Esser veldnaam Kloes wijst op kluizenarij
Geplaatst op: 29 februari 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Veldnamen 9 reacties
In mijn stukje over het veldnamenlandschap van Essen moest ik iets in het midden laten. Want uit streektaal-woordenboeken en het WNT kon ik maar niet gewaar worden wat die veldnaam Kloes of Kloese betekende. Daarom schreef ik Rudolf Ebeling, gepensioneerd naamkundige van de RUG, en legde hem de vraag voor:: “Heeft u misschien een idee?”
Inmiddels weet ik dankzij hem wat dat Kloes betekent. Achteraf verbaast het me dat ik
er zelf niet op kwam, want ik zat er al zo dichtbij, dat het bijna niet te missen viel. Het betekent inderdaad: kluis. Ebeling wees me namelijk op het middelnederlands clûse of kluse voor: kluis, kluizenarij of bergengte. En aangezien die laatste woordverklaring hier bij gebrek aan steile hellingen niet in aanmerking komt, blijven de twee eerste over.
Volgens het Middelnederlandsch Woordenboek dat de Taalbank op internet zette, verbreedde de betekenis van cluse zich weliswaar tot elke afgesloten ruimte, maar was de eerste en voornaamste betekenis toch:
“Kluis, het eenzame en afgezonderde verblijf eens kluizenaars, kluizenaarshut, monnikskluis.”
Afgaande op de veldnaam Kloes of Kloese, die Wieringa er in de jaren 1970, 1980 noteerde, heeft er achterop het terrein van het klooster Essen, op de grens van de bewoonde wereld met de laaggelegen wildernis ten oosten van het klooster, waarschijnlijk een kluis van een kluizenaar gestaan. Of beter: van een kluizenares, want dat lijkt meer in overeenstemming met het vrouwenklooster hier.
Tussen de middag sprak ik er even over met Jan van den Broek, mediëvist en oud-stadsarchivaris, en hij wees me op een kluizenaar in het Hareholt, die vanaf 1479 een flink stuk Hereweg voor de stad Groningen onderhield (d.w.z. de al te diep ingereden wagensporen dichtmaakte) en in ruil daarvoor de beschikking kreeg over een huisje, twee koeien, een paard en een stortkar, met nog 12 gulden toe.
Het fenomeen kluizenaar was hier in de omgeving dus niet onbekend. In de stad Groningen had je een kluizenares, die de Martinikerk de arm van Sint Jan bezorgde, een kostbaar reliek, waar de Groningers eer mee inlegden en hun stad toeristen mee trok. Bovendien woonden er kluizenaars bij de dorpskerken van Usquert en Stitswerd.
Intussen blijkt uit het voorbeeld van de kluizenaar uit het Hare- of Harenerholt, een bos aan de noordkant van het dorp Haren, dus dichtbij Essen, dat niet alle kluizenaars (m/v?) zich lieten inmetselen. Sommige hadden kennelijk werkzaamheden buiten de deur.
Nog iets over de verspreiding van toponiemen als Kloes, Kloese of Kluse – volgens Ebeling is het vrij zeldzaam, al komt het in Noordwest-Duitsland wel iets vanker voor dan in Noord-Nederland:
“Vroeger zag ik wel eens langs de B70 in het Emsland een plaatsnaambord KLUSE, en ook bij Varel, Landkreis Friesland, is er een KLUS, waarvan bekend is dat “hier früher eine Klause” stond. Uit Westfalen zijn enkele veldnamen KLUSE bekend. Een Westfaals kluse was niet overal een complete kapel, maar kon ook een eenvoudig processiehuisje of -kruis zijn.”
Dat het toponiem in een streek als Westfalen vaker voorkomt dan in Noord-Nederland, lijkt geen wonder. In Noord-Nederland maakte de calvinistische reformatie rond 1600 een eind aan het kluizenaarswezen, terwijl de praktijk in het overwegend katholieke Westfalen nog wel even kon voortbestaan. Daar kreeg het toponiem, kortom, meer kans om te beklijven.
