De Peizermade als Alaska

“Dikwijls zwierven we in de Peizermade, wanneer deze in een groote ijsvlakte herschapen was. Dan voelde je je zoo vrij als in Alaska, ver van de wereld.

Nergens in het binnenland heb ik zulke groote vogeltroepen bij elkaar gezien als daar. Soms waren er eenige honderden wilde zwanen tegelijk, vele honderden ganzen. Wanr nog open water was bevonden zich groote massa’s eenden en zaagbekken. Daar het ijs in de omgeving meestal te zwak was om een mensch te dragen, was het onmogelijk er dichtbij te komen, maar ook op een afstand was het een imposant gezicht.

Over korten tijd zal men dit rijke vogelleven daar niet meer kunnen bewonderen, daar deze made immers een betere afwatering zal krijgen en de gronden zullen worden ontgonnen. Misschien verplaatsen de wintervogels zich dan naar het Zuidlaardermeer, waar trouwens ook vroeger en nu veel Poolbewoners in den winter verblijf houden.”

—-

Bron: F. Koster, ‘Op het ijs’, aflevering in de serie ‘De Levende Natuur’, Nieuwsblad van het Noorden 11 januari 1929.


De Nikstaart bij Glimmen

Vandaag viel me op een veldnamenkaart uit de collectie Wieringa het woord Nikstaart op. Dat is Drents voor windhoos. Op het hier weergegeven kaartfragment staat het perceel linksboven, voor de oriëntatie heb ik het Huis te Glimmen, dat in de omgeving doorging voor Börg, erbij geknipt.

Om precies te wezen staat er Boerhoner Nikstaart geschreven. Zo te zien is het ’t laatste van drie Boerstukkies, waarvan het eerste of meest oostelijke perceel bekend stond als Boerhörn. Waarschijnlijk heeft dit tritsje ‘Boer-namen’ te maken met het gemeenschappelijke grondbezit hier van de boer (of de buren) van Glimmen, ooit. Het belangrijkste toponiem in de omgeving was Mainte (Meenthe), rond 1830 lagen hier nog onverdeelde weidegronden van de Glimmer “marktgenoten”. Deze weidegronden waren vrij drassig, vandaar dat er niet zoveel haast gemaakt werd om ze te verdelen. Er zal geen melkvee hebben gelopen, eerder een kudde schapen.

Of er op de plek van de Boerhoner Nikstaart werkelijk ooit een windhoos te zien viel, is moeilijk te zeggen. De laatste, of meest westelijke van de drie Boerstukkies vertoont een knikje ten opzichte van de andere twee. Daarom kan de naam ook duiden op de plattegrond van de drie percelen tesamen, die lijkt op een geknikte staart, wat de letterlijke vertaling van nikstaart is.

De omgeving is vrij grootschalig op de schop gegaan, de A28 kwam er eind jaren zestig doorheen, terwijl Wieringa hier later een oudere kadasterkaart gebruikte. Maar met behulp van andere kaarten viel de lokatie van de Nikstaart wel op te snorren. Het perceel ligt aan de zuidkant van de Oosterbroekweg, tussen de Noordwillemsvaart en de A28, tegen de grens met Drenthe aan. Deze grens maakt hier trouwens ook een knikje, wat nog weer een andere reden voor de naam zou kunnen zijn. Als je vanaf Haren of Glimmen komend de tunnel onder de snelweg doorgaat, dan krijg  je als je weer boven komt de Nikstaart meteen links.


Winter te Peelo

Voorpaginafoto van Het Noorden in Woord en Beeld, 8 januari 1932.


Winter te Peizermade

Voorpaginafoto van Het Noorden in Woord en Beeld, 15 januari 1932.


De kopschuwe bruid van Pieter Albronda

Begin 1785 logeerde de uit Paterswolde afkomstige, en daar ook gegoede Aukjen Thijsens, weduwe van Hindrik Derks, enige tijd bij Pieter Albronda in de stad Groningen. Ze waren geen familie van elkaar en de rijkere Aukjen (52) betaalde gewoon kostgeld voor haar logies aan haar gastheer Albronda, die wat ouder was dan zij.

Een jaar later begon Albronda een proces, dat pas eind 1788 definitief zou eindigen. Bij dat proces eiste hij, dat Aukjen de trouwbelofte, die ze hem zou hebben gedaan, gestand zou doen.

