Robuuste karren

Op het Flickr-account van HJR zag ik bij de serie oude foto’s van de Oosterpoort deze kar, die zich omstreeks 1930 bevond op het terrein van de reinigingsdienst aan de Verlengde Lodewijkstraat. Waarvoor de kar precies ingezet werd, staat er helaas niet bij. Maar hij is wel degelijk gebruikt door de reinigingsdienst, in 1936 nog, hoewel de dienst toen ook al vrachtauto’s had.

In elk geval deed de kar me door zijn robuuste voorkomen sterk denken aan de turfkar, die Ids Wiersma in 1911 schilderde en die zich nu in de collectie van het Groninger Museum bevindt.. Ik vroeg me zelfs even af of het geen turfkar was geweest, maar dat zal wel niet. Het wielenstel wijkt af, evenals het wagenschot:


Een spokend wijf bij de Hereweg

Op de plek waar nu het Van Mesdagasiel staat, bevond zich in de 18e eeuw de gerichtsplaats, waar af en toe ter dood veroordeelde misdadigers ten aanschouwe van een massaal toegestroomd publiek werden gerad­braakt of opgehangen. De lichamen van deze criminelen liet men ‘tot lering en exem­pel’ van datzelfde publiek aan de galg hangen of op het rad liggen, tot ze waren vergaan. Voorbijgangers zullen er wel eens een neus hebben dichtge­knepen.

Even verderop lag op de grens van het stads­gebied de Hel­perlinie, een aarden verde­digings­wal met een gracht (nu: het Helper­diep­je). Waar Hereweg en Helperlinie elkaar kruisten kon men de buiten­wacht aantref­fen. Soldaten van het Groninger garnizoen hielden daar het in- en uitga­ande verkeer zo’n beetje in de gaten, als ze niet al te dronken waren.

Die tijd heette niet voor niets De Kleine IJstijd, ’s winters kon het nog gemeen koud zijn. Dat was eind november 1734 ook weer het geval. Toen in die vorstperiode op een avond het rantsoen turf in de buitenwacht was opgestookt, besloten de totaal verkleumde soldaten een rad van de gerichtsplaats te halen. Ze namen niet eens de moeite het hoofd van de terecht­gestelde vrouw eraf te nemen en smeten het hele geval zo op hun zieltogende vuurtje.

Uiteraard werden de autoriteiten dit gewaar. De eerste die op onderzoek uitging was een majoor van de krijgs­raad. Helaas zijn ’s mans papieren niet be­waard gebleven; we weten dus niet wat hij te horen kreeg. Maar ook de stadsfiscaal (aanklager) wilde er vanwege de geruchten die in de stad rondgingen het zijne van weten. De beide verslagen van de verhoren die hij afnam, kan men nu nog steeds raadplegen op het archief.

De haren rijzen je te berge! De getuigen, die de namen van de betrokken soldaten niet wilden noemen, gaven als bijzonderheden dat het hoofd van Trijne – want zo heette de geëxecuteerde vrouw – tot twee maal toe van het vuur was afgespron­gen en dat het, nadat het er ten derden male op was gelegd, finaal uit elkaar was ge­klapt.

Geen wonder dat het was het gaan spoken, daar aan de Here­weg. Een soldaat die in de buiten­wacht een uiltje knapte had zich een tijdlang absoluut niet meer kunnen verroe­ren: hij was ‘zonder handen vast­gehouden’. En een andere soldaat had een zwart ding door de schoorsteen zien vallen, een ding dat de gedaante aannam van een hond. Mis­schien was het wel een Drentse weer­wolf, je wist maar nooit waar die op kwamen duiken, bij winternacht.

—-

Ingekort en herzien verhaal uit De Oosterpoorter (ca. 1993). De tekening is van Thomas Rowlandson en vond ik in de collectie van het British Museum.


Groningen kende in 17e eeuw al aardbevingen

1640:

1692:

Bron: Kronyk van Groningen ende Ommelanden (Groningen 1743) de pagina’s 232 en 268.

Vervolg


Ranjalied

De zingende Broeder, die op de Ranja-party in de Groninger Archieven (13 september jl.) onder meer het Ranja-lied vertolkte, heeft dat nu op YouTube gezet.

De tekst dateert van vlak nadat Ranja op de markt kwam (1920) en is van de hand van van Koos Speenhoff, de bekende cabaretier uit de jaren twintig. Deze tekst stond op een liedvel, dat Swaalfke ons voor de Ranja-expositie in bruikleen gaf.