Café van Lunzen, Havelte
Geplaatst op: 28 februari 2012 Hoort bij: autobio, Drenthe vrogger 2 reacties
Deze ontbrak in mijn verzameling Havelter horeca. En dat terwijl ik hier op mijn vierde eens aan dat terrastafeltje aan de rechter kant zat. Mijn vader tracteerde me op ranja, terwijl hij iets besprak met meneer Van Lunzen, zijn klant. Beide waren vrolijk, het was een mooie voorjaarsdag, met misschien iets teveel wind. Mijn broertje Bert was er niet bij. De bont gekleurde vlaggen wapperden er lustig op los. Op die vlaggen en de parasols stond: ‘ Hero Perl, vloeibaar fruit ‘.
Het café ging begin jaren zestig dicht. Eind jaren zestig, op mijn veertiende, vijftiende, woonde er een vriend van me in het gebouw, de kleinzoon van meneer Van Lunzen. Diens vader, de schoonzoon van meneer Van Lunzen, was sergeant in de legerplaats even verderop. Mijn vriend kon veel beter voetballen dan ik, veel beter schaatsen en veel beter meisjes versieren, maar zwijmelde tot mijn afgrijzen weg bij Du, hoewel hij Paranoid toch ook super vond. Hij ging in Steenwijk naar school, ik in Meppel. In Steenwijk was hij bevriend met een wat oudere Indische jongen, waar ik ook wel eens thuis geweest ben. Die jongen zijn vader was een hoge ome: majoor. Die jongen trok een kastdeur en daar hing een uzi. Zoiets maakte wel indruk.
Om op Café van Lunzen terug te komen, tot mijn grote verrassing staat het gebouw op de provinciale monumentenlijst van Drenthe. Het wordt van belang geacht om de kwaliteit van het ontwerp in de relatie met zijn omgeving, en als gaaf voorbeeld van wederopbouw-architectuur, in het bijzonder voor horeca.
Op de net gelinkte pagina over het pand staat een uitgebreid stuk over de voorgeschiedenis, waar ik als jongen nauwelijks benul van had. Eerder stond op deze plek een boerderij-café, met een veranda ertegenaan, waar meneer Van Lunzens ouders vanaf begin 20e eeuw de uitbaters van waren. Er bevond zich toen nog een heel dorp omheen: Darp, de kern van het oude Westerhesselte. Het boerderij-café moest net als de rest van dit dorp in 1944 wijken voor een Duits vliegveld. Terwijl het oude Darp na de oorlog niet mocht herrijzen, was Van Lunzen zo eigenwijs om een Duitse barak op zijn grond neer te zetten, eerst een exemplaar van de luchtafweer (FLAK), en later een exemplaar waarin een bunkerbouwer zijn personeel in had ondergebracht. Het stuk rept in beide gevallen van “keet”, en inderdaad kan je Café van Lunzen in de eerste na-oorlogse jaren het beste nog vergelijken met een hedendaagse zuipkeet, qua verschijning..
Door de komst van de legerplaats, even verderop, begon meneer Van Lunzen goed te boeren. Eind 1952 besloot hij tot nieuwbouw, in de anderhalf jaar daarna maakte de Duitse barak plaats voor het ontwerp van Piet de Groot, tevens de gemeentearchitect van Havelte. Het gebouw (zie het suikerzakje) doet met zijn grote en hoge raampartijen, die veel licht toelieten, sterk denken aan scholen uit die periode, maar door zijn hoog oplopende lessenaarsdak ook wel aan benzinestations van toen. Door het stuk herinner ik me nu weer dat het terras inderdaad een halve meter boven het gazon lag, en dat het muurtje dat de terrasgrond tegenhield bestond uit veldkeien.
Volgens het stuk sloot Café van Lunzen in 1962 zijn deuren. Het noemt geen oorzaak of reden, maar ik heb zo’n vermoeden dat de concurrentie van de militaire tehuizen het café de das om heeft gedaan. Meneer Van Lunzen werd kantonnier. Ik denk dat hij net iets te vroeg zijn horeca-handdoek in de ring gooide, De loongolf kwam eraan. Hero zou het als merk nog goed doen.
Het veldnamenlandschap van Essen
Geplaatst op: 27 februari 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Veldnamen 9 reacties
De veldnamen van Essen, zoals Wieringa die in de jaren zeventig optekende, geprojecteerd op de kadasterkaart van omstreeks 1825, zoals HisGis die ons biedt.
Centraal op het kaartje de Olle Hof, waarmee bedoeld wordt het ooit geheel door een gracht omgeven, rechthoekige terrein van het middeleeuwse klooster Yesse. Ten tijde van het eerste kadaster staan er drie boerderijen op dat terrein. De meest zuidelijke boerderij, de Hemmesheerd, staat buiten de voormalige kloosterhof, net als een noordwestelijk gelegen boerderij.
Op het kloosterterrein wordt de grond in 1825 voornamelijk benut voor moestuinen (paars) en boomgaarden (middelgroen). Voordat hier in 1215 een klooster kwam, lag er al een es (bouwland) met een gehucht, zo bleek vorig jaar bij een opgraving. Het klooster bracht waarschijnlijk de tuinen, die er in 1825 nog steeds zijn, zij het niet noodzakelijkerwijs op dezelfde percelen. De twee witte stukjes bouwland op het oude kloosterhof zullen ook nog wel relatief vruchtbaar zijn, maar dat geldt wellicht wat minder voor het centraal achterop het terrein gelegen, lichtgroen gekleurde stuk weiland. Hoeveel steen zit daar in de grond?
Kijken we naar het gebied rond de Olle Hof, dan valt ten eerste een strook geelgekleurde hooilanden op. Dit zullen de laagste en drassigste gronden zijn geweest, en de veldnamen De Zulten en De Onlanden duiden er ook op dat dit niet de duurste grond was. Zult betekent: zout, zilt. Misschien kwam er wel eens zout water over De Zulten, misschien was de grond hier op sommige plekken zelfs nog ziltig. Teysinga noteerde omstreeks 1730 ter plaatse van de Onlanden dat het “gemeen”” (= gewoon), respectievelijk “leeg” (laag hooiland was waar “veel pijpgras“” groeide, dat is een plant die veel van water houdt. Afgezien van het winnen van hooi of het weiden van vleesvee of paarden kon je dus weinig met de Onlanden beginnen. Ik vermoed dat Zulten en Onlanden en de tussenliggende gele percelen samen de westgrens van de middeleeuwse es markeren.
Ten noorden van de Olde Hof zien we verder een Zwienven – een laaggelegen weiland waar zwijnen hun gang mochten gaan -, Molenmaten en een Molensloot. Op de kaart van Teysinga uit 1730 heet die sloot nog De Olde Schipsloot, er was dus ooit een (bescheiden) scheepvaartverbinding met het Schuitendiep (nu Winschoterdiep), en/of eerder misschien met de Hunze. Die scheepvaart werd onmogelijk toen er bij de uitmonding van de sloot op het Schuitendiep een watermolen kwam, die het water van de laaggelegen Esser landen moest lozen. Vandaar de naamsverandering van de sloot. Overigens kan der naam Molenmaten ook slaan op een korenmolen, die ooit op de grens van Helpman en Essen stond. Ten noorden van De Zulten noteerde Wieringa een Meulenbaargien, daar moeten we die molen situeren.
Ten oosten van de Olle Hof lagen er diverse kampen: de Noorderkaamp, twee Zuderkaampen, een Hoogkaamp en een Rieskaamp. Een kamp behoorde niet tot de oorspronkerlijke es, maar was er een uitbreiding van. Als de kampnamen inderdaad oud zijn, dan hebben we hier de oostgrens van de middeleeuwse es te pakken. Op de Rieskaamp werd rijshout opgekweekt voor vlechtwerk – bijvoorbeeld in wanden – of aanwending op tuinen. De Kooikampen verwijzen naar een eendenkooi, waar waterwild een soort fuik ingedreven werd. Ook zo”n eendenkooi kon je van van rijshout bouwen – als lokatie komt vooral het donkergroene bosje op de rand van de kaart in aanmerking.
Interessant is een wat hoger gelegen strook grond tussen de Noorder- en de Zuiderkampen, die mogelijk ooit de Middelkamp(en) heette. Van west naar oost zien we daar staan: Roggenstukkies, Ruivenstukkie en Kloes (volgens Wieringa ook wel Kloese). Op de Roggenstukkies zal rogge verbouwd zijn en op het Ruivestukkie de beroemde Hoarender knollen, ruiven of roefies, kleine gele herfstknolraapjes die in het Groningse ooit als een delicatesse golden. Wat een Kloese was heb ik nog net mogen ontdekken, maar waarschijnlijk hangt de naam samen met kluis en close, en moeten we er ons een dichte omheining bij voorstellen.
Tot slot nog weer even terug naar de Olle Hof – op het noordoostelijke deel daarvan tekende Wieringa de veldnaam Hoppentoene aan, en daar zal dus ooit hop verbouwd zijn, voor verwerking in bier. Vooral Peize stond bekend om de hopteelt in de 17e en 18e eeuw, maar ook elders in de omgeving waren er wel hoptuinen. Overigens is dit wel de eerste keer dat ik iets van deze teelt in Groningerland bespeur.
Zie verder: Esser veldnaam Kloes wijst op kluizenarij
Rondje Eelde, Glimmen, Haren en stad
Geplaatst op: 26 februari 2012 Hoort bij: Drenthe, Onlanden, Stad nu 7 reactiesPeizermade, iets na tweeën:

Rommelig hoekje bij de Hooiweg onder Eelde:

Op de Hoofdweg voorbij het centrum van Eelde, vlakbij zalencentrum De Waterburcht haalde een groep motorrijders mij in, eerst drie of vier in een normaal tempo en vervolgens eentje op een afstandje erachteraan, wat sneller. Ik baalde, want waar motoren zijn hoor je geen vogels meer. Ze waren al uit zicht, toen er een flinke klap klonk. Bleek die laatste? tegen het asfalt gesmakt. Toen ik er aankwam, waren een automobilist en de leden van zijn groepje gelukkig al dicht bij hem. Hij lag te kronkelen en te kermen van de pijn, heeft mogelijk een arm of een been gebroken. Ik denk dat hij was geschrokken van die auto van rechts en het stuur omgooide, met dit als gevolg. Meer foto’s dan deze ene (nu gecropte) durfde ik niet te maken, ik voelde me een voyeur en ben vrij snel verder gefietst:

Molensteen bij een dam aan de Molenweg onder Eelde:

Schotse Hooglander bij de Esserweg:

Aan de Helperzoom een enorme bouwput wegens de aanleg van het nieuwe station Europapark, waardoor er negen dagen geen treinen rijden vanuit Groningen richting Assen en Winschoten:

ProRail maakt van de gelegenheid gebruik om bijna het het sporenstelsel langs de (Verlengde) Lodewijkstraat te vervangen, inclusief het kiezelstenenbed:

Op de Peizerweg een kudde poneys, die van de kinderboerderij in het Stadspark naar een weiland werd gebracht:

Kluinkoppen
Geplaatst op: 23 februari 2012 Hoort bij: Stad toen 11 reactiesStad-Groninger carnavalsverenigingen heten Vloertrappers of Trefplonzers. Die namen hebben geen enkele traditie en ik kan me voorstellen dat namen die dat wel hebben, zoals Mollebonen of Klokkedieven, wegens hun culinaire karigheid of vermeend criminele inslag niet in aanmerking komen, maar constateer toch met enig leedwezen dat de carnavalsclubs een kans hebben laten liggen, want ze hadden zich met evenveel historisch recht als groot plezier Kluinkoppen kunnen laten noemen.
Dat ze het niet deden, tekent evenwel de teloorgang van deze oude bijnaam voor de stadjers. Toen de Westerbroekster dominee Laurman in 1822 zijn bijdragen over de Groninger tongval te boek stelde, leefde dat kluinkoppen nog volop als scheldwoord (p. 37). Sindsdien is het verdwenen, met de kluin, het Groninger bier. In de kolommen van het Nieuwsblad van het Noorden, voor zover die nu op internet staan, treft men het woord bijvoorbeeld niet aan.
In de jaargang 1804 van het (Groningse) Weekblad tot Nut van ’t Algemeen (niet op internet) wijdde Mattheus van Heyningen Bosch, alias Burgerhart, er nog een stukje aan. Volgens hem was het een naam die Nederlanders in het algemeen, maar in het bijzonder Friezen, Geldersen en Hollanders aan Groningers gaven. Friezen zouden er een handje van hebben om een Groninger voor de voeten te werpen: “Dou biste maar ien Groninger kluinkop”.
In Burgerharts tijd werd nog wel wat kluin gedronken, en voor de naamsverklaring kon hij dus gemakkelijk verwijzen naar dit “zeer krachtig , koppig en smaaklyk bier, dat alleen in deze stadt gebrouwen wordt, en voorheen wyd en zyd verzonden wierd”. Groningers waren ooit “grote liefhebbers” van dit straffe bier geweest en konden er “een aardig schepje” van op –
“En dat de Groningers ten dezen opzigte een zeer goede smaak hadden hebben de Nederlanders en vooral de Friesen (…) duidelyk beweezen. Immers wordt het veerschip, dat alle donderdagen van Groningen op Leeuwarden, vice versa, vaart, om de groote menigte kluin, die daarmede in vroegere dagen naar Friesland, en van daar naar elders vervoerd wierd, tot heden toe het kluinschip, en deszelfs schipper de kluinschipper genaamd.”
Dat “vroegere dagen” geeft intussen aan dat er een flinke achteruitgang in de kluinconsumptie plaatsvond. Burgerhart meende zelfs dat de Groningers van zijn tijd al nauwelijks meer de naam kluinkoppen konden dragen, aangezien ze hun bier sinds eind 17e eeuw meer en meer vervingen door koffie en thee, en sinds enkele decennia tevens door wijn. Vooral op dat decadente vocht uit het Rijnland en Frankrijk had hij ’t niet begrepen:
“De burger, die eertyds met zyn kluinkannetje by zich, onder zyn wyf en kinderen de lange winter-avonden zoo vergenoegd als een koning by eigenen haard versleet, terwyl hy met een goed vriend een dammetje zettede, en ten tien uure, met de burgerklok, te rikke ging, gaat thans in het koffyhuis eene flesch wyn drinken, speelt een kaartje, en komt eindelyk berooid van hoofd en beurs om middernacht te huis, terwyl vrouw en kinderen niet zelden aan de noodigste behoeften gebrek lyden.”
Onze zegsman lijkt dan ook terug te verlangen naar een tijd dat er überhaupt geen koffie en thee en nauwelijks wijn was. Tegenover het decadente heden zet hij een zuiver verleden, waarin dat kluinkoppen ook geen scheldwoord kon zijn, maar een erenaam was. Aan hun bier dankten de Groningers van weleer “hunne dikke billen en ronde koppen” en bovendien een “blos der gezondheid op de koonen”, en vanwege “dezen drank en hun gezond voorkomen” werden ze, in een tijd dat ze nog “welvaarende en gelukkig” waren, door hun naburen kluinkoppen genoemd.
Burgerharts opvatting van kluinkoppen als erenaam, houdt echter allerminst stand tegen de toets der historische kritiek. In De bisschop voor Groningen, een satirische tragikomedie die kort na 1672 gemaakt werd, dus in een tijd dat de Groningers nog volop hun kluin dronken, komt de term kluinkoppen namelijk al voor. Dat gebeurt om precies te zijn in het derde bedrijf, acte 3 van het stuk, als de soldaten van Bommen Berend en de Groninger burgers elkaar vanuit hun loopgraven en bolwerken voor alles en nog wat beginnen uit te maken. Het eerste scheldwoord dat de Groningers dan door de Munstersen toegevoegd krijgen, is, u raadt het al: kluinkoppen.
1955
Geplaatst op: 21 februari 2012 Hoort bij: Geschiedenis 18 reacties



De nieuwe plaatjes-uploader van WordPress mag als de zoveelste blijmoedige software-mislukking worden beschouwd. Kan geen diaserie meer maken, plaatjes moeten er een voor een in, en dan bepaalt WordPress wel even op volkomen willekeurige wijze de volgorde voor je. En waarschuwen dat ze de zaak overhoop gehaald hebben, is er natuurlijk weer niet bij. Want als software-ontwikkelaar weet je alles beter en ben je zo autistisch dat je nooit hoeft te communiceren.
Willy Weits en zijn hammond-orgel
Geplaatst op: 20 februari 2012 Hoort bij: Muziek, Stad toen 8 reactiesIk heb hem in de jaren negentig wel eens zien spelen bij een jubileumreceptie van de Ouderen Soos Oosterpoort (OSO): nostalgische melodieën uit de jaren ’50 op een hammond-orgel, met een verticale bas en kwastjesdrums ter ondersteuning erbij. Niet bepaald mijn muziek, maar ik kan genieten van genietende mensen en heb het vast glimlachend gadegeslagen.
Voor Willy Weits (1930-2004) zal het een van de vele schnabbels zijn geweest. De man schnabbelde werkelijk net zo vaak als Loutje Leeuw tegenwoordig. Ook die doet aan nostalgie, maar dan van een wat een latere periode. Zo schuift alles op. Voor je het weet zit je op de bejaardensoos te rocken op Loutjes deunen.
Terug naar Willy. Diens carrère in de muziek begon zo ongeveer rond 1950, toen hij hier in Groningen als “accordeonvirtuoos” bars en dancings als De Pijp en De Corner bespeelde. Hoewel in 1952 noordelijk kampioen op de accordeon – je had er toen nog wedstrijden in – stapte hij niet lang daarna over op hammond-orgel en dat instrument bleef hij, ondanks latere uitstapjes naar o.a. de synthesizer, zijn verdere leven trouw.
In de jaren vijftig en zestig luisterde hij er menig feest mee op, van de Bond van Melkhandelaren tot de Reünisten van Beatrixoord. Maar hij kwam er ook vaak mee op de radio. Om te beginnen natuurlijk bij de Regionale Omroep Noord (RON), waar hij een vast contract had. In 1966 volgde hij bij de VARA “meneer ” Cor Steyn op – een hele eer! – en nog weer later kon je hem zelfs op de BBC horen spelen. Maar getuige de krantenstukjes bleef hij toch ook altijd in Groningen wonen, vandaar dus dat ik hem op die bejaardenclub in bezadigde actie kon zien.
Willy Weits overleed in 2004, maar een paar jaar voor zijn dood maakten cameraman Tjerk Bekius en interviewer Mieneke Zevenberg behoorlijk wat filmopnamen van hem, in de bedoeling er, gelardeerd met interviews met derden, een documentaire uit samen te stellen. Het project raakte in het slop, maar nu willen Bekius en Zevenberg het graag alsnog weer oppakken èn voltooien. Aan mensen die meer over Willy Weits weten te vertellen, daarom het vriendelijke verzoek zich aan te melden bij Mieneke.
De laatste korhoenderjacht
Geplaatst op: 19 februari 2012 Hoort bij: Geschiedenis 4 reacties
Berichtje uit de Friese Koerier van 13 januari 1955 toont aan dat er toen nog op korhoenders gejaagd werd vlakbij mijn geboortedorp. Het is op heden tevens het laatste berichtje in de krantenbank van de KB, dat het woord korhoenderjacht bevat.
Het korhoen staat als “ernstig bedreigd” op de Nederlandse rode lijst. In 1960 waren er nog enige duizenden hanen, in 1976 nog 400, de laatste jaren hooguit enkele tientallen. De korhoenderjacht bestond eind jaren tachtig alleen nog als nostalgisch verhaal op avonden voor ouderen. Een herintroductie van het korhoen in de jaren negentig mislukte.
