Zult, ’s lands lekkernij van Drenthe (1791)

Het Vaderland (1791), door de Hollandse notaris Gerrit van der Jagt,  is een geografisch-historisch leerboek, gegoten in de vorm van een dialoog tussen een vader en een zoon, waarbij de vader bijna voortdurend aan het woord is.

Het werk bevat vele plichtmatige lesjes, waar niets origineels aan te ontdekken valt. Ook schiet Van der Jagt nogal eens van de hak op de tak. Kennelijk was het hem niet gegeven om wat gestructureerder te werken dan hij deed.

Allemaal redenen om je schouders op te halen over zijn werk, ware het niet dat daar passages in voorkomen die erop duiden dat hij daadwerkelijk ons land bereisd had. De authentieke brokjes reisbeschrijving haal ik nu even voor wat betreft Drenthe uit Van der Jagt zijn didactische brij.

Van der Jagt benaderde Drenthe vanuit Zwolle. Over de Vecht werden de wegen en de landerijen minder van kwaliteit, bij Rouveen en Staphorst waren ze weer wat beter, om helemaal slecht te worden tot aan het Drentse tolhek, op de Werkhorst bij Meppel. Vanaf die plek werd het rijden met een rijtuig wat comfortabeler:

Daar ryst het land weer aanmerkelyk, bevrydt ons van schokken en inslorping, wanneer het geregent heeft; want hier zyn geen watermolens.

In Van der Jagts beschrijving van Drenthe in het algemeen vinden we weer eens de venen en de turfgraverij, de onvruchtbare heiden en de schapen, die bijna in elke beschrijving van de Olde Landschap voorkomen. Wel heeft de notaris misschien wat meer oog dan andere reizigers voor het gemeenschappelijke eigendom en werk van de Drenten:

De oogsttyd begint en eindigt op een vastgestelden dag, met het luiden der klokken. (… ) de heiden, met gras begroeit, zyn in gemeen gebruik.

Van de Jagt stipt de afwatering door beken, de nieuwe Drentse Hoofdvaart (1769 – 1783) en de nieuwe nederzetting Smilde aan en werpt zich na een passage over de hunebedden op de Middeleeuwen en de staatsinrichting van Drenthe, om dan weer terug te keren bij het tolhek op de Werkhorst:

Wy namen den langsten, maar vermaaklyksten weg en zagen reeds van verre den zwaren stompen toren van Meppelt, met een lagen kap gedekt. Wy zyn dit vlek of open steedje, welks grond weer lager en met water doorsneden is, by het dalen der zon, langs een beplantten weg, nevens schoon weiland genadert. Hier is de samenvloeijing van verscheiden beken en de doortogt der Drentsche turffschepen. Er wordt veel vlas gesponnen en linnen geweven; men maakt er ook zeildoek en gestreepte wollen stoffen. De straten zyn zeer wel geregelt, de huizen welgebouwd en er heerscht die zinlykheid die met welvaart zich ligtelyk vereenigt. De plaats is volkryk, naar hare grootte. Men zeide my daar dat er 3000 leden der hervormde gemeente zyn; omtrent het jaar 1776 waren er, volgens eene aantekening, tusschen de 15 en 1500.

Van der Jagt bezocht die avond de Meppeler kerk, en bezichtigde ook een totaal gesloopt pand, het onderkomen van de patriotse sociëteit, voordat de Orangistische contrarevolutie van september 1787 er radicaal een eind aan maakte. De Hollandse notaris zou gaan slapen in een herberg bij de kerk:

Hier namen wy onze nachtrust en zagen de schoorsteenmantel in de herberg (…) met groote drinkglazen bezet; ‘t geen wy meer zullen ontmoeten.

Kennelijk ging het om een Drentse of noordelijke horeca-gewoonte? Over Meppel verklaart hij:

Zoo welvarent als Meppelt is, kan men er een goed huis huren  voor vyftig guldens in ’t jaar. Er zyn duizend huizen. Voor twee guldens en tien stuivers ’s weeks, kan men zeer goed in den kost.

Met een voerman verliet zijn gezelschap de volgende ochtend Meppel, om langs de Hoofdvaart noordwaarts te gaan. Onderweg constateerde de notaris dat de Drenten grote “liefhebbers van de vetweidery” waren, die “met het meeste genoegen in hunne speelhuisjes in de weiden hun pyp [zaten] te rooken.” Aan de sluizen die zijn rijtuig passeerde, merkte hij dat het land steeds hoger lag.

Links en rechts doemden Diever en en Dwingeloo op,  beide “fraai in ‘t geboomte”. Tussen deze plaatsen in pleisterden Van der Jagt en zijn reisgezelschap in ’t Wapen van Drenthe, zoals de herberg bij de Dieverbrug nog heette. Ze vonden er “goede boter, fyn en grof roggebrood, beide inlandsch” en luisterden er naar de verhalen van de lokalo’s:

Als de baars hier duur is, kost die twee stuivers het pond. Met duizend guldens inkomen in ’t jaar, kan men hier rytuig houden, jagen en vissen.

Met andere woorden: in Drenthe kon je ook toen al heerlijk goedkoop drentenieren.

Het gewoone ontbyt in deze landstreek is pannekoeken. De luiden leven hier gezond, worden oud, en bemoeien zich weinig of niet met geneesheeren en rechtsgeleerden.  De levensmiddelen zyn hier nog beter koop, dan in de wingewesten, of in Gelderland en Overyssel.

Over de inwoners heet het:

De Drenten zyn welmeenend, goedhartig, beminnaars der goede trouw.

Alleen de Meppelers vormden een uitzondering. Die waren nogal zelfgenoegzaam, wat vast door de handel kwam. Op de Smilde bekeek Van der Jagt de nieuwe koepelkerk (1780), zag vanaf de toren Groningen liggen  en gaf een algemene indruk van de veenkolonie:

Alle de huizen, geregelt langs de Nieuwe Vaart gebouwt, geven welvaart te kennen.

De oorzaak van die voorspoed viel goed te zien langs de weg naar Assen:

Tot welk eene hoogte zagen wy de Turfaarde, op de heide! aan beide zyden van den gebaanden weg recht afgestoken.

Ook Assen beviel de notaris al op het eerste gezicht goed:

De aankomst by dit vlek is zeer bevallig, by een uitgestrekt bosch, langs de Nieuwe Vaart en den breeden hier rechten weg; ten einde van welken men, achter de huizen, het spitsjen der kerk ziet ryzen.

De reizigers legden hun bagage neer in een herberg bij de kop van de vaart, en maakten net als in Meppel een avondwandeling:

Er zyn hier eenige schoone en deftige, meest nieuw gebouwde huizen langs de vaart en op het groote driekante plein, ’t geen wy langs een breede straat genadert zyn, en aan de noordzyde met twee ryen boomen beplant is.

Van der Jagt kwam terecht bij de overheidsgebouwen aan de Brink, en bewandelde met zijn gezelschap de “breede geregelde singels, met hooge boomen, rustbankjes en byliggende tuinen” van het ongeveer 300 huizen tellende Assen. Bij terugkeer in de herberg koos hij in de opkamer met uitzicht voor een opmerkelijke regionale specialiteit:

Wy verkiezen, by ’t smaaklyk brood en bier, ’s lands lekkerny, zult, of spek met wyn-azyn doorweekt, met een glaasjen goeden wyn. In onze zinryke herberg, gezeten, zien wy naar beneden over het ruime breede voorplein. Steenen palen en yzeren leuningen, waar mee de vaart is afgeperkt, langs de nieuwe huizen, daaraan gebouwt, terwyl ’t gezicht door geboomte en eenen nieuwen zaagmolen bepaalt wordt.

Na een aantal clichématige passages over maar al te bekende zaken in de rest van Drenthe, keerde Van der Jagt terug naar de twee Drentse plaatsen die hij nu het beste kende:

Er zyn zeer welgestelde landlieden omstreeks Assen en Meppelt, die ’t ook in Holland zouden zyn.

Net als  Meppel, verliet hij Assen bij het krieken van de dag:

Met klimmende zon ryden wy weer van Assen, ’t welk door Friezen en Groningers bezocht wordt. Wy zien veel wei- en zaailand nevens den landweg en komen in t dorp Vries in ’t dingspil  Noordeveld, bevallig, ruim, met geboomte en verscheiden schoone huizen. Wy vonden de herberg zeer zinlyk, in den landsmaak. En wie zou hier, in ’t uithangbord, het Wapen van Leiden verwachten?