Expliciet wordt in de tekst dus gesteld dat Ranja alcoholvrij is. Zoals op de tentoonstelling duidelijk werd, was Ranja in eerste instantie vooral bedoeld voor geheelonthouders. Ook meldt de tekst dat je het drankje in café’s kon bestellen. De Groningse fabrikant C. Polak Gzn. mikte bij de introductie van Ranja dus op volwassenen. Pas later werd Ranja iets voor kinderen. Toen ook, evolueerde de merknaam Ranja (met grote R) tot de soortnaam ranja (met kleine r). Iets wat ook in de hand gewerkt werd door de vele namaak, waarvan de tekst al gewag maakt: “Nagebootst wordt ook de naam!”

Waarschijnlijk was de melodie een contrafactuur (“gezongen op de wijze van”), maar ondanks verwoede naspeuringen welk andere lied de ‘onderlegger’ kon zijn, heeft De zingende Broeder dat niet kunnen achterhalen. De melodie waarop hij het lied zingt heeft hij zelf gecomponeerd.


Stuutsiekoornwinkel

Stuutsiekoorn Winkel from GAVA on Vimeo.

Van dezelfde maker: stuutsiekoornfebriek


Een blijk van totale intolerantie

De roomschgezinde landlieden, die sederd de tyden der Reformatie geen kerk in de Oldampten of Westwoldingerland gehad hebben, maer allen ter verrichtinge van hunnen godsdienft naer Sapmeer moeten gaen, ten welken einde zommigen hunnег wel zeven of acht uuren moeten reizen aleer zy daer zyn, hadden nu onlangs voorgegeven verlof bekomen te hebben om een kerk te mogen stichten, en ten dien einde een huis by Winschoterzyl, op de kant van het riviertje de Aa, dat het Oldampt en Westwoldingerland van elkanderen scheid, van binnen tot hunnen dienst laten bekwaem maken; het welk zy op den 1. der voorleden grasmaend lieten inwyen.

Doch zulks geschiedende, had zich op het gerucht daervan een menigte protestante landlieden derwaert begeven, en vergaderde in die nieuwe kerk terwyl de preekheer zyn dienst verrichtte, rukten, nadat hy geëindigd had, hem het choorkleed af, scheurden het in stukken, en smeeten dezelven, nadat zy er steenen in gewonden hadden, in het bovengemelde riviertje. Vervolgens smeeten zy de beelden en andere kerkcieraden van boven neder en aen brokken, en wierpen die, nevens de boeken en alles wat zy vinden konden tot de kerk te behooren, by het bovengemelde choorkleed, terwyl de godsdienstoeffenende kerkgangers hunnen yver met een dragt slagen en andere mishandelingen te ondergaen, betalen moesten.

De Procureur-Generael dezer Provintie heeft zich op het gerucht van die feitelykheden naer de bovengemelde kerk begeven, en wegens de omstandigheden zich nauwkeurig geïnformeerd, terwyl men verwagt dat de een en ander daer over eerstdaegs geactioneerd zal worden.

Aldus de Nederlandsche Jaerboeken van 1753 in een bericht (p. 545-546), waarboven als plaatsbepaling Winschoten staat, door de redactie voor onwetende lezers gedefinieerd als “een steedje in het kleene Oldampt, ruim 5 uuren van Groningen”.

Zoveel is duidelijk uit het bericht, dat tolerantie nog ver te zoeken was in Oldambt en Westerwolde, medio 18e eeuw. Terwijl de katholieken in de stad Groningen, Appingedam en Kleinemeer al wel kerken hadden, was dat in het verdere oosten van de provincie nog niet het geval. De katholieken daar, de lange voettochten naar Kleinemeer beu, kregen in 1752 of begin 1753 eindelijk toestemming – althans dat beweerden ze – om zelf een kerk te mogen hebben. Ze richten daartoe een huisje in op de oever van de Westerwoldse Aa, pal op de grens van Oldambt en Westerwolde. Op 1 april 1753 zou deze kerk worden ingewijd, zo wist al gauw iedereen in de wijde omgeving. Op die dag liet zich “een menigte protestante  landlieden” in de nagelnieuwe katholieke kerk vinden. Ze waren nog wel zo netjes om de afloop van de wijdingsmis af te wachten, maar gingen toen over tot iets wat je een religieus volksgericht, een rituele plundering of een beeldenstorm zou kunnen noemen. Ze rukten de priester zijn kazuifel af, rolden er stenen in en smeten dit pakket in de Westerwoldse Aa. De heiligenbeelden en andere opsmuk in de kerk gingen tegen de vloer aan diggels. Mèt de kerkboeken en al het overige losse kerkspul verdwenen de brokstukken eveneens in de Aa. De katholieke aanwezigen werden geslagen en mishandeld. Justitie stelde een onderzoek in, de verwachting was dat de kopstukken van deze reboelie binnenkort  zouden moeten voorkomen om een boete tegen zich te horen eisen.


Proces om het bermgras van de Nootweg

In 1868 en 1869 liet de gemeente Hoogkerk  een grindweg aanleggen vanaf de brug in Hoogkerk naar de beklinkerde Rijksstraatweg nabij Slaperstil. Het opwerpen van de aarde- en puinbaan in 1868 en het begrinden van deze baan in 1869 kostte de gemeente 10.488 gulden, waarvan de provincie de helft terugbetaalde in de vorm van een subsidie.

Voordien lag de Friesestraatweg er een kwarteeuw als een Fremdkörper bij in de gemeente Hoogkerk.  Geen van de dorpen Hoogkerk, Leegkerk en Dorkwerd had er een goeie verbinding mee. Weliswaar was de Kerkeweg in Hoogkerk zelf bepuind, en lag er een voetpad naast, maar in elk geval vanaf de Woldtil bestond de verbinding, de zogenaamde Nootweg, uit een onverharde kleilaan, waar je ’s winters tot je enkels toe in wegzakte. Voor het onderhoud van zulke kleiwegen waren de aanwonende boeren verantwoordelijk. Elk had de zorg voor een eigen stuk, maar soms bleef men   nogal in gebreke, zodat de gemeente boetes opleggen moest.

De nieuwe grindweg tussen Hoogkerk en Slaperstuil maakte een eind aan zulke primitieve toestanden. Volgens de gemeente voorzag hij in “een groote behoefte”.  De aangelande Leegkerker boeren gaven hun rechten op de Nootweg  er graag voor op. Alleen vergat de gemeente iets te regelen wat betreft de bermen.

Voorlopig bleven de “naastlegers” het gras van die bermen maaien voor eigen gerief. In 1889 echter, verbood de gemeente Hoogkerk dit, omdat ze wilde overgaan tot een verpachting van dit bermgras aan de meest biedende.  Toen de Leegkerker boeren J. van Dijk en K. Staal zich hiertegen door middel van een deurwaarders-exploit verzetten, trok de gemeente zich daar niets van aan en liet de verpachting gewoon doorgaan. De boeren haalden daarop het gras van de bermen weg, vlak voordat de gemeentelijke huurders dat wilden doen.

En zo kwam het tot een proces. Volgens de gemeente was de Nootweg een openbare weg, “aan niemand in eigendom toebehoorende”, en vormden de bermen een deel van die weg, zodat de wegbeheerder – dus de gemeente – recht op het gras van die bermen had. De beide Leegkerker boeren voerden daarentegen aan dat de Nootweg, voordat er een grindweg van was gemaakt, nooit een openbare weg, integendeel altijd een “particuliere boerenweg” was geweest. Zij hadden weliswaar de weg afgestaan, maar “uitdrukkelijk het recht op het grasgewas gereserveerd”, dus voor zichzelf behouden.

De Groningse Rechtbank stelde de Leegkerkers in het gelijk. De gemeente ging echter in hoger beroep bij het Gerechtshof in Leeuwarden. De Procureur-Generaal daar achtte het recht van de gemeente op het bermgras “in geenen deele ” bewezen en zelfs “niet aannemelijk”. Het Hof volgde hierin de Procureur. Doordat de bermen  niet notarieel overgedragen waren, ontbrak volgens het Hof het bewijs van gemeentelijk eigendom.

Bronnen: Leeuwarder Courant 4 mei en 1 juni 1892;  Gemeenteverslagen Hoogkerk 1868 en 1869, de hoofdstukjes V;  P. Kooi ed., Dorp naast een stad. Hoogkerk 1770-1914 (Assen 1993) 20-23;  RHC Groninger Archieven  toegang 1493 – archief gemeente Hoogkerk,  inv.nr. 208 ingekomen brief nr. 257 van SMS Modderman dd 29 juni 1892.


Omweg via Dorkwerd etc.

Ik kwam ruim na vieren uit het crematorium en besloot via de Paddepoelsterweg, Dorkwerd, Kleiwerd en Leegkerk naar huis te gaan.

