Geschiedenisdag drukker dan ooit

In de stand van het Streekhistorisch Centrum Stadskanaal: een koekjesblik voor Bruintje Beer biscuits van Branbergen uit Musselkanaal.

Een liefhebber van oude techniek:

Seth Gaaikema opende de Dag van de Groninger Geschiedenis met een kort optreden, waarin hij terugging naar zijn jeugd in Uithuizen:

Publiek tijdens dat optreden:

Op de infomarkt kon je bijna over de hoofden lopen. Het was vermoedelijk de drukste Dag van de Groninger Geschiedenis ooit:

Campy smartlappen van de Martino’s:

Mijn ouwe kameraad Wil Schackmann gaf me een tip mee voor mijn volgende lezing:

Poffertjeseters:

Een vreemd heerschap, naar men zegt uit Oostenrijk afkomstig:

Uitleg door Betty Jongejan van het OVCG. Dat zal over de oorlog gaan:

Jaap Beintema van de Vrienden der Martinikerk:

Doos met kleine archeologische schatten (vuistbijl, trechterbekerscherf, gouds pijpekopje, spinklosje, schrabber etc.):

De jongens van de stuutsiekoorn-modeshow:

Discussie over een lintje:

Een enthousiast deelnemer aan de Groninger Geschiedenis Quiz. Hij werd tweede, na oud-Nieuwsbladcorrector Renkema:

Afsluitende feestmuziek van Safari Joe:


Morgen

Morgen is de Dag van de Groninger Geschiedenis. Met ensceneringen, zoals van de heren van Harssens:

Museumstukken, zoals het wagentje van Sibrandus Stratingh:

Interessante lezingen over het thema Arm en Rijk:

En de Groninger Geschiedenis Quiz:

O ja, iedere bezoeker krijgt het themanummer ‘Arm en Rijk’ van Stad & Lande.

Het hele programma.


Vrouw wil dominee uit de weg ruimen

Sara Alleys, oud 30 jaaren, geboortig van Embden, alhyr gedetineerde, heeft vrijwillig zonder pijn en banden verklaart, dat tegens Reinder Alberts en Jan Oostvriese hadde gezegt hoe voornemens waar, de beyde regenwatersbakken van de eerw[aarde] heer pastor Stegnerus tot Noordbroek met rottekruid te willen vergeven, teneinde de pastor met zijn familie an kant zoude raaken, uit oorzaak dat de pastor en kerkenraad haar niet wilden permitteren, zig tot Noordbroek metterwoon te begeven, voor en aleer behoorlijke attestatie angaande haar vorige leven en wandel had angetoont. Daarenboven verdagt van hoererije en dieverije. Waarop Reinder Alberts en Jan Oostvriese tegen haar hadden gezegt dat van zodanig godloos voornemen moest afstaan, ofte dat daarin anders zouden voorzien tot haar leedwezen; en of zij wel wiste dat indien het gerigte zulks gewaar wierde, zij strengelijk daarover zoude worden gestraft, edog daarop door haar pertinaciter geantwoord, dat zij met den eersten haar voornemen wilde volbrengen, haar mogt overkomen wat wilde, de pastor zou van kant. Alle het welke zijnde zaaken van verren uitzigt, quaden gevolge en strafbaar. Zoo is ’t dat ik Drost uit naam en vanwegen de Ed. Moog. H. Heeren Borgemeesteren ende Raad in Groningen regt doende, haar gevangen condemnere, om andere ten exempel, an de kaak strengelijk gegeeselt te worden. Voorts banne haar in het provinciale tugthuis, om aldaar voor de tijd van 15 jaaren met handen arbeyd haar kost te verdienen. Die tijd geëxpireert zijnde, wort zij gebannen uit de provintie van Stad en Lande, Wedde en Westerwoldingeland, met bedreyging dat bij aldien alhyr wederom wort geapprehendeert, zij zwaarder an den lijve zal worden gestraft.

Actum Zuidbroek den 17 Febrij 1729
G. Schaffer
Drost

Om te voorkomen dat er een al te groot beroep op de lokale armenzorg werd gedaan, moesten de hervormde kerkeraden in het Oldambt erop toezien, dat zich geen armoedzaaiers in hun kerspelen kwamen vestigen. Lieden van buiten, moesten zichzelf kunnen onderhouden en een verklaring van goed gedrag tonen, voordat ze een huis konden huren. Zo waren de regels, en de kerkeraden waren er vrij veel tijd mee kwijt, om ze te handhaven.

Uiteraard namen mensen wier vestiging werd verhinderd, ze dat niet altijd in dank af. Zo dreigde ene Sara Alleys in 1729 de regenwaterbakken van ds. Stegnerus van Noordbroek met rattekruid te vergiftigen. Uit die bakken haalden de bewoners van de pastorie hun drinkwater, het ging dus om een intentie tot moord. En hoewel twee Noordbroekster diakenen Sara waarschuwden, hield ze stug vol haar snode plan te willen uitvoeren en wel zo spoedig mogelijk. Ook omdat ze verdacht werd van nog wat andere zaken, gaven de diakenen haar aan bij de drost van het Oldambt, die haar veroordeelde tot kaak, geseling en vijftien jaar tuchthuis, waarna ze voor altijd uit de provincie moest wegblijven.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief drost Wold-Oldambt) inv.nr. 5693.


Op de Kurrelshoogte

Op 15 april 1742 trouwt Harmen Jans van Leegkerk met  Martjen Hinderiks van Wehe. Waar het paar woont, blijkt vervolgens uit het doopboek van de gereformeerde gemeente Hoogkerk en Leegkerk. Bij de doop van zoon Jan (1744), nn (1745), zoon Hinderk (1747), en de dochters Tetje (1749) en Weiktje (1751) wordt als domicilie steeds genoteerd:  “op de Kurrelshoogte onder Leegkerk”.

 Weer een intrigerend toponiem, dacht ik vorig jaar om deze tijd, toen ik deze meldingen tegenkwam. Ik vroeg Jan van den Broek of hij de naam Kurrelshoogte kende, maar dat was niet het geval. Op kaarten kwam ik de naam ook niet tegen, en omdat het via koopakten verbinden van de eigenaar met die in het eerste kadaster ook een onbegonnen zaak leek, liet ik het geïntrigeerd zijn maar even rusten.

Zoals wel vaker, wordt het raadsel van de ligging vanzelf opgelost. Sinds kort staan de schoolmeestersrapporten  van 1828 online, gisteravond las ik die van Leegkerk en tot mijn verbazing noemt Jannes Visser, de onderwijzer der jeugd aldaar, de Kurrelshoogte. Hij positioneert die iets ten zuidwesten van de Gaaikemadijk, spelt de naam iets afwijkend van het doopboek en komt met een naamsverklaring:

“…een plaatske genaamd Korrelshoogte, welke eerste bewoner Karel had geheeten, nu met verandering nog die naam draagt, om ook dat daar wat hoogten liggen, als wel voornamentlyk een streek, dat naar een dyk gelykt, dat misschien tot zeeweering verstrekt heeft.”

