Stad stond er nait best op bij de Ter Apelers

In een interview uit 1936 herinnert Dirk Rudolph de Marees van Swinderen zich zijn wethouderschap (1900-1914) van de gemeente Groningen. Hij had in zijn portefeuille de stadsbuitenbezittingen in de polders en venen van Oost-Groningen. De Marees vond het “mooi werk met veel afwisseling”, maar stipt ook de lastige juridische procedures aan die zijn stad indertijd over de stadsrechten moest voeren. Want:

“De stad was toen niet erg populair. In Ter Apel vertaalde men de letters S.G. (stadsgrond) op de bordjes langs de stadsgronden bij voorkeur als Stooln Grond…”


Een schat voor alle tijden, deels foetsie

‘In de eerste plaats herinner ik in dit verband aan Van Mesdag als psychiatrisch en psychologisch voorlichter van den rechter, waarbij hij zich immer van de hem door Rechtbank of Hof gegeven opdracht kweet na een zeer nauwkeurig onderzoek, waarvan de resultaten werden neergelegd in een geheel met eigen hand geschreven uitgebreid verslag, waarin geen enkele vraag onbeantwoord werd gelaten. Een schat van voor alle tijden wetenschappelijk hoogst gewichtig materiaal ligt daardoor opgetast in de gerechtelijke archieven speciaal in het noorden des lands, en een medicus, die zich mocht geroepen voelen om zich te specialiseren op dit gebied, zoude geen betere studie-stof en geen meer navolgenswaardige voorbeelden kunnen vinden dan Van Mesdag’s onvolprezen expertise-verslagen.’

Aldus O. J. Cluysenaar in zijn In Memoriam (1943) voor Synco van Mesdag, de forensisch psychiater wiens naam verbonden is aan de Van Mesdagkliniek.

De jurist Cluysenaar was mogelijk iets te optimistisch over die ‘schat’, opgetast in  de gerechtelijke archieven van vooral het noorden des lands. Je kunt niet alles bewaren en het lijkt erop dat bij het opschonen van gerechtelijke archieven de ruimtevretende, maar op een individueel niveau ook zeer informatieve procesdossiers nogal eens worden vernietigd. Die van de meervoudige strafkamer bij de Groninger Arrondissementsrechtbank blijken nog wel bewaard, maar dat geldt – voor zover ik kan nagaan – niet voor die van het Hof in Leeuwarden en ook verder zouden Van Mesdags zo leerzame rapportages nog wel eens door de papierversnipperaar kunnen zijn gegaan.

Overigens is het de vraag of dat erg is. Hoe invloedrijk Van Mesdag ook was, een poging om een serieuze biografie van hem te schrijven, lijkt er nooit te zijn ondernomen.

Nu ik er nog even over nadenk: toch wel jammer, eigenlijk. Het zou bijvoorbeeld een mooie klus kunnen zijn voor een psychiater met een historische interesse (als er überhaupt nog zo iemand rondloopt).

 


‘Ik heb gewoon een hekel aan drammers’

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Dat was even schrikken vandaag. Ron van Zonneveld is overleden. Jarenlang schreef hij columns voor de Groninger universiteitskrant UK, die veler ergernis opwekten. Ben bij de UK nog een tijd zijn contactpersoon geweest, we konden goed met elkaar opschieten. Vind het dan ook jammer dat ik hem nu nooit meer zal zien. Bij zijn afscheid van de RUG, nu bijna zeven jaar geleden, hadden we het volgende interview:

Ron van Zonneveld ging met de VUT. “Het sociale hart van de afdeling Nederlands“; “een zachte cynicus en vrolijke nihilist“; “een nietsontziende en ongezouten columnist, dat waren enkele typeringen, die je kon horen op zijn afscheidsreceptie.

In zijn kamer staat een schildersezel, met een bijna voltooid portret van zijn dochter. Ook aan de wanden konterfeitsels van dierbaren. Hij is autodidact: “Ik heb mezelf het schilderen geleerd door boekjes te lezen. Na mijn scheiding ben ik bij wijze van zelftherapie als een gek gaan schilderen. Altijd figuratief. Ik snap niets van een Mondriaan.”

Op zijn achttiende bezocht hij een paar maanden de Haagse kunstacademie, maar dan voor het beeldhouwen. “Er zaten twee man in die klas. We stonden de hele dagen Griekse koppen te boetseren. ’s Avonds kreeg je van de leraar te horen dat het anders moest en dat je je werk in elkaar moest slaan.”

De opleiding ging iets teveel uit van zelfwerkzaamheid: “Uit pure verveling gooiden we klei naar het het plafond.”

In Den Haag was hij ook opgegroeid. “Mijn vader was barpianist op de Holland Amerika Lijn, hij kwam niet vaak thuis en is uiteindelijk in Amerika gebleven.” De buurt was het Zuiderpark, de club ADO, maar plat Haags leerde hij pas later. “Als kind verstond ik er geen moer van. Een tante vroeg me een keer: “Ronnie wauje wel een schaampie?” Ik wist niet wat dat was en ze zei: “Daar keije op zaaguh.” Ook dat begreep ik niet en daarom kreeg ik een draai om de oren.”

Vanaf de kunstacademie kwam hij bij de PR-afdeling van een verzekeringsbedrijf, waar hij reclameteksten en “waardevrije prietpraat” voor het personeelsblad schreef. “Mijn chef zei: “Man wat doe je hier, je zit hier je tijd te verpesten, je schrijft goed, je kunt beter Nederlands gaan studeren”. En dat klonk na een tijdje wel aantrekkelijk.”

In Leiden schreef hij voor de Folia, maar hij koos na zijn kandidaats voor taalkunde. Voor Uhlenbeck koesterde hij een “ontzettende bewondering”: “Hij kon goed college geven, maar gaf me ook schouderklopjes. Dat was ik niet gewend, zo’n persoonlijke benadering. Hij maakte me ineens een beetje ambitieus.”