Een proces waarbij een man zoiets van een vrouw eiste, kwam niet zo vaak voor. Veel vaker was het andersom. In het stereotype geval eiste een bezwangerd meisje, dat haar vroegere geliefde zijn huwelijksbelofte nakwam en haar zou eren door een huwelijk.

Pieter Albronda wilde dus dat Aukjen Thijsens met hem zou trouwen. In de eerste rechtszitting, op 14 maart 1786, ontkende Aukjen dat ze hem hem een trouwbelofte gaf. Aan Pieter om te bewijzen dat ze dat wel had gedaan.

In de belangrijkste, want meest inhoudelijke zitting van het proces, op 4 december 1787 voor het Volle Gericht, bracht Pieter naar voren dat Aukjen bij hem had ingewoond. In die periode had hij “lievde en genegenheid” voor haar opgevat, wat hij haar kenbaar maakte ook. In eerste instantie won ze inlichtingen in over zijn gedrag en omstandigheden, en toen dat allemaal goed leek, had ze zich door trouwbeloften aan hem verbonden.

Helaas voor Pieter mocht Aukjen niet helemaal alleen beslissen. Er waren ook nog mensen die wat van Aukjen te erven hadden, te weten haar kinderen. En die stelden “alle middelen” in het werk, om haar van haar

“wettig engagement af te trekken, het welk dan ook ten gevolge hadde gehad, dat de lievde verkoelde”.

Dat wil zeggen: de liefde van Aukjen, niet die van Pieter. Die drong zelfs nog sterker dan voorheen aan op het huwelijk. Maar tevergeefs, want na veel vijven en zessen hakte Aukjen de knoop door, en zei hem ronduit

“niet voornemens te zijn het huwelijk te voltrekken”.

Pieter probeerde haar huwelijksbeloften te bewijzen met twee getuigenverklaringen. De ene kwam van de koopman Conrad Verver, een vertrouweling van beide voormalige gelieven, en de andere van Catharina Swints, hun dienstbode.

Verver vertelde van de keren dat Aukjen bij hem in de winkel was gekomen en daar gerept had van de trouwplannen. Op 29 januari 1785 was dat voor het eerst gebeurd. Pieter Albronda had haar toen nog maar net ten huwelijk gevraagd en haar gezegd dat ze inlichtingen over zijn persoon en omstandighheden mocht inwinnen bij Verver. De koopman was dus een soort van referentie voor Pieter. Bij dit eerste gesprek met Verver, vertelde Pieters beoogde bruid dat haar kinderen in Paterswolde wilden dat ze haar fondsen door zaakwaarnemers zou laten beheren. Daar had ze niet zo’n trek in, ze voelde meer voor een huwelijk met Pieter, tenminste als Verver een gunstig getuigenis over Pieter kon geven.  Wat Verver uiteraard deed, anders  zou Pieter toch ook niet naar hem hebben verwezen.

Naderhand kwam Aukjen weer bij koopman Verver en vertelde hem dat ze zich “in huwelijks ondertrouw hadde verbonden” met Pieter en dat hun huwelijk voltrokken zou worden als ze wat zaken in de materiële sfeer zou hebben geregeld. Van deze ontmoeting herinnerde Verver zich tevens een relaas van Aukjen,

“dat zij met haar bruidegom over ijs naa Drenthe was geweest, en bij die gelegenheid deerlijk was gevallen.”

Pieter Albronda was de vader van een al volwassen dochter, die ook ging trouwen. Aukjen vertelde Verver hoe ze die dochter enig linnengoed uit Pieters kast verkocht. “Haar bruidegom” was daartegen geweest, waarop zij Pieter had geantwoord:

“Nu olde, hou die maar stille, het is dien dogter en ik hebbe linnen genog, ik wil dien kaste wel weer volmaaken…”

Ook vertelde ze Verver dat haar kinderen niet zozeer tegen het huwelijk op zich waren, als wel tegen een nadelig gevolg voor hen. In de stad zou ze naar Stadswet trouwen, en dat betekende dat ze “haar halve goed zoude verhuwelijken”. Aukje had begrip voor dat bezwaar van haar kinderen, ze vond die nadelige consequentie zelf ook “niet redelijk”, maar door te trouwen op huwelijkse voorwaarden kon die worden voorkomen. Ze verzocht Verver om dit in orde te willen maken.

