Graffiti van Ciboga

Een grasveld en een zandstrand. Afgelopen zondag zag je her en der mensen liggen zonnen, picknicken, spelletjes spelen. Het leek er wel op het Martinikerkhof, maar dan moderner.

Maar daar kwam ik niet voor. Wel voor de graffiti op de schuttingen en de kubussen met uitgangen van de onderliggende parkeergarage.

ive

Boze kerel:

Verzaligde Pierrot:

Indringende boodschap:

De lachende dood:

Stripfiguur:

De lachende dood met het wapen dat goedendag heet:


Harm Visser, een tekenaar die te jong stierf

Ik tikte zaterdag bij een tweedehandsboekenhandeltje De stad rondom de hoge toren op de kop,  een ‘gedenkboekje’ wegens het 900-jarig bestaan van de stad Groningen in 1940.

Omdat ik het nog nooit eerder gezien had en benieuwd was wanneer het precies verscheen – nog voor of tijdens de Bezetting? – keek ik dat na in het gedigitaliseerde Nieuwsblad van het Noorden. Het boekje, zo bleek, kwam vlak voor Sinterklaas 1941 uit, dus tijdens de Bezetting, en was “zoolang de voorraad strekt” voor 85 cent te koop bij de “erkende boekhandelaren hier ter stede”.  In een tweede advertentie is er sprake van “slechts beperkte voorraad”.  Op 3 december dat jaar verscheen er nog een bespreking in de krant, die het boekje “alleraardigst” noemt. “Vooral de geboren en getogen stad Groninger” zou het werkje graag willen kopen,  “om aan de hand daarvan de glorierijke ontwikkeling van zijn stad de revue te laten passeeren”.
.
Ik kocht het boekje niet zozeer om de tekst. Nee, de reden was dat er een stuk of wat puike tekeningen in staan, die van een groot vakmanschap getuigen.  Vooral de bovenstaande van de A-poort spreekt me aan. Zelden heb ik dat bouwwerk zo plastisch weergegeven gezien. Deze poort dateerde uit de Bourgondische periode, eind 15e eeuw, en werd – meen ik – omstreeks 1840 afgebroken. Moet je je eens voorstellen dat zoiets er nog stond. Het zou een een enorme bezienswaardigheid zijn geweest.

Het gekke was dat ik ook nog nooit van de tekenaar gehoord had.  Ander werk van deze Harm Visser was me niet bekend en kon ik ook niet vinden. Dat is ook geen wonder, want hij heeft na verschijning van het boekje niet meer zo lang geleefd,  zo leerde de krantenbank. In het Nieuwsblad van woensdag  5 januari 1944 deelde Vissers weduwe mee dat hij “geheel onverwachts” was overleden, slechts 31 jaar oud.

Zo jong,  en plotsklaps, in die tijd? Het zal toch niet? Het blijkt van wel, want zijn naam is te vinden op een digitale erelijst voor gevallenen, subgroep verzet.  Je kunt er een virtueel bloemetje neerleggen, en dat deed ik.  Ben benieuwd wat hij precies gedaan heeft en hoe hij aan zijn eind kwam. Zal dat nog een keer gaan uitzoeken, op voorhand vermoed ik dat hij als tekenaar persoonsbewijzen vervalste en daarom gefusilleerd is.


Gezien op de antiekmarkt

Lampetkan en waskom, ca. 1895:

Douwe Egberts koffiemolens, ca. 1950, indertijd ongetwijfeld gekocht met DE-punten (we hadden er thuis zoeen):

Kegelspel:

Wandbord, uitgereikt bij een jubileum-tennistoernooi, 1939:

Sympathieke gipskop, eind 19e eeuw?

Turkooizen schoentjes (Oosteuropees?):

Bakvorm eekhoorn:

Kinderen met molentjes op speltegel:

(Alles gezien op het Zuiderdiep, vandaag.)


