Verlaten boerderij, Eelderwolde

Deze slideshow vereist JavaScript.


Het wapen van Hoogkerk als tattoo

Hij is nog niet helemaal af, het terras moet nog met sabel ingevuld, de rechts- en linksneigende krul-lelies moeten nog van goud en er komen nog wat juwelen aan de kroon, maar voor de rest ziet hij er toch al behoorlijk puikgaaf uit, deze tattoo van het Wapen van Hoogkerk. Hij vervult de drager, Ewoud, ook met trots.  Ewoud heeft een aantal jaren in de stad gewoond, maar is nu weer gerepatrieerd naar het dorp waar hij opgroeide en om dat te vieren liet hij deze tattoo zetten door Willem in de Haddingestraat.

Toen ik later nog even over onze ontmoeting zat na te denken, viel me in hoe het wapen van Hoogkerk ook alweer ontstaan was. Dat verhaal staat te lezen in het stuk over Elmersma in  Formsma’s onvolprezen werk over de Ommelander borgen en steenhuizen.  Elmersma was een zeer vervallen borgje, toen er in 1752 een zeepziederij in kwam. Directeur van deze succesvolle onderneming was een Franke, wiens dochter  Geertruida de zaak in 1803 erfde. Voor een burgermansdochter had zij het nogal hoog in de bol, want ze kocht zo’n beetje alle heerlijke rechten van Hoogkerk op. Daarna vroeg ze of haar eigen familiewapen het wapen van de Heerlijkheid Hoogkerk kon worden en aldus geschiedde bij  Koninklijk Besluit van 26 november 1815. Alleen kwam er nog dat gouden klokje bij het wapen in. En omdat de gemeente verder geen wapen had en de Heerlijkheid samenviel met de gemeente werd het wapen van de familie Franke het wapen van de gemeente. Waaraan het feit dat de familie de eerste burgemeester leverde, ook wel niet vreemd zal zijn

Toen Ewoud me zijn tattoo liet zien, dacht ik helemaal niet aan deze historie. Maar de volgende keer ga ik het hem vertellen. Hij zal er vast wel van opkijken dat hij eigenlijk met het wapen van een zeepziedersfamilie op zijn pols rondloopt.


Van die wthwateringe bij die Lange Lane

Verzegelde bekrachtiging door het Groninger stadsbestuur van een overeenkomst tussen:

  • enerzijds de abt en de zijlvesten van Aduarderzijl,
  • en anderzijds de ‘buren’ die grond hebben ten zuiden van de Lange Lane tussen de Olde Til in het oosten en de Eelder Hooidijk in het westen.

Omschrijving van beide partijen: Het Aduarder Zijlvest voerde onder meer het water van de kerspelen Eelde, Roden en Hoogkerk af. Onder die Lange Laan moeten we de Drentse Laan verstaan, wat nu de Peizerweg is. De Olde Til lag waarschijnlijk op de plek waar je nu nog een nauwelijks merkbaar brugje in de Peizerweg hebt, komend vanuit de stad vlak voor de dubbele knik of s-bocht  En de Eelder Hooidijk heet hedentendage de Madijk  en komt als zodanig uit bij het Transferium Hoogkerk.

Bepalingen:

1
De zijlvesten staan de buren van dit gebied op de stadstafel toe naar hun zijlvest af te wateren via de nieuwe watering, die Albert Jarges met de buren van Gelkingeland liet graven door het land van Wythe (?) Wigbolduszoon.
Interpretatie: Het Aduarderzijlvest had de buren van Gelkingeland toegestaan om een tochtsloot te graven naar het Peizerdiep ten noorden van het latere Eiteweerd. De buren van de westelijke helft van de Lange Laan zuidzijde mochten eveneens hun overtollige water hierdoor afvoeren.

2
Van hun kant beloven deze buren het zijlvest jaarlijjks op Midwinter te betalen vier Rijnlandse guldens (elk 36 kromsteerten waard). Deze belofte hebben ze door het stadsbestuur laten verzegelen, welke akte ze het zijlvest overhandigen, waarmee dit stuk voortaan de basis vormt voor het in rekening brengen van dit bedrag aan de buren.
Interpretatie: Als dit stuk de buren van Gelkingeland. niet regardeert, waar het inderdaad op lijkt, dan hebben de buren van de Lange Laan westzijde waarschijnlijk toch wel meegelift op een oudere overeenkomst tussen het Zijlvest en die van het Gelkingeland. Immers, in een volgende overeenkomst , waarbij bovenstaande recognitie werd afgeruild tegen een stuk land, wordt alleen gesproken over Gelkingeland en genoten de buren van de Lange Laan stilzwijgend in dezelfde gunst. Gelkingheland en de zuidzijde van de Lange Laan west zullen dan ook gedeeld hebben in dezelfde last. Vandaar dat ze eind 17e eeuw over één kam worden geschoren.

3
Met de afgesproken “iaerlickes pacht” houden de zijlvesten de buren van nu af aan vrij van alle verplichte werkzaamheden voor en zijlschotbetalingen aan het Zijlvest. Als het Zijlvest in de toekomst nog andere gebieden mocht inlaten, waaruit het inkomsten betrekt, zullen de buren van de zuidzijde Lange Laan west dat ook merken door een verlaging van de hun in rekening gebrachte bedragen.

Helaas ongedateerd, maar waarschijnlijk daterend van ca. 1440, 1450.

Bron: Groninger Archieven, Toegang 835, Handschriften in folio Register Feith,  inv. nr. 21. folio 149.


Het Gelkingeland, waar lag dat precies?

Het Gelkingeland vormde in de dertiendee eeuw, na ontginningen, de machtsbasis van de Gelkingen, een clan van Groninger kooplieden die samen met de Drenten in opstand kwam tegen de bisschop van Utrecht. Ergens in het Gelkingeland had deze clan een steunpunt, waaronder we een soort van mottekasteel of steenhuis moeten verstaan.

In zijn dissertatie ‘Een stad apart’ deed Jan van den Broek een poging om dit Gelkingeland te lokaliseren. Volgens hem was de oorspronkelijke kern van het Gelkingeland een strook stadsgebied ten zuiden van de Drentse Laan (nu Peizerweg) en aan de stads- of oostkant van de Wolvedijk (het haakse stuk Peizerweg en de Campinglaan). Later onderging dit rompgebied een flinke uitbreiding naar het zuiden, waar de Onlandse Dijk de zuidelijke grens van zowel het Gelkingeland als het stadsgebied ging vormen. Het Kraanland, de rechthoekige en afwijkend gestructureerde uitstulping van het stadsgebied ten westen van de Wolvendijk, rekent Van den Broek uitdrukkelijk niet tot Gelkingeland. Volgens hem was het oudste Gelkingeland al vroeg ontgonnen – zeg rond 1200 – terwijl dat met het Kraanland – zo genoemd naar de kraanvogels die er voor de ontginning nog leefden – pas na 1425 het geval was.

Dankzij twee sententies van het stedelijke Volle Gericht de dato 7 september en 13 oktober 1694 èn een kaart van het Westerhamrik uit de 18e eeuw, is het mogelijk een nog wat preciezere omlijning te geven van het middeleeuwse Gelkingeland. Daarbij zal ik laten zien dat Van den Broek gelijk had wat betreft romp en zuidelijke uitbreiding, maar niet wat betreft het Kraanland. Want ook dat behoorde tot Gelkingeland.

Die sententies (vonnissen) sprak het Volle Gericht uit in een civiel proces tussen Drost van Borck en consorten en de Gezworene Jongbloedt en consorten. In beide gevallen ging het om een groep eigenaren van land “omtrent de horensche dijck”. Tegenwoordig is dat een pittoresk dijkje langs het Hoornsediep, maar bij dit proces ging het om het dijktracé waarop in de negentiende eeuw de Paterswoldseweg zou komen. In het gebied ten westen van deze dijk, vallend onder het Westerhamrik, eigende de groep Van Borck zich het stemrecht toe bij de verkiezing van een Schepper van het Westerhamrik, met uitsluiting van de groep Jonghbloedt, die deze discriminatie aanvocht. De groep Van Borck baseerde de uitsluiting op het feit dat leden van de groep Jonghbloedt geen zijlschot hoefden betalen aan het Westerhamrik, een vrijstelling die voort zou vloeien uit het gegeven dat de landerijen van Jonghbloedt c.s. (oorspronkelijk) niet afwaterden via het Aduarderzijlvest, waarvan het Westerhamrik deel uitmaakte.

In eerste instantie velden Burgemeesteren en Raad het vonnis dat “die van de wester Horensche Dijck niet verder tot het stemmen sullen worden toegelaten als deselve landen sijn hebbende, dewelcke uitwaeteren nae de Aduarder Zijll”. Met andere woorden: van land dat niet van de diensten van het Westerhamrik en het Aduarderzijlvest gebruik maakte, van land waarvoor dus ook geen dijkschot betaald werd, kon ook geen stemrecht in het Westerhamrik gepretendeerd worden.

Tegen deze uitspraak tekenden Gezworene Jonghbloedt en consorten appel aan. Ook dat hogere beroep diende voor het Volle Gericht, dan nog de hoogste juridische instantie van de stad en haar onderhorige jurisdicties. Dit maal kwamen Jonghbloedt c.s. beter beslagen ten ijs. Interessant is, dat zij de Westerhoornse landen (de landen ten westen van de Hoornse Dijk) gelijk stelden aan de Gelkingelanden:

“…doordien de Gelkinge landen (sijnde dese landen) bij oude tijden niet is geoorlooft geweest om door de Aduarderzijl te mogen uitwaeteren, maer dat zulx bij vergunninge van het zijlvest hebben geoptineert, waervoor eerst een jaerlijx recognitie van vyer en meer Rijnlantse guldens aan het zijlvest hebben gegeven, hetwelcke naederhant met een Buirmande in het geheel is afgekoft…”

Met andere woorden: oorspronkelijk mocht het Gelkingeland niet afwateren via het Aduarderzijlvest, maar dat recht verkregen de buren van Gelkingeland op een gegeven moment door betaling van een jaarlijkse som gelds aan dit zijlvest. Naderhand kochten ze deze jaarlijkse recognitie  weer af met de schenking van een gemeenschappelijk stuk grond, hun Buurmande, aan het zijlvest. En dit konden Jonghbloedt c.s. aantonen ook, en wel met twee verzegelde brieven, die beide hardop “in judicio” werden voorgelezen. Het waren overeenkomsten uit de vijftiende eeuw die zich ook nu nog steeds in zowel het stadsarchief als het archief van het Aduarderzijlvest bevinden.

Als de Gelkingelanders ingelaten waren en hun recognitie met een schenking ineens afkochten, dan liet dat uiteraard hun stemrecht onverlet. Het verweer van Van Borck c.s. hiertegen bleek zwak. Het kwam er voornamelijk nog op neer dat zij traditioneel het stemrecht hadden en dat de huidige verkiezingsprocedure al een eind op weg was. Ook zou de jaarlijkse recognitie, die naderhand met de Buurmande werd afgekocht, bedoeld zijn geweest om vrij te zijn van zijlschot. Wat de tegenpartij Jonghbloedt de dupliek ontlokte…

“…dat die van Gelkinge landt noijt zijlschot hebben betaelt en dat een citatie niemant regt van stemminge kan geven, dat oock voor desen soo nauw niet is ondersogt wel tot het stemmen gerechtigt zijn”.

Juist omdat Jonghbloedt c.s. met verzegelingen op de proppen kwamen, konden Burgemeesteren en Raad er niet onderuit. Ze veranderden hun sententie zodat de landeigenaars van het Gelkingeland, hoewel geen zijlschot betalend, toch stemrecht kregen bij de Scheppersverkiezing.

Nu naar mijn tweede bewijssstuk, een schetskaart van het Westerstadshamrik uit de achttiende eeuw, die Van den Broek ook al in zijn proefschrift opnam (blz. 245), hoewel hij een belangrijk aspect evan negeerde. Op deze kaart (Groninger Archieven THAG 692), die ik een kwartslag  gekanteld heb zodat het noorden bovenaan staat en de aanduiding in kwestie meteen in het oog loopt, valt het Westerhamrik  in drie delen uiteen. En op het middenste, afwijkend gekleurde part, staat te lezen dat dit “de van het schot vrijgekogte landen” zijn:

Dit is dus het Gelkingeland. Zoals Van den Broek op basis van middeleeuwse stukken al aangaf vormde de Drentse Laan de noordgrens en de Onlandse Dijk de zuidgrens. Maar anders dan Van den Broek meende, behoorde in het westen, vanuit de stad gezien aan de andere kant van de Wolvendijk, ook het Kraanland ertoe.

Tot slot heb ik de contouren van Gelkingheland nog even overgebracht op een kaart van de stad anno nu. Er liggen heel wat stadswijken op dat land, van Laanhuizen en de Grunobuurt in het noorden, via een substantieel deel van het Hoornsemeer in het zuiden, tot en met de Buitenhof en Kranenborg in het westen. Als de Gelkingen rond 1300 niet waren uitgestorven, en ze deze grond allemaal voor zichzelf hadden kunnen behouden, waren ze puissant rijk geweest.


Toernooispel buiten de Herepoort

“Op het versoeck van enige edellieden ten einde haer mogte toegelaten worden om op toecomende maendag buiten d’heer poorte een tournoy spil aen te stellen, en dat haer die paelen soo op het osse merckt worden gebruyckt daer toe mogten worden gelient, hebben d’heeren Borgemesteren ende Raadt ’t versogte geaccordeert, wordende de stadsbouwmr. gelastet deselve te laeten volgen, mits dat eene daer voor teeckene dat deselve schaedeloos worden gerestitueert.”

Notitie van een rekest en apostille in het rechtdagenprothocol van het  Stads Volle Gericht d.d. 18 maart 1669.

Onder het “tournoy spil” moet geen toernooi worden verstaan, met ridders die elkaar met gevelde lansen van paarden proberen te wippen en zo.  Tenminste, dat zei Duco Kuiken me indertijd. Maar wat het dan wel was? In elk geval vertrouwde het stadsbestuur de jonkers niet de palen van de Ossenmarkt toe, zonder dat er een voor tekende.


Langmadijk, Onlandsedijk, Matsloot

Deze slideshow vereist JavaScript.


Jarenlang ooievaarsnest op school Hoogkerk

Nu Afanja de earste earrebarre fan it jier heeft zien rondscharrelen bij Earnewâld, mogen we toch ook wel even stilstaan bij een berichtje uit het Nieuws van den Dag van 12 mei 1881:

“Ook dit jaar hebben weer een paar ooievaars hun nest gebouwd op de openbare school te Hoogkerk. De woelige drukte van het schoolplein schijnt hen niet te hinderen of af te schrikken. De kinderen weten het genot, dat dit eiberpaar hun verschaft, goed op prijs te stellen, en helpen de ouden zooveel mogelijk in het zoeken van voedsel voor hunne jongen.”

De Hoogkerker kikkerpopulatie is destijds behoorlijk gedecimeerd, zowel voor als door deze earrebarre…


Een gevaarlijk sujet op de Peizerstraatweg

Bron: De Tijd, 18 april 1890.


Huisnamen van Hoogkerk (II)

Om verwarring  met identieke patroniemen te voorkomen, gaven predikanten in hun doopboeken vaak  een nadere aanduiding van de plaats waar een gedoopt kind woonde. In die van Hoogkerk en Leegkerk gaat het meestal om streek- of buurtnamen (zoals bij de Verlaten, bij de Klijve, op de Gaaikemadijk etc), maar de predikanten noemen toch ook nogal eens een huisnaam. In de doopboeken tussen 1666 en 1811 gaat het om 13 stuks, op hooguit een 100 en nog wat huizen in het kerspel. Toch een aardige score. Zeker als je weet je dat er ook nog enkele namen niet gevallen zijn.

Dit zijn ze:

  • de Borg (Elmersma, aan de zuidoostkant van de brug over het Hoendiep);
  • de Drystenborch (hutje halverwege stad aan het Hoendiep zz.);
  • ’t Hoge Heem (achter Vierverlaten onder de klokslag van Roderwolde);
  • ’t blaauwe Huysken;
  • de Koninckpoort / Koningspoort (oostzijde Koningsdiep, nu terrein suikerfabriek;
  • ’t Kostverloren (vanaf ca. 1740 herberg bij de Friesestraatweg);
  • de Luysenborg (oude boerderijnaam);
  • ’t (kleine) Moeshuis (boerderij op de Abbingewerf);
  • ’t Kuisemhuys (waarschijnlijk het Kruisemahuis, een oude boerderij);
  • de Pannekoek (kroegboerderijtje aan het Hoendiep, oostkant Zuidwending);
  • de Slagtersplaats (bij de Slaperstil onder Leegkerk);
  • ’t Vinckehuis (de kiem van Vinkhuizen);
  • ’t Waschhuis (boerderij bij het Aduarderdiep, een paar honderd meter ten zuiden van Nieuweklap);

Vergelijking met het lijstje met 17 namen van de aloude edele heerden leert ons dat er een overlap van 3 is. Dat is erg weinig. In een paar eeuwen tijd kunnen  de meest gangbare huisnamen nogal variëren.


Kwestie om de Kuil van Helpman

Dat Helpman omstreeks 1600 nog fungeerde als een Drentse buurtschap, met in elk geval gemeenschappelijke woeste gronden, maar mogelijk ook nog onverdeelde groenlanden en collectieve oogstwerkzaamheden, wordt aangetoond door een kwestie, die in de jaren 1627 – 1629 speelde.

Voor het Volle Gericht van de stad Groningen diende in laatstgenoemd jaar de “schelinge” tussen enerzijds Allert Coenders van Helpen, Assuerus Croon en de voogden van het Sint Jurgensgasthuis, en anderzijds Johan Luyloffs en Coppen Albert Jarges.

Kwamen de verweerders Luyloffs en Jarges uit vooraanstaande stad-Groninger geslachten, aanlegger Coenders van Helpen was in Helpman waarschijnlijk de lokale jonker die de Coendersborg  bezat. Gewoonlijk woonde hij echter in Bourtange, de vesting waarvan hij de commandant was. Het op zijn hand zijnde Helper Sint Jurgensgasthuis was een opvangcentrum voor melaatsen (lijders aan lepra). Officieel werd het in 1599 opgedoekt, wat niet wegneemt dat we er nog tot ongeveer 1700 over horen. In de 17e eeuw waren er sowieso nog voogden, die menigmaal hebben geprobeerd om met een rest van de fondsen deze leprozerie nieuw leven in te blazen.

Volgens Coenders c.s. had Helpman nog een marke en kende deze marke 30 “buyrdielen” of waardelen, dat waren aandelen in alles wat er in zo’n marke nog collectief was. Ze beweerden dat zij zelf maar liefst de helft van deze buurdelen bezaten, namelijk Coenders 13 buurdelen en Croon en het gasthuis elk eentje.

Nu hoorde er bij de Helper marke “een groot water offte visscherije”. Dit meertje lag aan de oostzijde van het Schuitendiep, oftewel de andere zijde van het Oude Winschoterdiep, gezien het beeld op de eerste kadasterkaart waarschijnlijk in de omgeving waar nu de oostelijke helft van Bornholmstraat ligt, een omgeving die onlangs ook weer bedreigd werd door water. Enige jaren voor de rechtszaak was de “waeteringe ofte cuijle” hier drooggelegd en tot “vast ende bruijckbaer lant” gemaakt. En hoewel de “Helper Cuijle” voordien nog collectief bezit van de Helper markegenoten was, hadden Luijloffs en Jarges het nieuw gewonnen land omstreeks 1619 eigenmachtig  onderling verdeeld, althans volgens Coenders c.s..

Daarom eisten Coenders c.s. dat ze erkend zouden worden als mede-eigenaars van voorheen de Helper Kuil. Luijloffs en Jarges moesten de helft van hun grondbezit hier dus afstaan aan hun.

Dat wilden beide heren uiteraard helemaal niet! Hun eerste verdedigingslinie was een formele: het was onduidelijk wie er allemaal meededen met eisers. Eisers mochten dan wel beweren dat ze namens veel meer mensen handelden in deze zaak, maar dat maakten ze helemaal niet aannemelijk. Weliswaar erkenden verweerders dat Coenders c.s. ooit mede recht op de grond van de Helper Kuil hadden, maar al geruime tijd voor de scheiding van die grond was deze al voor de volle honderd procent het eigendom van verweerders en dat “gerustelick sonder enige interruptie of turbatie”. Coenders c.s. kwamen, met andere woorden, dus op gedane zaken terug.

In deze kwestie hadden de Ambtman en de bijzitters in het Gericht van Selwerd eind 1627 al twee uitspraken gedaan. Eerst waren Luijloffs en Jarges in het bezit gelaten van “de questieuse landen in Helper Cuijle”, voor zover ze dat bezit konden konden bewijzen met verzegelde koopbrieven etc. Coenders c.s. mochten toen nog wel proberen te bewijzen  dat de Helper Kuil gemeenschappelijk bezit was geweest. In tweede instantie werden zij in het ongelijk gesteld. En dat gebeurde ook in derde instantie. Na ampele bestudering van het pak stukken, dat eisers en verweerders indienden, kwamen Burgemeesteren en Raad van Groningen in hun Volle Gericht tot de conclusie, dat Coenders c.s. geen recht hadden op land in voorheen de Helper Kuil.

 Bron: RHC Groninger Archieven, toegang 1534 Volle Gericht van de stad Groningen, rechtdagenprothocol (voorheen Rechterlijke Archieven III a), inv. nr. 95, uitspraak onder de datum 10 februari 1629.


De 17 edele heerden van Hoogkerk

Ommelander jonkers konden lokaal en regionaal veel macht verzamelen, door allerlei rechten op te kopen qua rechtspraak, waterstaat en keuze van kerkelijke functionarissen. Oorspronkelijk zaten die rechten vast aan de grond, maar ze waren er los van geraakt, apart verhandelbaar geworden en op die manier op te hopen. Aan dit proces van het losscheuren van rechten van grond maakte de bescheiden revolutie van 1748 een einde. Wat nog vast aan de grond zat, bleef daaraan vast, maar wat los van de grond was, bleef los. Om te voorkomen dat het losmakingsproces verder ging, werden al dit soort rechten geregistreerd.

Hoe sterk de macht van een jonker plaatselijk kon zijn, toont het lijstje aan, dat in 1754 is opgemaakt van de rechten in “de Grietenije van Hoogkerk”. Oorspronkelijk waren de rechten op het uitoefenen van rechtspraak hier verbonden aan 17 heerden – een term waarmee zowel boerderijen als lappen land werden aangeduid. – en konden de eigenaars van elk van die heerden eens in de 17 jaar recht spreken of een rechtspreker aanstellen op de rechtstoel van Hoogkerk. Anno 1754 waren echter 16 van de 17 redgerrechten in handen van de erven Lewe van Aduard,  wier erflater Evert Joost, voor  1748 de machtigste man van de Ommelanden, ze voor het merendeel al voor 1715 verworven had. Naast de quasi-alleenheerschappij in de jurisdictie, bezat deze jonker ook nog een meerderheid  van de ommegangen in de Schepperij van Hoogkerk en in de collatie van dit kerspel. Hij kon dus de waterstaat naar zijn hand zetten, de rechter aanstellen die de boeten voor hem oplegde en de wedman die bij wanbetaling beslag legde op goederen, en de dominee en schoolmeester benoemen die oud en jong tot gehoorzaamheid vermaanden.

Hoewel in Hoogkerk 15 van de 17 ommegangen in de grietenij los van de grond waren geraakt, worden de namen van de heerden waaraan deze rechten oorspronkelijk  verbonden waren, wel genoemd op de lijst van 1754. Vaak gaat het om dan al lang vergeten huisnamen en toponiemen, die alleen nog voortleefden in akten van eigendomsoverdracht. Zo was het Cruisemahuis voor 1634 al gesloopt, toen de 110 grazen grote heerd van die naam, in dit geval dus het onderliggende areaal, gerechtelijk geveild werd. Van de Abbingewerff, de enige heerd waarvan het redgerrecht niet afgescheurd was, resteerden slechts de meldingen in de rekenboeken van het Groninger Heilige Geestgasthuis – de 17 gras, onder die naam verhuurd, raakten beklemd onder een boerderij met een heel wat minder voornaam klinkende naam: het Moeshuis, dat op de hoek van het Kliefdiep en de Kerklaan stond.

Van alle namen kwam slechts een minderheid bekend voor. De Popko Jongeringsstede op Bangeweer bestaat nog steeds, de boerderij daar heet nu Yankee Doodle. Elmersma was de vervallen borg ten zuidoosten bij de brug over het Hoendiep, sinds 1753 zat er een zeepfabriek. Waar de Luizenborg stond weet ik niet, maar die naam vind je meermalen in het doopboek van Hoogkerk. Ook dat betrof waarschijnlijk geen florissant vastgoed, tenzij je Luis op zijn Spaans lezen moet, maar dat zal wel niet.

Omdat er een Gronings veldnamenproject aankomt en de lijst met 17 edele heerden van Hoogkerk in dat kader wel eens relevant zou kunnen zijn, laat ik de namen hier in de oorspronkelijke, spatierijke spelling volgen, met een enkele opmerking.tussen haakjes:

  1. Eltekema stede
  2. Het Hol
  3. Cruissema huis (boer: Sjabbe Abbring?)
  4. Bennekema heem (ook wel Bennekemahuis)
  5. Stullinga heem (een heem is een erf)
  6. Abbinge werff (het woord werf duidt op een huiswierde)
  7. Siccama heert of Reutelweert (vergelijk 12)
  8. Uwerga Werff
  9. Elmersma (hiervan bezat Lewe eerst de ommegang, later kocht hij er de grond bij)
  10. Juwersma
  11. Hiddinga heem
  12. Siccama stede (vergelijk 7)
  13. Helema werff
  14. ’t huis ten Hamrik of Luisenborgh
  15. Gijsselma stede
  16. Ottema stede
  17. Popko Jongerings stede tot Bangeweer

Bron: Groninger Archieven, toegang 136: Hoge Justitiekamer, inv. nr. 2580.


Schouwbaar in het Westerhamrik (1754)

Op zoek naar historische gegevens over de waterstaat van de Peizerweg-omgeving, die in de 20e eeuw meermalen overstroomde, vond ik een register, in 1754 vastgesteld op verzoek van de PrinsesGouvernante. In het stuk staan alle dijken, wegen, tochten en maren (uitwateringssloten en -kanaaltjes), waarover de Scheppers van het Westerstadshamrik de schouw hadden. In dit stadsgebied ten westen van de stad Groningen, dat later ook deel uitmaakte van de gemeente Groningen, zagen deze waterschapshotemetoten dus toe op zulke werken, en konden zij boetes opleggen aan onderhoudsplichtigen die in gebreke bleven. Op hun beurt vielen de Scheppers weer onder het oppertoezicht van het Aduarderzijlvest, want het water van het Westerhamrik verdween uiteindelijk via de Aduarderzijl naar open zee. Daarom was die uitwateringssluis hier ook van groot strategisch belang. Wie de Aduarderzijl beheerste, kon dit stadsgebied drooghouden of onder water zetten en beheerste daarmee de toegang tot de stad vanuit het westen.  Daarom zijn er rond 1600 ook honderden mensen in veldslagen om de Aduarderzijl gesneuveld.

Maar ik dwaal af. Ik laat hier een samenvatting van de lijst objecten uit 1754 volgen, als onderlegger voor volgende stukjes, eerst over de Peizerweg, en later over de Lingenhuizen, het buurtschapje aan het eind van de Peizerweg waar het Porrenhuis deel van uitmaakte.

