de wierde. Dit was vooral nadelig voor de Klein Garnwerders. Als zij land aan de westkant van het nieuwe diep hadden, of koren naar de molen wilden brengen, of naar de kerk wilden, moesten ze over dat diep. Dat gold ook voor de dominee, de deurwaarder en de schatbeurder, als die iemand in Klein Garnwerd wilden bezoeken. Daarom verzochten de Klein Garnwerders in 1630 de provincie om de instelling van een “overvaart” of veer. En de Staten van Stad & Lande zagen het billijke van dat verzoek in. Anno 1631 stelden ze een provinciale veerman aan, die in ruil voor het gratis overzetten van de Klein Garnwerders de beschikking kreeg over een stuk dijk, groot 7 gras (bijna 3 ha.), ten zuiden van de Garnwerder molen.

Zowel het veer als het bijbehorende land raakten beklemd onder het huis van de veerman, die beide dus in onveranderlijke erfpacht kreeg. Dit hield wel in dat bij een overdracht van deze erfpacht een of meerdere ‘geschenken’ betaald moesten worden. Bij een verkoop van de beklemming betaalden de verkoper en de koper elk 40 gulden, en bij een vererving van ouder op kind gold kreeg de provincie eenmalig hetzelfde bedrag. Bij hertrouwen van een weduwnaar of weduwe was het bedrag voor het inboeken van zijn of haar nieuwe partner 25 gulden.  Als er geen erfgenamen in rechte lijn waren, verviel de beklemming van veer en land op de eigenaar, en moesten erven van de beklemde meier uit de collaterale of zijlinie 250 gulden betalen. Naast deze incidentele sommen kreeg  de provincie jaarlijks hoogstwaarschijnlijk een derde deel van de opbrengst uit de overzetterij.

Dit althans waren de voorwaarden die in de 18e eeuw golden, toen het veerrecht en het bijbehorende land hoorden bij de rechtstoel Aduard, die in handen was van de Lewes.  Waarschijnlijk had de provincie het veerrecht en ’t land in de tweede helft van de 17e eeuw overgedragen aan de rechtstoel. Onbekend is wanneer dit precies gebeurde, maar hoe dan ook, bij dergelijke overdrachten bleven de pachtvoorwaarden gewoonlijk onveranderd, want ook toen al brak koop geen huur.

Wel behield de provincie zich aanvankelijk het recht voor, dat een nieuwe veerman alleen met haar goedkeuring mocht worden aangesteld. Dat gebeurde in 1700 nog, maar dat was, naar het zich laat aanzien, dan ook de laatste keer, want uit 1728, bijvooreeld, is een dergelijke approbatie niet bekend.

In 1812 registreerde de keizerlijke overheid het Garnwerder veer nog eens, waarmee ze dit veer tevens als wettig erkende. Drie jaar later, toen alle vastgoed en heerlijke rechten van de familie Lewe van Aduard onder de hamer kwamen, kocht degene die het veer bediende het eigendom van het veerrecht met de grond uit deze boedel. Zo raakte zij niet alleen verlost van de betaling van de geschenken en de jaarlijkse afdracht van eenderde deel van de opbrengst, maar werd ze ook volledig eigenaar van het octrooirecht en het bijbehorende land.

Tot 1888 bestond het veer uit een bootje. Mensen, schapen, geiten en kleinere dieren werden met dit bootje overgezet, maar paarden en koeien konden er niet in. Die werden met een touw achter het bootje gebonden en zwommen zo het diep over. Dat jaar kocht de gemeente Ezinge van de provincie Groningen het veerpont van de Wierumerschouw, dat door een brug overbodig was geworden. Ze gaf het vaartuig in bruikleen aan kastelein Hammingh, dan de veerman van Garnwerd. De gemeente zorgde er ook voor, dat op beide oevers adequate aanlegplaatsen voor het veerpont kwamen.

Nog tot in de Eerste Wereldoorlog zette Hammingh, conform de eeuwenoude voorwaarden, de bewoners van Klein Garnwerd gratis over. Toen werd het hem te gortig en ging hij veergeld van ze vragen. Een van de boeren van Klein Garnwerd begon daarom in 1917 een proces tegen Hammingh, waarbij hij kosteloze overzetting eiste, naast een schadevergoeding wegens de betalingen tot dan toe. Volgens de boer zou het gaan om een privaatrechtelijk voorrecht, dat vanaf 1631 had bestaan. Hammingh ontkende een dergelijk privilege. Volgens hem was het veer een publiekrechtelijke instelling uit 1631, en was hij te beschouwen als slechts de veerknecht van de provincie. De Rechtbank was het met Hammingh eens en omdat er dus geen burgerlijke rechtsband tussen eiser en gedaagde bestond, verklaarde zij de boer niet ontvankelijk in zijn eis. Tegen dit vonnis tekende de boer geen hoger beroep aan, zodat Hammingh veergeld van de Klein Garnwerders kon blijven vragen. Het was overigens een pyrrhus-overwinning, want de de bewoners van Klein Garnwerd maakten voortaan geen gebruik meer van Hamminghs veer. Ze kochten  een eigen boot waarmee ze zichzelf gingen overzetten.