Rondje Onderdendam

De Kolde Ovent, gewezen boerderij-herberg aan de Reitdiepdijk ten westen van Dorkwerd:

Het wapen van Veendam-Wildervank op het huis Dageraad, nabij Oostum:

Bij het kerkje van Oostum staan sinds kort weer de Ploeg-bankjes, met schilderspalet-vormige zittingen waarop een QR-code te vinden is waarmee je Ploeg-schilderijen van het kerkje op je smartphone kunt krijgen:

Dode haas langs de Trekweg van Winsum naar Onderdendam:

Gezicht op Onderdendam:

Ornament op het vroegere Waterschapshuis in Onderdendam:

Maaidorser aan het werk tussen de Wolddijk en Adorp:

Door bruidssluier overwoekerd pandje aan de Wolddijk onder Noordwolde:

De afgelopen maanden maar enkele kievieten gezien,  en nu dan een hele zwerm op de Koningslaagte:

Plantje in een sloot bij Harssens. Wie kent de naam?:

Koe, grazend in het avondlicht:

Als een schip de Paddepoelsterbrug gepasseerd is, duurt het minstens een minuut voordat de brug zich überhaupt weer in beweging zet. Soms duurt het zelfs ettelijke minuten. Waarbij je je altijd afvraagt of dat ligt aan een mensonvriendelijke brugwachter (die je kan observeren via de camera’s op de omringende masten) of aan een gebrekkige techniek. Vooral met regen niet fijn, maar vandaag scheen de zon gelukkig:


De opgetogen poppetjes van Onnen

Het dorp Onnen heeft sinds kort een shared space:

Waar gemotoriseerde en ongemotoriseerde weggebruikers elkaar heus niet in de weg gaan  zitten en waar zelfs een leeuw voorrang zou geven aan een lam.

Toch lijken ze maar wat blij dat je het dorp heelhuids verlaat. “Mooi dat je er geweest bent”:

Hoewel: heelhuids? De blije poppetjes op de borden blijken bij nader inzien gehandicapt. Immers, beide hebben nog maar drie vingers aan beide handen:

Veelzeggend? Of is al dat vertoon van verkeerskundig idealisme dan toch echt geen dun alibi voor het recht van de sterkste?


Noord-Drents rondje

Oude schuur bij de Vogelzangsteeg, Noordlaren:

Graanveld op de zuides van Noordlaren:

Wat dichterbij:

Het opknappen van het hunebeddenkeuterijtje van Midlaren lijkt een tienjarenplan te worden:

De Drentse A tussen Noordlaren en de Osbroeken.

Er zat vrij veel stroming in en op sommige plekken wemelde het van de weidebeekjuffers. Helaas bleek geen enkele exemplaar bereid om even voor me te poseren.  Ze hadden het veel te druk met het elkaar achterna zitten. Verderop, bij het bruggetje, waren lui aan het kanoën – als dat hier usance wordt, zeg dan maar dag met je handje tegen de juffers.

Herkauwend vee bij de Beslotenveenseweg:

Bij Blankeweer: schaap kruipt onder overbodige ruif:

Eelderwolde: man ligt dwars over steigertje en schraapt bodem af met een netje dat hij regelmatig controleert. Jeugd kijkt belangstellend toe:

Wat zou hij kwijt zijn? Zijn trouwring? De sleutels van zijn huis?


”Wij lopen al hard naar 1951″

De Ranja-expositie bij de Groninger Archieven trekt ook bezoekers die wat meenemen. Zoals iemand die een halve eeuw geleden bij CP werkte en sindsdien altijd dit nieuwjaarskaartje van zijn oud-werkgever bewaard had:


Kakelbont A-kerkportaal

Ik ben er nog niet weer langsgekomen en weet dus niet of het al veranderd is – ik denk van niet, want bouwvakvakantie – maar dik een week geleden was een poort aan de zuidkant van de A-kerk in maar liefst 7 of 8 verschillende poep- en piestinten geschilderd.

En dat niet overal even precies.

Ik denk dat het proefstrookjes zijn en dat de kerkvoogden de juiste tinten nog moeten bepalen.

Of nee, dat hoop ik.