Verver had liever, dat ze daarvoor een ander zocht en dat werd Artilleriemeester Trip. Deze heer kwam meteen de volgende dag al bij Verver om te overleggen over een concept-huwelijkscontract. Daarin stond dat er tussen de toekomstige echtelieden geen gemeenschap van goederen zou bestaan. Man en vrouw hielden dus hun eigen bezit, alleen voor het huisraad werd een uitzondering gemaakt, dat bezaten ze wel samen. Als de rijkere partner, Aukjen dus, eerder zou komen te sterven, kreeg Pieter voor de rest van zijn leven een toelage uit haar bezit van een daalder of twee gulden per week. Maar haar kinderen mochten dat weekgeld ook afkopen, door Pieter in te kopen in het een of andere gasthuis, waar hij als conventuaal dan voortaan de kost gratis kreeg.

Aukjen kon zich in deze opzet vinden. Verver had het beste met haar voor, zo zei ze, de koopman moest het maar verder in orde brengen.

Bij de uitgebreide verklaring van Verver stelde die van Catharina Swints niet veel voor. Zij verklaarde dat Aukjen, die inmiddels in Peize woonde, haar op 29 januari 1785 had “gehuurd” om Albronda te dienen voor een  loon van 6 stuivers per week (boven de kost en inwoning). Bij dit aannemen als dienstbode had Aukjen tegen Catharina gezegd:

“Gij moet mijn olden man maar goed oppassen, ik zal er u voor betaalen.”

Volgens Pieter vormden de verklaringen van Verver en Swints samen het overtuigende bewijs “dat er waarlijk een engagement tot een huwelijk” tussen hem en Aukjen had bestaan. Van Aukjen hoefden de getuigen hun verklaringen ook niet onder ede te bevestigen. Daar had ze van afgezien en daarom moesten die verklaringen voor waar worden gehouden.

Aukjen was uiteraard een heel andere mening toegedaan. Volgens haar bewezen de verklaringen helemaal niet dat ze een trouwbelofte deed. Want volgen de Stadswet viel zo’n belofte alleen te staven door twee belangeloze getuigen, of een “wettelijke ondertekening van de verloofde perzoon”. En Pieter had noch het een, noch het ander. De beide getuigen die hij wel aanvoerde, hadden die trouwbeloften enkel van horen zeggen. “hetgeen in rechte niets opereerde”. Dat begreep Pieter ook zelf wel, omdat hij in aanvulling op de getuigenverklaringen gevraagd had om onder ede over de zaak te mogen worden gehoord. Bij tussenvonnis van 14 november 1786 was dit verzoek door het Volle Gericht afgewezen, en bij die gelegenheid had Pieter ook erkend dat zijn zaak door de dood van Artilleriemeester Trip er zeer zwak voor stond.

Dat vond het Volle Gericht ook  Het wees Pieters eis af. En hoewel Pieter in hoger beroep ging, waarvoor hij in april 1788 maar liefst negen getuigen opriep, veranderde dat helemaal niets voor het Volle Gericht. Het oordeel van de heren stond vast – zij bevestigden hun eerdere uitspraak. Het huwelijk van Pieter en Aukjen ging definitief niet door.


De kost met burgermanspot

Matthias Broekman was in de kost bij Willem Vlugge, maar had daar op 17 augustus 1730 schoon genoeg van. Die dag vroeg hij voor het Volle Gericht van de stad Groningen ontbinding van hun onderlinge contract over kamerhuur, kost, beddegoed en bewassing, dat anders nog niet geëxpireerd was, omdat het voor een vol jaar gold. Broekman wilde bij Vlugge weg, omdat die zijn belofte niet nakwam om Broekman van “goede spijse en dranck” te voorzien.

Het Volle Gericht stelde Broekman in het gelijk, maar Vlugge gng in hoger beroep en dat diende een paar weken later voor dezelfde rechtbank. Bij de eerste sessie, zo voerde Vlugge aan, was hij uit de stad geweest. Als knokenhouwer (slachter) zat hij toen in Drenthe om schapen te kopen. En omdat zijn vrouw, die weinig van het recht snapte, destijds voor hem op moest komen, had hij die zaak verloren.