De naamsverklaring neem ik maar even met een korrel zout. De schoolmeesters van Leegkerk en Hoogkerk hadden daar namelijk weinig kaas van gegeten, en kurrel ligt wat mij betreft ook dichter bij kirrel of kerel dan bij Karel. 

In de positionering blijkt de schoolmeester van Leegkerk enigszins onprecies. Als je met zijn naamsvariant gaat googelen bij Google Books, levert  dat de Beknopte Aardrijkskundige Beschrijving (1818) van zijn collega Hendrikus Kremer uit Finsterwolde op en die slaat wat nauwkeurigheid betreft zijn vakbroeder met overmacht. Kremer schrijft:

“De Gaikingadijk neemt zijnen aanvang bij den kruisweg, loopt vervolgens in eene zuidelijke rigting tot aan de korrelshoogte, dan bijlangs het oude maar, dat nagenoeg op de Lent aanloopt, en zet zijnen loop voort in eene westelijke rigting tot aan het Adewerder diep.”

Anders dan Visser, die de Gaaikemadijk louter ten noorden van de grote weg naar Friesland wenst te zien, laat Mulder deze waterkering ten zuiden daarvan (de kruisweg) doorlopen. De Gaaikemadijk heet daar tegenwoordig de Zijlvesterweg.

Het hele kronkeltracé van de oude Gaaikemadijk kan je mooi zien op een topografisch-militaire kaart van ongeveer 1860, van midden boven naar links onder.:

Volgens Kremer liep de Gaaikemadijk ten zuiden van de Friesestraatweg naar het zuiden en zwenkte de dijk bij de Kurrelshoogte.  Vergelijking met latere kaarten levert dan de omgeving op, waar de Noodweg aantakt op de Zijlvesterweg, met iets ten zuidwesten van deze hoek de boerderij Gravenburg:

Achter Gravenburg (zie pijl) heb je een prachtige ronde structuur en je bent daarom geneigd te denken dat er een wierde ligt, die dan de naam Kurrelshoogte zal hebben gedragen. Maar dat is verkeerd gedacht. Want raadpleging van de hoogtekaart levert op, dat die ronde structuur een van de meanders van het oer-Peizerdiep aangeeft. Aan de binnenzijde of oostkant van de meanders lag de Gaaikemadijk,  die als een ketting kralen in de vorm van huiswierde-achtige podia verbond, waarvan er ettelijke nog bewaard zijn:

De Kurrelshoogte zal van die podia de grootste geweest zijn. Het is dan het heem of de huisplaats van de huidige boerderij Gravenburg;


Een smokkelbakkerij tussen Leek en Nietap

Op 27 januari 1682 vaardigden Gedeputeerde Staten van Stad & Lande twee heren uit hun midden af naar Leek. Daar moeten ze onderzoek doen naar “een huijs daer omtrent in ’t Landtschap Drenthe staende waer uijt veele sluijckerijen soude geschien”.

Elke provincie had nog een eigen belastingregime, en dus waren goederen in de ene provincie goedkoper dan in de andere, wat smokkel in de hand werkte. Dat zou ook hier in Leek het geval zijn. Vanuit het huis dat de heren op de korrel hadden, zouden waren in de provincie Stad & Lande zijn gebracht, zonder dat er de vereiste belasting over was betaald.

Op 3 februari rapporteerden de heren die naar Leek waren geweest. Ze hadden er “in oogenschijn genomen” de behuizing van een Jan Heres bakker, en een schuur die niet ver van diens huis in diens hof stond. Het huis bevond zich in de provincie Stad & Lande en de schuur in de landschap Drenthe. Zowel in het huis als in de schuur zag de commissie een oven. Zowel in het huis als in de schuur troffen de heren brood aan “gemaeckt nae de forme ende het gewichte in dese provincie (Stad & Lande HP) gebruijkelijck”. In de schuur lagen bovendien kleine vaatjes, die normaliter werden gebruikt voor het smokkelen van brandewijn.

De heren namen in overweging, dat de bewuste bakker aan de overkant van de provinciegrens nauwelijks brood kon verkopen, aangezien “de Ingezetenen van het Landtschap Drenthe (…) doorgaens haer eigen broodt waeren backende”. Ook verklaarde de belastinggaarder “op de Leecke” dat de belasting op het gemaal nog maar de helft opbracht, van wat er eerder bij hem binnenkwam. En dat kwam dus door die bakker, dat kon haast niet anders. Er moest wat gebeuren, want als de situatie zo bleef als ze was, bleef het voor de belastinggaarder onmogelijk om bij Jan Heres te controleren.

Op dit rapport besloten Gedeputeerde Staten dat de bakker op de grens van Leek en Nietap “tot voorkominge van frauden” zou moeten toestaan dat de belastinggaarder zowel in zijn huis als in zijn schuur controleerde. Ook mocht de bakker in zijn huis, schuur en hof, afgezien van de spullen die hij voor zijn ambacht nodig had, geen voorraden hebben van spullen waarover in Stad & Lande impost betaald moest worden. Zouden ze hem daar toch op betrappen, dan gaven de heren hem een beroepsverbod.

Bron: RHC Groninger Archieven, archief Staten van Stad en Lande inv. nr. 140 Actenboek GS 27.1 en 3.2.1682


Slotenschoonmaaktijd

Het amfibievoertuig met rupsbanden is weer in de buurt om de overvloedige bioproductie in de hoofdwatergangen op te ruimen.

 


Academie kampte met kappentekort

Eedel Mogende Heeren,
De Heeren Gedeputeerde Staeten, van
Groningen en Omlanden

Remonstreren met behorlijk respect Rector ende Professoren der Provinciale Academie van Stadt en Landen, dat er een seer besondere Academische casus voorgevallen is, te weeten datter drij broeders sich op eenen dag publice met Kap en Tabbert sullen laeten promoveeren; maer datter tot noch toe niet meer als twee geweest sijnde, nootsaekelijk bij dit voorval een derde sal moeten gemaeckt werden. Behalve datter eene van de oude Kappen geheel verscheurt sijnde, meede met nieuw fulip sal moeten overtrokken werden. Boven dit werden seer nootsaekelijk vereischt vier Gordijnen voor de Glaesen in Curia Academiae.

So ist, dat sij haeren toevlugt neemen tot U Ed. M, gewoonelijke Eedelmoedigheit ende liberalitijt, die versoekende te gelieven te ordonneeren dat de onkosten daer toe behooren angewent, mochten betaelt werden.

jussu Senat. Acad.
G. Lammers
Acad. h.t. Senatus

Dit rekest aan Gedeputeerde Staten als voedsterheren van de Groninger academie, is met (potlood)notities op het stuk gedateerd op 1693, respectievelijk z.j.e.d. Het jaartal lijkt precies, maar ik ben geneigd voorlopig in dat ‘zonder jaar en datum’ te berusten, omdat enkele andere rekesten uit dezelfde bundel (Statenarchief inv. nr. 456) ook behoorlijk misgedateerd zijn.