Hoewel Van der Jagt Eelde, “omringt met veele fraaie lusthuizen” wel even noemt, reisde hij over Zuidlaren naar De Punt:

Wy zagen nog meerder zaailand, tot aan de grenzen, by de brug en het tolhuis van Groningen. Bevallig was ook het gezicht van een gezelschap Groninger jonge lieden in een speelwagentje, waaronder de vrouwelyke hulsels, beknopter dan die der Friesche meisjes, my bevielen; hoedanige hulsels ik ook in  Overyssel en Drente opgemerkt heb.

Met een oud rijmpje over de weelde, ontleend aan Tydeman, sloot hij het hoofdstuk Drenthe af:

Uit hetgeen gy zaagt en hoordet, kunt gy opmaken dat men in dit Landschap by eenvouwigheid orde kent.

Bron: Gerrit van der Jagt, Het Vaderland (Amsterdam 1791) pag. 553 – 568.

Morgen Van der Jagt over Groningen.


Havelter eiken en de turftheorie

Twyffelt iemand of zig veenstoffe zoude zetten over op den grond liggende boomen, hy gaa naar het reeds gemelde Havelthe in Drenth. Daar liggen verscheide eiken stammen op den grond, die ter dikte van één voet of meer met eene viltagtige veenige korst overdekt zyn; egter hadden dezelve daar niet boven de 40 à 50 jaar gelegen, ja verscheidene oude lieden hadden aan den Drentschen Landmeter L. Grevelink, uit wiens mond ik deeze waarneming hebbe, verzeekert veele derzelver nog op stam staande, gekent te hebben.

In zijn Vertoog over de veenen (Verhandelingen Pro Excolendo IV-1, 199-346) huldigt A.J. de Sitter, oud-rentmeester der Stad-Groninger venen, de nieuwe opvatting dat veen langzaam aangegroeid is. Daarmee bestrijdt hij de indertijd (1796) nog vrij gangbare theorie dat het veen ooit door een buitengewone storm, met onderliggende bomen en al, vanuit Noorwegen over zee was komen aandrijven. In dit kader noemt hij meermalen Havelte. Aan de ene kant (pag. 260) lagen daar eiken op de grond, die in een kleine halve eeuw met minstens 30 centimeter mos overgroeid waren geraakt, aan de andere kant (pag. 247) had je daar stervende eiken die alleen nog maar takkenstompen hadden, terwijl je bij aangepoelde bomen ook kleinere takken en bladeren zou verwachten:

…men gaa naar het naburìg Havelte in het Landschap Drenthe, aldaar vindt men veele schoone en zwaare eikenboomen, doch die onverkoopbaar zyn geweest om de verafgelegenheid van het Water; deeze boomen eindelyk stervende, is niets overgebleeven, dan de opgaande stam met de korte einden der takken…

Jammer dat de exacte lokatie van dit stervende eikenbos onbekend bleef. Overigens noemt De Sitter nog wel meer merkwaardigheden, zoals (op pag. 232/232) een vuistbijl, die aangetroffen was onder het veen in het oosten van Stad en Lande:

Dus is my zelven voor ettelyke jaaren in de Pekel geworden eene steene beitel, naar het zeggen der arbeiders op het zand gevonden, van dat zoort van steenen, die men dondersteenen noemt, zijnde ruim ¾ voet lang; deeze is door my vereerd aan den wydberoemden Van Doeveren, in wiens uitmuntende verzameling dezelve nog bewaard wordt.

Zou die steen er nog zijn, vraag je je dan af. Zo ja, in Leiden, want de universiteit aldaar kocht na Van Doeverens dood (1783) diens kabinet met delfstoffen en preparaten.

Onder het hoogveen, op het onderliggende zand, aldus De Sitter, was nog nooit wat gevonden dat wees op de aanwezigheid van de zee aldaar, zoals zeewier, schelpen, visgraten etc., “wat hier van de ligt gelovende Piccard beuzelen mag”.


Bommen Berend in de kerk van Zuidlaren

Myne officieren en getrouwe soldaten, neemt ter ooren en herten dese reden, dien ick niet alleen als een Bisschop, maar als een Vorst des Heyligen  Roomsen Rycx aen u lieden sal doen. ’t Is u allen bekent, dat ick voor vele jaren, my in de wapenen en niet in de Heylige Schiften hebben geoefent, de wapenen hebbe mijn oock tot deze waerdicheyt en tot Hooft over so veel Benden verheven. Hoeveel magtige Steden hebben hare poorten goetwillig voor ons geopent, alleen het wrevelige Greuningen heeft die gesloten, en tot noch toe alle ons gewelt van bomben, granaten, vuurballen, en canonnaten onverdrietelyk verdragen. Moeten wy dese Stadt verlaten, ’t sal onse voorgaende luyster verduysteren en wy sullen een spot der Geusen worden, die wy dagelicx van hare wallen horen blasen Staet op Heer toont u onversaecht, soo werden sy verstroyt ende verjaecht. Ia wy sullen achter onse ruggen en voor ons aengesichte moeten hooren, dat wy wel verradischer wyse plaetsen konnen vermeesteren, en niet door sterckte van onse wapenen doen, dat de Heylige Maecht verhoede. Daerom, toont u alle als leeuwen, valt aen in de loopgraven, werpt vuurwercken, en doet alles dat de moet der vyanden moogt doen verflauwen, niet aensiende het gevaer of de doot, want die aldus sterft willen wy versekeren dat de Heylige Roomsche  benedictie sal genieten, ende gratie ontfangen, in geen vagevier te komen, maer van de aerde terstont ten hemel sal varen, derhalven sal ‘t haest tyt syn, dat wy op de Stadt begeeren te stormen. Stormt daerop als op het Koninckrijcke der Hemelen, sult voorseker winnen het Heylig Kruys, ’t welck ick morgen alom door onse wercken sal doen dragen en sal u een teken sijn, dat den Gekruyste met u is, en uwe handen wil versekeren, doet soo en sijt versekert van ’t gene ick segge. Hoewel dat mijn toverboecken u een anderen uytslag beloven, maer ’t is geen konst voor een priester, veel min voor een bisschop, den Duyvel te besweeren ofte bedriegen.

De tekst van een mij onbekend klein pamfletje op vrij slecht papier, gedrukt bij Mattheus Iansz te Amsterdam in de zomer van 1672. Uiteraard betreft het geen echte preek, maar een satire. Nadat een hele ris steden als Zutphen, Deventer, Zwolle, Kampen, en Coevorden gemakkelijk in zijn handen vielen, stoot Bommen Berend zijn neus voor Groningen. Van de wallen daar hoort hij psalm 86 toeteren. Hij lijdt liever geen gezichtsverlies door het beleg op te moeten breken en daarom spoort hij zijn soldaten aan om deze vesting te bestormen. Ze moeten maar niet bang zijn voor de dood, hij belooft ze dat ze het vagevuur mogen overslaan en rechtstreeks naar de hemel gaan. In zijn toverboeken staat weliswaar een heel andere uitslag, maar ach, een bisschop als hij kan de duivel best wel voor het lapje houden.


Wat een Groninger in 1800 aan alcohol dronk

In Groningen (…), een volkrijke koopstad en garnizoensplaats, en in het gewest grenzende naar buiten aan Oostfriesland en Munsterland, is toch veel toevloed en doortogt naar ons land van reizigers, vreemde werklieden van alle soort, voorts inwendig van krijgsvolk enz., zoodat hierdoor ook het vertier van sterke drank zeer wordt vermeerderd en gaande gehouden.

Aldus Matthias van Geuns, dan hoogleraar in Utrecht, maar oud-stadsarts van Groningen. In 1801 berekende hij aan de hand van de accijnsopbrengsten hoeveel sterke drank er eind achttiende eeuw geconsumeerd werd in Stad en Lande (zonder Westerwolde, dat een ander fiscaal systeem kende). Deze consumptie bedroeg in totaal 35.676 ankervaten, omgerekend naar een moderne inhoudsmaat bijna 1,36 miljoen liter. In Stad en Lande zonder Westerwolde leefden volgens de volkstelling van 1796 een 106.257 zielen, zodat de jaarlijkse consumptie aan gedestilleeerd per hoofd van de bevolking hier neerkwam op 12,76 liter. Als je rekening hield met een derde kinderen, en een helft van de volwassenen die geen sterke drank dronk, dan kwam de jaarconsumptie per drinker neer op ruim 38 liter. Een gemiddelde drinker dronk dus ruim een tiende liter sterke drank per dag.