Hoewel ik hierboven het meervoud wegen gebruikte, en dat pluralis ook een kopje in het register vormde, was de “Drentse Laan”, zoals de Peizerweg toen nog heette, de enige weg waarover de Scheppers van het Westerhamrik de (over)schouw hadden. Het begin en eind van die weg geven ze in het register aan als: “van de Hoornse Dijk tot aan de Lingenhuizen”. Ze bedoelden met die Hoornse Dijk de dijk, waar zich nu het eerste stukje van de Paterswoldseweg bevindt (tussen de Eendrachtsbrug en het spoor).

De dijken waarover de zeven Scheppers gezamenlijk het toezicht hadden, waren die aan de westkant van het Hoornse Diep tussen Paterswolde en de stadswal, en aan de westkant van het Reitdiep tussen de stadswal en het Hooihuis, wat een nog steeds bestaande boerderij aan de Frieestraatweg is. Bovendien inspecteerden twee  jaarlijks door de ingelanden gekozen Dijkrechters de Ruige of Onlandse Dijk die van het voormalige klooster Den Hoorn naar de Lingenhuizen liep. Deze dijk vormde tevens de zuidwestelijke grens van het stadsgebied. De Scheppers hadden hier het recht van overschouw.

Dan de tochten, maren en uitwateringen van het Westerhamrik. Dat waren

  1. de tochtsloot langs de noordkant van de Drentse Laan, 
  2. de beide tochten die van die sloot richting Hoendiep liepen (namelijk a. die langs de Wolvendijk, en b. de Simonsloot die tegenover de Lingenhuizen begon), en  
  3. het Vinckemaar, dat rond het poldertje van de beide Vinkhuizen liep.

Via duikers onder het Hoendiep door, waterden 1 en 2, net als 3 zonder duiker, uit in het Klijfdiep onder Hoogkerk, dat via een klijve of zijltje uitwaterde in het Aduarderdiep. Daarom was dat Klijfdiep met het uitwateringssluisje ook in gezamenlijk onderhoud van de Westerhamriker en Hoogkerker Schepperijen, net als de Simonsloot die op de grens van de stedelijke en Hoogkerker waterschaspsterritoria lag. Een tocht van de Hoornsedijk (de latere Paterswoldseweg) in het zuidwesten van het stadsgebied voerend naar “het huis van Aite Weerd” vormde een uitzondering op deze lozingsrichting. Die tocht en de Wildsloot aan de westkant van de Onlandse dijk spuiden het water via een klijfje in het Peizerdiep, ver bovenstrooms van het punt waar al het andere water van het Westerhamrik terechtkwam. Begin 19e eeuw zou dit lozingspunt overigens worden vervangen door een iets noordelijker, op het Koningsdiep, uitkomende molentocht van een nieuwe watermolen voor de zuidelijke landen van Hoogkerk.

Naast deze algemene en collectieve uitwateringen waren ook alle particuliere die hierop uitkwamen aan schouw onderhevig. Het was niet de bedoeling dat ingezetenen hun water niet konden lozen, “omdat een ander versuimt sijne sloten te graven of behoorlijke pompen te leggen”.


Langs twee waterbergingen

De tweede helft van de middag een rondje Peizermade-Roderwolde-Matsloot gemaakt. Zo kom je langs twee waterbergingen. De hoeveelheid geborgen water viel me nog mee,  er kan veel meer bij! De campinghouder van de Matsloot, die van de week op radio Noord jammerde dat hem droge voeten beloofd waren, heeft die droge voeten nog steeds.

Deze slideshow vereist JavaScript.


Droedels uit de jaren 1660

De schrijver die in de vroege jaren1660 het algemeen doopboek van de hervormde gemeente Groningen bijhield, had de gewoonte om het wit aan het eind van het jaar te vullen met penwerk van vogels. Misschien wilde hij zijn pen droog krijgen, misschien was hij ook wel behept met horror vacui. Hier een paar voorbeelden van zijn tamelijk vormvaste droedels:


Carel, zoon van de slavin Rosina

Gedoopt te Groningen in de Nieuwe Kerk op 28 februari 1771:

“Carel, den huisinboorling van den predikant W. Hommes, geboren op ‘t schip Landskroon den 1 meij 1769, welks moeder genaamd is Rosina, gedoopt op Batavia d. 19 jan. 1753, bevorens slavinne van bovengenoemden Hr. W. Hommes.”