Eigenlijk wilde ik in het Album Promotorum nakijken op welke dag deze drie promoties tegelijkertijd plaatsvonden, maar de RUG besloot in al haar ondoorgrondelijke wijsheid het Album Promotorum op internet ‘RUG only’ te maken, terwijl ik een oude cd met het Album kwijt ben, zodat ik dat onderzoek tot nader orde heb moeten staken. In elk geval was de medicus en filosoof Gerard Lammers van 1666 tot 1719 hoogleraar en maar liefst negen maal rector, zodat we daar een weinig houvast aan hebben.

In het rekest maakt de senaat (rector + hoogleraren) dus melding van een zeer bijzondere gebeurtenis, namelijk het plaatsvinden van drie promoties met de kap op één en dezelfde dag. Echter, het bestuursorgaan beschikte slechts over twee kappen, waarvan er een ook nog draadversleten was. Het wilde graag dat dit laatste exemplaat met fulp (een langharig fluweel) overtrokken werd, waarbij GS tevens het verzoek kreeg om een nieuw, derde exemplaar te betalen.

Zo’n promotie met de kap is een intrigerende aangelegenheid. Vaak vonden meerdere van dergelijke promoties plaats op universitaire hoogtijdagen. Zo waren er ook drie bij de viering van het tweede eeuwfeest van de Leidse academie, op 9 februari 1775. In de Pieterskerk stonden er toen (pag. 5-8) twee katheders opgesteld, een voor de promotors en een iets lagere voor de promovendi. Een gedachtenwisseling, dialoog of examen kwam er niet aan te pas, zowel de promotors als de promovendi hielden toespraken. Het ceremonieel nadien bestond uit een vijftal handelingen  met evenzovele eerbewijzen:

De Heer Promotor ging nu over tot het Ceremonieel van deze Promotie onder het voorstellen van de Zinnebeeldige beduidinge der Eeretekenen (welke aan hem , door de Heeren Paranymphen wierden overgegeven, die dezelve uit handen van een Pedel ontfingen) zynde 1. een Zyden Tabbaart, die de Candidaten reeds by hunne aankomst by de Promotors aan hadden, 2. een Boek het welk hun dóór den Promotor geopend wierd voorgehouden. 3. een Gouden Ring, die hun door den Promotor aan den voorsten vinger van de Regterhand werd gestoken. 4. een Fluweelen Agtkante Bonnet, die op hun hoofd wierd gezet en 5. een Gouden Medaille, welke hun aan een lint wierd op de borst gehangen.

Misschien kan het ritueel eens nagespeeld worden, bijvoorbeeld bij het vierhonderdjarig bestaan van de RUG in 2014.

De tekening is van Jacobus Buys en berust in het Rijksmuseum.


Een laatste blik in het apotheekmuseum

Na 230 jaar verdwijnt de apotheek van het A-kerkhof. Het bedrijf, nog steeds genoemd naar de vorige eigenaars, Venema, verhuist naar het Kwinkenplein. Daar is de ruimte beperkter en dus moet een nieuwe plek gevonden worden voor de realia en archivalia in het particuliere apotheekmuseum. De eigenaar wil ze voor Groningen behouden en bovendien graag dat hier nog eens een expositie van het materiaal komt, en daarom keken de historisch conservator van het Groninger Museum en ik er vanmiddag op zijn uitnodiging rond.

Jugendstilkast voor de homeopatische medicijnen, een afdeling die al sinds 1899 bestaat:

Apothekerskast met vierkante laden:

Plantkundig boek met gekleurde platen. Links de hop, rechts de tamme kastanje:

In de Jugendstilkast onder andere een middeltje van een firma De Bruinvisch, injectievloeistoffen en vooral Edelzalf:

De Edelzalf is een anderhalve eeuw oud product dat Apotheek Venema zelf nog op ambachtelijke wijze vervaardigt. Ze wordt toegepast tegen onder meer luieruitslag, schaafwonden en kloofjes in handen:

Er lagen ook zaken uit andere apotheken, zoals dit flesje van apotheek Sissingh aan de Grote Markt, met een vignet dat bestaat uit een Martinitoren geplaatst op een vijzel:

Van Egberts & co, eveneens uit Groningen, een stuifdoosje met DDT tegen luizen en vlooien (“Daar gaan ze Jan!”). Concentratiekampslachtoffers werden ermee behandeld, kinderen tot ver na de oorlog evenzo:

Gebrandschilderd glas met vijzel en esculaap:


Groeten vanuit een herfstig Hoogkerk


De treurige huishouding van Leisje Sleepkous

Veel oude lokale notariële archieven bevatten boedelinventarissen. Het zijn opsommingen van alle bezittingen van meestal een weduwe of weduwnaar die gaat hertrouwen, terwijl hij of zij minderjarige kinderen van haar overleden partner heeft. De inventaris moest de erfportie van die voorkinderen dan beschermen tegen de eventuele grijpgrage vingers van de stiefmoeder of -vader. Het opmaken van zo’n stuk was wettelijk verplicht in een tijd dat mensen lang niet zo oud werden als nu, in een tijd ook dat relatief veel kinderen half of helemaal verweesd raakten.

Boedelinventarissen zijn fascinerende stukken, omdat ze je als het ware in staat stellen rond te kijken in huishoudens uit een ver verleden. Je kunt zien wat voor ambacht of professie iemand uitoefende, of iemand arm of rijk was, of er boeken of schilderijen of muziekinstrumenten in huis te vinden waren. Door zo’n opsomming van  items krijg je een indruk van hun eigenaar. Als je een hele serie van zulke lijsten achter elkaar leest, heeft menige bezitter wel iets eigenaardigs.

De spullen moesten wel een economische waarde vertegenwoordigen, om op zo’n lijst terecht te komen. Klein kinderspeelgoed zoals bijvoorbeeld tollen vind je er zelden op terug, en ook katten schitteren door afwezigheid, terwijl we weten  dat zulk spul wel degelijk in huishoudens aanwezig was. Om dezelfde reden zullen versleten zaken niet gauw opgeschreven zijn, of het gebeurde onder verzamelnamen als ‘plunderij’ of ‘rommelarij’.

Hoogst curieus zijn daarom enkele coupletten uit het lied ‘De Vryagie en ’t Houwelyk van Jan Mankebil met Leisje Sleepkous, en den Inventaris van de Goederen‘ dat ik aantrof in de bundel Het vermakelyk Bagynhof of den Hollanschen Edelman uit 1739. De opsomming van Leisjes goederen is in feite een pastiche op een  boedelinventaris – ze bevat louter zéér gemankeerde spullen, want Leisje Sleepkous heeft geen nagel om haar kont te krabben:

Doen ging ik met behagen,
Met myn Bruid zeer net:
Te slapen tot schoon dagen,
De bloote onderlagen,
Dat was het Bruids bed.

Alle haar beste kleeren,
Waren geen schelling waart!
drie stoelen zonder matten:
Twee kreupele blinde katten,
Saten by den haart.

Een Tafel zonder poten,
Een kast zonder deur:
Twee blinde Schilderyen;
Gescheurt aan wederzyen,
Hongen aan de muur.