Tegelijkertijd kwam er een nieuwe richting in de taalkunde op: “Het gold bijna als teken van intelligentie dat je Chomski begreep of die indruk kon wekken. Dan was je er al bijna. Er zat alles in wat aantrekkelijk was voor jonge intellectuelen die meer wilden zijn dan alleen vakidioten.”

Hij werkte kortstondig aan twee lerarenopleidingen en kwam in 1975 naar de RUG met de gedachte: “Eens kijken hoe lang ik het daar volhou.” Van de klankleer zou hij er overstappen naar de zinsstructuren. “Oudere collega’s vonden dat vreemd, maar ik wilde wel weer wat anders doen. Ik ben nergens een specialist in, maar wel met veel gebiedjes in de taalkunde bekend.”

Toen hij pas aan de RUG werkte, kon hij bijna niet geloven “dat dit als beroep kon bestaan”: “Het uitzoeken van dingen en erover schrijven, dat vond ik geweldig, net als de belangstelling en waardering die je met je werk kreeg. Maar je had ook behoorlijk veel tijd die je zelf kon indelen, het deed mij denken aan een kunstenaarsbestaan. Ik denk dat figuren als ik nu niet eens meer aan de bak komen.”

Hij ontkent dat zijn onderzoeksdrive de laatste jaren afnam. Onlangs schreef hij nog een artikel over het wegsijpelen van het woordje ‘dat’ uit bepaalde bijzinnen. Maar bij het onderwijs trad er wel sleet in, geeft hij toe. Inmiddels heeft hij al veel van zijn taalkunde-boeken weggegeven: “Zonder collegevoorbereiding hoef ik die niet meer in de kast te hebben.”

Zijn columns voor de UK bewaarde hij nooit. Maar die zou hij nu juist graag weer terug willen zien. In de jaren negentig was hij de man die het vaakst voor boze ingezonden brieven zorgde. “”Ik vond mezelf wel een zeikerd dat ik altijd vrouwen op de korrel nam”, bekent hij nu. “Een tijdlang werd ik als vrouwenhater beschouwd. Daar heb ik een beetje last van, al laat de rest van mijn leven zien dat ik dat absoluut niet ben. Ik heb wel een hekel aan drammerige wijven die ook nog academische aspiraties hebben, maar er is net zo goed een aantal mannen dat dramt natuurlijk. Ik heb gewoon een hekel aan drammers.”


Het huis van Vixseboxse

Huis van Vixseboxse b

Dit Jugendstil-pand heette in mijn jeugd “het huis van Vixseboxse”. Door de arcunelen en het puntdak, waar je een torentje in kon zien, als je dat wilde, heeft het me altijd geïntrigeerd. Er moesten prachtige zolders zijn, waar je heerlijk kon spelen.

Oorspronkelijk zou het de ambtswoning van de Havelter hoofdonderwijzer zijn geweest. Vaag staat me bij dat er twee jongens woonden, maar niet helemaal van mijn leeftijd – ze waren ouder, dacht ik, en zaten niet op voetbal. Ook was er destijds wel eens een meneer Vixseboxse op de radio, wat misschien hun grootvader was. De familie kwam niet uit Havelte. Volgens de familienamenbank was ze van de noordelijke Veluwe afkomstig. Medio jaren tachtig  verhuisde ze weer naar elders.

Toen de Vixseboxses vertrokken, heeft mijn vader een oogje gehad op het pand, om er zijn zaak in te vestigen – een administratiekantoor met een agentschap van de Nederlandsche Middenstands Spaarbank (N.M.S.). Er zat echter een woonbestemming op het pand, en toen mijn vader de gemeente vroeg of die wilde meewerken aan een bestemmingswijziginging tot kantoorgebouw, wilde die dat niet. Daarom zag mijn vader er vanaf.

Maar die bestemmingswijziging kwam er wèl. Op verzoek van de concurrerende Rabo Bank, die het pand met de grond gelijkmaakte en op de plaats een soort binnenstebuitengekeerde badkamer bouwde. Die nu trouwens alweer een tijd leeg staat.

Terug naar de foto. In mijn tijd zat er geen hek, maar een beukenhaag om de tuin heen. Linksachter zie je een glimp van, zoals het in de vroege jaren zestig en zelfs later nog heette: ’t Olde Schoelplein. Op de ansicht nog mèt de bijbehorende school, waarvan in mijn tijd alleen wat  fundamenten resteerden die net boven het gras uitstaken en waaropver je lelijk kon komen te vallen.

Op de foto zie je tussen de middelste bomen door ook wat ramen van de oude smederij die Faber later betrok. Faber maakte er een fraai modern winkelpand van, met joekels van glasruiten zodat hij zijn kolenkachels, fietsen en ijzerwaren in volle glorie kon etaleren. Mijn jongere broer schoot eens met zijn katapult een sterretje in zo’n ruit. Faber ging in de achtervolging tot bij ons in in de bijkeuken aan toe, waar hij mijn moeder op zijn pad vond. Tegen wie hij finaal over zijn toeren schreeuwde dat zijn hele spiegelruiten aan diggelen lagen.

Het Oude Schoolplein heet allang Piet Soerplein en ter plaatse hebben ze een lage flat met een plint winkels over de Dorpsstraat neergezet, zodat de hele oude structuur van het dorp naar de filistijnen geholpen is. Ook hebben ze een zogenaamd kunstwerk op het plein neergezet, met afstand het lelijkste van heel Drenthe en Groningen erbij.