Een Groninger zou daarmee ogenschijnlijk zo’n 20 % meer sterke drank tot zich nemen dan een Utrechter. Maar ruim de helft van de in Groningen geconsumeerde sterke drank bestond uit inlandse, d.w.z. hier in Groningen gestookte jenever, en nog eens een kleine kwart uit eveneens lokaal geproduceerde brandewijn, die “alles doorheen gerekend ten minste een derde deel, zoo niet de helft slapper” waren dan de Hollandse equivalenten die in Utrecht werden gedronken. Daarom mocht je de Groningse overconsumptie daar wel tegen wegstrepen. De Groninger, met andere woorden,  kreeg met zijn sterke drank ongeveer evenveel alcohol binnen als een Utrechter.

Van Geuns bekeek ook de bier- en wijnconsumtie van de Groningers, in vergelijking met de Utrechters. Eind achttiende eeuwen dronken de Groningers met elkaar zo’n 8260 ankers wijn per jaar. Wat neerkwam op 313.880 liter, bijna 3 liter per hoofd van de bevolking, nog geen kwart van de sterke drank.

Het bleek ook slechts een derde van wat een Utrechter aan wijn dronk. Van Geuns formuleert dan, wat wij een hypothese zouden noemen:

Het kan echter zijn, dat men in het Groninger gewest, meer dan elders in ons Vaderland, nog veel meer gebruik maakt, vooral bij den gemeenen man, van het aldaar gebrouwen meer en min zwaar bier, daar de deugd van het Groninger bier vanouds beroemd plagt te zijn. Maar het is zeer zeker dat ook de koffij, en wel van ene goede soort en bereiding, hier, tusschen tijden,  vrij algemeen en rijkelijker gedronken wordt, dan elders; te meer daar er ook een verbazend sterk vertier plaats heeft van gebrande cichorei, en velerlei gebakken deeg, granen, erwten en wat meer onder de benaming van knap, bij het talrijk gemeen, ter vermenging met de duurdere koffij, pleegt te gebruiken.

Maar er speelde nog iets anders mee in de relatief lage Groninger wijnconsumptie. In de provincie Utrecht bestond de helft van de bewoners uit stedelingen, terwijl dit in Groningerland slechts een kwart was. En stedelingen dronken nu eenmaal veel meer wijn. Voor Groningen viel ook wel vast te stellen

…dat de consumptie van wijn aldaar te lande, zelfs in de schoone en volkrijke dorpen van het gewest, gelijk ook onder den middelstand der welvarende stedelingen, verre van algemeen te zijn, nog waarlijk gering en zeldzaam is, terwijl, zoo als ik zeide, een kop koffij bij het gros der burgerij een vrij algemeen en druk onthaal blijft uitmaken.

Van Geuns was een warm aanhanger van bier. Hij noemt het “de oude en ware Vaderlandsche drank”, die gedurende de achttiende eeuw “in laag verval” was geraakt. Omdat er in Stad en Lande na 1750 mede om die reden geen bieraccijns meer werd geheven, leidt Van Geuns met behulp van een ingewijde de Groningse bierproductiecijfers af uit de belasting op ongemalen brouwmout. De inlandse bierproductie bedroeg per jaar 201.000 ankers of vorrelvaten dun bier (van zo’n 1,5 à 3 % alcohol) en 33.000 ankers zwaar bier (oftewel kluin met ongeveer 9 à 10 % alcohol). Per hoofd van de bevolking kwam dit neer op ruim 72 liter dun bier en bijna 12 liter dik bier.

Natuurlijk zou het in Groningen geproduceerde bier geëxporteerd kunnen worden, wat dan aan deze berekening af zou doen. Maar met zijn bierdeskundige raadsman meent Van Geuns:

Dat het alhier gebrouwde bier ook alhier verteerd wordt, alzoo de voormalige verzending naar buiten,  vooral het kluin naar Friesland, die alle weken met een daarvan benoemd veerschip vrij sterk plagt te geschieden, sedert veele jaren, ook wegens den zeer bezwaarden invoer in Friesland, niet meer noemenswaardig is…

Wel werd er volgens Van Geuns  “mogelijk nog wel eenig zwaar bier van buiten, voornamelijk van Deventer” in Groningen ingevoerd en gebruikt, wat de cijfers voor de per capita bierconsumptie dan eerder hoger, dan lager zou maken.

In tegenstelling tot het platteland van Utrecht, bleef “de bier-consumtie in de voorname Groninger landstreken, van het Oldambt, Veendam , Wildervank enz. nogal sterk stand houden, en welligt nog sterker dan in de stad”. Weliswaar was de bierproductie sterk afgenomen in de achttiende eeuw – in de stad Groningen bijvoorbeeld slonk het aantal brouwerijen van 80 vlak na 1700 tot 36 in 1769 tot slechts 8 tegen 1800 – maar de overgebleven brouwerijen hadden gemiddeld wel meer capaciteit dan de vroegere, zodat de afname van de Groninger bierconsumptie minder groot was dan de afname van het aantal brouwerijen deed vermoeden. Van Geuns raamde, dat die consumptie in 1800 nog een kwart van die rond 1700 was. Houden we rekening met een lichte bevolkingsgroei, dan dronk de gemiddelde Groninger rond 1700 dus nog zo’n 300 liter dun, en 50 liter zwaar bier per jaar.

Eind achttiende eeuw bleek de gemiddelde Groninger niet helemaal mee te zijn gegaan in de anti-biertrend, want hij dronk nog zo’n twee maal zoveel bier als de gemiddelde Utrechter. Van Geuns ziet daarmee zijn “te voren geopperde gissing” of hypothese bevestigd, namelijk dat het zoveel mindere wijnverbruik in Stad en Lande samenhangt met de “daar nog vrij veel in zwang zijnde consumtie van bier, en ook bijzonderlijk van zwaar bier”. In pure alcoholconsumptie weken de Groninger en de Utrechter waarschijnlijk niet veel van elkaar af.

Nog even de per capita cijfers op een rijtje – de gemiddelde Groninger dronk tegen 1800 jaarlijks 12,76 liter sterke drank, bijna 3 liter wijn, ruim 72 liter dun bier en bijna 12 liter zwaar bier. De gemiddelde Nederlander van 2010 doet het slechts met zo’n 3 liter sterke drank, 5 liter wijn en 16 liter bier, dik en dun, maar meer dun dan dik. Naar hedendaagse maatstaven was de Groninger van weleer dus niet bepaald een matigheidsapostel.

Als we nu de alcoholpercentages in de tijd van Van Geuns stellen op 25 % voor sterke drank, op 12 % voor wijn, op 2 % voor dun bier en op 10 % voor dik bier, dan was de totale hoeveelheid pure alcohol die een Groninger indertijd jaarlijks dronk 3,19 + 0,36 + 1,44 + 1,2 liter = 6,2 liter. Bij 35 % voor sterk, 12 % voor wijn en 5 % voor bier laat dezelfde pure alcoholconsumptie voor de Nederlander in het huidige tijdsgewricht zich becijferen op 1,06 + 0,6 + 0,8 liter = 2,46 liter. De gemiddelde Groninger van twee eeuwen geleden kreeg dus 2,5 maal zoveel pure alcohol binnen als de doorsnee-Nederlander nu.

Bronnen: Matthias van Geuns, Over het gebruik en misbruik van sterke dranken, in de bewerking van O.G. Heldring (Groningen bij Oomkens, 1839) pag. 68-106. De Gelderse drankbestrijder Heldring copieerde de originele teksten uit Van Geuns boek Staatkundige handhaving van der ingezetenen gezondheid en leven (1801)  en doorvlocht deze met aantekeningen van eigen hand. De cijfers over het hedendaagse gebruik van alcoholica komen overigens van het CBS.