Zy had een ouden Spiegel,
Die was zonder glas!
Een Beezem en Luywagen,
Om de vloer aan te veegen,
Die ook stukken was.

Een Emmer zonder duygen,
Wastobben zeer lek:
Een Vuurtang zonder lippen,
Een Schaar die niet kan knippen,
Een oud Schottelrek.

Zy had nog een Pollepel,
die was zonder steel!
Haar Potten ende Pannen:
Haar Glazen ende Kannen,
Deugden ook niet veel.

Haar Pispot zonder ooren,
Koekpan met een gat:
Vyf stukkende Taljooren:
Een Asschop wilt aanhooren,
Die was zonder blad

Zy had een houten Heugel,
Een gescheurde Doofpot:
Hangyzer zonder beugel,
En nog een drie duyts Vleugel,
die was half verrot.


Mediawijsheid anno 1783

Wat hoord men in ons Land,
Een mond-gevegt uit de Courand;
Het meest is wat men praet,
Hoe ’t met den Oorlog gaet,
Het scheind wel een geleerden man,
Die maer de Crand grift leesen kan,
En als men ’t wel versind, Is ’t meestendeel maer wind.

Die veel uit Cranten praet,
Het meest met leugens ommegaet:
En meenig begrypt het niet
Het geen de crand bediet;
Een lompert die veel discoureert,
Verstaet de crand somtyds verkeert,
Nog wil hy in de schyn
De wyste syn.

Die vast aen de crand gelooft,
Is seeker van ’t verstand berooft,
Hy volgt de Sanger naer,
En meld leugens en waer,
Maer die wil weeten regt bescheid:
Vervoegt hem selfs na den streid
En helpt wie hy is gesind
Als een trouw vrind.

Eerste, tweede en vierde couplet van ‘Courant, of Mond-Gevegt ‘ een lied uit de bundel De Nieuwe Oostindische Rooseboom (1783) dat gezongen werd op de wijs van een oudere hit, namelijk  ‘Van de verrotte Schelvis‘.


Een maandagmorgen in Groningen (ca. 1850)

Het is drie uren in den morgenstond en men kan evenmin zeggen, dat het donker, als dat het licht is. Een flaauw, naargeestig grijs licht verbreidt zich tegelijk met eene gevoelige koude door de straten, en stelt ons in staat, de uitgebleekte straatsteenen en de huizen behoorlijk te onderscheiden. Alles is stil, als in het graf. Een oogenblik treft ons oor het verwarde gejoel en geschreeuw van een troepje nachtloopers, die in de eene of andere naburige straat arm in arm met waggelenden tred voortstrompelen. Ook worden eenige langzame, afgemeten treden in de verte hoorbaar, en op den hoek der straat ontdekken wij een korporaal der hoofdwacht, van een tweetal soldaten vergezeld, bestemd om hunne makkers op hun post af te lossen, en wier heldenvuur op de brits zoodanig is uitgedoofd, dat zij zich thans maar als automaten schijnen te bewegen in den lamlendigen pas, waarvoor de sabel van den korporaal op zijne kuiten de maat slaat.

Somtijds ook vertoont zich een nachtwacht op een hoek, wiens zware tred door de ledige straten weergalmt; een enkele kraai vliegt met zijn akelig ka! ka! over ons hoofd, en een ongelukkige hond, wien de armoede of wreedheid zijns meesters een nachtverblijf ontzeide, snuffelt langs de huizen, om zich straks hongerig en mistroostig onder een bank neder te leggen en van leverworst en kluifjes te droomen. Buiten deze weinige uitzonderingen, die dan toch ook alle nog maar zeer voorbijgaande zijn, ontdekt men geen teeken van leven, en bovendien zijn zij van een aard, dat zij den indruk van doodsche slaperigheid zoo mogelijk nog vermeerderen.

Maar de lampen worden opgestoken. De toppen der torens en van de gevels der huizen weerkaatsen een liefelijk licht, waarin geel en purper hunne tinten vermengen. Het is, of de levensfakkel, die in het oosten aan den hemel wordt ontstoken en hare stralen gedeeltelijk door de ledige straten werpt, de huizen uit hunne slaperigheid wekt. Frisch en vrolijk vertoont zich alles in den zachten gloed en het geheel doet zich voor, alsof zoo op het oogenblik eerst de verwer de laatste hand aan alles gelegd had.

Om de vrolijkheid van het oogenblik nog te vermeerderen, beginnen al de torenklokken te slaan. Martinitoren laat de zuivere toonen van zijn welluidend klokkenspel door de frissche morgenlucht trillen, het snikklokje op de Apoort heft zijn schel geklingel aan, als het keffen van een dameshondje tusschen het knorren en grommen van den grooten bullebijter, en het is vier uur. Voor ons raam zien wij een tweetal paren mannen en vrouwen deftig voorbij stappen. De handstokken en reiszakken in de handen der mannen, de onmisbare parapluien en proviandtrommetjes in die der vrouwen doen ons hen kennen als reizigers, die van de vieruurschuit gebruik willen maken. Op hunne gezigten staat een air van gewigt; de mannen zetten hunne voeten veel harder op de straatsteenen neer, dan noodig of dienstig is, en de vrouwen doen bijna bovenmenschelijke pogingen, om met hen gelijken pas te houden. Geen wonder! Zij gaan op reis, waarschijnlijk wel tot zelfs buiten de provincie, en wat is er, dat ons gewigt in onze eigene oogen meer verhoogt dan dit? (…)

Terwijl onze reizigers den hoek van de straat, die aan ons uitzigt een eindpaal stelt, omslaan en wij weer nederzien in de stille, ledige straat, slechts door het licht bewoond, hooren wij tegen ons over het raam op eene bovenkamer openen, en het fidele bonjourl van eenen muzenzoon (student HP) klinkt ons tegen, wien heilige aandrift voor de wetenschap of wel het uitzigt op een dagelijks nader aanrukkenden examendag zoo vroeg uit het bed en naar zijne boeken heeft gedreven. Overigens blijft alles stil, en slechts een troepje duiven stapt met al de haar eigen deftigheid over de straat, begeerig ieder korreltje oppikkende, dat de achteloosheid der ongevederde tweebeenigen daar mogt hebben neergestrooid.

Een uur verloopt in onafgebroken stilte, behalve wanneer een zwaar geklompt persoon, die er een handwerk van gemaakt heeft, fatsoenlijke lieden in hun slaap te storen, op een sukkeldrafje voorbij klotst en, overeenkomstig de bestelling, den vorigen avond ontvangen, bij mijnheer Smiling aanschelt, maar, daar hij eenigermate in onzekerheid is aangaande het huis, waar hij wezen moet, voorzigtigheidshalve ook bij de beide naaste buren van genoemden heer het geheele huishouden door een verschrikkelijk luiden aan de huisbel op de been brengt: – een beleefdheid, waarvan wij niet durven beweren, dat zij aan de buren van den heer Smiling bijzonder aangenaam is.

Vijf uur! Paardengetrappel en het ratelen van wagenwielen verkondigen ons reeds lang voor wij ze zien kunnen, dat er rijtuigen in aantogt zijn. Het geoefend oor van den stadbewoner onderscheidt dadelijk aan het geraas op de straatsteenen, welke soort van rijtuig hem nadert. Wij durven ons beroemen, het in deze onderscheidingskunst tot eene tamelijke hoogte gebragt te hebben, en wedden tien tegen één, dat wij hier nu chars-à-bancs zullen aanschouwen. Wanneer er zoo weinig op straat gezien wordt, dat onze aandacht boeit, wordt ieder voorwerp voor ons een belangrijk ding, en waarlijk, wij kunnen bij het naderkomen der bedoelde rijtuigen een gevoel van blijdschap niet bedwingen, dat wij weer wat zullen zien, en reeds liggen wij halverwege uit ons vensterraam.

Neen, wij bedrogen ons niet. Twee chars-a-bancs, een groene en een gele, en een gezelschap jongelui binnenin. Op ieder van de zes banken een jong heer met een sigaar, die sterk naar kaneel ruikt, in den mond, en naast een ieder hunner eene jonge dame met een witten zakdoek in de hand. Kort en goed, zes Groninger jongens en even zoo veel Groninger wichter (en dat woord: „Groninger wichter” is al genoeg om aan te duiden, dat het lieve, knappe meisjes als melk en bloed zijn) allen in hun zondagspak, gezamenlijk leden van een zanggezelschap, waar men Evangelische gezangen en Hazeusche liederen vierstemmig zingt. Thans hebben bassen en alten, sopranen en tenors  één doel, t. w. een dag pleizier hebben voor het geld in den pot, door inleggen en boeten tot een zoet stuivertje aangegroeid. Nu jongelui, goede reis en veel pleizier!

Nieuw wielengeraas van de andere zijde! Welk een contrast! Daar nadert een roodgeverwde equípage (van de reinigingsdienst HP), zoo als men ze slechts in onze oude vaderstad aanschouwt, met één paard bespannen, bestuurd door een koetsier in zeer bijzonder liverei, terwijl een schop en bezem achterop de plaats der lijfknechten innemen. Welk een contrast tusschen de rijtuigen van zoo even en dit! Pleizierwagens en het pleizier behooren tot het ideale, tot de poëzij des levens; hier een rijtuig, dat aan bittere werkelijkheid en het platste, meest alledaagsche proza herinnert. En toch: hoe fier en stemmig zit de koetsier op zijn bok (…)

Er komt meer leven en beweging op straat‘.(…) Handwerkslieden, metselaars en timmermansknechten, met hunne schootsvellen voor, stappen, vaak rekkende en geeuwende, ons raam voorbij, en zekere bijzondere bewegingen en geluiden schijnen aan te duiden, dat neus en keel nog dien graad van reinheid missen, welke hun regtmatige eigenaar van hen verlangt. Ook de kleine leerjongen spoedt zich naar zijn winkel, terwijl geheel zijn uiterlijk aanwijst, hoe alleen eene harde noodzakelijkheid hem uit zijn bed gedreven heeft. Met voorover gebogen hoofd en hoog opgetrokken schouders, het gelapte buisje zoo digt mogelijk toegeknoopt, loopt hij slaapdronken voort op eene wijze, die ons bij ieder tred vreezen doet, dat zijn neus in gevoelige aanraking komen zal met de harde straatsteenen.

Wanneer wij zoo van gesloten huizen spreken, dan maakt het huisje daar ginds vlak op den hoek daarop eene uitzondering. Reeds voor een groot kwartier werd het geopend, de kleine toonbank afgeveegd, en nu is er al drukke nering. ’t Is een klein inloopje, waar des daags talhout bij het bosje, bezems, mosterd en snoeperijen voor de kinderen verkocht worden. Maar het best van de negotie is de klare, die uit het vat loopt, en hoe vroeg het ook nog zijn moge, er loopt al magtig veel uit het vat, waaromheen zich zoo vele personen als verdringen, die voor drie cent een hapje nemen, eer zij met schik naar hun winkel of karrewei kunnen komen. Er zit een oneindige aantrekkingskracht in dat winkeltje; maar weinigen die niet binnen worden getrokken. Wat meent gij, dat het jeneverlust is, die hen naar binnen en het glas aan hunne lippen voert? Och neen! de zaak is maar, dat zij een medicijntje gebruiken. Vraagt het die lui zelven, en zij zullen u zeggen; „Man, dit is er een voor de pieren, en dat is er een voor de maag!” Die slagtoffers! Men kan hun ook wel aanzien, hoeveel werk zij er van hebben, de medicijn in te nemen. Hoe trekken ze met de lippen, hoe lang houden ze ’t vocht in den mond, eer het zakken wil, en hoe brommen en kreunen ze, als het eindelijk naar binnen is!

Langzamerhand en als met onmerkbare trappen neemt nu leven en beweging op straat toe, vooral naarmate het oogenblik nadert, waarop de torenklokken ons verkondigen, dat het zes uur is. Sommige winkels, wier eigenaars gaarne den naam hebben, dat zij knap bij de pinken zijn en geene gelegenheid om iets te verdienen laten voorbij gaan – een zeer betamelijke trots! – worden geopend door den winkelbediende, die ons bij die gelegenheid den vollen aanblik vergunt van zijn geel of rood vijfschaften hemdrok en zijn leeren bretëls. Op sommige stoepen aanschouwen wij werkvrouwen, met het blaauwwollen voorschoot opgerold onder den arm, besteld om heden, daar het maandag is, de groote wasch te doen, en om toch vooral‚ vroeg te komen, daar er zoo ijsbaarlijk veel vuil goed is. Op andere stoepen zien wij jongens en meisjes, ieder met een mandje in den arm, welks inhoud, schoon voor allen die niet slapen zigtbaar, nog ten overvloede kenbaar wordt gemaakt door het onophoudelijk geroep van: „rediesl redies!” waarmede deze maagsterkende vrucht wordt uitgevent.

De straten worden hoe langer zoo drukker en voller, terwijl zij voor weinige uren nog zoo diep eenzaam en verlaten waren. De straks al genoemde roode equipages doen ware omnibusdienst, daar zij alles opnemen, wat haar voorkomt, waarbij een geweldig ratelen van den voerman eene zeer aangename muziek verwekt. Turfwagens, zoo groot, dat men onwillekeurig medelijden krijgt met den armen knol, die ze trekken moet en onophoudelijk door een klein kataas van een jongen in den bek getrokken wordt, komen met horten en stooten over de straatsteenen aandreunen, en de paarden voor de hooggevulde korenwagens schijnen elkander in het oor te fluisteren, dat ze grooten lust hadden, om de voerlui eens een uurtje voor den wagen te spannen en zelven daar boven op de zakken te gaan zitten.

De melkvrouw met haar rood juk en sierlijk blanke koperen melkemmers doet hare ronde, onder het meten een klein discoursje houdende met de meid, die nog en profond négligé vóór komt, om melk te nemen; hier en daar ook in een woordenstrijd gewikkeld, uitgelokt, door de omstandigheid, dat de meid hoog en duur verzekert, eergisteren morgen betaald, en partij even hoog en duur staande houdt, geen cent ontvangen te hebben. Soms bemerken wij ook eene meid, die met de haren onder de nachtmuts weg flodderende, gewapend met den huissleutel, een boodschap in de buurt gaat verrigten met een haast, waardoor zij bijna een student in de armen vliegt, die van portefeuille en duitsche pijp voorzien, heden zijn eerste collegie gaat houden.

De winkels zijn nu. alle open; leerlingen en winkelbedienden hebben het druk genoeg met de glazen af te vegen en de koopwaren zoo te rangschikken, dat zij den kooplust der voorbijgangers het meest opwekken. Nergens echter is meer drukte, dan in het voorhuis van den bakker, waar nagenoeg alle meiden uit de buurt, trippelende van ongeduld, wachten op het uitkomen van het eerste baksel wittebrood, en middelerwijl een zeer fragmentarisch gesprek aanknoopen, waaruit duidelijk blijkt, dat allen het bijzonder druk hebben van daag, en door een toevalligen zamenloop van omstandigheden zich juist heden bijna allen verslapen hebben.

Naarmate het later wordt, verdwijnen de koperen emmers van de ‘straat, en opgehoopte manden met allerlei soort van groenten hangen thans aan dezelfde roode jukken, terwijl het honderdvoud herhaalde: „Jufvraauw, ook gruinte?” telkensde voorbode is van een knibbelen en dingen, dat met niets vergeleken kan worden, dan met het overmatig eischen van de verkoopster.

Allerlei soorten van geluiden treffen ons oor en vormen eene muziek, die ons onwillekeurig aan Hogarths ‘Geplaagden Musicus’ denken doet. De koopman, die daar achter zijn kruiwagen schuift, roept zijn: „Ook zand?” eene aria, die door gindschen vriend in een duet wordt veranderd door zijn: „Ook turf?” terwijl dit weder tot een trio aanleiding geeft door het: „Talholt!” van een ander, totdat het muziekstuk, alle graden van quartet, quintet en sextet doorloopen hebbende, eindelijk in een vol koor zich oplost, door brieschende paarden, knarsende wagens, schreeuwende jongens, vloekende voerlui, kloppende, zagende en vijlende ambachtslui en uitventende kooplieden uitgevoerd.

Acht uurl..-. half negenL… kwart voor negen! Nieuwe, heden nog ongeziene gezigten vertoonen zich op straat. Toevalgerwijze vormt zich daar voor ons vensterraam een groep. Vooraan die dienstmeiden, ieder met een meisje of jongetje aan de hand, dat eene geforceerde wandeling naar de school doet en welks korte beentjes, ook zelfs in de sukkeldrafbeweging, nog het tempo niet schijnen aan te slaan voor de driftige haast, welke de meid bezielt, die luidkeels klaagt over ’t geloop en gesjouw, dat men in eene huishouding heeft, waar „kinder” zijn. Het knaapje leert braaf op school en wordt groot, wat alle kindertjes worden, die zoet leeren. Vooral is rekenen zijn lust, en zijn spaarpot, met zoo vele mooije dubbeltjes van oom en tantes en een paar guldens van grootvader, getuigt, hoe hij sparen kan. Achter hem zien wij een jongen winkelbediende, trotsch op zijn bruin voorschoot, gekleed in een rokje met korte slippen en een pet op één oor, een koopmanskar schuivende.

Nommer drie is eveneens een winkelbediende, maar ouder en grooter; — een paar haartjes om de kin geven veel hoop op een baard à la grecgue, en een sigaar in den mond en een reiszakje onder den arm getuigen, dat de drager van beide thans met de hoogere bezigheden van den handel is belast en voor zijn patroon zaken gaat doen. In onze verbeelding zien wij in zijn rokzak eene bruine portefeuille, waarin een paar wissels, die straks een paar arme zielen aqua tofana zullen doen zweeten

Hierop volgt een jongman, zeer netjes gekleed met een hooge das en groote boorden, en naast hem een snoeperig gezigtje, om weer vervangen te worden door een jongen man, die aan een pakhuisknecht, met een zeker hoog air, zijne orders uitdeelt.

Wat verder de straat op aanschouwen wij een man van een deftig uiterlijk en van middelbare jaren, met een meisje van negen jaren aan de andere zijde: een achtenswaardig burger, door velen benijd, maar door allen geacht, lid der kamer van koophandel en van nog vele genootschappen, tot nut en welvaart zijner medeburgers ingesteld.

Rondom al deze personen woelt en gonst eene bonte menigte. Bureaulisten, met zorgvuldig afgeborstelde hoeden en zeer glimmende schoenen, begeven zich naar hunne bureaus; commissionaírs met monsters en stalen gaan naar hunne kalanten; ambtenaren van hooger of lager rang begeven zich, waar belang en pligt hen roepen. Tusschen beide snort eens doctors rijtuig over de straat, en mogt de medicus soms over eene gezondheidsepidemie klagen een blik op gindsche vrouw, die daar: „ook diksoepen of room?” uitkraait, op dien kruiwagen met onrijpe appelen en zoo goedkoope gele pruimen kan hem hoop geven op talrijke patiënten.

De werklieden gaan ten tweeden male naar hun werk, Joden en andere kleinhandelaars venten hunne waren uit, schippers en sjouwers snellen in vollen draf ons raam voorbij: alles is leven en beweging en het slaat — negen uur!

Dat is een gewigtig oogenblik! — Nu begint de dag in vollen ernst, met al zijn zuur en zoet. Wat wij tot dusverre hoorden en zagen, was nog maar voorbereiding voor den dag.

Ingekorte versie van: ‘Een maandag-morgen’, de tweede van ‘Een paar schetsen uit de stad Groningen’, te vinden in Teekeningen en schetsen uit de nalatenschap van Thineus (Groningen 1857).

Met dank aan Otto Knottnerus voor de tip!


Rondje Foxham

Een beginnetje van de herfst aan de Hoornsedijk:

Hooibalen op polder het Oosterland onder Paterswolde:

Oud email reclamebord, Glimmen:

Uitzicht vanaf de Vogelzangsteeg onder Noordlaren. Op de achtergrond een maisveld waarin zich de resten bevinden van de Nuthspete, een middeleeuwse Drentse sterkte:

Tuintje met zonnebloemen onder Foxhol:

Scheepswerven, Foxham:

Muzikaal topgeveltje aan de Oudeweg onder Westerbroek:

Laantje dat het loodje gaat leggen, in de s-bocht van de Peizerweg, Groningen:

 


Een zondagochtend in Groningen (ca. 1850)

Tonnis van Duinen (1817-1857) was zoon van een Groninger ambtenaar en al vroeg voorbestemd om hervormd predikant te worden. Na zijn theologiestudie, ook in de stad Groningen, stond hij vanaf 1841 op de kansel in een aantal Friese gemeenten (o.a. Surhuisterveen) en ook een Drentse (Vledder). Hier deed hij veel aan sociaal werk. Tegelijkertijd publiceerde hij een aantal literaire schetsen en verhalen, dat ook gebundeld is, deels postuum. Onder die schetsen bevinden zich twee die gaan over de stad waar hij geboren en getogen was. Ze zijn heel aardig, zij het nogal breedsprakig. Ik heb ze ontdaan van de metaforiek en vooral ook van de al te wijdlopige moralistische passages, en zet ze in deze ingekorte, meer zakelijke vorm op dit weblog, te beginnen met de schets over de zondagochtend in Groningen, waaruit ik met name de passages selecteerde die gaan over het straatleven tussen ongeveer acht en elf uur.