Om wat voor reden Broekman de kost opzegde, worden we nu pas gewaar. Volgens het contract zou Vlugge aan Broekman de kost conform een “ordentelijcke burger taefel” verschaffen. Maar daar voldeed de slachter in genen dele aan, want dit is wat hij zijn kostganger naar diens zeggen opdiste:

“…outbacken vlees ’t geene muff en bedorven waer en niet konde verkoopen en dat dagh an dagh sonder de minste toespijse, ja selvs op vastendaagen, als Rooms sijnde, seer sober getracteert wierde, konnende van sulken slegten spijse niet bestaen, als hebbende seedert een geruimen tijt de derdendaegse koortse gehadt.”

Dit verweeer van Broekman, die als malariapatiënt wel wat betere kost kon gebruiken, overtuigde de heren magistraten, die een commissie benoemden welke bepalen moest op hoeveel kostgeld en kamerhuur Vlugge nog recht had.

Dat zal dus absoluut niet het volle pond geweest zijn: 100 daalder of 150 gulden. Juist doordat dit bedrag in de proces-acten genoemd wordt, weten wij wat de minimale kosten van levensonderhoud ongeveer waren met een burgermanspot.

Dit bedrag laat zich ook mooi vergelijken met de twee tarieven die golden voor burgers die op een van de stadspoorten werden gezet. In het lage tarief kreeg de cipier 7 stuivers per dag om een gevangene te spijzigen en laven, in het hoge tarief was dat 10 stuivers. Deze tarieven kwamen per jaar neer op 128 gulden, respectievelijk 183 gulden. Tussen die beide bedragen in lag het kostgeld van Broekman bij Vlugge.

Broekman betaalde wel minder dan een student aan kamerhuur en kostgeld betaalde. Zo bleek in 1781, toen de kostbaas Bruin Berends de student H. Amsing voor het Volle Gericht daagde. Berends had van Amsing nog 560 gulden tegoed wegens kamerhuur en kostgeld over de periode van 11 augustus 1778 tot 17 april 1781. Omgerekend kwam dat neer op een bedrag van 212 gulden per jaar. Maar het gros van de studenten was van een wat meer gegoede stand, die verteerden ook wat meer dan de gewone burgermanspot.


Rondje Peizermade, Roderwolde, Matsloot

In tijden niet zo’n afstand lopend afgelegd: ongeveer 13 kilometer.  Voor het grootste deel was het qua temperatuur best te doen, maar toen de zon bij Matsloot ter kimme zakte vroren mijn tenen er bijna af, gevoelsmatig dan hè. Onderweg op de vlakte een ontmoeting met Aargh en P.

Deze slideshow vereist JavaScript.


Rondje Langmadijk Eiteweerd

Deze slideshow vereist JavaScript.


‘Ook een wierde moet je beheren’

NCRV-documentaire (23 minuten) over het nationale landschap Middag-Humsterland, en het spanningsveld aldaar tussen monumentenzorg en landbouw. Met in de hoofdrol provinciaal archeoloog Henny Groenendijk, en in de bijrollen o.a. de boeren Harkema en Terpstra, de kok Dick Soek en Ploeg-kenner Han Steenbruggen:

Kritisch puntje: de getoonde opgraving is die van Matsloot (a, b)., en dat valt niet onder het nationaal landschap.


Vervallende kade, Oosterhoogebrug

Moest vanochtend aan de Koningsweg achter Oosterhoogebrug zijn. Op de terugweg zag ik dit, aan de noordoostkant van de til over het Damsterdiep:

Deze slideshow vereist JavaScript.


Van aansprekers tot en met zieken en zwakken

De tien merkwaardigste verenigingen in de stad Groningen, opgericht en/of erkend in de periode 1855 – 1903:

Wie een bepaalde vereniging uit genoemde periode zoekt, kan die vinden via de database, die vandaag op het web is gezet en die in totaal 9000 Nederlandse verenigingen bevat.


Topografica uit Leiden online

Veel van de topografische prenten die het Geheugen van Nederland vandaag online zette, kende ik natuurlijk wel. Toch zaten er ook nog verrassingen tussen, zoals dit Gezicht op Helpman, omstreeks 1800 gemaakt door de Groninger kunstschilder Gerardus Wieringa.

We zien hier Helpman vanuit het zuiden. Op de voorgrond de Hereweg. Een ruiter houdt er even in bij een groep wandelaars, van wie er een hem wat aanbiedt. Het gehucht op het middenplan, spottend ook wel eens ‘voorstad’ genoemd, gaat bijna schuil in hoogopgaand loofhout. Er zijn wat lage daken zichtbaar van boerderijen en rechts een wat hoger dak, denkelijk van een borg of buitenhuis. Op de achtergrond links de A-toren in de stad Groningen, en centraal, boven alles uit de Martinitoren.

Andere fraaiigheden uit de collectie, voor wat betreft de stad Groningen, zijn een tekening van het Prinsenhof uit 1734, vermoedelijk van de hand van Cornelis Tromp, een ets van Groningers in hun klederdracht uit de 17e eeuw (volgens mij verschilt de mode hier niet zo, maar goed) en een paar tekeningen van de omgeving Noorderhaven, ca. 1900 gemaakt door FG Müller, die ook het interieur van de Harmonie vastlegde.

Lang niet alle plaatsen zijn in de collectie vertegenwoordigd, zo miste ik onder andere Havelte, Beerta,  Finsterwolde en Hoogkerk.  Daar staat tegenover dat bijvoorbeeld Anlo, Appingedam, Assen, Delfzijl, Dwingeloo, Feerwerd en Winschoten wel aanwezig zijn en soms met meerdere prenten. Het kan dus geen kwaad om in de plaatsnamen-index te kijken of de plaats van voorkeur in deze collectie zit.


Café De Jachtwagen viert vier jubilea

Nieuwsblad van het Noorden 23 mei 1952:


Uithangbordenjurisprudentie

Een enkele keer kan je op boedelinventarissen uit de 17e en 18e eeuw een uithangbord aantreffen. In zo’n geval weet je dat het bord niet bij het aard- en nagelvaste goed behoorde, dat altijd samen met een pand verkocht werd.

In zijn boekje Stad-Groninger verhalen (1998) schreef Beno Hofman onder andere over een procesje dat ging over de vraag of een bepaald uithangbord wel aard- en nagelvast goed betrof. Het uithangbord in kwestie was van koper, het hing aan de gevel van een boekweitmaalderij in de Carolieweg en er stond de beeltenis van een ton op. De oude eigenaar van het pand vond dit bord kennelijk zo mooi, dat hij het meenam toen hij in 1728 naar elders verhuisde. Het gebeurde wel vaker dat uithangborden meegingen. In dit geval echter, meende de nieuwe eigenaar van het pand dat het aard- en nagelvast goed betrof en hij stapte daarom naar het Nedergericht. Deze instantie stelde hem in het gelijk, waarschijnlijk omdat dit bord “zedert altijdt” aan die winkelpui in de Carolieweg had gehangen, of in elk geval sinds mensenheugenis de opeenvolgende winkeliers in het pand had gediend.

Een ander rechtszaakje over een uithangbord preludeerde op het merkenrecht. Het diende voor het Volle Gericht, in 1711. Jurrien Reijsiger had bij zijn nieuwe herberg aan de westkant van de A een uithangbord opgehangen met een vergulde jachtwagen, en dat zinde Simon Fockens niet, want die had als herbergier aan de westkant van de A bij de Apoortenboog (A-brug) al véél langer een ‘gouden’ jachtwagen op zijn uithangbord.staan. Fockens eiste dus dat Reijsiger zijn uithangbord zodanig zou veranderen, dat het niet meer leek op het zijne, “opdat daar door in het addres van passagiers, goederen en brieven geen abuis moge werden gecauseert”. Reijsiger van zijn kant vond deze eis maar onzin. Zijn bord verschilde voldoende van het oudere, door de kroon erboven. Ook zag je bij hem onder de beeltenis de herbergnaam, namelijk “De gekroonde Jachtwagen”, terwijl dat bij Fockens niet het geval was. Behalve dat stipte Reijsiger ook nog aan “de verscheijdenheijt van de namen der bewoonders, welcke altoos in de addressen mede werden uijtgedruckt”.

Hoewel het er de schijn van had dat Reijsiger mee wilde liften met de reputatie van het oudere bedrijf, waarvan hij het uithangbord overtreffend copieerde, vonden Burgemeesteren en Raad zijn argumenten toch sterker dan die van Fockens. Reijsiger mocht zijn bord houden en Fockens moest de kosten van het proces betalen. Het zaakje preludeerde dan wel op het merkenrecht, maar dat recht stelde nog bitter weinig voor.


De Buurmande van Gelkingeland

Oorkonde uit 1463, waarin Burgemeesteren en Raad van Groningen betuigen dat “die gemene buren ende egenarffden van Gelkingelandt” voor hun verschenen zijn om voor “ewelijcken ende arfflijcken” aan het Aduarderzijlvest over te dragen, het eigendom van

“soedane buermande, als die buren vorsz[eide] liggende hebben in Gelkingelande, daer Jurriens timmermans arve naest bij gelegen is aan die suder sijdt, ende Nederwolmer buermande an die noerder sijdt “

Buurmanden waren gemeenschappelijke stukken grond en je trof ze aan je in meerdere hoeken van het stadsgebied:

Waar de buurmande van Gelkingeland lag, wordt uit de twee aangegeven zwetten (perceelgrenzen) helaas niet duidelijk. Zeker is alleen dat deze zich in het Gelkingeland en dus nog op stadsgebied bevond, Het moet een eind van de Lange Laan (Peizerweg) af geweest zijn, want alleen aan de zuidkant is er een “arve”, een heem met een huis. Vreemd is dat de Neerwolder buurmande zich aan de noordkant bevindt, terwijl Neerwold aan de zuidkant van Gelkingeland ligt, zodat je de bijbehorende buurmande ook ten zuiden van de Gelkinger buurmande zou verwachten. Ik elk geval lijkt de Gelkinger buurmande niet te bestaan uit het meest westelijke stuk van Gelkingeland, dicht bij de Peizermade, waar ik hem had verwacht.

Het Aduarderzijlvest belooft van zijn kant aan die van het Gelkingeland, dat ze voor eeuwig en altijd vrij zullen zijn van “sodane gelt off viii rinsche gulden” als ze jaarlijks moesten betalen aan het zijlbest. Dit is kennelijk de eerder afgesproken recognitie, waarvan het tarief intussen verdubbeld is van vier tot acht Rijnlandse guldens per jaar. Omdat dit tarief zowel voor Gelkingeland als de buren van de Lange Laan ten westen van de Wolvendijk gold, vallen de laatsten nu impliciet onder Gelkingeland. Het zijlvest herhaalt bovendien in uitgebreidere zin nog eens de belofte die het eerder bij de instelling van de recognitie al deed, namelijk dat die van Gelkingeland voor eeuwig vrij zijn van “alle zijlwarck, schot ende schulde die op desse zijlen vorsz[eid] die nu liggen off nije zijlen die men in de toekomende tijden leggen sollen vallen mogen”, terwijl die van het Gelkingeland voor eeuwig mogen blijven afwateren naar het Aduarderzijlvest en dat op de manier die ze zelf het best uitkomt, ver van de zijl af of of daar juist dichtbij.

Ook behouden de buren van Gelkingeland “enen notwech dwars over den lande ende buermande voorsz[eid] up die lane ende buermande, voor op die lane te komen”. Met zo’n notweg, nutweg of noodweg, wordt bedoeld een recht van overpad voor de aan- en afvoer van vee, hooi etc. Het servituut hier diende om van de voormalige Buurmande op de Lange Laan te kunnen komen, wat doet vermoeden dat deze Noodweg ten zuiden van de Lange Laan haaks op de Lange Laan stond. De enige weg die daar dan voor in aanmerking komt, is een weg die ter hoogte van de Wolvendijk aantakte op de Lange Laan, en waarvan we gedeelten nog op de oudste kadasterkaart en het Bonnenblad van 1900 terugvinden. De lokatie zou anno nu aan de westkant van het Stadspark zijn, parallel aan de Campinglaan. Waarschijnlijk eindigde deze noodweg bij de Onlandsedijk, in de omgeving van de Bruilweering. Daar moeten we de Buurmande van Gelkingeland dan ook zoeken.

De vier burgemeesters die het stadszegel aan deze afspraken lieten hangen en er hun handtekeningen onder zetten, waren: Hinrick Baroldes, Otto ter Hansouwe, Gosen van Dulck en Johan Rengers Schaffer. De tweede bezat en woonde  ’s zomers op het Huis ter Hansouwe, dat zich tussen Eelde en Peize op de Peizerhorst bevond. Omdat de gewone weg van Paterswolde en Peize naar de stad ’s zomers langs de Lange Laan voerde, kwam Otto redelijk vaak langs Gelkingeland.

Bron: Groninger Archieven, Toegang 835, Handschriften in folio Register Feith,  inv. nr. 21. folio 150-150 vso..