Blauwe knopen

Zoals ik zei mikte C. Polak Gzn. in 1920 met zijn nageltjenieuwe product Ranja vooral op geheelonthouders. Vlak na de Eerste Wereldoorlog was de geheelonthoudersbeweging zeer sterk, zo sterk dat er in Groningen ettelijke alcoholvrije, oftewel ‘droge’ kroegen van dit publiek konden bestaan.

Een geheelonthouder viel te herkennen aan de spreekwoordelijke blauwe knoop. Dat kon een broche  zijn of een reversknop. Het RHC Groninger Archieven beschikt over een aantal exemplaren en het idee bestond om deze bij de Ranja-expositie in te zetten. Uiteindelijk is daarvan afgezien omdat het teveel een afleidend zijpad zou zijn.

Voor zijpaden is een weblog echter zeer geschikt. Daarom hier die blauwe knopen.

Broche van de socialistisch georiënteerde jeugdbond voor onthouding (JVO), die bekend is van camping Us Blau Hiem in Appelscha (waar tegenwoordig bier wordt verkocht, al schijnt men dat weer niet op bepaalde plekken op te mogen drinken):

Reversknop van oudste club, de NV (1842) oftewel de Nederlandsche Vereeniging tot Afschaffing van Alcoholhoudende Dranken, die in 1962 opging in de ANDO:

Reversknop voor het 25-jarig lidmaatschap van de NV:

Speldje van de Algemene Nederlandse Drankbestrijdersbond ANDO die bekend is van het  blad  ‘Nuchter Bekeken‘:

RHC Groninger Archieven, archief  Jonge Bouwers van de afdeling Groningen van de Jeugdbond voor
Onthouding 1930 – 2000 (toegang 2511) inv.nrs. 194-197.


De Grouwelderij en het water

Dankzij een bouwdossier van de vroegere gemeente Noorddijk heb Ik weer een kleine aanvulling op het thema Grouwelderij.

Al eerder vertelde ik dat de Grouwelderij na 1921 geen herberg bleef en dat Jaap Nienhuis en vrouw het voorhuis in 1936 geheel lieten  vernieuwen. Die verbouwing had nogal wat voeten in de aarde, onder andere doordat de burgemeester van Noorddijk in hoogst eigen persoon de eerste tekening afkeurde wegens de ramen die in de topgevel gedacht waren.

Volgens de bouwvergunning van 20 augustus 1936 kwamen die er inderdaad niet meer in. Aardig aan de bijgevoegde blauwdruk is, dat deze zowel de oude als de nieuwe voorgevel weergeeft. Oud:

Nieuw:

Volgens Reinie, de dochter van Jaap Nienhuis en Engel Bierling, was de verbouwing noodzakelijk omdat het metselwerk van de oude woning niet meer goed was. Vanaf zijn bed kon haar vader een steen uit de muur lichten en zo ’s ochtends met zijn hand voelen wat voor weer het buiten was, nat of droog.  Gedurende de verbouwing woonde het gezin op de achterdeel en in de stookhut. Die stookhut, ooit een stille knip, had anders ook wel een woonfunctie, vooral in de zomerperiode tot in het najaar.

Opmerkelijk aan de bouwvergunning vond ik vooral de regenwaterbak van 3000 liter. Kennelijk was de Paddepoelsterweg in 1936 als onrendabel gebied nog niet aangesloten op de waterleiding.

Volgens Reinie zwom er in die regenwaterbak wel eens een kikker rond. Dat had ook een voordeel, want al kwam het regenwater vanaf het dak door een filter van kiezels of cokes, er lag natuurlijk wel eens blad in de dakgoot en dan kon het maar zo gebeuren dat er een wormpje of zo meekwam met het regenwater. Zo’n kikker in de bak vrat zulke beestjes dan op.

Bij de boerderij zat ook een put waar je het water met een emmer uit op kon halen. Maar aan de Hereweg, waar de Nienhuizen eerder op een koemelkerij zaten, waren ze kristalhelder en zeer goed smakend water uit het zand gewend geweest. Aan de Paddepoelsterweg daarentegen, met zijn bodem van klei op knipklei, was de smaak van het water  “flauw”, bijna brak.