De prentbriefkaart heb ik gekocht via een veilingsite. Zij blijkt op 25 mei 1921 verzonden te zijn door een mevrouw Gerritdina Jacoba Biersteker-Kluin en haar schoonzus Neeltje. Beiden waren afkomstig uit Den Helder en in Havelte op vakantie. De eerste mevrouw Biersteker bleek in de omgeving van Havelte opgegroeid als dochter van een Meppeler ziekenhuisdirecteur. Ze was getrouwd met een vrijzinnig-democratische deurwaarder, die nog wethouder van Den Helder is geweest. Mevrouw Biersteker en haar schoonzus stuurden de kaart naar een mejuffrouw Verburgt, pleegzuster in het gemeenteziekenhuis van Den Helder.

(Herzien op 10 maart 2013 n.a.v. reactie.)


‘Stadstaat Groningen’ gratis te downloaden

Tip van Kor. ‘Stadstaat Groningen’, het boek van Meindert Schroor over de heerschappij van de stad over Oost Groningen, is uitverkocht. Daarom kan je het nu gratis downloaden op deze pagina van Meinderts geografisch-historische onderzoeksbureau Varenius.


Rondje Leegkerk in de sneeuw

Vlucht zwanen:

2012-12-08 035

Oude landweg:

2012-12-08 069

Jonge Held:

2012-12-08 099

Berijpte katjes:

2012-12-08 127

Zijlvesterweg:

2012-12-08 133

Wijde blik:

2012-12-08 137

Bekend plekje:

2012-12-08 147

Ooit een kronkel van de Hunsinge (Peizerdiep voor ca. 1400):

2012-12-08 150

Op het weggetje naar de bekende plek, waar de boer wat verse grond had gemorst, was een stel Koperwieken (wintergasten) aan het socializen met een stel merels. De koperwieken waren minder schuw dan de merels. Dit was de brutaalste:

2012-12-08 164

Makelaar op boerderijnok met haas en twee hazewindhonden. Dit ornament viel me voor het eerst op, waarschijnlijk omdat er anders takken met bladeren voor zitten:

2012-12-08 183

Er lag bomijs in de sloot aan de noordkant van de Legeweg, het peil was er 5 à 10 centimeter gezakt:

2012-12-08 199

Er werd gestroomd. In de sloot aan de zuidkant kwam er juist water binnen. Een pijlstaart (net als die koperwiek een wintergast) profiteerde hier van het wak:

2012-12-08 202


Rondje Eiteweerd-Leegkerk

Oude baileybrug naar de vloeivelden van de suikerfabriek aan de zuidkant van de A7:

2012-12-02 034

Het kotje bij de Tichelwerkbrug:

2012-12-02 066

Dat kotje staat op het voormalige voorerf van een verdwenen boerderij. Het bomenlaantje links leidde naar dit erf, dat begon waar het laantje ombuigt:

2012-12-02 082

Het laantje ligt op een middeleeuws dijkrestant, rechts lag een meander van de Hunsinge (Peizerdiep):

2012-12-02 089

De kerk van Leegkerk:

2012-12-02 094

Woef:

2012-12-02 095

Vanaf de Zijlvesterweg, hier ooit de Gaikingadijk, zicht over een verlaten huiswierde op de suikerfabriek in de verte:

2012-12-02 106

Collectie vogelhuisjes aan de Noodweg. Voor slechts 15 euro verschaft u uw gevederde vriendjes deze winter een puike maaltijdvoorziening:

2012-12-02 118


Pino, addio!

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Was toch altijd aardig om te zien, deze gevelreclame aan de Hereweg, als je naar het zuiden fietste.  Maar het pand Hereweg 97 wordt binnenkort gesloopt. Daarom, ten afscheid, deze foto uit 2005. Over de plek weet Beno Hofman meer te vertellen, in woord en gebaar.


Waar komt de naam Briltil vandaan?

Bril 17e eeuw

Volgens de Wikipedia zou het dorp Briltil rond of zelfs iets voor 1600 zijn ontstaan. Til staat uiteraard voor brug,  en “bril betekent drassig land”, aldus de internet-encyclopedie. Die in dit geval verder geen verklaring geeft, zoals ze dat nog wel doet bij het lemma Brillerij. “Bril”, zo meent de Wikipedia daar, “is oudfries voor drassig land”. Op nog weer een andere plek, bij Bruilweering, acht ze de naam afgeleid van “bruil (drassig land)” en als je dan doorklikt, kom je uit bij bruul, “oorspronkelijk een afgepaald gebied”, later “een braakliggend en vaak moerassig stuk land, meestal net houtgewas begroeid”.

Ik moet zeggen dat ik mijn vraagtekens heb bij deze afleidingen. In de eerste plaats omdat ik dergelijke verwijzingen naar Oudfriese drassigheid niet tegenkom bij de lemmata bril in het WNT en het WFT, zoals die in één pakketje op internet te vinden zijn.

Maar om me nu even tot Briltil te beperken, eind 16e eeuw werd het Fries in deze omgeving sowieso alleen nog maar door  ‘import’  gesproken, en of die dan nog steeds haar stempel kon drukken op lokale toponiemen is twijfelachtig. Bovendien lijkt een oudere vermelding van Bril ter plaatse niet voor te komen, zodat het gebruiken van een middeleeuwse veldnaam ter aanduiding van het gehucht ook niet voor de hand ligt.

Het is zelfs de vraag of er rond 1600 meteen al sprake  was van een gehucht.  Ik denk van niet, volgens mij is dat gehucht pas na ca. 1650 ontstaan rond een misschien al wat ouder huis dat bekend stond als De Bril. Van dit huis vond ik een koopcontract uit 1810, toen het door Grietje Jannes, de wed. Tomes Tekkes (Oostinga), verkocht werd aan Hindrik Derks (Kranenborg) en diens vrouw Geeske Eltjes. Het heet dan:

Eener behuisinge de Bril genaamd onder Zuidhorn No 37 wordende tot dus verre door de woners van het oppassen van het verlaat van dit departement Groningen jaarlijks genoten tien ducatons en verdere emolumenten wegens het doorschutten van schepen; benevens de vaste beklemming van 33 grazen land, geleegen onder Zuidhorn en Noordhorn (…) doende jaarlijks aan Jacob Ebels en vrouw tot hure ƒ 36-5-0.

Met andere woorden, onder huize De Bril zat ruim 13 hectare land beklemd, zodat je het een (kleine) boerderij mag noemen. Ook bedienden de bewoners het verlaat of de sluis ter plaatse. Bij veel verlaten fungeerde het huis  van de verlaatsmeester tevens als tapperij, waarmee een mooie duit werd bijverdiend. Dat zal ook hier het geval geweest zijn.

Waarschijnlijk  was de boerderij-verlaatsmeesterswoning-tapperij al het eigendom van verkoopsters schoonvader geweest, want de kopers beloofden een oude, door haar geërfde schuldbrief ten laste van Tekke Tomes en diens vrouw Romtje Klaasen te delgen. In elk geval moesten kopers de redelijk considerabele aankoopsom  van 3400 gulden voor Oude Mei 1810 voldoen.

De Bril was een vrij gangbare huisnaam, die je bijvoorbeeld ook aantrof in Groningen,  Delft en Amsterdam. In alle gevallen zal er een bril-achtig beeldmerk op een uithangbord of gevelsteen hebben gestaan. Het kan ook zijn dat het een lemniscaat betrof, symbool voor de oneindigheid en het eeuwige leven. In het geval van De Bril bij Zuidhorn zou dat dan net als een gewone bril hebben kunnen slaan op het weidse uitzicht langs zowel het Hoendiep als het Kolonelsdiep.

Dankzij de naam van de koper in 1810 is namelijk vrij eenvoudig de exacte locatie van De Bril ten tijde van het eerste kadaster, te bepalen. De boerderij-sluiswachterswoning-tapperij bevond zich exact op de plek waar zich nu het bekende steakhouse van André Dokter bevindt:

De Bril

Hoe dominant De Bril indertijd nog in deze omgeving was,  blijkt als we het bijbehorende landbezit bij Hisgis laten oplichten:

De Bril land bij

Kortom, de Bril was een boerderij-verlaatsmeesterswoning-tapperij die zijn opkomst vooral dankte aan het kruispunt van vaarwegen ter plaatse. Waarschijnlijk bevatte het uithangbord een bril of lemniscaat, waarbij in beide gevallen het uitzicht èn het eeuwige leven een motief zouden kunnen hebben gevormd. Vooral dankzij de komst van het Hoendiep gaat dit huis floreren. Na verloop van tijd ontstaat er een gehucht rond De Bril, dat dan net als de brug de naam aan het hier dominante vastgoed ontleent.

Bron van de geciteerde akte: RHC Groninger Archieven, toegang 735 – Jurisdictie Westerkwartier, inv.nr. 677 d.d. 25 januari 1810.


Klok van Midwolde had ‘zilveren’ klank

Vroeger hebben wij al eens gezegd, dat de tegenwoordige torenklok in de kerk te Midwolde is gegoten uit een oudere klok, welke bij het luiden over den dood van Koning Willem III van Engeland en Stadhouder van de Republiek der Vereenigde Nederlanden was gebarsten in 1702. Dit gieten geschiedde op last van Anna van Ewsum en haar gemaal Georg Wilhelm, graaf van Inn und Kniphausen.

Dit blijkt ook uit het opschrift van de klok, hetwelk aldus luidt: „Georg Wilhelm ende Anna van Ewsum, graaf ende graevinne van Inhuisen ende Kniphuisen, heer ende vrouw van Nienoort ende des landes Vredewoldt hebben deze klocke, gebarsten door het luiden over de doot van Wilhelm III, koning van Groot-Brittaniën, weder laten vergieten anno MDCCIV. Mamees Tremij me fecit.”

Volgens de overlevering moet deze klok te Midwolde, of misschien wel op Nienoord zelf, zijn gegoten, althans wanneer de legende, die omtrent dat gieten nog heden ten dage bij het volk is verspreid, eenigen grond van waarheid bevat, hetgeen niet onwaarschijnlijk is. Deze legende luidt aldus: Toen de specie voor de klok gereed was om in den vorm gegoten te worden, kwam de gravin Anna van Ewsum nog met een groote hoeveelheid zilveren sieraden in haar schort aandragen en wierp die in het kokende metaal, waarin ze natuurlijk dadelijk versmolten. Zij deed dit om aan de klok een nog schooneren klank te geven. Een dienstmaagd, volgens anderen een arme vrouw, die van deze handelwijze getuige was, vond het zonde en schande van al dat mooie zilverwerk en vroeg verlof om uit het kostbare metaal een schep te mogen doen met een metalen maat of lepel, die zij toevallig in de hand had. Dit verzoek werd haar bereidwillig toegestaan; maar zij kwam met al haar begeerlijkheid niet best weg. Toen zij namelijk de maat in het metaal dompelde, smolt deze terstond en hield zij enkel het oor of handvatsel in de hand.

De vroegere torenklok gold nog meer dan de tegenwoordige voor de zwaarste in de provincie, ook werd daarvan verteld, dat zij zooveel zilver bevatte, dat zij in helderheid van klank de groote klok van den Martinitoren te Groningen overtrof, of zooals men zei: „Dat zij boven den Groninger toren (d. w. z. de groote Gron. klok) ging.”

Het is dus ook zeer goed mogelijk, dat de boven verhaalde legende doelt op het gieten van de eerste klok, maar dan zijn daar natuurlijk andere personen bij betrokken geweest.

Verder verhaalt men, dat de Regeering van Groningen, over die klank hetzij dan van de oude of van de nieuwe klok, afgunstig was en het zoover wist te krijgen, dat de klankgaten in den toren werden gesloten, opdat men het luiden niet te ver zou hooren. Misschien wilde de Regeering daardoor wel haar meerderheid aan de Heeren van Nienoord laten gevoelen; want die Heeren waren niet gemakkelijk en hadden (…) heel wat te zeggen in het Landschap „Vredewold” — en in het Westerkwartier, en daardoor ook in de Ommelanden. Dat de Stad en de Ommelanden vaak met elkaar overhoop lagen is uit de Vaderlandsche geschiedenis genoeg bekend en dat zij elkander meermalen een vlieg trachtten af te vangen eveneens. Daargelaten nu maar, of de Stadsregeering, of wel het Bestuur van Stad en Lande het sluiten van de klankgaten wist gedaan te krijgen, een feit is het, dat de acht bovenste klankgaten in later tijd, d. i. na het bouwen van den toren, zijn dichtgemetseld. In 1874 zijn de vier ooster- en westerklankgaten op last van de Kerkvoogden van Midwolde en Leek weder geopend, de andere zijn tot heden nog gesloten gebleven. In weerwil daarvan is het luiden van de klok soms zeer ver in den omtrek te hooren, hetgeen vroeger ook inderdaad wel noodzakelijk was; want toen behoorde niet alleen Leek tot het kerspel Midwolde, maar ook geheel Zevenhuizen en waren de verste bewoners wel twee uur van de kerk verwijderd. Al is dus de tegenwoordige klok in den toren van Midwolde nog maar een paar eeuwen oud, hetgeen voor een torenklok geen hooge ouderdom is, toch heeft zij haar metalen stem bij vele blijde en treurige gebeurtenissen doen hooren en zou zij ons van het Landschap „Vredewold’ heel wat kunnen verhalen, als zij spreken kon.

Bron: Vredewoldius – Uit Vredewold XXII, Nieuwsblad van het Noorden 28 januari 1911.

NB: Vredewoldius had kennelijk een soort voorgevoel, want bij een restauratie van de Midwoldiger kerk en toren bleek nog in hetzelfde jaar 1911, dat de klok van 1704 “geheel gebarsten” was. Deze werd begin 1912 inclusief het opschrift van 1704 hergoten door het bekende klokkengietersbedrijf van de Gebr. van Bergen te Midwolda (Oldambt), dat de klok op zaterdag 29 maart 1912 weer ophing.

Het is deze replica-klok uit 1912 waarvan Pathuis nog in 1977 het opschrift opnam in zijn Groninger Gedenkwaardigheden (nr. 2704). Toen Tonko Ufkes en ik een paar jaar geleden, afgaande op de door ons zeer gerespecteerde Pathuis, de toren van Midwolde beklommen, om voor een thema-nummer van Stad & Lande een foto van dat klok-opschrift uit 1912/1704 te maken, bleek deze klok echter in 1949 te zijn vervangen door een exemplaar met een heel ander opschrift. Aangezien de luizolder alleen via een lange losse ladder door een tamelijk donkere ruimte te bereiken viel, voelden Tonko en ik ons wel een beetje bekocht door die Pathuis.

Nu ik nog even nadenk over het bovenstaande, vraag ik me wel af wat de firma Van Bergen in 1911 met dat zilver van Anna van Ewsum deed. Of zouden ze er helemaal niets van hebben gemerkt?

Nog even het geluid van de huidige klok, zoals geregistreerd door Dennis Wubs.


Bijzonder gestorven te Wierum en Dorkwerd

Bij het doornemen van het kerkboek van de gecombineerde gemeente Wierum en Dorkwerd zag ik enkele bijzondere sterfgevallen voorbijkomen:

29 april 1702

Den 29 dito is Derkje, een dochtertje van Peter Hendriks en Mar[tje] Geerts te Dorquert, door een opstaande bette dootgeslagen.

Ik weet niet goed wat ik me hierbij moet voorstellen. Bette zal wel geen kwaad wijf zijn. Hou het er maar op dat er een bat (ofwel een bruggetje) omhoogstond, die onverhoeds op het hoofd van het arme wicht neerdaalde. Haar ouders woonden bij de kerk van Dorkwerd.  In 1703 lieten ze opnieuw een dochtertje Derkje dopen. In 1705 overleed de vader, die ouderling van de gemeente bleek te zijn. Postuum kwam er nog een dochter. De weduwe hertrouwde, bleef met haar nieuwe man op dezelfde plek wonen, waar ze nog meerdere kinderen kregen.

17 mei 1707

Den 17 May is in Groningen gestorven Marthen Eylards vryster, twee maanden over eenendertig jaaren oud, van kinds op sonder verstand en spraak geweest, als ook verswakt in haare leeden, en van onse Diaconye te Wierum in de Stad bovengemeld onderhouwden, legt op onse kerkhov begraven.

Deze doofstomme en naar het zich laat aanzien ook verder meervoudig gehandicapte vrouw, die in Groningen verzorgd werd, was mogelijk de zuster van Klaas Eylards in de Grouwelerye.

16 juni 1710

Den 16 Junij is mijn veel waarde en seer lieve Huysvrouw Margareta Molenkamp, anders Ysbrands, gestorven.

Ds. IJsbrands kweet zich van de droeve plicht, melding te maken van het overlijden van zijn echtgenote.

5 – 14 februari 1712

Den 5 van sprockelmaand is volgens bericht op Den Ham in de pockens overleden Roelefke Reynders, een bedaagde vryster, te Wierum boorachtigh, ende hier te Wierum begraven.

Den 9 dito is overleden in de kinder Pockens Egbert Jacobs, booragtigh van Garlsweer, een echt-man, dog van sijn vrouw gescheyden, en is hier te Wierum begraven.

De 14 van sprockelmaand is te Wierum in de kinderpockens gestorven Grietje, een dochter van wijlen Timon Jans ende Corneliske Rijkels ehelieden, in haar leven woonachtigh te Dorquert, en is te Dorquert begraven.

Kenneljk heerste er een pokkenepidemie in 1712. Dat jaar heerste de ziekte ook in Italië en Boston en tevens bij Kaap de Goede Hoop, waar vooral de Hottentotten het slachtoffer werden.

15 september 1720

Den 15 dito is Harmtjen Hoving, huysvrouw van Evert Oostenrijk, in haar eygen huys op sondagh onder de predicatie groulijk en vreedlijk vermoort.


Moeilijke majolica van de Matsloot

In het rapport over de opgraving te Matsloot (pdf), valt mijn oog op een passage over drie spreukborden van Harlinger majolica. De archeologen konden twee van de spreuken transcriberen: “Alle lust vergaat, alleen deugd bestaat” en “Een dankbaar hart voelt zelden smart”. Bij de derde raakten ze – gedeeltelijk – het spoor bijster: “De boom die wast, die wast telt va(?)..” Deze laatste spreuk was maar “moeilijk leesbaar”, vonden ze. 

Wat er staat is: “Die boom die wast, die wortelt vast”.  Het is geen bekende spreuk, maar de ‘les’ lijkt me duidelijk. Waar voorspoed heerst, bestaat weinig neiging te verhuizen, zo houdt het bordje de mens voor.

Toch jammer dat de archeologen niet even een historicus of een ervaren genealoog in de arm hebben genomen. Ik ken er verscheidene die dit puzzeltje met gemak zouden hebben opgelost. Ook is er een vraagteken te zetten bij de datering van de drie borden op 1860.  Het handschrift doet namelijk sterk denken aan handschriften uit de periode 1780-1810.

 


De krantenpolitiek van de Commercieele Club

De  secretaris vraagt, in welke bladen in het vervolg moet worden geadverteerd. De oplagen der te Groningen verschijnende bladen is als volgt:

Nieuwsblad v/h Noorden
Groninger Dagblad
Nw. Prov. Gr. Crt.
Het Vrije Volk
Ons Noorden
ca. 40.000 exemplaren
,,    21.000               ,,
,,    22.000               ,,
,,    24.000               ,,
,,    11.500               ,,

Besloten wordt, om voortaan niet meer te adverteeren in het Vrije Volk, omdat men van meening is, dat de lezers van dat blad toch geen belangstellende menschen zijn voor de Commercieele Club. Mochten er toch nog enkele belangstellenden onder zijn abonné’s zijn, dan zijn deze zeker ook wel gebonneerd op één der andere 4 bladen.

Verder wordt meteen besloten, dat “de Waarheid” in ’t vervolg geen uitnoodiging meer zal ontvangen voor onze lezingen, terwijl de voorzitter op de eerstvolgende lezing bij de opening zal mededelen, dat wij het op prijs stellen, dat de pers niet in debat komt, aangezien de pers-menschen zich als verslaggevers in ons midden bevinden en dus een geheel andere taak hebben.

Uit de bestuursnotulen d.d. 9 december 1946 van de Commercieele Club te Groningen. Wat allereerst opvalt is dat het ‘neutrale’ Nieuwsblad van het Noorden op dat moment alweer verre de andere titels overvleugeld heeft, terwijl het na de oorlog toch een poos niet is verschenen. Het kwam pas sinds eind januari 1946 weer uit, op dat moment in een oplage van 35.000 exemplaren, die in ruim tien maanden tijd dus alweer met 5000 gegroeid was.

Drie kranten, respectievelijk Het Vrije Volk – van socialistische huize – de gereformeerde Nieuwe Provinciale Groninger Courant  en het liberale Groninger Dagblad hebben iets meer dan de helft van de oplage die het Nieuwsblad aan de potentiële adverteerder opgaf. Het katholieke Ons Noorden zette half zoveel kranten af als deze middenmotors.

De Commercieele Club, een vereniging voor directeuren van grote ondernemingen, maar ook wel van kleinere handelsmensen, had duidelijk moeite met de rooie pers. In het Vrije Volk adverteerde men niet, omdat men onverschilligheid veronderstelde bij zijn lezers, vooral leden van de PvdA en het grootste vakverbond, het NVV. In feite wist men natuurlijk weinig van die belangstelling, de werkelijke reden zal gewoon zijn geweest, dat daar de doelgroep van de Commercieele Club niet zat.

De communistische krant De Waarheid wordt niet genoemd in het oplagenlijstje. De redactie hiervan krijgt zelfs geen uitnodiging of persbericht meer van ophanden zijnde lezingen, waarschijnlijk omdat een Waarheid-verslaggever wat al te fel debatteerde met iemand die zo’n praatje voor de Commercieele Club hield. Aan de andere kant zit in de weerzin, die tussen de regels door schemert, ook al iets van de Koude Oorlog. Volgens de boekjes begon die met de Fultonspeech van Churchill, op 5 maart dat jaar.

Bron: RHC Groninger Archieven, toegang 1545: archief Commerciële Club Groningen 1946-1978, inv. nr. 2 – bestuursnotulen 1946-1950.


Beknopte historie van De Oude Held

Ik heb hier eens verteld hoe de oprichting van het waterschap De Oude Held (1796) een schisma teweeg bracht in de aloude Schepperij van Hoogkerk. Voortaan werden de wateren van Noord-Hoogkerk en die van Zuid-Hoogkerk gescheiden, met als grens het Hoendiep.

Bij toeval stuitte ik vandaag op de KB-website in een van de nieuwe Nieuwsblad-leggers op een ingezonden brief, die stilstaat bij het honderdjarig bestaan van De Oude Held in 1897. Voor de bouw van de watermolen, aldus de briefschrijver, ene Leegte (= Laagte),

…hadden de bewoners jaarlijks veel overlast van water, waardoor aan de vruchten belangrijke schade werd toegebracht. Wel trachtten de landbouwers des zomers hunne landerjjen daarvoor te beveiligen door er kleine dijken om de bebouwde landen te leggen, doch meestal zonder baat.

Inderdaad zie je op oude kaarten her en der bouwland, wel een minderheid van hooguit een derde van de percelen, en die moesten natuurlijk wel droog kunnen blijven. Volgens briefschrijver wilde vooral een Derk Stel, landbouwer op Vinkhuizen, een einde aan de “treurigen toestand” maken. Echter:

de tegenwerking was zoo groot, dat de heer Stel zich vele vijanden berokkende en vele onaangenaamheden moest ondervinden; maar de wakkere man gaf den moed niet op. Eindelijk kwamen er meer anderen die begrepen, dat het aanleggen van een polder wel tot groot voordeel moest wezen van al de ingelandon, en na veel besproken en overwogen te hebben word tot het aanleggen van een polder en het bouwen van een windmolen besloten, waaraan de naam werd gegeven van „De Oude Held”. (Misschien werd deze naam gegeven, omdat de molen zoo sterk en zwaar is gebouwd…

Zelf vermoed ik dat er een naambord hoog aan de molen hing, met misschien een konterfeitsel van een antieke krijgsman. “Dit is zeker”, aldus de briefschrijver:

de molen heeft den naam „De Oude Held” wel verdiend door het trotseeren der vele stormen en regenvlagen. Vooral is dit gebleken toen in 1863 door een dijkbreuk bij het Reitdiep de polder voor een groot gedeelte werd overstroomd, waarbij verscheidene schapen zijn omgekomen, maar „De Oude Held” met den bekwamen en ijverigen molenaar I. Torrenga hebben het water overwonnen en de landerijen droog gemalen.

Schrijver memoreert de afsplitsing, in 1828/1829, van de onder Leegkerk en Dorkwerd gelegen noordelijke polderlanden, waarbij de afgesplitste polder ‘De Jonge Held’ ging heten. De gelijknamige molen van die polder bestaat nog steeds.

Eind jaren 1870 gingen de ingelanden van De Oude Held denken over de vervanging van de windmolen door een stoomgemaal.

Wel werd erkend dat de molen met zijn twee schroeven en ijzeren as in vele gevallen voldoende is om den polder te bemalen, doch niet zelden gebeurde het dat bij gebrek aan wind de molen met gezeilde wieken dagen moest staan wachten zonder te kunnen werken, en dan bij overvloedigen regen de ingelanden te veel last van water kregen.

Een goede gelegenheid voor die vervanging kwam er in 1880, toen beide molenroeden en de ijzeren molenas werden verbrijzeld en de kap en het achtkant zwaar beschadigd raakten. Een meerderheid van de ingelanden zag echter tegen de kosten op en dus werd De Oude Held nog één maal hersteld. Op 7 October 1882 viel echter het doek, toen de ingelanden alsnog besloten om een stoomgemaal aan te schaffen:

In 1883 werd de molen afgebroken en aan den heer Hofman te Groningen verkocht die hem heeft ingericht tot een pel- en barkmolen.

Deze Hofman, een voorzaat van de bekende stadshistoricus Beno Hofman, verhuisde De Oude Held naar de zuidzijde van het Reitdiep onder Groningen, ter hoogte van de latere Hofstede de Grootkade, waar de omgebouwde molen dienst ging doen als pel- en barkmolen. De ingelanden van het Hoogkerker waterschap De Oude Held intussen, zonnen weldra op een nieuwe stoommachine:

Ofschoon de ingelanden nu geen last meer hadden van te veel water, werd al spoedig opgemerkt dat de machine niet voordeelig werkte, wegens te veel kolenverbruik.

In 1897 kwam er daarom een zuiniger apparaat, dat op den duur veel kosten zou kunnen besparen:

Het bestuur droeg de levering op aan de heeren D. H. Landeweer en Zonen, fabrikanten te Martenshoek, die daar dadelijk een begin mee hebben gemaakt, zoodat zij nu reeds is voltooid. Hedenmiddag is de machine door den heer Landeweer in tegenwoordigheid van het bestuur in werking gebracht.

Hoogkerk, 29 Oct. ’97.       LEEGTE.


‘Alles ongemeen vermakelyk voor ’t gezicht’

Notaris Van der Jagts passages over Groningerland zijn ten eerste opmerkelijk, doordat hij de Hondsrug, die “ryzenden en dalenden grond”, herhaaldelijk de Bisschopsrug noemt, al slaat hij de plank mis door deze vernoeming aan de bischop van Münster toe te schrijven. ‘s Mans algemene schetsen en historiserende bespiegelingen laat ik ook hier maar voor wat ze zijn, er staat helemaal niets in wat hij niet uit boekjes kon halen. Zo brengt hij over het Oldambt en de drie Ommelanden nauwelijks iets origineels te berde; elementen die door hun detaillering aan een echte reisbeschrijving doen denken, tref je eigenlijk alleen maar aan in zijn stukjes over de Stad en Hoogezand-Sappemeer.

Van der Jagt kwam vanaf Zuidlaren over de Bisschopsrug:

 Langs zeer breede boomryke wegen, tusschen veel hooger gelegen zaailand zyn wy door het dorp Haren naar de Stad Groningen gereden. Men wordt verrascht door eene fraai beplantte voorstad; door dezelve nadert men de buitenwerken, met eene drooge gracht omvangen, daar achter eene schoone plantaadje en aangelegen tuinen. De singels zyn daar met verscheiden ryen boomen beplant, de gracht is er zeer wyd en de groene wal, ook met boomen bezet, verbazend hoog. Alles is hier breed, groot, ongemeen vermakelyk voor ’t gezicht.