Drukte om het hoofd op het Ruigezand

Voor het tijdschrift Stad & Lande moest ik maandagmiddag op ’t Ruigezand zijn, om de stichter van een monumentale boerderij te fotograferen – dat wil zeggen diens pastelportret uit 1810. De geest van de stichter probeerde dit te verhinderen door me op te schepen met allerlei weerspiegelingen. Hoe ik het konterfeitsel ook draaide, of het nu donker was of licht, ze bleven maar voorkomen in het stevige glas voor de stichtersneus.

De boerin had wel schik in het geval en liet me na afloop van de sessie in de kelder wat staaltjes huisdecoratie uit de 19e eeuw zien, tevoorschijn gekomen bij een fikse renovatie.

Zoals dit behangetje:

En deze – de blauwe is het oudst:

Er waren ook nog oude glaasjes met diverse patronen:

En met wijnranken beschilderde houten panelen:

Die ouwe huisschilders, behangers en glazeniers, die konden wat. Petje af.

En, zoals de boerin constateerde: In de 19e-eeuw was men niet bang voor enige drukte om het hoofd.


The principal inns at Groningen

I

II

Er zit een klein verschil tussen de delen I en II van Thomas Nugents Grand Tour (1749) voor wat betreft het lijstje van belangrijke herbergen in de stad Groningen.

In het eerste deel wordt de Grote Toelast nog genoemd. In het tweede deel heeft De Valk de plaats van deze herberg ingenomen.

In beide gevallen staat vermeld dat de trekschuiten naar Delfzijl bij het Raadhuis van Emden afvaren.  Genegeerd wordt het feit dat de trekschuiten uit de richting Leeuwarden aankwamen bij de Stadsherberg.

Alle genoemde herbergen en hun lokaties:

Bron: Thomas Nugent – The Grand Tour (1749), deel I pag. 146 en deel II pag. 118.


Ommetje Ulrum

De kerk van Den Ham:

Tussen Den Ham en Oldehove:

Tussen Houwerzijl en Vliedorp aan de Houwerzijlstervaart, een hoogholtje dat Olweemvonder heet:

Ulrum, gezicht vanaf de Trekweg:

Op het kerkhofje van Snakkeburen in Ulrum – een engeltje op het graf van mevrouw Teenstra. Meneer Teenstra, een radicale verlichtingsman, zou er van gegruwd hebben:

Zuidema’s Klap over het Hunsingokanaal tussen Ulrum en Niekerk:

Deze brug, een rijksmonument dat gesloten is voor gemotoriseerd verkeer, stamt volgens een ornament er bovenop uit 1879:

Wierde bij Niekerk:

Dorpsgezicht Niekerk:

Makelaar met zeepaardjes, aan de Reitdiepskade te Zoutkamp:

De Nicolaas Mulerius, ‘het vlaggeschip van de RUG’, kwam net binnenlopen. Aan dek leden van de studentenzeilvereniging Mayday::

Havenfront Zoutkamp, badend in de lage novemberzon:

Het fietstochtje bleek ongeveer 65 kilometer. Was een tijdje geleden dat ik zo’n rit maakte.

 


Meester Stijl en de voorleeskunst

De uit Middelbert afkomstige Klaas Geerts Stijl was zo’n twintig jaar lang de kundige en geliefde schoolmeester-organist van het Oldambtster kerspel Midwolda, toen hij daar op 10 mei 1774 stierf aan een “uitterende ziekte”. Vlak voor zijn dood voltooide hij er nog een taalkundig werkje, bedoeld voor schooljeugd en collega-onderwijzers. Een naburige predikant met wie hij bevriend was, Lambertus van Bolhuis (Oostwold), zou dat werkje naderhand uitgeven. Het haalde drie drukken en bevat onder meer een verhandelingetje over de leeskunst, waarmee Stijl eigenlijk de voorleeskunst bedoelde:

Het oogmerk der Schrijftale is, dat ze gelezen worde. Tot ene goede opzegging of hoorbare Lezing wordt vereischt:

1) dat men de gestelde bewoording met ene klare en duidelijke stemme en uitsprake vaardig, net, zo als er staat, uitbrenge. Het tegendeel is valsch lezen.

2) dat men, naar vereisch van de zintekenen der perioden (leestekens, red.) behoorlijk scheide en ruste. Het tegendeel heet rabbelen.

3) dat men niet alleen aan de grepen, maar ook aan de woorden en zaken, door den nadruk der uitsprake hier en ginds, naar vereisch, behoorlijken klem geve. Het tegendeel noemt men stijf lezen.

4) En dat men naar de voorkomende stoffe en stijl, door ene eenvoudige, natuurlijke, of eigenaartige, stemleidinge de zaken en gemoedsbewegingen als naar het leven uitbeelde. Dit is duidelijk en aandoenlijk voor den Toehoorder. Dit is het toppunt der Leeskonste; doch iedereen heeft die gave niet, en is ook voor zulk onderwijs niet vatbaar. Zulk een houde er zich dan ook van af – de minste gemaaktheid is hier aanstotelijk.

Klaas Stijl, Beknopte aanleiding tot de kennis der spelling, spraakdelen en zintekenen van de Nederduitsche taal, ten dienste van mingevorderden (Groningen 17873) pag. 150-152.


‘Typisch Hollands’: lichtgevende Martini

Helaas mocht-ie niet uit de doos, omdat je hem er volgens de verkoopjuffrouw dan met geen mogelijkheid meer in zou kunnen krijgen.  Wat een vage reminiscentie oplevert aan Pandora.

Een collega die gaat emigreren heeft hem gekocht. Straks komt hij te staan in de vensterbank van zijn herdershut over de grup. Het schijnt dat het debiet van dit Blokker-product onder Groningers die jenseits zijn gaan wohnen ongemeen groot is.

Dat zo’n Martinitoren licht geeft, ach, iedereen zijn meug. Maar dat de Martinitoren ‘typisch Hollands’ heet, tja, dat zouden ze moeten verbieden.


Het mooiste plekje van Utrecht

Ik heb hier wel eens verteld hoe Amsterdamse herbergiers op een publiek uit Groningerland mikten door op hun uithangbord het wapen van Stad & Lande te voeren.

Op een A-lokatie in Utrecht, het Vredenburg, zat ook  zo’n herberg. Alleen hing daar niet het provinciale Groninger wapen buiten de deur, maar het stedelijk-Groningse. Wat als reden zou kunnen hebben dat de Utrechts-Groningse band vanouds wat hechter was, dan die tussen Utrecht en de Ommelanden.

In de Amsterdamse Courant van 24 september 1737 stond een advertentie, waarin deze Utrechtse herberg te koop werd aangeboden:

J. van der Schroef, Makelaer in Utregt, presenteert uyt ‘er hand te verkopen, om met den eersten May 1738 t’aenvaerden, een extra schoone en Neeringryke Huyzinge, zynde een van ouds vermaerde Herberg, met zyn annexe Stallinge voor 6o paerden, staende op het Vreeburg binnen Utregt, daer de stad Groningen uythangt, bewoont by Sr. Paulus van Riebeek.

Deze herberg had een redelijk grote paardenstal. Anders dan zijn Amsterdamse collegae mikte de uitbater niet op een publiek dat per schip kwam. Vlak voor de verhuismaand mei, toen de oude herbergier eruit ging en de nieuwe erin kwam,  bleek dat de oude een collectie rijtuigen te koop had, waarbij de directie van rijtuigmuseum Nienoord zich de vingers zou aflikken:

Jacobus van Bosvelt, Vendumeester in Utregt, zal op Woensdag den 9 April, ’s namiddags ten 2 uuren, ten huyze van Paulus van Riebeek, in ’t Logement daer Groningen uythangt verkopen, een Swemmer, 2 Kalessen, 2 Faëtons van zessen, een dito van vieren, een Koets-Wagen, een Fargon, 2 Chaisen, een Boere-Wagen, 4 Arresleeden, eenige Paerden-tuygen en Tomen , 10 Merri-Paerden van 5 tot 9 jaren; daegs te vooren te zien: Breder by Biljetten gespecificeert.

(Amsterdamse Courant 1 april 1738)


Een vroege beschrijving van de papiermolen

Werd geadverteerd , dat te Groningen op Woensdag den 3 Juny aenstaende voor de eerste, en op den 10 Juny voor de tweede en laetstemael, om voort te aenvaerden, ten huyze Van de wynhandelaer Nicolaes Bloemhoff, by publyke veylinge zal worden verkogt: een extra groote welgereguleerde, en in den jaere 1734 nieuw getimmerde Wit PAPIERE WIND-MOOLEN , aldaer by een lopende rivier van zoet en helder Water geleegen, met een octrooy van 25 jaren, in ’t jaer 1732 door de Ed. Mog. Heeren Burgermeesteren en Raed in Groningen verleend; zynde dezelve groot 84 voeten vlugt, waer in 4 Maelbakken, 3 Schepkuypen, 7 Parssen met zyn Werkhuys, Pakkamer en Droogschuur, in alles lang 412 voet, met alle deszelfs Gereedschappen; benevens nog 13 Graesen Weyland en een royaele Wooning, Paerdenstal, Turfschuur, en een welgereguleerde Hof, rondsom in zyne Gragten geleegen. lemand nader onderrigting begeerende, addresseere zig by den Heer Dirk Willem de Wilde, wonende op de Oudezyds Agterburgwal by de Koestraet t’Amsterdam, en by de voorn. N. Bloemhoff in den Guldenstaert te Groningen.

Bron: Amsterdamse Courant, 5 mei 1739

Commentaar: het betreft de papiermolen die stond op de plek van het tegenwoordige zwembad. De eerste veiling was bij opbod, de tweede, na een verhoging van het hoogste bod, bij afslag. Met de rivier zal het Hoornsediep zijn bedoeld.  Werkhuis, pakkamer en droogschuur waren met elkaar zo’n 120 meter lang, in het midden zal de eigenlijke molen hebben gestaan.


Een doodslager van Gasselternijveen

In de zomer van 1738 wordt op de Friese kust het stoffelijk overschot van een schipper uit Gasselternijveen gevonden. Zijn hals is afgesneden en hij heeft zware wonden aan zijn hoofd. Na onderzoek valt de verdenking op zijn eveneens uit Gasselternijveen afkomstige knecht. Omdat die knecht, een grote, blonde, maar verlegen vent, niet op het gebruikelijke tijdstip in het najaar thuiskomt en ook verder onvindbaar blijft, zet de Etstoel, de hoogste Drentse rechtbank, begin 1739 een advertentie met zijn signalement in de Amsterdamse Courant. De doodslager krijgt een prijs op zijn hoofd:

Also het doode lichaem van Klaes Alberts , Schipper van Nieuw Gasselter Veen, gelegen in het Landschap van Drenthe 6 uuren van de stad Groningen, in den voorleden somer 1738 gevonden is aen de Friesche kusten, zynde deszelfs strot afgesneden, en aen zyn hoofd bevonden meer als één dodelyke wonde , ook uyt d’informatien en andere omstandigheden gebleken is, dat hy Klaes Alberts vermoord is geweest door zyn knegt, genaemt Klaes Eyberts, die toen ter tyd by hem voor knegt heeft gevaren, meede van Nieuw Gasselter Veen geboortig , oud omtrent 25 jaren , kloek , lang en sterk van Postuur, hebbende geelachtig hair, bleek van aengezigt, doorgaens voor hem neer ziende, aen het voorhoofd eenigzints verbrand, het welke hy veeltyds met de hoed of muts bedekt, kort van hals en styl in de schouders, hebbende ongemeene lange en swaere beenen en voete. En vermits de Justitie zonderling aen gelegen is, dat gemelte doodslager gerake in handen van de Justitie, en wegens zyne gruwelyke moord na regte werde gestraft, so heeft het Hoog Ed. Geregte van welgem. Landschap van Drenthe een praemie van een honderd daelders belooft aen die geene welke den voorn. Klaes Eyberts zal weeten aen te wyzen dat in handen van Justitie gerake; zullende des aenbrengers naem (des begeerende) werden gesecreteert.

Bron: Amsterdamse Courant 24 februari 1739.


Groningse dienstbode bestal prinses-regentes

In oktober 1727 komt uit dat Freerkje Pabes, afkomstig uit de buurt van Nienoord in Stad & Lande, niet alleen haar werkgeefster heeft bestolen, maar ook haar collegaatjes. Het gaat om servetten, kleding, een gouden ring van een collega en (waarschijnlijk) divers zilverwerk uit de eetkamer van mevrouw. Freerkje was wel erg dom bezig, want haar werkgeefster is beslist niet zo maar iemand, maar prinses Maaike Meu, die als regentes de stadhouderlijke waardigheden in Friesland, Groningen en Drenthe waarneemt voor haar zestienjarige zoon Willem IV. De prinses resideert afwisselend in Leeuwarden, Groningen en Soestdijk, en bezit bij die laatste residentie ook de ambachtsheerlijkheid Baarn. Uit de gevangenis van die jurisdictie weet Freerkje, die zowel in Leeuwarden als in Soestdijk toesloeg, te ontsnappen.  Prompt zet de prinses een prijs op haar hoofd van 100 gulden, zo’n tweederde jaarloon voor heel veel mensen. In de Amsterdamse Courant laat de prinses deze bekendmaking zetten met het signalement van Freerkje en een omschrijving van het vermiste zilverwerk:

Also eene Freerkjen Pabes, geboortig uyt de Provintie van Groningen, omtrent de Heerlykheyd van Nieuwen Oort, oud omtrent 24 jaren, lang van postuur, blaeuwe oogen bruyne wynbrauwen, bruyn hair, lang en volslagen van tronie, een lange neus, gekleed op zyn Vries-boers, te weten, krage mouwe met drie plootjes op de armen, een Iarsje met een roode onderrok, coleurde koussen, een zilver ooryzer, met een so genaemt Duyts kant mutse op ’t hooft en een blauwe wolle schorteldoek, zig niet ontzien heeft, niet alleen van haer Hooght. Mevr. de Furstinne Douarière van Oranje en Nassau, Servetten, maer ook van verscheyde van hare Cameraden, so tot Leeuwaerden als op Soesdyk, volgens eygene bekentenisse, verscheyde kledingen te steelen, als ook een gouden Ring, en verscheyde andere effecten, en dat deezen Freerkjen Pabes, door ’t Geregt van Baaren in hegtenisse genomen zyndt, zig met de vlugt daer uyt heeft weten te salveren op den 22 October 1727 en dat er op verscheyde tyden aen ’t Hof van hoogstged. haer Hooght., so tot Leeuwaerden als op Soesdyk, zederd eenige maenden herwaerds is weggeraekt het volgende Zilverwerk, tot Leeuwaerden, den 3 July 1727 ’s avonds, een Tafelbord weegt 37 loot, den 13 dito ’s avonds, twee Saladieren weegt het stuk 32 loot, op Soesdyk, den 10 october ’s middags, een Saladiere à 23 en 1 quart loot, den 11 dito ’s avonds, een Tafelbord à 37 loot, den 19 dito ’s middags, een kleyne Schotel a 48 loot, alles getekent met het wapen van Orange en Nassau van boven , en van onder staet het merk van den Zilversmit met de letters J. E. M. en een Leeuw met een Oyevaer, en nog op de schote! van agter getekent 11 en 1 quart duym, ’t welk zy Freerkjen Pabes na alle aparentie ook zal hebben ontvreemt; so werd by dezen, aen den geenen die haer weet aen te brengen dat ze in handen van de Justitie, ’t zy waer ’t wil, geraekt, belooft een premie van 100 Caroli gulden, en des begerende zal zyn of haer naem gesecreteert werden; en so iemand eenig van ‘t gestolen Zilver weet aen te brengen, so zal hy ook na proportie van de waerde beloont werden.

Bron: Amsterdamse Courant 4 november 1727.


’t Grunniger ABC

Vanwege de discussie over de robuuste karren, kreeg ik ‘Het Grunniger ABC’ toegestuurd. Het rijmwerkje zou, gezien wat het bij de letter E bevat, van ongeveer 1930 of iets eerder kunnen dateren, en een leerlinge zou het indertijd hebben geschreven voor een schoolfeest. Er bleken bij nader inzien meerdere versies van te bestaan, die ik maar in elkaar heb geschoven:

A is d’AKKEDEMIE dij opent de stoet,
doar kroamen de prefesters heur wieshaid in oet.

B is de BEURS woar ain kerel op staait,
dij doarom de ‘Kerel van Korenbeurs’ hait.