Café Hamming te Garnwerd met pontveer, ca. 1900. Bron: HJRNoorden op Flickr.

Café Hamming te Garnwerd met pontveer, ca. 1900. Bron: HJRNoorden op Flickr.

De voor hem zo goede afloop in het geding van 1917 zou zich nog verder tegen Hammingh keren. In 1931 wilde de provincie een brug over het Reitdiep bij Garnwerd aanleggen, waardoor het veer van Hammingh in één klap waardeloos zou worden. Hammingh verzette zich eerst tegen de komst van deze brug en eiste vervolgens 25.000 gulden schadevergoeding krachtens zijn veerrecht, dat hij, anders dan in 1917, nu wel als een publiekrechtelijke zaak wenste te beschouwen. De provincie bood slechts 8000 gulden en omdat de onderhandelingen op niets uitliepen, begon ze een proces tegen Hammingh. Daarbij beriep de provincie zich op het vonnis uit 1917 dat stelde dat Hammingh geen eigenaar van het veer was, maar slechts bedienaar. Hammingh koos eieren voor zijn geld en bood een schikking aan. Uiteindelijk kreeg hij slechts 4500 gulden, terwijl zijn netto verdiensten van het veer ongeveer 1000 gulden per jaar waren geweest. Als kastelein begroette hij trouwens wèl de brug bij zijn café in Garnwerd. Die brug zal de gederfde inkomsten uit zijn veer ook ruim hebben vergoed.

De beide rechtszaken over het Garnwerder veer vormden naderhand voer voor een voortdurend rechtshistorisch debat over het publiek-, dan wel privaatrechtelijke karakter van dit veer.

Momenteel is er een provinciaal plan om een eindje verder, tussen Aduarderzijl en Schaphalsterzijl, een nieuw veerpontje voor fietsers aan te leggen.

Bronnen:

  • RHC Groninger Archieven toegang 547, archief familie Lewe inv.nr. 414: staatboek Evert Joost Lewe van Aduard fol. 61 en 62.
  • A.S. de Blécourt, ‘Het veer te Garnwerd’, Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis V (1924) 57-75.
  • A.S. de Blécourt, ‘De opheffing van het veer te Garnwerd’, Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis XIII (1935) 405-436.
  • Frits Brandsma, ‘Een sigaar uit eigen doos. Café Hammingh en het veerrecht’ in: Paul Brood en René Flach red., Historische Groninger rechtszaken (Bedum z.j.) 42-48.

Garnwerd brug 1977


Burgemeestersmop voor de Febowiko

winkel met goudse kleipijpen

Groningen was voor de oorlog een echte congresstad.  Zo kwamen hier eind juni 1933 zowel de sigarenwinkeliers uit den lande bijeen , als de Federatieve Bond van Winkeliers Organisaties in het Koloniale Warenvak (Febowiko),  waarvan de bijbehorende Inkoop Centrale bekend stond (en staat) als het Sperwerverbond.

Bij zo’n congres hoorde een ontvangst ten stadhuize, en die eer ging aan de Febowiko niet voorbij. Het college van B&W stond klaar, compleet met de gemeente-secretaris. Uit naam van het Groninger gemeentebestuur heette de burgemeester de winkeliers welkom en wees op de grote betekenis van hun congres, dat wel degelijk ook een algemeen belang diende. “De overheid”, zei hij, “heeft zich met den middenstand nooit al te veel behoeven te bemoeien”. En hij diste een aardig staaltje van overheidsbemoeiienis uit het Groninger verleden op, met een tabakshandelaar in de Peperstraat,

 “…die om zijn pijpen aan te prijzen een bord voor zijn raam had met het volgende opschrift: „Kleine stelen en groote stelen, maar groote stelen het meest”.”

Vanuit het gemeentebestuur was de winkelier te verstaan gegeven dat dit toch eigenlijk geen pas gaf. Waarop hij bij wijze van amendement een nieuw bordje bij het oude neerzette:

„Op last van het Stadhuis, zijn de groote abuis”.