Volgens Van der Jagt bestond er al decennialang economische groei in de stad Groningen:

Men dryft er grooten handel in de voortbrengselen des lands als paarden, ossen, koeien, boter, kaas, granen, turf enz.

Wat betreft de gebouwde omgeving leek de Hollandse notaris vooral onder de indruk van de Grote Markt, die volgens hem “voor de grootste der Nederlanden” werd gehouden. Over de Martinitoren tekende hij op: “Beantwoordt aan de ruimte der breede Markt”. Net zoals tegenwoordige toeristen dat zouden doen, beklom hij deze toren:

Een matroos draaide zich rond aan den staart van den windwyzer, een paard verbeeldende. Wy vergenoegen ons met het beklimmen van den pynappel en ’t aller schoonst gezicht over de Stad, het landschap en Drent.

Die pijnappel bovenop de Martinitoren, ooit alleen te bereiken met een doodeng trappetje in de open lucht, is tegenwoordig allang niet meer voor iedereen toegankelijk. Weer veilig op de begane grond afgedaald, sprak Van der Jagt zijn bewondering uit voor een stukje straatmeubilair:

Men ontmoet, daar water ontbreekt, fraai gebouwde pompen.

Ook gaf hij door wanneer je het meeste volk zou kunnen aantreffen op de Grote Markt:

Dingsdags en vrydags is ’t hier marktdag.

Verder ging hij alle kerken en grote openbare gebouwen af. Een unieke observatie levert de notaris,  zelf immers ook een rechtsgeleerde, van de Hoge Justitie Kamer in de Boteringestraat:

Op de lezenaars vonden wy de onderscheiden deelsrechten dezes landschaps, en de landrechten der naastgelegen landschappen, waarop men zich hier ook beroept, wanneer eigen landrecht zwygt.

Aardig is ook nog wel ’s mans  kijkje buiten de Herepoort,

…langs de breede boomryke voorstad naar de Plantaadje, waarin een schoon Starrebosch en frissche waterkom, met rustbanken omzet, op welke verscheiden lanen uitloopen. Door een van de langste lanen deze plantaadje zien men St. Maartens Toren.

Maar het meest bijzonder vind ik toch zijn beschrijving van het elders weinig beschreven Hoogezand en Sappemeer, waar hij met de Winschoter trekschuit aankwam. Hoogezand was in zijn ogen “eene nog nieuwe volksplanting”:

De gedurige doortogt maakt hier den weg, die met boomen beplant is, zoo levendig, dat men zich gemaklyk verbeeldt aan den weg van Amsteldam op Haarlem te zyn. Daarby is de vaart bij uitstekenheid scheepryk. Hier is bosch, bouw- en weiland. Uit onze rustplaats zien wy de toren van Zuidlaren, in ’t geboomte. De kloktoren van ’t Hoogezand staat by den kerkhof en is door de vaart op eenigen afstand van de kerk gescheiden. Men vindt hier venery, allerlei ambachten, in ’t byzonder ook veele groote schuitmakeryen, kalkbrandery enz. Bevalligheid is hier met regelmaat gepaart. De dwars- of kruisvaarten zyn ook gebouwt met zinlyke huizen en beplant met hoog opgaand geboomte. Op ’t veld ziet men allerlei gewasschen. Op eenigen afstand wordt men verrascht door een wildgroeiend starrebosch en rustplaats van zoden, in gemeen gebruik, doch eenzaam. Men vindt hier lutherschen, doopsgezinden en roomschen. Enkele mannen onder de doopsgezinden dragen hier nog lange baarden.

Zowel Hoogezand als Sappemeer noemt hij “alom zeer volkryk”. Over Sappemeer constateert hij: “Men vindt hier veele buitenplaatsen”. Een daarvan, mogelijk die van gezworene Star Lichtenvoort, stond er deerniswekkend bij. Net als in Meppel ging het om een nog zichtbaar restant van de Oranjefurie die vanaf september 1787 over het land ging:

Wy zagen een aanzienlyk huis, met planken versiert. Wy hebben de overblyfsels der verwoesting op ons reisjen door ’t Vaderland niet overal gezien of opgemerkt; veel is herstelt; men moest hier, gelyk alom, vrolyk zyn.

Bij Sappemeer maakte Van der Jagt een lange wandeling:

Dus ziet men ook eens eene verbazende uitgestrektheid van bouwland, waar te voren bosch en veen was. Als op deze hooge landen, waarin de sluizen het water binnen houden, het hout gekapt en uitgeroeit, en de turfaarde afgestoken is, bemest men ’t land voor ’t eerst met stratendrek, anders is er nooit iets goeds van te maken, gelyk duidelyk te zien is op die plekken, daar men hiermede te zuinig was en dit wilde verbeteren. Men heeft aan turf en turfaarde, door brand, wel schade geleden.

Vergeleken bij deze beschrijving doen Van der Jagt zijn schetsen van de andere Groninger landstreken maar bleek, plichtmatig, afgeraffeld aan.  Zo verliet hij de provincie langs het Hoendiep, met de trekschuit op Stroobos. En weet hij eigenlijk alleen nog over Hoogkerk en Noordhorn iets  te zeggen, dat lijkt voort te komen uit eigen waarneming :

Nu varen wy door ’t westerdeel, ’t geen noordwaards vruchtbaar bouw- en weiland, zuidwaard bosschaadje en omtrent de stad lage wei- en hooilanden heeft. (…) Het dorp Hoogkerke, ’t geen wy langs varen, heeft geen toren, de klok hangt in de open lucht. Schoon is ook ’t gezicht van dezen kant, op de Stad. Hoe wel smaakt het zoogenoemde windbier, aan het dorp Noordhorn!

Bron: Gerrit van der Jagt, Het Vaderland (Amsterdam 1791) pag. 568-586.