Kattenconcerten
Geplaatst op: 16 februari 2012 Hoort bij: Kunsten 3 reactiesOok wel op straat, sinds de dooi intrad, maar hier als kunst in koffiereclame, op een prent van Teniers jr., in een tekening uit de school van Hokusai en in een kinderboek van W. Cole. Er is een grote hoeveelheid latere voorbeelden te vinden, maar die zijn me al te braaf.
Oude helden, jonge meesters
Geplaatst op: 16 februari 2012 Hoort bij: Kunsten 2 reactiesOp 18 mei beleeft het Drents Museum de première van ‘Oude helden, jonge meesters’, een documentaire van Buddy Hermans en Lejo Siepe over de generatie figuratieve kunstenaars, die in de jaren zeventig opkwam aan de Academie Minerva te Groningen. Dit is het voorproefje:
Stichters veenbrand gezocht
Geplaatst op: 15 februari 2012 Hoort bij: Drenthe vrogger, Geschiedenis Een reactie plaatsen
Willem de Lille, advocaat, patriots politicus, grootgrondbezitter en een van de rijkste ingezetenen van Drenthe, woonachtig in het pas door hem opgeknapte landhuis Terheijl onder de klokslag van Roden, was niet bepaald blij op vrijdag de 5e juli 1799. Die ochtend stak een groep kerels uit de richting van Een een groot perceel turf in brand op zijn Zevenhuister veenlanden. Ook richtte de groep vernielingen aan. Er was grote schade, en er bestond zelfs even de vrees dat de brand Zevenhuizen zou bereiken.
Waarschijnlijk ging het om een grenskwestie, zoals wel vaker in de venen. In elk geval kreeg de invloedrijke De Lille niet vanzelf te horen wie de daders waren, zodat hij zich vijf dagen later gedwongen voelde om een beloning uit te loven. Zijn advertentie stond alleen in de Ommelander Courant, die in deze regio kennelijk meer lezers had dan de Groninger:
“Alzo moedwillige Lieden, gekoomen van de kant van Een uit het voormalig Landschap DRENTHE, ten getaale van 12, 13, of meerdere persoonen, op vrydag den 5den july ll. des voor de middags tussen 10 en 11 uuren zig hebben onderstaan, in een groot perceel turf, gegraaven uit de verkogte en verhuurde Ter Heylsche Veenen, en staande op des ondergetekende’s eygendommelyker grond op Zevenhuyzen ten westen van de zogenaamde Drentsche gruppel in de jurisdictie van VREDEWOLD, in den brand te steeken, en twee andere kleyner perceelen aan stukken te houwen en te vernielen, zig na het pleegen van deeze brandstigting en geweld wederom derwaards begeeven hebbende van waar zy onverhoeds gekoomen waaren, zonder zig eenigzins meer aan de gevolgen deezer daad te bekreunen, laatende het door hun ontstooken vuur voortbranden, en zig wyd en zyd verspreyden, zodanig, dat niet alleen de oppervlakte eener groote uitgestrektheid van veen daardoor is weggebrand, maar dat ook de korts bezaayde boekweytenveenen, rypende rogge, gestuikte turf en brandzooden, ja de bosschen en wooningen der Zevenhuyster ingezeetenen een ogenschynelyk gevaar geloopen hebben, van by voortduurende droogte, en het omloopen van den wind, te worden aangestookcn, en in de assche gelegd – om welke brandstigters en geweldenaars te kennen niet alleen der JUSTITIE, maar ook den ondergeteekenden, als daar door een enorme schaade lydende, ten hoogsten aangeleegen legt – zo beloofd dezelve by deezen een praemie van VYFENTWINTIG ZILVERE DUCATONS aan den geenen, welke de daaders van dit feyt aan hem zal weeten naamagtlg te maaken, zodanig dat zy daarvan in regten overtuygd, na verdiensten gestraft, en tot schaade-vergoeding aangesprooken zullen kunnen worden. Actum. TER HEYL den 10 july 1799. W. DE LILLE.”
Omgerekend kwamen die 25 zilveren ducatons neer op een kleine 80 gulden, een bedrag waar iemand een half jaar kost en inwoning voor kon hebben. De Lille was dus niet krenterig in zijn premie.
Veenbranden konden dan ook enorme verwoestingen aanrichten In Zevenhuizen zouden ze daar in 1833 eens mee te maken krijgen, maar eerder hadden de meeste veenstreken in het noorden er wel eens mee van doen.
Wat er trouwens gebeurde als zo’n brandstichter gepakt werd, en het gerecht zijn schuld bewezen achtte, heb ik hier al eens beschreven.
In dit geval bleven de daders hoogstwaarschijnlijk buiten schot. Het zwijgen was sterker dan de premie van de havezathebezitter.
De zilverschat van Essen
Geplaatst op: 14 februari 2012 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties
Aldus de Groninger Courant de dato 22 februari 1871. Navraag leverde op dat deze zilverschat van Essen zich niet in de collectie van het Groninger Museum bevindt. Dat heeft weliswaar enkele munten, afkomstig uit Essen, maar die hebben niets te maken met deze schat. De voorganger, het Museum van Oudheden, bestond nog niet en een stedelijke verzameling richtte zich vooral op plaatselijke munten. Hooguit zou een deel van de schat zich nog in particulier bezit kunnen bevinden. Maar omdat de munten onherkenbaar waren, is de kans veel groter dat ze allemal omgesmolten zijn. Hetzij om sieraden van te laten maken voor eigen gebruik, hetzij na verkoop voor de zilverprijs.
Blijft de bewering van die Spanjaard, dat hier ergens in de buurt nog voor een miljoen verborgen zou liggen. Nu niet allemaal tegelijk gaan graven…
.
Behang, 1825
Geplaatst op: 12 februari 2012 Hoort bij: Kunsten 2 reacties
Behangontwerp, Parijs 1825. Meer behangetjes zijn te vinden op de Flickr-site van Jan Willemsen, voila de slideshow.
Haren, Glimmen, Eelde
Geplaatst op: 11 februari 2012 Hoort bij: Drenthe 13 reactiesDit keer 12,5 kilometer gelopen. Voorbij het centrum van Haren de bus uitgestapt en via de Wilhelminalaan, de Westersedrift en de Lutsborgweg naar de Oosterbroekweg onder Glimmen gegaan. Getwijfeld of ik de Drentse A op zou stappen. Durfde dat niet goed aan. Er waren nog geen mensen op geweest en ik had heel veel bomijs in sloten bij het hemrik gezien, zodat ik vermoedde dat er gestroomd was. Dus de snelweg onderdoor, links even gekeken naar de Nikstaart, waar nu een bosje staat, en over de Noordwillemsvaart langs Oosterbroek, Vosbergen en de Duinen naar het centrum van Eelde, waar ik, omdat ik al flink moe was van het banjeren, even in een cafetaria gezeten heb en weer de bus pakte tot de Piccardthofplas. Via de Piccardthof, de Bruilweering en de Madijk naar huis.
Onderweg bij de brug over de Drentse A de camera uit mijn handen laten flikkeren, waardoor de oogzoeker helemaal niet meer werkte en er voor de display een ‘vlies’ deels bleef hangen. Ook zat er iets los in de camera, een schroefje of zo. Desondanks konden er nog nog wel complete foto’s mee gemaakt worden, bleek toen ik thuis de bestanden naar de pc overzette. De pogingen om het vlies weer omlaag te krijgen, resulteerden in kortsluiting, wat dan, denk ik, het einde van deze Konica Minolta zal zijn, al de derde in een jaar tijd.
Leuke ervaring: bij de Vlindertuin op landgoed De Duinen twee spechten die plotseling hoog boven me aan het roffelen slaan. Blijkt dat de Duinen er ook om bekend staat. Memo aan mezelf: deze vlindertuin van de zomer eens bezoeken.





Recente reacties