De Kolde Ovent bij het Reitdiep:

Kleiwerd:

Paarden aan het hooi bij de Noodweg:

Vanaf de brug in Hoogkerk:


Epilepticus drinkt bloed onthoofde

Als op 17 juni 1754 de Damster Aaldrik Bruns wegens veediefstallen, heling, bigamie en mishandeling buiten de Groninger Herepoort onthoofd wordt, maakt het Nederlandsche Jaerboek daar uitgebreid melding van (pag. 602 e.v.). Per slot van rekening was het de eerste kapitale executie in opdracht van Hoge Justitiekamer, het nieuwe oppergerechtshof van Stad en Lande. Er kwamen nieuwe procedures aan te pas en daar schonk de Jaerboek-redactie graag aandacht aan. Maar bovendien ging de onthoofding gepaard met een ontstellend incident dat tot grote ophef had geleid, en dat waarschijnlijk niet alleen in Groningen.

Aaldrik Bruns kreeg op die zomerdag zijn doodvonnis door een secretaris van de Hoge Justitiekamer voorgelezen. Hij was bang geweest dat de heren hem, “met meer schande”, op zouden laten hangen, en bedankte ze meermalen voor de “genadige sententie” dat ze hem door het zwaard aan zijn einde lieten komen. De knechten van de scherprechter hielpen hem op de wagen, zodanig dat hij achteruit reed en de knechten vooruit. Naast Bruns zat de predikant van het Tuchthuis. Voor de wagen liepen een detachement soldaten en een afdeling ruiterij, na de wagen volgde weer een detachement voetvolk en helemaal achteraan kwam de wagen van de scherprechter en diens zoon. De stoet stopte bij de gerechtsplaats aan de Hereweg (ter hoogte van het Van Mesdagasiel), waar Bruns de wagen werd afgeholpen, en twee predikanten uit de stad hem “een lange poos” op het sterven voorbereidden…

…waer na hy gebragt werd voor het zandbergje en hem bevolen te knielen. Zoo ras hy nederlag werd hy met een doek geblind, en ’t gebed voor hem gedaen door dnus. Zwyghuizen. Toen de leeraer eenigen tyd gebeden had, betuigde de patiënt aen den scherprechter dat hy dus op zyne knieën niet langer zitten kon, en de doek voor zyn gezicht afgleed. Het gebed werd dan kort afgebroken; de scherprechter nam het zwaerd in handen, en sloeg, na wel gemikt te hebben, den veroordeelden in éénen slag het hoofd van de schouderen.

Normaal zou een dergelijk verslag met de verdere lotgevallen van het stoffelijk overschot eindigen, maar hier deed zich dus dat curieuze voorval voor:

Dicht by den nedergeknielden zag men, tot verwondering van velen, een Jongeling van veertien of vyftien, anderen willen zestien of zeventien jaren oud, in deze stad woonachtig, met een kop of kommetje in de hand, waerin hy, onmiddelyk naer het onthalsde lichaem toeschietende, een goed gedeelte bloeds ving, dat hy schielyk geheel en al opdronk. Toen liep hy, zoo ras en snel als de adem lyden en de beenen zich bewegen konden, henen; met een drift, die hem het afgudsende zweet deed uitbreken.

Bij het publiek heerste ontsteltenis:

Een grote menigte der aenschouweren, onbewust van ’t gene hier mede bedoeld werd, stond niet weinig verzet over deze schynbare ontmenschtheid: maer ook waren er anderen, die ’t raedsel wisten uit te leggen, en verzekerden, gelyk het ook de waerheid is, dat deze daed tot oogmerk had om den jongeling , door het drinken van verschgestort menschenbloed, te ontheffen van de Vallende Ziekte, die hem kwelde, en dat dit hulpmiddel geene gewenschte uitwerking hebben kon, tenzy het ten allerdpoedigsten verzeld ging van eene sterke lichaemsbeweginge.

Over die lichaamsbeweging is het Jaerboek niet zo uitvoerig. Het zegt alleen:

…dat de Jongeling, onderweg weder een aenval van zyne kwale gehad heeft, hoewel met mindere hevigheid.

In het dagboek van ooggetuige David Stheman, een aankomend predikant, staat eveneens een verslag over dit “notabel geval”, dat dankzij een A. Kamping uit Winschoten in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde van zaterdag 6 april 1940 terechtkwam. Stheman, zelf nog niet zo oud, schatte de ‘bloeddorstige’ jongeman veel jonger dan het Jaerboek dat deed en ook rept hij van een medisch aandoende begeleiding van de jongen door mensen die hem schoonmaakten en ijlings met hem de gerichtsplaats verlieten:

Een jonge van meer of min 11 a 12 jaaren, seer heftig en dikwijls geplaagt met de vallende siekte, stont niet verre van den hoop zant (waarvoor de misdadiger op de knien sat) met een steenen kop in de handen, en so dra de delinquent het hooft was afgehouwen, heeft hij het bloed, hetgeen hij in den kop had opgevangen, tot op den bodem uitgesopen; dit gedaan sijnde, sijn twee personen toegetreden, en hem de kin, de mont en de klederen (waar bij langs het bloed, wegens het seer schielik slorpen voorbijgelopen, was neergestort) hebbende afgewist, seer schielijk met hem door een ontelbare schaare van anschouwers sijn heengedrongen, en na 4 uuren agtereen gestadig geloopen te hebben, soo hart als de patient eenigszins konde bijbrengen (opdat het ingeslorpte bloet niet mogte ’t saamronnen, maar verteert, en met sijn bloed en spiritus animales verenigt worden) met hem binnen de stad wedergekeert, en hem terstont hebbende te bed gebragt, tot smoorens toe toegedekt, opdat de patient, alreede door loopen afgemat, nog al meer en meer soude sweeten.

Ook Stheman brengt een en ander in verband met epilepsie. Bij geruchte had hij vernomen wie de begeleiders van de jongen zouden zijn:

Men segt dat dit middel soo en in dier voegen geappliceert, een kragtig remedie is of ter geheele wegneminge van de vallende siekte, of ter inteugelinge van de benautheid en hevige trekkingen en volteringen in de stuipen, dog ik voor mij telle sulke remedie totnogtoe onder de fabels, ook komt mij seer suspect voor ’t gerugte, dat de medicinae professores sulx souden hebben geordonneert, hoewel men tegenswoordig bij dees gelegenherid verspreit, dat sulken remedie te Dantsig en op dees en gene plaatsen in Duitsland van succes geweest is.

Mogelijk was er een medische publicatie? Het Jaerboek was even sceptisch over het middel als Stheman:

Of de genees- en natuurkundigen nu eenig begrip of kundigheid hebben van zulk een vreemd middel, dan of het rust op eene grillige vindinge, die menigmael onfeilbare kracht tegen ongeneeslyke Ziekten stelt in zaken, waer voor de natuur schynt te gruwen, weten wy niet. (…) Van den verderen uitslag word ons niet gemeld; doch gedyd deze niet ten bate, het zal ’t vooroordeel en der bygelovigheid aen geene uitvluchten noch redenen ontbreken, die de rechte genezinge dezer ziekte verhindert hebben.

Hoorde Stheman dat een dergelijke remedie eerder in meerdere Duitse steden epileptici had geholpen, ook in Nederlandse steden was ze niet onbekend. Zo blijkt het mij voorlopig oudst bekende geval (p. 24) zich voorgedaan te hebben bij de onthoofding van een doodslager in Utrecht anno 1593:

…snelde een lijder aan vallende ziekte toe, schepte met de holle hand driemaal het warme bloed van den onthoofde en dronk het op, in de vaste overtuiging dat hij daardoor genezen zou.

In Middelburg deed zich in 1754 een soortgelijk geval voor, dat gereleveerd wordt in hetzelfde Nederlandsche Jaerboek als dat van het Groningse geval melding maakt (pag. 817).

Buiten Nederland bestond de praktijk in het midden van de 19e eeuw nog. Zo is er in eind 1851 dit bericht uit het Zwitserse Porrentruy, ten noorden van Bern:

Bij de doodstraf (…) op een wegens moord veroordeelde volbragt, was een man, die toen het hoofd van den misdadiger was gevallen, een glas vulde met het uitstroomende bloed, en het dadelijk leeg dronk. Het was iemand, die aan vallende ziekte leed, en door dat verschrikkelijk middel hoopte zich te genezen. Het laat zich begrijpen, welk een vreeselijke indruk het aanwenden van zoo’n middel bij het akelige der gebeurtenis zelve op de verzamelde menigte maakte.

En dan is er dit verhaal uit Hannover, 1857, waarbij het opmerkelijk mag heten dat degenen die de executie uitvoerden de bloeddrinkers gewoon hun gang lieten gaan, wat echter wel politieke repercussies had:

Den 25 September is het bijgeloof oorzaak geweest dat er bij gelegenheid der onthoofding van eenen veroordeelde nabij Hannover grove ongeregeldheden hebben plaats gehad. Toen het hoofd van den schuldige viel, hebben eenige personen, aan vallende ziekte onderhevig , of bevreesd, dat zij er door aangetast waren, het schavot bestormd, om het nog warme bloed van den misdadiger te drinken , dewijl het bijgeloof er de kracht van genezing aan toeschrijft. De knecht van den scherpregter heeft het hun zonder moeite verleend. Dit afschuwelijk tooneel heeft eene groote sensatie in de hoofdstad gemaakt, en men hoopt, dat de Koning er in zal toestemmen dat de teregtstellingen niet meer in het openbaar plaats hebben welk verzoek hem reeds door de prov. staten van Osnabrück gedaan is.

Uit Zweden komen de berichten die alle andere in bizarriteit verre overtreffen.  Zo werd daar in 1843 de moordenaar, brandstichter en dief Alexander Dreitfeldt met een bijl onthoofd.  Hierbij maakte de scherprechter conform de lokale traditie gebruik van een blok, waarop de veroordeelde zijn hoofd moest neerleggen. Achter dat blok lag een kuil, waar het hoofd automatisch inviel  en naderhand “het verdere lijk” werd gedeponeerd. Net als in Hannover kon een lijder aan epilepsie hier gewoon zijn gang gaan, maar de praktijk werd hier zelfs door de vingers gezien door de overheid:

Zoo hier als in Noorwegen en Denemarken heerscht onder het volk een bijgeloof, dat het bloed van eenen onthoofden , inwendig gebruikt, een onfeilbaar middel tegen de vallende ziekte is, en het opvangen van dat bloed ten bedoelden einde wordt nog altijd door de overheid gedoogd. Zoodra nu het hoofd van Dreitfeldt was afgeslagen, zag men eene reeds bejaarde boerin, lijderes aan vallende ziekte, de onthoofdingsplaats naderen, om een stuk brood , hetwelk zij in de hand had , in het warme bloed te doopen; maar op het oogenblik van dit te zullen doen, overviel haar een harer toevallen en zij stortte dood ter neder in den kuil zelven , waarin het afgeslagen hoofd zoo even gevallen was.

Door alle krantenberichten kreeg de remedie uiteraard ook meer bekendheid. Bij een in 1851 in Zweden plaatsvindende dubbele executie was er zelfs sprake van een ware oploop van epileptici:

In Zweden heerscht nog altijd het volksgeloof, dat het bloed van een onthoofden misdadiger, versch gedronken, het ligchaam sterkt en van alle ziekten, bijzonder van vallende ziekte, geneest. Daar nu den 28sten Januarij j.l. te IJstad twee personen wegens moord zouden worden onthoofd (het eerste doodvonnis, sedert 1843 in Zweden uitgevoerd) stroomde uit den omtrek eene groote menigte toe met kopjes, kommen, glazen, zelfs ketels, om het bloed der veroordeelden op te vangen. Toen de hoofden vielen, konden de 600 soldaten, die rondom het schavot geschaard stonden, de aandringende menigte naauwelijks stuiten; er ontstond eene worsteling, waarin de militairen zich met de geweerkolven duchtig weerden. Onderwijl voerde de policie de lijken weg en deed den grond, waarop het bloed gestroomd was, omspitten. De menigte trok teleurgesteld af; omstreeks 200 personen waren meer of min zwaar gewond, en een nog grooter aantal anderen had kneuzingen bekomen.


Retour Aduarderzijl

Bij het Aduarderdiep. Aan de overkant  de plek waar voor 1883 de Oude Held of Noorderwatermolen stond:

Rommelhoekje Leegkerk:

Leegkerk op afstand. De populieren zijn al bijna kaal:

Bij de Lindt, het kanaaltje vanaf het Aduarderdiep bij Nieuwklap naar Aduard:

Fransumer Voorwerk:

Feerwerdermeeden:

Nog steeds niet verhakseld maisveld, Feerwerdermeeden:

Veld bij de Meedenerweg, Feerwerd:

Dezelfde lokatie:

Nattigheid tussen de Onnesweg en de Meedenerweg, feerwerd:

Het kerkhof van Feerwerd:

Aduarderzijl:


Kloksmeer met nasmaak

Wert door D[omi]n[us] Mattersteck bekent gemaek[t] dat bij ’t versterff van de Heer Eusum Zijn Hoogh Ed[ele] nae oude gewoonte wert verluit, en doen daer in die kerck een vierdendeel bier van de luiders wert gedroncken, tot groote ergernisse van de predicant daer ter plaetse. Waerop is geresolveert dat Dn. Hackelenb[erg] en Dn. Reneman de gemeinte van haer onbehoorlickheit t overtuigen, en haer waerschouwen dat sulcx van haer niet weer geschiede, of dat men andersins daer verder in sou versien.

In 1683 sterft Christoffer van Ewsum, heer van de Englumborg onder Oldehove en lid van de Staten van Stad en Lande. Net als iedereen sinds jaar en dag, werd de jonker bij de begrafenis verluid. Alleen gebeurde dat klokluiden niet, zoals anders, door de koster-schoolmeester of de buren, maar door een groep mannen uit de gemeente, die in dit speciale geval ook wel wat langer aan de klepeltouwens zal hebben gehangen, dan gewoonlijk. Bij dit verluiden van jonker Van Ewsum kregen de mannen dan ook een kwart ton bier, wat bij de toenmalige tonnemaat neerkwam op een kleine 40 liter, een ferme slok als het inderdaad ging om kluin met 9 % alcohol. Over het verluiden en het bier op zich zal de predikant ter plaatse niet gevallen zijn. Wel moet hij zich hebben geërgerd aan het feit, dat de mannen hun kloksmeer in de kerk opslobberden. Hij klaagde over deze ontheiliging van zijn godshuis tegen de naberpredikant van Saaksum, die het geval op de classis, dat was de toezichthoudende predikantenvergadering, aanbracht. Twee van de collega’s werden vervolgens naar Oldehove afgevaardigd om de gemeente te dreigen met sancties, als dit nog eens zou gebeuren.

Bronnen:

RHC Groninger Archieven, archief classis Westerkwartier (toegang 180) inv. nr.6 (acta 1676-1694) 3 september 1683; W.J. Formsma e.a., De Ommelander borgen en steenhuizen (Assen/Maastricht 19872) 307; W. Duinkerken, Sinds de Reductie van Stad en Lande II, lemma Abraham Martersteck (met dank aan collega Geert Braam voor zijn telefonische inlichting).

NB: het fotootje maakte ik in 1971 met een AGFA-cameraatje van de toren in Oldehove.


Bevrijd gebied zeg maar

(Hoek Haddinge- en Kleine Haddingestraat)


Bij het einde van de Ranja-expositie

Aan alles komt een eind, ik weet het, maar het opruimen van een aantrekkelijke expositie is toch een beetje melancholieke aangelegenheid:

Ranja stond centraal. Een glas met het oudste logo, zoals dat ook te vinden is in gerestaureerde muurreclames in Delft en Valkenburg:

Het Groningse bedrijf C. Polak Gzn. bracht de limonadesiroop Ranja in 1920 op de markt. Het spul, genoemd naar naranja, het Spaanse woord voor sinaasappel, was meteen een doorslaand succes. Van de winst konden twee fabriekshallen worden neergezet, B (linksachter) en C (rechts). Linksvoor was A, het oudste deel, dat al vanaf 1906 bij de Singelstraat, de latere Petrus Campersingel, stond. Zie je dat erkertje op één hoog bij de binnenplaats? Daarachter zat de directeur:

Vanaf ongeveer 1925 vormde een mannetje het beeldmerk. Het was opgebouwd uit een sinaasappel, een pers en een glas, steunde op een rietje, en kreeg de naam Ranja Rienes. Eerst was het wat houterig, maar de Amsterdamse reclameman Dirk Hart, wiens creatie het was, zou het in de loop der jaren steeds verder styleren:

Polak wilde het Ranja-succes dolgraag copiëren. Ranja kreeg er een zusje bij en naderhand nog wat van dat grut. En toen in de jaren dertig de gazeuses (of priklimonades) in de mode kwamen, bracht Polak diverse eigen varianten op de markt:

Er zaten echter kleurstoffen in deze drankjes, en dat werd ergens in de jaren vijftig verboden. In één klap was CP, zoals Polak inmiddelskortweg was gaan heten, zijn hele marktaandeel kwijt. Sisi kon dat meteen inpikken. Directeur Ten berge van CP was woedend.

Polak bracht twee merken op de markt, Grenadine (1903) en Ranja (1920), waarvan de namen het zouden schoppen tot soortnamen. Met beide merken mikte Polak aanvankelijk op geheelonthouders. Toch was daar niets principieels aan, want het bedrijf bleef tegelijkertijd ook  in alcoholhoudende producten doen. Zoals advocaat, waarvoor er naast fabriekgebrouw een grote kippenren stond:

Een ander bijprodukt was koffiesurrogaat. Volgens een ouwe CP-arbeider die de expositie bezichtigde, werd het gemaakt van paardebonen, maar dat zie je toch niet als ingrediënt op de etiketten staan:

Die arbeider had er tientallen jaren gewerkt. Over zijn ouwe bazen geen onvertogen woord. Er zijn inderdaad tekenen, die wijzen op hun bijzondere omgang met het personeel:

(De getoonde objecten zijn grotendeels van een particuliere verzamelaar en het Groninger Museum. De bouwplaat (1952) komt uit de collectie van de Groninger Archieven.)


Fongers, herkenbaar merk

Op de Dag van de Groninger Geschiedenis was ook Jos Rietveld met zijn collectie Fongers-fietsen aanwezig. Deze transporter zette hij het eerste neer:

Van een andere fiets herkende ik het zadel en het zadeltasje – zulke had mijn vader ook. Een affiche op de wand meldde dat het ging om een ‘Fongers-hygiënisch’ zadel, maar hoe Fongers dat hygiënische nou precies zag? Tijdens de afsluitende borrel braken we ons er het hoofd over:

Het vaandel van de Fongers-agent, met het stad-Groninger wapen boven het eigenlijke logo van de fietsenfabriek:

Een carbidlamp. Precies zo’n exemplaar lag rond 1960 nog in ons fietsenschuurtje te verroesten.


Op mindere grond: Vinkhuizen

Volgens meester Mulder, de onderwijzer van Hoogkerk in 1828, lag de buurtschap Vinkhuizen op twintig minuten lopen van zijn kerkdorp. Ze bestond indertijd uit vier boerderijen, die gezamenlijk de naam Vinkhuizen droegen. Eerder was dat slechts een eenzame hoeve geweest, want op oude kaarten stond nog een Vinkhuis enkelvoud. Als je Mulder mag geloven, kwamen toponiem en huisnaam van de vogel:

Mogelyk vond men hier te voren vele Vinken die daar door de Groningers gevangen worden – of deze plaats was vroeger, mogelyk om derzelver boschrykheid en het zich daarin op houdende gevogelte, een geliefkoosde wandelplaats voor de stedelingen, die uit liefde voor de vinkjes, het bosch of het huis alhier naar deze vogeltjes noemden.

Net als meester Mulder meende ik – tenminste tot voor kort – dat de naam met de vogel te maken had. Ik dacht zelfs dat er bij Vinkhuizen een vinkenbaan had gestaan. Tot Jan van den Broek me uit de droom hielp, want vink of vinke, vertelde hij, had nòg een betekenis, namelijk die van minderwaardige, lichte turf, een betekenis die inderdaad in het middelnederlandse woordenboek blijkt voor te komen en die ten grondslag ligt aan toponiemen als Vinkega en Vinkeveen.

Van bos in de streek tussen Hoendiep en Leegeweg is ook geen sprake in historische bronnen. Een kaart uit de vroege 18e eeuw toont in deze omgeving een enigszins trapeziumvormig poldertije, omgeven door een met sloten omzoomde “nieuwe dijk”, die ik op het bovenstaande kaartje, dat ontleend is aan HisGis, groen heb aangezet. Vinkedijk, zo heet deze dijk ook wel. Aan de noordkant loopt langs die dijk het Vinkemaar naar het westen. Het bedijkte land was waarschijnlijk het Vinkeland waarvan in bronnen sprake is. Van het oudste Vinkhuis, later het Grote Vinkhuis genoemd, horen we voor het eerst in de 17e eeuw. Het trapeziumvormige poldertje zal niet veel ouder geweest zijn. In elk geval werd het in ’t leven geroepen om het land, dat (deels) in het bezit was van het Armhuiszittend Convent en het Heilge Geestgasthuis, tegen water van buiten te beschermen.

Het poldertje besloeg overigens maar een fractie van de huidige wijk Vinkhuizen, namelijk het meest zuidwestelijke deel, vanaf de Diamantlaan tussen het Hoendiep en de Dolomietstraat naar de Van Zweedenlaan in het westen. De helft van het gebied wordt nu ongeveer ingenomen door stadspark De Held, waar nogal wat waterpartijen zijn. Eerder was dat park een opslag voor tarra van de suikerfabriek, de grond is hier blijkbaar nooit erg duur geweest.