C is CATS’ BITTER en CATS’ levertroan,
As je dat pruift, loat je d’r alles veur stoan.

D is ‘t DOOFSTOMMENHUUS, dat leert jonk en old,
het zwiegen is zulver maor ’t spreken is gold.

E is ’t ELECTRISCH STROATLICHT in stad,
doarveur hebben wie nog de lanteernopsteker had.

F dat is FONGERS zien FIETSENFABRIEK,
Doarr moaken ze fietsen, ze hebben geliek.

G is ’t GEVANGENHUUS dat geft groatis loozjies,
moar ik loozjeer laiver bie Willems of Suisse.

H is d’HARMONIE dei grode soosjetait,
woar men veur ’n concert altied geern hin gaait.

I is de IESBOAN veur wintervermoak,
moar zummers den lopen doar koubaisten voak.

J is ‘JAN PLEZAIER’ om met uut rieden te goan,
met kouke en ranja, ’n haile karrevoan.

K is ons KOUKE da’s wereldbekend,
ain pond ‘wrakke latten’ dat kost moar acht cent.

L is ’t LEGER DES HAILS dei binnen overaal,
Ze kennen alles bruken, al is ’t nòg zo maal.

M bennen de MOLLEBONEN, dij moaken ze in stad
doarom hebben stadjers dij noam altied had.

N is ‘t NEISBLAD VAN T NOORDEN woarop èlk zuk abbeneert,
ook al hebben ze ’t lezen soms haildal nait leerd.

O is ’t Museum van OLDHEDEN, as gast
mout je d’r jonk hèngoan, aans hollen ze joe d’r vast!

P is ’t PLANTSOEN da’s jandorie zo’n pracht,
dat de poartjes d’r lopen te kuieren bie bie nacht.

Q is nait Grunnigs, dus wat mout je d’r met
Der is niks van te zeggen, dus gooi moar in mien pet.

R is de RENBOAN doar lopen peerden zuk dood,
of as ze loos bennen, gooien ze berieder in sloot.

S dat is t SLACHTHUUS boeten STAINTILPOORT,
doar wordt ’t vei op ’n menselieke wieze vermoord.

T is de TOREN biegenoamd ’Lange Jan’,
en ’t Peerd op zien kop wiest de windrichting an.

U dat is ’t UURWAARK met klokkemuziek,
doar zet elk zien horlozie en klokke met geliek.

V is de VISMAART, moar allennig in noam,
want vis is d’r aans nait, as met kermis in ’n kroam.

W bennen de WOAGENS, geelachtig van kleur
dij roek je in de verte al, van ‘t Grunneger odeur.

X dat is NIKS dat is goud in joen ogen,
doarmet heb ik deze keer ècht woar nait logen.

IJ is ain WOATERLOOP moar aigenlieks boeten stad
as AE wordt ’t maist schreven, din waiten ie dat.

Z is ’t ZAIKENHUUS wel hail netjes baauwd,
moar om d’r te liggen is toch moar benaauwd.

Met dank aan Kor Feringa.


Kidnap uit het Zwijneparadijs

Er was eens een Gronings jongetje, dat mee moest met ‘Boze Griet’. Dankzij de Courant kwam Jacob uiteindelijk uit Breda terug, maar niet heelhuids. Hij maakte een akelig sprook­je mee. 1)

“Het word bekent gemaakt”, meldt een advertentie in de Groninger Courant van 1 augustus 1749, “dat er een kind word vermist”. Het gaat om de vijf jaar oude Jacob Abrahams, die dan al ruim een maand spoorloos is. Zoals gebruikelijk geeft de advertentie ook een signalement van de vermiste: “aan hebbende een bloemt rokkje en een bloemd buisje, een zwart fluwele bonnètje op het hoofd, hebbende geel krul hair”.

Over de toedracht van de vermissing zegt de advertentie dat de kleine blonde krullebol uit de stad meege­nomen is door ene Maria, “een oude vrouw”, “die aan heeft een bruyne borst-rok, hebbende een doek om den mond”. Lezers die deze gesluier­de vrouw en de jongen gezien hadden, kregen het ver­zoek dat te melden bij couran­tier Sipkes.

De advertentie was bij de Courant opgegeven door de grootvader van de jongen, omdat die het verdriet van de moeder, zijn schoon­dochter Frouke, weduwe van de soldaat Abraham Jacobs, niet langer kon aanzien. Samen met haar vermiste zoontje woonde deze Frouke Abrahams in bij een oudere weduwe, onmid­dellijk buiten de Kranepoort aan de stadsgracht. Vanwege de morsigheid heette die plek – nu het uiteind van de Melk­weg – ook wel “’t Swijne­pa­ra­dijs”. 2)

Sowieso leefde een solda­ten­weduwe al in bekrompen omstandigheden en toen haar zoontje Jacob eind juni een zweer aan de hals had, ging Frouke er dan ook niet mee naar een dure chirurgijn, maar naar een vrouw die sinds kort in her­berg De Toren van Babel aan de Laan logeerde en daar Neu­ren­berger zalf verkocht. Deze kwakzalfster nu, was de Maria waarover de adver­tentie in de Groninger Courant spreekt. Maria had Frouke binnen de kortste keren ingepalmd. Ze woonde eigen­lijk in Oldehove, vertelde ze Frou­ke, en had daar net zo’n “jonkje” verloren als de kleine blonde Jacob. De kleer­tjes van dat overleden jochie bewaarde ze nog in huis, die zouden Jacob vast wel staan. Ze was net van plan om weer even naar Olde­hove te reizen, dan kon Jacob mooi mee om die kleren te passen. Met acht dagen kreeg Frouke hem terug, be­loofde ze. En Frouke stemde toe.

Dat zou vrouw Abrahams berouwen, want Maria hield zich niet aan de afspraak. Toen haar zoontje na die acht dagen nog steeds niet terug was, ging een zeer ongeruste Frouke zelf naar Oldehove om hem te halen. Maar in Oldehove bleek niemand Maria te kennen. Wel hoorde Frouke nader­hand in de stad dat “dat vrouw­mensch” en Jacob in Drenthe gezien waren. Ook Dren­the had ze daarom afgezocht. Tevergeefs, ze bleven onvindbaar. En omdat Frouke erg “ver­legen” was om haar kind, en er “zeer om kreet”, be­sloot haar schoon­vader om die adver­tentie in de courant te zetten. Dat kostte hem een lieve duit, maar die krant kwam wèl op veel meer plaat­sen in den lande, dan Frouke bereizen kon.

Zo bereikte de Groninger Courant ook Breda. En al leverde de adver­tentie ook daar dan geen onmiddellijk resultaat op, haar inhoud bleef er wel hangen. Dat bleek maar liefst acht maanden na de ver­missing van Jacob Abrahams, in maart 1750, op een steenkou­de avond in herberg de Prince Tafel op het Bredase Nonne­veld.

Het was vlak voor Vastenavond. In de jachtweide van de Prince Tafel tracteerde de waard, Johannes Meel, zijn buurman­nen omdat zij dragers waren geweest bij de begrafe­nis van zijn schoonmoeder. Om half elf ging Meel naar boven, waar een vrouw, en naar hij van haar aangenomen had haar zoon­tje, samen al een paar dagen op een kamertje bivakkeer­den. Op de trap voor de bewuste kamer vond de waard het jochie “in zijn naakte hemt” en ver­stijfd van de kou. De hele avond al was het ventje buiten­gesloten geweest.

Meel haalde zijn echt­genote Mar­tijn­tie erbij en op haar aandringen bracht hij het ver­kleumde kind naar bene­den, waar hij een nieuw vuur aan­legde om het op te warmen. Bij dat vuur verzorg­de Martijntie Meel enige wonden van de jon­gen, die sterk mishan­deld was. Ook maakte de waardin een doek los, die de arm van de jongen stijf op zijn lijf bond. En anders dan Martijntie verwachtte, bleek er met die arm eigenlijk helemaal niets mis.

Terwijl Martijntie hem verzorgde, deed het blonde ventje zijn relaas. Hij zei dat het helemaal zijn moeder niet was, die daar op die kamer sliep. Die “mooi” (moei, opoe) had hem meegeno­men. Ze waren samen in Maas­tricht en Bergen op Zoom ge­weest en onder­weg had ze hem al menigmaal “deer­lijk” geslagen. Ster­ker nog, ze bond zijn arm steeds weer strak aan zijn lijf vast om die “lam te doen worden”.

Het nog veel ernstiger letsel aan zijn neusje ver­klaarde het jochie met de gruwelhistorie, dat de vrouw hem daar met een schaar het  “middelk­bot” uitgeknepen had. Met ’t neustussen­schot was een stuk van zijn verhemelte meegekomen. Tegen de mensen zei “de mooi” steeds dat hij aan kanker in zijn neus leed en zwaar verlamd was, dit om hun medelij­den op te wekken. En “zo was zij met hem gegaan overal te bede­len”.

Toen Martijntie Meel, de waardin van de Prince Tafel, dit bizarre verhaal ’s ochtends vroeg aan haar buren vertelde, wist één van hen weer, dat er precies zo’n kereltje in de krant had gestaan en dat het van de echte moeder gesto­len was. Martijntie werd zo hellig, dat ze haar kostgangster stante pede de deur uitsloeg. Daar had de waardin beter even over na kunnen den­ken, want buiten de deur kreeg de uitgestoten vrouw van iemand uit de volksoploop te horen, dat er al een “dien­der” voor haar onder­weg was. IJlings nam ze de benen. Ongezien ver­liet ze Breda.

De waard en waardin van de Prince Tafel kwamen er al gauw achter dat de adverten­tie in de Groninger Courant had gestaan, en schre­ven een brief naar de courantendrukkerij in het verre Gronin­gen. Vanaf de Grote Markt seinde couran­tier Sipkes de moeder van het jochie in. Frouke Abra­hams bleek intus­sen ver­huisd naar de Lelie­straat, waar ze bij haar zuster en zwager woonde. Die zwager kreeg van de diaconie wat reis­geld los, waar­mee Frouke dadelijk naar Breda kon gaan om haar zoontje op te halen.

Het werd een weerzien, “dat de moeder en het kind beyde zeer ont­stel­de”. Temeer daar Frouke natuurlijk meteen zag, hoe verminkt het aangezicht van haar kind was. Tegen haar weldoe­ners in de Prince Tafel, en ook tegen de Bredase aankla­ger verzweeg Frouke dus maar, dat ze haar kind eerst om wat kleren meege­geven had. De ontvoer­ster, vertel­de ze, had haar Jacob met een “stuijver koek­je” meege­trog­geld vanuit school.

Het Bredase gerecht deed wel moeite om de ontvoerster te vinden, maar alle naspeuringen bleken tevergeefs. Als de vrouw dus niet zo dom was geweest om zich opnieuw in Breda te verto­nen, waar ze nota bene met hetzelfde voorwendsel opnieuw een jochie ontvoerde, dan zou ze nooit gepakt zijn. Haar recidive in uitge­rekend die stad was Gode verzoe­ken. Het duurde dit keer dan ook niet lang, of ze liep tegen de lamp.

Dat gebeurde anderhalf, twee jaar nadat de Frouke Abrahams haar geschonden zoontje weerzag. Op zaterdagavond 13 november 1751 nam de ont­voer­ster haar intrek in een andere Bredase herberg, die van Jan Bos aan de Oosterpoort. Daar logeerde ook een jonge­tje waar de waardin op paste omdat zijn moeder even naar Middel­burg was. Tegen de waardin zei de nieuwe gaste dat ze dat jongetje wel kende, “en terwijl het zoo naekt en slegt in de kleeren was, zy ’t selve andere kleeren zoude besorgen”. Een wijnkoop­man uit de Nieuwstraat had haar kinderkleren be­loofd, ze moest er binnenkort heen, dan kon die jongen mooi mee om die kleren te passen. En ’s maan­dag­ochtends kreeg de vrouw de herber­gier­ster inder­daad zover, dat ze haar oppas­kind voor dat doel meegaf.

Bij de wijnkoper werden de vrouw en de jongen die dag niet gezien. Wel bij ver­schil­lende andere huizen in Breda, onder meer dat van een gerefor­meerde diaken. Aan de deur van deze armvoorstander vertel­de de vrouw dat ze gereformeerd lidmaat was en een lamme arm had. Thuis zat ze met vijf gebrekkige kinde­ren, zei ze. Het jonge­tje dat ze aanwees was er één van, die kon dus niet praten en was stom. Omdat ze met haar eigen handicap en al die ongelukkige kinde­ren zelf onmogelijk de kost kon verdie­nen, vroeg ze de diaken om een aalmoes uit de diaconie­kas. De diaken geloofde haar verhaal en gaf haar twaalf stuivers, het equiva­lent van een be­schei­den dag­loon.

Van tevoren had de vrouw het jongetje toegebeten, “dat sig moeste houden als stom”. Gezien het succes van de bedeltocht bracht ze hem niet terug naar de herberg aan de Oos­terpoort. De rijke­lijk gegeven munt die ze die dag uit het mede­lijden sloeg, spendeerde ze ’s avonds in de Pas­baan, een derde Bre­daas loge­ment, waar ze “zeer hard kreedt en lamme­teerde” over haar gebrekkige kroost, en enige soldaten op bier trac­teerde, voordat ze “beschon­ken en zat” haar bed opzocht.

De volgende dag, dinsdag 16 november, ging ze met het jongetje langs de aalmoezenier van Breda. Hem deed ze ongeveer hetzelfde verhaal als de diaken en kreeg daar zes stuivers mee los. Ook bij een pastoor kwam ze aan de deur. Toen de prelaat weigerde iets te geven, gaf ze hem “quaadt bescheijt” en dreigde haar kinderen voor zijn deur achter te laten. Dit èn het feit dat ze andermaal bij de diaken was komen zeuren om een offi­cieel bedelbrief­je, deed haar de das om. Dezelfde avond nog kon ze haar zonden overdenken in de Bredase Gevangen­toren.

Bij de eerste twee verhoren voor de Schepenbank onder voorzit­terschap van mr. Rombert Melchior Damisse, plaats­ver­vangend Drost der Stad en Baronie van Breda, gaf ze haar meest recente delicten in grote lijnen toe. Die feiten waren ook te vers om te ont­ken­nen. Interes­sant zijn deze verhoren vooral door de biografische gegevens van de vrouw. Voluit heette ze Anna Maria Stu­arts, weduwe Jan van den Berg, en net als haar Groningse slacht­offer Frouke Abra­hams was ze met een soldaat getrouwd geweest. Ze werd 48 jaar eerder gebo­ren in Venlo, waar wijlen haar vader Jan Stuarts, die bij het regi­ment Stuart opklom van soldaat tot sergeant, in garni­zoen lag. In een andere Zuid-Nederlandse ves­tingstad met een Neder­land­se bezet­ting, Iepe­r, groeide ze op, kenne­lijk zonder veel onderwijs, want ze tekende haar verhoren steeds met een kruis­je. In Ieper trouwde ze met die sol­daat Johann van den Berg. Toen haar man daar in het mili­taire hospitaal over­leed, ver­trok ze naar Antwer­pen, waar ze bij het Cas­teel­plein een huis­je kon huren. Ze voorzag er in haar levens­onder­houd met het venten van groente. Maar dat bracht blijk­baar te weinig op, want ze reisde ook wel naar de Noorde­lij­ke Neder­landen om er te gaan bedelen. Zo bezocht ze in de eerste weken van november Rotter­dam en Dordrecht, van­waar ze op zaterdag de dertiende in Breda gear­riveerd was.

Gelijk al bij ’t allereerste verhoor werd Anna Maria Stuarts gecon­fronteerd met Martijn­tie Meel, de waardin van de Prince Tafel, die bevestigde dat het Stuarts was, die om­trent Vasten­avond 1750 met een jongetje in haar herberg logeerde. Stuarts gaf toe dat ze twee maal in Breda verbleef, de eerste keer in de Prince Tafel. Inderdaad had ze destijds een jongetje bij zich van een jaar of vijf, zes, Jacob genaamd. De moeder had het haar meegegeven “om een week off drie dae mede te gaan bede­len”. Dat jongetje had ze niet mishan­deld, zei ze, maar ze had er ook niet goed opgepast. Moeder en kind kende ze van Gronin­gen, waar ze negen dagen in De Toren van Babel verblijf hield om Neurenberger zalf te verkopen.

Omdat mr. Damisse, de Bredase aanklager, zonder Groninger hulp niet veel verder kwam met de bewijsvoering inzake de ontvoe­ring, mishandelingen en verminking van Jacob Abrahams, stuurde hij een brief naar zijn Groninger ambtgenoot waarin hij de zaak uitge­breid uit de doeken deed. Dat Anna Maria Stuarts de zeer belastende verklaring van Martijntie Meel tegensprak, zat hem duidelijk hoog. Hij ver­zocht zijn collega in het hoge noorden dan ook om Frouke Abra­hams “te onderhouden of haar kind Jacob niet tegens haar wil haar ontsto­len is, en met wat gebre­ken zij ’t zelve hier wederom van Breda heeft afgehaalt”. Van haar “gebuuren” ont­ving Damisse even­eens graag verkla­ringen onder ede. Boven­dien vroeg hij zijn Gronin­ger confrère om een exem­plaar van de Groninger Courant, waarin Jacob Abra­hams’ sig­nalement had ge­staan. Om alle vergis­singen uit te sluiten gaf Damisse zelf een beschrijving van Anna Maria Stuarts: “Dit vrouws­persoon is lang en rede­lijk gezet van postuir, draagt een doek om ’t hooft en bedekt daar mede verscheyde sneden of quetsuur­en in haar tronie, twijfele niet oft zal aan de moeder van dit kint wel bekent zijn.”

Die moeder, Frouke Abrahams, bleek inmiddels echter naar Amsterdam verhuisd, waar ze volgens een gerucht als min de kost verdien­de. Een nader adres konden haar zwager, schoonzus en een buurvrouw in de Lelie­straat niet geven, “als hebbende met haar gene verke­ring” meer. Kennelijk liet Frouke na haar vertrek niets meer van zich horen, misschien was ze door een onechte zwangerschap met haar familie gebrouilleerd geraakt. Maar de zwager, schoonzus en buur­vrouw legden wel verklaringen af, waaruit zonneklaar bleek dat Frouke haar “jonkje” Jacob had meegege­ven om het kleren aan te passen, en dat Anna Maria Stuarts het kind vervolgens ont­voerde. Ook de verminking van Jacob was deze Groninger getui­gen allerminst ontgaan. Na zijn thuiskomst had het jonge­tje zijn ontvoerster zelfs “Boze Griet” genoemd, alsof hij gefigu­reerd had in een akelig sprookje.

Begin december ontving mr. Damisse de stukken uit Groningen. Omdat die hem zo wel voldoende houvast boden, liet hij geen naspeuringen meer verrichten naar Frouke Abrahams in Amster­dam. Dadelijk confronteerde hij Anna Maria Stuarts met het ontvangen bewijsmate­riaal. Ze ontkende dat ze Jacob Abrahams met wat lekkers van school had meegelokt, en zei nu dat ze het kind voor veertien dagen had meekregen, zij het niet om te bedelen, nee.

Dat ze Jacob na die termijn niet terugbracht, kwam doordat “zy te ver van huis was en om dat zy dogt daer nog mede een stuyver­tie kon verdienen”. In de acht maanden dat ze Jacob bij zich hield, bedelde ze met hem in respectie­ve­lijk Drenthe, Twen­the, Maas­tricht, Antwer­pen, Rotterdam, Middel­burg, Bergen op Zoom en Breda. De jongen had dus heel wat van het land gezien; in het oosten en zuiden denkelijk vooral vesting­plaat­sen, die Stuarts, afkom­stig uit een solda­ten­mi­lieu, moet hebben gekend van garni­zoens­wisselin­gen of verha­len.

In al die tijd, beweerde Stuarts, had ze twee maal een brief naar de moeder laten schrijven, te weten uit ‘Harme­lo’ en Bergen op Zoom. Maar daar had ze nooit ant­woord op gekre­gen. Het kind zou heus wel weer bij zijn moeder terug zijn gekomen, bezwoer ze, daar “zy van intentie was, het kint selvers na huis te bren­gen, omdat zy niet van gedagte was het langer by haar te houden”.

Stuarts bekende dat ze het kind dikwijls sloeg, maar dan wel “opt gat met een roeij en op de rug”, wat blijk­baar minder erg was. De zogenaamde lamme hand van Jacob ge­bruikte ze inderdaad met het doel “om daer door meer te krij­gen”. Dat hij zijn neus­tussenschot kwijtraakte was helemaal geen opzet geweest: “Dat zy eerst het kint een slag voor de neus heeft gegeven dat het bloeyde, en doe na het neussie heeft gekeken, en met de vin­gers aen het middel­schot gevoelt, dat het aen de vingers bleeff hangen, maer dat zulx by onge­luck is geschiet”.

Damisse verhoorde ook nog alle Bredase getuigen in beide ontvoeringszaken en vond het toen tijd om korte metten te maken met Anna Maria Stuarts. In zijn strafpleit voor de Schepenbank achtte hij haar “verregaande mishandelin­gen” van Jacob Abrahams voldoende bewezen, en ook haar “falsite­ijten en mis­bruijken der publique aalmoesen en fonsen, die alleen voor waare arme en gebrekkelijke luijden zijn gefun­deert”. De manier waarop ze beide jongens meekreeg, noemde hij “haare sinis­tre practij­ke”. Het ontvoeren of stelen van min­der­jarige kinderen mocht, wist hij, met de dood worden bestraft. Exodus 21:16, Deute­rono­mium 24:7, Keizer Karels Blijde Inkom­ste (1549) en de latere Costumen van Bra­bant waren daar duide­lijk over. Daarom eiste Damisse de dood­straf tegen Anna Maria Stuarts, te voltrekken met het koord aan de wurg­paal, waarna haar lijk op een rad tentoon zou worden gesteld, tot het door weer en wind was vergaan.

Helaas voor Damisse volgde de Schepenbank hem niet in die eis. De Schepenbank achtte op 14 december 1751 de kinder­ontvoe­ringen, mishandelin­gen en “God tergende falsiteiten” weliswaar bewezen, maar streek toch de hand over het hart, waarschijnlijk omdat Anna Maria Stuarts nooit eerder gestraft was geweest. Ze werd dus alleen maar streng gege­seld en gebrand­merkt, bij welke lijfstraffen ze een strop om haar hals droeg. Vervol­gens ging ze voor twaalf jaar het tuchthuis in, om er met eigenhan­dige arbeid haar kost te verdienen. Als ze daar nog levend uit kwam, dan bleef ze levenslang uit de Stad en de Baronie van Breda gebannen, en kwam ze onverhoopt toch nog terug, dan dreigde alsnog de wurgpaal. 3)

 —

NOTEN

1) Dit verhaal  verscheen eerder  in Stad en Lande, Cultuur-historisch tijdschrift voor Groningen, jaargang 2004 nr. 3. Het is grotendeels gebaseerd op twee procesbundels: a) Groninger Archieven, Rechterlijke Archieven III (Stad) ll (Aanklachten en ingewonnen informatiën) 1751/90, met brief dd 21/11/1751 van mr. R.M. Damisse uit Breda en de daarna opgenomen verklaringen van Izak Smit, Jurjen Brants wed., Trintje van Agten, en Johanna Engberts. b) Stadsarchief Breda, Archief Schepenbank, procesbundel R. 147 – 8.

2) Het Zwijneparadijs buiten de Groninger Kranepoort bestond later uit twee koemelkerijtjes onder één kap. Zie de Gronin­ger Courant van 24/10/1826 en vervolgens het kadaster. De huidi­ge lokatie is het uiteind van de Melkweg, nabij de Hofstede de Grootkade. Op de eerste kaart van Haubois (1634) is hier nog geen pand aanwezig. Op de zogenaamde Kleine Hau­bois echter (1652) staat er een kleine boerde­rij. Als huisplaats dateerde dit Zwijneparadijs dus uit de tussenliggende periode. Overigens waren er nog twee Zwijneparadijzen binnen de wallen van de stad Groningen. De eerste bevond zich bij Achter de Muur, een lange achterafstraat. De tweede lag aan het Zuiderdiep.

3) Schepenbank Breda, Archief I – 1b R 116, Register Crimine­le Vonni­sen Stadt en Lande van Breda 1750 – 1775 ; fo. 10 senten­tie dd 14/12/1751.