Het water uit de regenwaterbak en de put werden nog wel geschikt geacht voor wassen en schoonmaken, maar niet voor koken en drinken. Dat consumptiewater nam haar vader, die met melk in de stad ventte, op zijn terugreis in een melkbus mee van zijn broer aan de Moesstraat, waar ze wel al waterleiding hadden.

De bouwvergunning uit 1936 stipuleert ook: “De afvoer van faecaliën zal plaats hebben door middel van emmer of ton”.  Dat gebeurde op veel meer boerderijen, zelfs nog tot enkele decennia geleden. Als de emmer of het tonnetje vol was, werd die gewoon omgekieperd op de mestbult.

Pas in de jaren vijftig of zestig zou de Grouwelderij waterleiding krijgen. De riolering langs de Paddepoelsterweg liet toen nog enkele decennia op zich wachten. Het had zelfs niet veel gescheeld, of die was er helemaal niet gekomen.

Bronnen:
– RHC Groninger Archieven, bouwdossier Noorddijk 1936-09 (vindbaar bij 1936-61)
– Gesprek met Reinie Nienhuis, vanmiddag.


Onze Ranja-expositie op TV Noord

Het item staat nu ook op YouTube:


Vanavond in de Graanrepubliek


Vergistersterrein was pastorieland

Het beklemde land uit het huurboekje van Van S. blijkt inderdaad voor te komen op staten die tussen 1874 en 1947 opgesteld zijn van het pastorieland in Hoogkerk. Het huurbedrag van ƒ 102,50, de namen van de huurders èn het betalingstijdstip (Midwinter) komen overeen met die uit het huurboekje. Omdat bij nader inzien ook in het huurboekje zelf de naam pastorieland wel eens valt, moet het dus inderdaad om pastorieland gaan, zoals ik na een snelle inspectie al vermoedde.

Op de staten van 1874 tot 1947 heet het land 17 grazen groot. Op een oudere staat, uit 1837, komt een dergelijke lap grond nog niet voor.  Wel huurde toen een wed. Izaak Izaaks Leutscher 31 grazen pastorieland, waarvan ik vermoed dat deze tussen 1837 en 1874 opgesplitst is in lappen van 17 en 14 grazen, waarbij een nieuwe, tweede boerderij, die later het eigendom werd van Van S., de beschikking kreeg over de 17 grazen.

Kijken we naar het grondgebruik ter plaatse van Izaak Izaaks Leutscher rond 1830, ten tijde van het eerste kadaster, dan zien we dat dit zich ten westen van het Aduarderdiep afspeelt in het westelijke deel van een wig tussen de kerk van Hoogkerk en het nog niet gekanaliseerde Aduarderdiep. Ten noorden vormen een sloot, en ten zuiden het Hoendiep de grenzen van die wig.  Op het onderstaande kaartje, ontleend aan HisGis, is dit land  ingekleurd met geel, terwijl ik de noord- en de zuidgrens markeerde met oranje:

Van S. en zijn voorgangers uit het huurboekje hadden de noordelijke, grootste helft van het gele gebied tot hun beschikking. Samen met de zuidelijke, kleinste helft, gaat het om ruim 12 hectare, wat inderdaad overeenkomt met 31 grazen. Al het geel ingekleurde land was dus rond 1830 inderdaad nog pastorieland.

We gaan nog wat verder terug in de tijd. Op een lijst met pastoriegoederen uit 1773 staat een boerenplaats bij het verlaat – waarmee het Kinderverlaat wordt bedoeld. Op de kadasterkaart van rond 1830 is dat de enige boerderij op het met geel gemarkeerde pastorieland. Beklemde meiers van dit bedrijf waren in 1773 ene Klaas Andries (Zuidhoff) en zijn vrouw, die het goed in beklemming huurden voor het ronde bedrag van 50 gulden per jaar, met nog een “geele kaas” toe. Een  dochter van deze Klaas Andries trouwde in 1816  met Izaac Izaacs Leutscher, en daarom denk ik dat ik met die Klaas Andries de voorlopig oudst bekende meier van het bedoelde pastorieland te pakken heb.