“Het is bladstil op straten en pleinen. Geen schreeuwende kooplieden en kramers, geen ratelen van zwaar bevrachte wagens en karren storen de stilte; hoogstens rolt een enkel rijtuig met pleiziergangers onze deur voorbij, en alleen de melkvrouw doet zonder gedruisch hare gewone ronde.

Een enkelen keer vertoont zich eene dienstmeid op straat, om het verzuim eener boodschap bij den bakker, slager of kruidenier te herstellen, die ze gisteren avond warempel in alle drokte vergeten heeft, en snelt haastig en als ter sluip voort, den ingekochten proviand zorgvuldig onder haar voorschoot bedekkende. Somtijds ook stapt een man in een langen jas – den wel bewaarden zondagspronk – en met een witten halsdoek, die een krachtigen blaauwseldoop heeft ondergaan, zoo haastig voorbij, als het balanceren van een hoogen, zorgvuldig afgeborstelden hoed op zijn hoofd hem veroorlooft, om nog vóór kerktijd een boodschap bij zen baas of bij meneer te verrigten; terwijl eindelijk hier of daar een jonge knaap voor de halfgeopende straatdeur des huizes staat, wien de gedachte aan een nieuw buisje, het eerste, dat hij over de broek zal dragen, of aan een paar nieuwe laarzen vroegtijdig den slaap uit de oogen dreef en die geen rust had, voordat hij aangekleed was, om nu zich zelven te bewonderen en de bewondering van alle voorbijgangers op te wekken.

Naarmate echter het oogenblik nadert, waarop de wijzers der torenklokken eene vlakke, horizontale rigting aannemen, wordt de levendigheid op straat vermeerderd, en de dertig minuten tusschen negen uur en half tien bevolken straten en pleinen met geheele groepen kerkgangers, zich begevende naar de onderscheidene kerken, al naar dat hunne geloofsbelijdenis of een blik op het kerkbriefje hunne schreden eene bepaalde rigting geeft. Allen gaan zij daar henen, knap of sierlijk gekleed, armen en rijken, thans met één doel bezield, om namelijk de plaats te bezoeken en Hem te dienen, waar en voor wien geen armoede of rijkdom der wereld geldt. De zondag oefent zijnen invloed onwillekeurig op hen uit, gelijk zelfs in den tred en den gang van allen zigtbaar is. Het is de zondagspas, geheel verschillend van dien, welke des daags door ijver en winzucht of gunstbejag wordt bestuurd. Langzamer en slepender, ernstiger en deftiger is de tred der schare, als ging zij ter bedevaart (…)

Nooit biedt eene stad verhevener schouwspel aan, dan tegen het begin der openbare morgengodsdienstoefening. Goddank! dat in onze vaderstad de menschen nog niet te wijs zijn, om in eenvoud des geloofs te vertrouwen, dat de eeuwige Wijsheid wijze bedoelingen had met het instellen ‘van den wekelijkschen rustdag, en nog niet genoeg doordrongen van eenen uitheemschen geest der eeuw, die het woord eens gewijden schrijvers bespot: „Laten wij onze onderlinge bijeenkomsten niet nalaten!”

Gaarne vertoeven wij om dezen tijd op de Groote Markt, in de nabijheid der Martinikerk. Meermalen welt dan een traan, die geene bitterheid kent, in ons oog op bij het zien van de lange rijen, die daar van alle kanten opkomen, om de woorden des levens te vernemen; terwijl de plegtigheid en majesteit van het geheel nog verhoogd wordt door de dreunende toonen van het kerkorgel, die in onbestemde klanken ons oor bereiken en de scharen als het ware toeroepen: Heiligt u voor Hem! De Heer is nabij. (…) Als kind dachten wij eens op zulk een oogenblik, dat de engeltjes daarboven nu wel regt blijde zouden zijn, omdat zoovele menschen naar de kerk gingen, om den goeden God te bidden en te danken, en ja, ook nu nog gelooven wij gaarne, dat zulk een aanblik de blijdschap des hemels verhoogt.

In het midden der voetgangers rolt soms eene vigilante of statige huurkoets in het onder huurkoetsiers aangenomen sukkeldrafje over de straatsteenen, om eene oudachtige dame of een podagreus heer kerkwaarts te brengen: eene ellendige nabootsing, een schim en schaduw en dat nog maar naauwelijks, van de kerkstaatsie in vorige dagen, waarvan de grijsaards nog met geestdrift spreken, toen dertig, soms veertig eigen koetsen door Groningens straten daverden en in lange rijen voor de deuren van Martini- of Broederkerk op hare meesters en meesteressen stonden te wachten. Dat waren nog tijden. – O!

Langzamerhand vermindert de toeloop en nog maar enkelen spoeden zich met verhaasten tred voort, want het speelwerk van Martinitoren stelt zich in beweging; het is half tien en de godsdienstoefening begint. Straten en pleinen zijn nu in een oogenblik onbevolkt en slechts hier en daar ontmoet ge nog iemand, die niet regt op den tijd kan klaar komen, en nu met alle kracht zich rept, om ten minste nog onder het eerste gezang de kerk te bereiken en dus niet al te veel stoornis te verwekken. (…)

Onder kerktijd biedt zich wel weinig voor onze beschouwing aan op die stille straten, door helle zonnestralen verguld. Alles schijnt u toe te roepen, dat uwe plaats thans elders is. Ja, zoo stil en rustig is het dikwijls, dat gij het gonzen der vliegen en uit de verte de hooge toonen van het statig kerkgezang verneemt…. twee liederen voor den Allerhoogste!

Nu en dan echter ziet ge, dat er eene huisdeur geopend wordt, waaruit een dienstmaagd treedt met den kamerbezem gewapend, om de stoep nog eene kleine reiniging te doen geworden en tevens te voldoen aan het bevel eener zorgvuldige moeder, om eens rond te zien naar de „kinder” twee kleine zusjes met een nog kleiner broertje in hun midden, die, allen in hun zondagspak en met vol mathematische juistheid gescheiden haar, handje aan handje zoo lief op het riepien (klinkerstoep HP) en in het zonnegien heen en weer kuijeren (…)

Somtijds ook bemerkt gij een klein troepje jongens, bezig met een spelletje, waarvoor de bruine Bremer vloeren van een huisstoep noodwendige vereischten, althans zeer geriefelijke dingen zijn, een spelletje, gespeeld tot groote ergernis van de meid, die ondanks alle aangewende en herhaalde pogingen ondervindt, dat het niet zoo gemakkelijk is, het erf van zulke kwade katazenvan jongens als van stof en vuilnis te reinigen, totdat zij in eenen policiedienaar een bondgenoot krijgt, wiens opgeheven stok de beenen van het kleine goed in bijzondere vlugheid brengt.

Hebt ge het gezigt op een dier kelders, waarin des middags naauwelijks meer dan schemerlieht heerscht en waarin menschen wonen, als waren zij geboren mijnwerkers, drie tegen één, dat dan, nagenoeg om half elf , op den trap, die naar dat onderaardsch verblijf voert, den oudsten zoon van het molachtig huisgezin zult ontdekken, een jongman, die van ’t jaar meeloten moet (voor de dienstplicht HP), stralende en blinkende in den helderen zonneschijn met al den zwier van een wijde broek van licht blaauw laken, een geel gestreept vest en blaauw en wit gestreepte hemdsmouwen, maar bovenal van een zilveren horologieketting om den hals en een koperen sleutel met een rooden steen op de broek. In zijne handen ziet gij een lange pijp, gisteren avond op den koop toegekregen van den tabaksverkooper waar hij ieder zaturdagavond zijn wekelijkschen inslag doet van baai of krul, en aan zijn haar bespeurt gij de onmiskenbare sporen van groote zorgvuldigheid, kunst en pompwater, door wier vereenigde krachten alleen zulke dingen tot stand kunnen worden gebragt, als ge nevens de slapen van zijn hoofd opmerkt: volmaakte afbeeldsels van twee reusachtige kurketrekkers.

Kwartier voor elven! elf uur! Er begint langzamerhand meer levendigheid op straat te komen. Enkele mannen stappen vrij haastig voorbij, veel gelijkende op de zoogenoemde kwartiermakers die de aannadering van een armeecorps vooraf gaan. Zij zijn de voorloopers uit de kerk, die in het Amen, waarmede de preek besloten werd, het met ongeduld verlangde sein hoorden om nu maar te vertrekken. (…)

Levendiger en levendiger wordt het nu spoedig op straten en pleinen. Van alle kanten dagen bonte scharen op, die voor een oogenblik de straat als overstroomen. Daar ziet gij een deftigen burger naast zijnen buurman of een goeden bekende aankomen, in levendig gesprek gewikkeld over de gehoorde preek. Ginds een ander met zijne vrouw gearmd en telkens groetende, daar zoo velen hem voorbijgaan, die in hem den achtenswaardigen man gaarne erkennen. Daar tusschen in ook verliefde paartjes, zoo puntig en netjes gekleed, voor wie het naar huis brengen eene zaak van even veel gewigt is, als de bijgewoonde godsdienstoefening. Daar deftige matronen met neepjesmutsen onder de zwart zijden hoeden, en met lange zwart lakensche omslagdoeken. Hier nadert een echtelijk paar uit de burgerklasse hunne woning en wordt reeds in de verte opgemerkt door de oogen van hun kroost, dat sedert een kwartier op de stoep staat te wachten, om vader en moeke in ’t gemoet te loopen als zij uit de kerk komen. (…) Straks weer gaat een jeugdig echtpaar uit de.mindere burgerklasse uw raam voorbij, pronkende met een, zoo lang gewenschten, katoenen parapluie, schoon geen wolkje aan den hemel regen belooft; en eindelijk ziet gij den student driftig doorstappen, om zijn kast te bereiken, onder ieder vrouwenhoedje naar een lief gezigtje turende. Zoo gaan allen daarheen en kruisen elkander; — maar geweken is de statige en afgemeten tred, die een paar uren geleden de kerkgangers kenmerkte. Er is een magneet, een sterke magneet, die allen nu huiswaarts trekt: de gulle, lieve koffijpot, het echt Groningsch elfuurtje!

Het uitgaan der kerken mist al het stichtelijke van het aangaan. Meteen ook hoort men slaande trommen en luid schetterende trompetten, die de aannadering der kerkparade verkondigen, en straks ziet ge, zoo ge in de Stoeldraaijer- of Kijk in ’t Jatstraat mogt wonen, de militaire bezetting voorbij marcheren, innig verheugd, uit eene plaats ontslagen te zijn, waar zij zeer doelmatig achter den preekstoel en zware pilaren zoo geplaatst is, dat de meesten niets zien en niets hooren kunnen, en waar alleen de allerchristelijkste vloeken van den juist zelf ontwaakten korporaal of sergeant eene geheele bank van slapende Marszonen weer wat kunnen opfrisschen. Al deze beweging en drokte duurt echter niet lang. Spoedig keeren de straten wel niet tot de doodsche stilte van zoo even, maar toch tot de plegtige rust van den zondag terug.”

Uit: ‘Een zondag-voormiddag’, de eerste van  ‘Een paar schetsen uit de stad Groningen’, te vinden in Teekeningen en schetsen uit de nalatenschap van Thineus (Groningen 1857).

Met dank aan Otto Knottnerus voor de tip!


Zware theologische kettingen

Ik mocht vanmiddag aanwezig zijn bij het symposiumpje, gehouden ter gelegenheid van het uitkomen van Jonn van Zuthems boek ‘Harde Grond‘. Dat gebeuren vond plaats in de voormalige SNS Bank (nog eerder  Nutsspaarbank), aan de Oude Ebbingestraat. Straks trekt in dat stevige bankgebouw de Protestantse Theologische Universiteit, de postacademische predikantenopleiding van de kerken. De verbouwing is op enige afwerking na voltooid, maar de gehoorzaal kon al wel worden gebruikt.

In een tussenruimte, maar  ook in de gehoorzaal, hingen deze loeizware, handbrede kettingen, verticaal en strakgespannen tussen zoldering en vloer:

Nog steeds vraag ik me af waarvoor ze vroeger dienden. Mijn eigen gissing:  voor de lift. Maar een andere aanwezige dacht dat ze iets te maken hadden met een kluis, en dat klonk ook wel plausibel.

Bij de receptie na afloop van de plechtigheid vergat ik er een mogelijk deskundige over aan te schieten.  Inmiddels heb ik tevergeefs gegoogeld en zijn er wat mailtjes uitgegaan om opheldering te krijgen in deze brandende kwestie. Helaas geven degenen die het weten kunnen voorlopig niet thuis. U zult dus, net als ik, enig geduld moeten betrachten.

Het antwoord, 22.50 uur:

De heer Immink, rector van de Protestantse Theologische Universiteit, bericht mij zojuist: “Aan die kettingen zitten loketten vast in het souterrain. Die werden aan de kettingen omhoog gehesen bij de wekelijkse uitbetalingen, heb ik me laten vertellen. We hebben die kettingen laten zitten en ik dacht dat je beneden ook nog iets van de loketten kunt zien.”

Het zat dus toch weer anders dan we dachten. Overigens is in de kelder van het gebouw ook nog de oude bankkluis te zien.