Kijken we nog even naar de wig tussen de kerk en het Aduarderdiep – van het oostelijke gedeelte blijkt de noordelijke, grootste helft rond 1830 eigendom van de kerk. Het is dus kerkeland. Van de zuidelijke strook langs het Hoendiep, rond 1830 particulier bezit, herinner ik me echter, dat zeepzieder Franke die in de 18e eeuw pachtte of kocht van de kerk. Daarom denk ik dat het hele oostelijke deel van de wig kerkeland is geweest. Als die gedachte klopt, dan was de algehele wig – pastorie- èn kerkeland – vanouds in kerkelijke hand, wellicht al vanaf de Middeleeuwen. De ook in een ruimer kaartbeeld opvallende noordzwet van de wig, die mooi aansluit bij de meander van het Aduarderdiep, kan ten tijde van de ontginningen wel eens een belangrijke rol hebben gespeeld.

Het land waar nu de vergisters van de suikerfabriek verrijzen, heeft zo meer geschiedenis dan men zou denken. Die vergisters mogen dan tabula rasa maken van de omgeving, daarmee is haar geschiedenis nog niet uitgevlakt.

Bronnen (RHC Groninger Archieven):
– Archief kerkvoogdij hervormde gemeente Hoogkerk (toegang 1569) inv.nr. 300 (staten pastorieland)
– Archief Staten van Stad & Lande inv.nr. 847 (staten en inventarissen van kerkvoogdij-, pastorie-, en kosterijlanden Westerkwartier) No. 10 Hoogkerk en dan het lijstje met pastoriegoederen (1773).


Groningerlandsland

Een rare veldnaam vind ik het eerst, dat ‘Groningerlandsland’ voor een stuk hooiland in de gemeente Hoogkerk, anno 1856. Al het land onder Hoogkerk is immers, goed beschouwd, Groningerlandsland. Het ligt toch allemaal in Groningerland – de naam duidt geen onderscheidende kwaliteit aan, denk je.

Tot je je bij herlezing van de advertentie realiseert dat de verkopers een boer en zijn broer uit Een zijn, een gehucht dat nog net in Drenthe ligt, vrijwel op de grens met Friesland. Groningerlandsland moet voor deze Roelf en Berend Meelker de voor de hand liggende manier geweest zijn om hun waarschijnlijk énige stuk land in Groningerland aan te duiden. In Hoogkerk zal niemand die naam voor dat land hebben gebruikt.

De implicatie hiervan is, dat een veldnaam behoorlijk exclusief en particulier kan zijn. Wat voor de een het vastgoed kenmerkt, spreekt voor een ander zo vanzelf, dat die alleen een andere naam kan hebben gebezigd, als hij daar tenminste belang of interesse bij had.


Onbestendig bij Hoogkerk

Ik was eigenlijk van plan om de kerk van Ezinge eens van binnen te gaan bekijken, want ons was vanmiddag mooi weer beloofd. Bij de Legeweg echter, werd dit het perspectief…

…dat me rechtsomkeert deed maken. Bij Leegkerk keek  ik nog eens achterom:

Zoiets heet – geloof ik – een rolwolk. Ik bleef droog, besloot me niet al te ver van huis te wagen en belandde, terwijl de zon weer even scheen, op de Peizermade, waar deze acrobaat voorbijkwam:

Een Weissenbruchje:

Met in de verte het mooi uitgelichte cruiseschip van beurzensverstrekker DUO:

Een konvooi meerkoetjes:

Plantaardigheden:

Tot slot een buizerd die op wegvloog toen ik met mijn fiets op het doodlopende, zuidelijke stuk van de Langmadijk om de hoek kwam. Hij landde op een paaltje 300 meter verder en blijkt een omgekeerd vredesteken op de borst te hebben: