Krantenbezorgers’ heil en zegen

Dat kranten- en folderbezorgers met oud en nieuw kaartjes aan deuren afgeven in de hoop op fooien, is niet iets van de laatste jaren, zoals men mischien denkt. Het gaat om een traditie van eeuwen her, die nieuw leven ingeblazen is.

Zo bevindt zich bij de Groninger Courant van 2 januari 1789,  die de KB op internet zette, een mee ingebonden Nieuwjaarswensch der bestellers van nieuwstydingen. Volgens de ondertekening van dit stuk op rijm werd het afgegeven door “de knegtjes uit de boekwinkel van J. van Groenenbergh”. Ongetwijfeld hebben deze loopjongens, die de klanten van de boekhandelaar hun kranten en tijdschriften thuisbrachten, daarvoor van die klanten nieuwjaarsgiften ontvangen.

Het gedicht van de toenmalige krantenjongens zou nu op de lachspieren werken, want het ademt een nogal lijdzaam-gereformeerde, om niet te zeggen bevindelijke geest.  Niets is de verdienste van de mens, alles komt van God, er valt geen mus van het dak zonder dat die het daarop aangestuurd heeft:

“Wy zeeg’nen U Gods gunstgenooten,
Als of ’t nu was ons laatsten tyd,
Uit een vol liefden hert gesproten:
Want Gy ons waart en dierbaar zyt.

Die God heeft door zyn Geest herschapen,
Daar ’t oude is voorby gegaan,
Zoo dat Gy nieuwe vrugt kont rapen,
In ’t nieuwe leven voort te gaan.

Jehova zy u ligt en leven,
Gods Zoon u Borg, u Heil, en Heer,
Zyn Geest zy rykelyk U gegeven,
Hy maak U groot tot zyner eer.

Hy hoede U voor stoot en vallen,
En leide U door d’effen baan,
De Heere zy U al en allen,
Om regt ten Hemel in te gaan.

Hy zegene U in al uw werken,
Met goed’ren van zyn rechterhand,
en maak U pylaars in zyn kerke,
Doe groijen U aan alle kant.

Het kruis dat Hy U toe zal schikken
Doe Hy U al ten goede zyn,
God wil en zal u ziel verquikken,
Terwyl u vlees leid smert en pyn.

Hy zegene U met rust en vrede
In huis, en hert, ja over al,
Ook zy de Heer in alles mede,
Waar gy u handen aanslaan zal.

Gy doe U Hem altyd behagen,
Tot Hy U leid ter Hemelschaar,
waar niemand van gebrek zal klagen
Dit wenst myn ziel U tot nieuw Jaar.”

Intussen wenst de bezorger van dit weblog alle lezers veel heil en zegen in 2012!


Groninger statistieken van 1911

Uit het Nieuwsblad van het Noorden van 2 januari 1912. De tram bleek vooral in vakantiemaanden populair, bij de cijfers van het Groninger Museum zal het gaan om totalen en niet om gemiddelden per tijdseenheid en opvallend is dat maar liefst vijf maal zoveel heren als dames gebruik maakten van de OB. In de UB was het vooral ’s avonds nog heerlijk rustig.


Groninger ijsgekte

Over ijsgekte gesproken, in Groningen kon men er ook wat van:

“ULRUM, 24 december. In deze streken bestaat nog altijd het gebruik, dat hij, die het eerst over ijs op schaatsen een herberg bezoekt, getrakteerd wordt op een “halfoort” jenever, soms met een metworst bovendien. Dientengevolge waagt menigeen zich zeer vroeg over ’t ijs en krijgt niet zelden, in plaats van ’t “halfoort” een duchtig nat pak, zoo niet erger.

Gisteren beproefde schipper D. van een kastelein den gebruikelijken prijs te behalen. Bijna had hij het doel bereikt, toen hij door het brosse ijs zakte. Zonder hulp ware hij gewis verdronken. Gelukkig werd zijn geroep om hulp gehoord en hij gered. Zijn lust naar ’t zoo moeijelijk te winnen “halfoort” zal door ’t koude bad wel aanmerkelijk zijn afgekoeld.”

Bron: Groninger Courant 28 december 1870


‘Friesland is in de war’

“Uit Friesland schrijft men het volgende aan de Dr. Ct. (Drentsche Courant, HP): “Friesland is in de war; de vorst, welke de wateren met eene gladde ijskorst overdekt heeft, is hiervan de oorzaak. Vooral die dorpen en steden, welke met vaarten doorsneden zijn (en dat zijn de meeste plaatsen onzer provincie), vertoonen bij het tegenwoordige schoone winterweder eene ongewone drukte en bedrijvigheid. In menige school wordt alleen ’s voormiddags les gegeven en dan wel een uur langer dan gewoonlijk; ’s namiddags zijn de kinderen op schaatsen.

In de kerken wordt ’s zondagmiddags meestal niet gepreekt, omdat de gemeente toch niet opkomt. De ouders blijven meestal tehuis: het zijn hunne kinderen en dienstbaren die zich steeds met schaatrijden amuseren. Bij den boerenstand heeft het soms groote moeite in ’s avonds het vee gevoederd en gemolken te krijgen. ’t Heeft wat in, dat dit, beurt om beurt, door de inwonenden geregeld wordt, waarbij de heer des huizes niet zelden beslissend tusschen beiden moet komen. De ouders die hunne kinderen alle dagen opnieuw van zakgeld moeten voorzien, klagen er al spoedig over, dat het ijs zooveel geld kost. De dienstbaren nemen van hun loon op  en krijgen voorschot.”

Berichtje uit de Groninger Courant van 6 januari 1871. Toch jammer dat Driek van Wissen, die zich als verklaard anti-Fries een en andermaal over de gekte der Friezen heeft uitgelaten, geen kennis meer kan nemen van dit logje. Hij zou zich verkneukeld hebben over de eerste regel van het bericht, die koren op zijn molen vormt en dat nog wel vanuit een Friese koker.


Het Porrenhuis met een vergezicht op stad

Het Rijksmuseum bezit deze tekening – zie haar vooral groot – door de Groninger landschapstekenaar en koopman Egbert van Marum (1746-1816), die nog een poos directeur zou zijn geweest van Academie Minerva. De titel luidt: “Het Porenhuis met in de verte de stad Groningen”.

Het Porrenhuis, zoals het bedoelde stuk vastgoed meestal genoemd wordt, zal rechts in beeld staan. Het betreft een eenvoudig huis, waarachter zich een dito achterhuis bevindt. Volgens Jan van den Broek (p. 362 noot 134) stond dit Porrenhuis op de westelijke rand van het stadsgebied, ten zuiden van de plaats waar nu de Peizerweg (voorheen de Drentse Laan onder Groningen) overgaat in de Zuiderweg (voorheen Hoogkerk). Als je er een huidig adres aan zou moeten geven, dan zou dat Peizerweg 178 zijn.

Ik kom daar elke dag wel een paar keer langs. Tot na 1980 had het pand op dit adres de functie van café en het lijkt er sterk op dat deze strategische lokatie bij de driesprong van de wegen naar stad, Hoogkerk en Peize eeuwenlang zo’n horeca-functie kende, want B. Lonsain schreef in 1925 dat ook het Porrenhuis al een herberg was. Op het uithangbord van deze herberg, dat helaas op de tekening ontbreekt, stond volgens hem een voorstelling met een aap, een kat en een molen, waaronder je dit rijmpje kon lezen:

Deze aap en kan niet luizen,
Deze kat en kan niet muizen,
Deze molen en kan niet malen,
Die hier komt drinken moet betalen
Anders mag hem de drommel halen.

De naam van het Porrenhuis zal ontleend zijn aan de familie Por, die hier midden 18e eeuw nog woonde. Helaas komt de huisnaam maar een paar keer in de bronnen voor. Afgaande op het ‘Kohier der Vaste Goederen’ van 1805 ging het indertijd om een behuizing met 106 gras (of ruim 50 hectare) land, wat rijkelijk veel was voor zo’n eenvoudige herberg. Maar wellicht zat daar nogal wat minderwaardige grond bij: drassig hooiland en woest liggend veenland. Een veiling van 30 gras topgras, 20 gras haver op de wortel en 30 wagenvoeren turf in 1803 doet dit ook vermoeden. Het land was twee jaar later het eigendom van de weduwe J. Bolt, terwijl Annegie Jacobs, de wed. Harm Boerma, het huis bezat waaronder het land beklemd zat. Zij was dus de beklemde meier van het land, dat via een zijltje aan de westkant afwaterde naar de Woldsloot, die op zijn beurt het water via een watermolen loosde op het Peizerdiep.

Als we nog even terugkeren naar de tekening van Van Marum, dan zien we aan de linkerkant een nogal winters aandoend vergezicht op de stad Groningen, waarvan Van Marum de torens iets te hoog voorstelde. Op de voorgrond bindt iemand zijn schaatsen onder, rechts zien we een paardenslee, verderop een schuifslee en diverse schaatsers. Er lijkt sprake van nogal wat ijs en dat wekt misschien verbazing , want er is hier geen kanaal of meer bekend. Maar de Drentse Laan (de latere Peizerweg), een landweg die tevens nog als weiland werd gebruikt,  lag met het omringende land  nogal laag. Zelfs in de twintigste eeuw zijn er nog diverse overstromingen geweest. Zo zag men eind 1915, begin 1916, komend vanuit de stad, voorbij de spoorwegovergang van de Peizerweg “een zee, ’n gezicht ver water en niets dan water”, een “eindelooze watervlakte die zich uitstrekt zoover het oog reikt”. Zelfs de Drachtster tram kon hier niet meer langs, zodat er een soort veerdienst georganiseerd moest worden.  “Als curiositeit” plaatste het Nieuwsblad er tien jaar later nog foto’s van. Dankzij een betere bemaling zou het niet meer zover hoeven komen, aldus de krant, die in 1928 en 1932 echter opnieuw foto’s (a, b, c), maaar dan actuele, kon plaatsen van de “bare zee” tussen de stad, Peize, Hoogkerk en Roderwolde.

Iets van zo’n watervlakte zien we ook op de tekening van Van Marum. Zij het dat die vlakte dan bevroren is, wat een vriendelijker aanblik geeft. In zijn tijd waren er nog geen stoomgemalen, en kon men het water alleen met watermolens wegwerken. Vooral bij hoog buitenwater schoot dat niet op en daarom waren er aan de westkant van de stad, als het vroor, vaak schaatsers te zien.


Schaatswedstrijd voor meisjes gestaakt (1808)

In de onlangs verschenen Canon van het Oldambt, hebben de samenstellers zich, wat sport betreft, beperkt tot de voetbalvereniging THOS uit Beerta. Een in meerdere opzichten aanvechtbare keuze. Als het überhaupt al voetbal moest zijn, had ik voor WVV gekozen, de Winschoter club van Klaas Nuninga, Jan Mulder en Arie Haan. Maar waarom zou je het bij voetbal moeten houden? Ik denk dat schaatsen een veel bredere sport was, die in het Oldambt ook nog eens de roemruchte Oldambtrit voortbracht. Een sport bovendien, die hier qua wedstrijden kan bogen op een traditie van tweehonderd jaar.

Wel begon deze traditie met een vreselijk valse start. In de Groninger en Ommelander Couranten van 23 december 1808 leek het nog zo mooi:

Het vrouwenschaatsen zat duidelijk in de lift. Drie jaar eerder organiseerden herbergiers in Leeuwarden de allereerste wedstrijd, waar wel 10 à 12.000 mensen op waren afgekomen. Een deel van de attractie bestond eruit, dat de dames omwille van de areodynamica in hun ondergoed reden. Waarschijnlijk was dit ook in Zuidbroek weer het geval, want ook hier werd het hartstikke druk, evenwel met funeste gevolgen, getuige het wedstrijdverslag dat de Ommelander Courant op 30 december afdrukte:

“Zuidbroek den 27 December. Het aangekondigde ysvermaak het welk alhier op gister zoude plaats hebben, is in geenen deele naar wensch uitgevallen. Men had zich van dit onschuldig en inderdaad Nationaal Volksfeest de heerlykste uitwerking beloofd. Alles was uitmuntend ingerigt en behoorlyk voorbereid. Het weder was by uitstek schoon. Vyftien meisjes hadden zich aangemeld, en stonden gereed om naar den prys te dingen, en duizenden van aanschouwers waren van alle kanten te zamen gevloeid, om den wedstryd by te woonen. Dan, niettegenstaande de gestelde orders en geaffigeerde waarschuwingen van het Gemeente-Bestuur – niettegenstaande al de aangewende moeite, om de toeschouwers van het ys af te houden, en er aan weerszyden van het ysveld genoegzame plaats was om den wedloop te zien, waren evenwel de beide banen zoodanig met menschen bezet, dat de wedloopsters niet ongehinderd konden voortryden. Herhaalde reizen heeft men getracht, om het ryden een aanvang te doen nemen; doch men was naauwelyks begonnen, of men moest het weder staken. Allerhande pogingen, zoo van vrlendelyke en bedaarde overreding, als van ernstige bedreiging, werden aangewend; doch alles tevergeefs! De menigte drong weder op de baan voort, het ys begon op sommige plaatsen te breken, het water kwam op deszelfs oppervlakte, en men was genoodzaakt, om, ter voorkoming van verdere onaangenaamheden en onheilen, een einde aan het schouwspel te maken, tot groot leedwezen van de commissarissen en deelnemers, die eenig vertrouwen hadden gesteld op de discretie van het publiek, doch zich daarin, ten aanzien van eene groote menigte, op eene zeer onaangename wyze vonden teleurgesteld.”

Vervolg


Smokkel bij de Matsloot

Bij het noordelijkste puntje van Drenthe, tussen De Poffert en Matsloot, daar waar je nu het bedrijventerrein Westpoort hebt, werd er nog wel eens gesmokkeld in de 18e eeuw. In Drenthe had je andere belastingtarieven dan in Groningerland en dan loonde dat de moeite.

Je zou zeggen dat de kans op betrapping vrij klein was, omdat je over de lage hooilanden mijlen in het rond kon kijken. Je zou zeggen dat je dan de controleurs al van verre aan kon zien komen.

Toch liet Leentje Willems (43), de vrouw van Derck Cornellis, en met deze man wonend op De Pannekoek,  zich op 16 juli 1769 snappen met tien pond gekerfde tabak die ze “van het Raadjehuis in den Landschappe Drenthe” had opgehaald. Dat Raadjehuis, later gewoonlijk het Raadhuis genoemd, was zo’n beetje de noordelijkste boerderij van Drenthe. Deze hoeve viel vanaf de Pannekoek te bereiken als je ter hoogte van de huidige scheepswerf het Hoendiep overstak. Daarna moest je een paar honderd meter lopen door een paar stukken hooiland, als je niet met een bootje langs een tochtsloot ging.

Leentje, oorspronkelijk van Tolbert, was de tweede vrouw van Derck Cornellis, die al sinds 1751 op De Pannekoek woonde. Met zijn eerste vrouw, net als hij uit Roden, kocht hij dit goed indertijd van de diaconie van Hoogkerk. Van zijn eerste vrouw hield hij  een stuk of wat kinderen over en daarvoor zorgde Leentje.

Ze bekende vlot. Dat kon ook moeilijk anders als je op heterdaad betrapt was.

Ze had “alzo de gemeene middelen bekort en den Lande gefraudeert”. Daar stonden strenge straffen op. Het college van Gedeputeerde Staten, dat in zulke belastingzaken recht sprak, gaf “uit overweginge van des gedetineerdes behoeftige omstandigheden” echter de voorkeur aan “gratie voor rigueur van reghten”. Daarom werd Leentje bij vonnis van 27 juli vrijgelaten, onder toekenning van de elf dagen voorarrest als straf.

Ze kwam dus met de schrik vrij, maar de heren gaven haar nog wel een ernstige waarschuwing:

“van zich schierkomstig van diergelijke Landsdieverijen wel zorgvuldig te hoeden, zullende andersins, wanneer te eeniger tijd zich daaraan wederom mogt komen schuldig te maken en in handen van Justitie te geraken, op het strengste en zonder de minste gratie naar de ordre van den Lande worde gestraft.”

En opdat ze dit vonnis niet zou vergeten, kreeg ze het op een briefje mee, toen het haar in het cachot aan de Boteringestraat voorgelezen was.

Bron: RHC Groninger Archieven, Archief Staten van Stad en Lande, inv.nr. 1352, de sententie d.d. 27 juli 1769. Met dank aan Jan-Paul Wortelboer.


Vruchten des velds als alternatief

In zijn stukje van vorige week vertelt Tony van der Meulen hoe hij als  jong verslaggever van het Nieuwsblad van het Noorden bij een perslunch eens naast Molly Geertsema mocht zitten, in die jaren niet alleen fractievoorzitter van de VVD in de Tweede Kamer, maar ook, net als Rutte, ” het prototype van de goedgemutste VVD-er”. Bij die lunch hield Geertsema een pleidooi voor de afschaffing van alle uitkeringen. Op de vraag hoe de mensen dan aan eten moesten komen, luidde zijn antwoord: “Van de vruchten des velds”.

Ik weet niet hoe Geertsema zich dit heeft voorgesteld, want de plantkundige kennis zal bij veel uitkeringsgerechtigden vast niet hoog ontwikkeld zijn geweest, ook toen al niet. Twee eeuwen eerder, in een tijd dat er nog nauwelijks uitkeringen bestonden, en mensen wat vaker noodgedwongen hun toevlucht moesten nemen tot de “vruchten des velds””, vergisten ze zich ook wel eens deerlijk in de eetbaarheid daarvan. Giftige planten willen nog wel eens sterk lijken op consumabele, zoals een bericht uit de Groninger Courant van vrijdag 12 april 1743 duidelijk maakt:

“Groningen den 11 April. Deezer daageni is hier een zeldzaam dog teffens ongelukkig geval gebeurt, door het eeten van groen Moes, waar door twee Jonge Kinderen van ses tot agt jaaren schielyk gestorven zyn en de lichaamtjes op ordre van de Regering geopend zynde, heeft men het binnenste vlies van de maag zeer geïnflammeert, en het gedarmte uyttermaaten geëxtendeert of opgeswollen bevonden; de Ouders die er meede van gegeeten hebben bevonden zig zeer ongemakkelyk; er word gepresumeert na men uyt het overschot van het moes kan verneemen, dat er Cieuta of dulle kervel onder geweest is; Deeze kruyden waaren door de vader zelfs opgezogt.”

Een van de gezichtsbepalende figuren van het Occupy-kampje hier in Groningen, hoorde ik laatst beweren dat hij wilde proberen om zonder uitkering te leven, van produkten die hij in de natuur kon vinden. Dan mag hij eerst wel even zijn warenkennis opvijzelen. Voor honderdduizenden mensen lijkt het me helemaal geen optie. Jaarlijks zullen er tientallen en wellicht zelfs honderden doden vallen. Geertsema was gelukkig alleen een virtuele borreltafelmoordenaar.


Naberplichten in Hoogkerk (1812)

Bij maire (= burgemeester) Franke van Hoogkerk kwamen in het voorjaar van 1812 klachten van ingezetenen binnen over “de gebrekkige regulering der buurtpligten bij sterfgevallen”. Daardoor konden die naberplichten niet worden afgedwongen bij sommige nalatigen. Reden voor de maire, om een reglementje op te stellen.

Zoals al het goede, bestond dit uit drie delen. De eerste afdeling regelde de indeling van de gemeente Hoogkerk in buurten, de tweede bepaalde wie tot wat verplicht was en welke sancties er stonden op nalatigheid, en in de derde stonden artikelen over het buurtbestuur, de inning en administratie van de boetes en de jaarlijkse potvertering.

De 113 huizen van de gemeente Hoogkerk werden verdeeld in zes buurten. Deze waren niet allemaal even groot, en waarschijnlijk speelden onderlinge afstanden tussen de huizen een grote rol bij de verdeling. De eerste drie buurten lagen in Hoogkerk zelf, en de vijfde in Leegkerk. Naast deze homogene buurten waren er twee heterogene: de vierde buurt strekte zich uit over Hoogkerk en Leegkerk, terwijl de zesde Dorkwerd omvatte, naast een drietal huizen in Leegkerk.

Bij ieder sterfgeval was de allernaaste naber verplicht om de drie verdere naaste buren in te schakelen voor het afleggen van de dode. Als iemand niet kon, moest de volgende buur invallen. Kon een huishouden niemand leveren, dan verbeurde dat 6 stuivers boete.

Een van de naaste buren moest de verste nabers van de buurt aanzeggen dat ze de dode moesten verluiden. Dit klokluiden gebeurde op de eerste ochtend na de sterfdag en duurde een half uur voor een kind tot twaalf jaar en een heel uur voor oudere mensen. Nabers die er niet aan meededen verbeurden 8 stuivers boete.

De allernaaste naber moest de doodskist bestellen bij een timmerman of kuiper. Als die de kist klaar had, haalden de zes naaste mannelijke buren het ding op. Als dit per paard en wagen gebeurde, dan diende de naaste buur met paard en wagen deze te leveren. Tegelijkertijd maakten de zes naaste buurvrouwen in het sterfhuis het doodshemd. Een dode man werd gekist door zijn buurmannen, een vrouw door haar buurvrouwen. Verzuim kwam in dit geval te staan op een boete van 10 stuivers.

Op de ochtend van de begrafenis lieten de acht naaste buren zich om 11 uur in het sterfhuis vinden om de dode naar de begraafplaats te brengen. Als dit per paard en wagen gebeurde, gold dezelfde regel als bij het halen van de kist. De vier buren die volgden op de acht naaste moesten het graf delven, en dat “in tijds gereed hebben”. Deze vier moesten gedurende de begrafenis ook de kerkklok luiden. Nalatigheid in dezen werd gestraft met een boete van 12 stuivers.

Drie van de vier naaste buuurmannen deden bovendien binnen drie dagen na het sterfgeval aangifte bij de maire, die tevens de ambtenaar van de burgerlijke stand was.

Bij al deze taken mochten de nabers vervangers sturen, dus kinderen of dienstboden, “mits een geschikt persoon zijnde”.

Weduwnaars hoefden alleen aan de mannelijke naberplichten te voldoen, terwijl weduwen alleen gehouden waren tot de vrouwelijke.

Alleen bloedverwanten tot in de vierde graad van de overledene waren vrijgesteld van deze naberplichten. Ook iemand die ziek was hoefde niet mee te doen of boete te betalen, maar dan moest de naaste naber wel op tijd van die ziekte op de hoogte worden gesteld, terwijl de ziekte ook “genoegzaam” moest blijken.

In elke buurt stelde de maire een buurtmeester en een opvolger voor de buurtmeester aan, die tot Hemelvaartsdag van het volgende jaar in functie zouden blijven. Op die dag trad de buurtmeester af en volgde de opvolger hem op. De buren kozen dan tevens een nieuwe opvolger uit de mannelijke gezinshoofden, met uitzondering van de “behoeftigen”.

De opvolger of bijzitter van de buurtmeester deed het zwaarste werk. Hij inde alle boetes en bracht die naar de buurtmeester, die er een administratie van bijhield.

De invordering van de boetes kon geschieden bij pandhaling. Als iemand dus niet kon of wilde betalen, dan werd er een stuk huisraad in beslag genomen, dat de debiteur dan tegen betaling van het verschuldigde bedrag weer kon inlossen.

Als de buurtmeester en zijn opvolger zelf niet bij een begrafenis konden zijn, dan moest een van de naaste buren van het sterfhuis aantekening van de verbeurde boetes houden en dat stuk naar de buurtmeester brengen.

Jaarlijks legde de buurtmeester op Hemelvaartsdag aan de hele buurt rekening en verantwoordiing af van de geïnde boetes. Dat mocht in zijn eigen huis, of anders in een “geschikt locaal”. Bij deze gelegenheid betaalden nieuwe buren ook hun 12 stuivers entreegeld – mensen die het wat breder hadden mochten meer betalen naar hun “genereusiteit”. Wat er dan in de pot zat aan boetes en entreegelden, konden de buren gezamenlijk en “in behoorlijke order” verteren.

Bij verschil van mening tussen de buren hakten de buurtmeester en zijn assistent de knoop door. Kwamen zij er niet uit, dan werd de kwestie voorgelegd aan de maire.

Binnen vier maanden was het zover en maakt de maire nog wat aanvullende artikelen.  Bij het afleggen kon het aantal opgeroepen naaste buren uitgebreid worden tot vijf. De boete op absentie bij het afleggen ging omhoog van 6 naar 12 stuivers. Kennelijk omdat de volgorde van de buren al eens discussie had gegeven, stelde de maire vast dat de nummers van de huizen hierin bepalend waren. Terwijl weduwnaars met meerderjarige dochters gehouden werden om deze in te zetten voor vrouwelijke naberplichten, en weduwen met zoons deze zoons moesten laten helpen bij mannelijke doden.

Bron: RHC Groninger Archieven toegang 1493 – Gemeente Hoogkerk, inv. nr. 1546:
Reglement op de “buurtpligten” (1812 ).


Groningen, anno domini 1470

Fragmenten uit de video die momenteel in het Noordelijk Scheepvaartmuseum te zien is en die nog op dvd zal worden uitgebracht. Mooi werk, petje af, maar de gebouwen zijn volgens mij wel iets te hoog gemaakt, zodat Groningen grootsteedser allures krijgt dan in werkelijkheid het geval was. 

Overigens boet de stad door het mankeren van de Martinitoren – was er echt geen voorganger? – sterk aan herkenbaarheid in. De vraag is dan ook of deze video net zo goed verkocht zal worden als de video op basis van Haubois kaart uit ca. 1640.


Vriendinnetje, doodgereden door een zatlap

Vanochtend herinnerde ik me in mijn halfslaap opeens de achternaam van mijn eerste vriendinnetje hier in de stad. Ze heette Geerts.

Haar voornaam wist ik natuurlijk nog wel: Jolande. En als ik aan haar denk weet ik ook nog hoe haar stem klonk. Ik heb wel eens het idee dat dat bepalend voor mijn memorie is: dat ik iemands stem onthoud. Iemand van wie je de de stem kwijtraakt, is prijsgegeven aan de vergetelheid.

Ze was iets langer dan ik, had lang sluik blond haar, een knap gezicht met zachte trekken, ook een zacht karakter en kwam uit Goor in Twenthe. We leerden elkaar kennen op de Kemenade, de ruimte bovenin VERA. Het was een bloedhete week in mei 1977 en ze vroeg me of ik met haar mee wilde gaan naar Vlieland, om te kamperen op Stortemelk. Dat wilde ik wel. Na het opzetten van de tent hebben we zitten zoenen op een duintop, in de ondergaande zon. Ja, zo clichématig ging dat nou eenmaal. Maar het vervolg was gecompliceerder. Ze bleek het een of andere trauma te hebben opgelopen waarover ze absoluut niet wilde praten, iets waar ik op mijn beurt niet goed mee uit de voeten kon, zodat onze verkering maar heel kort heeft geduurd, een week of drie hooguit.

We bleven de eerste jaren wel bevriend, ook toen ze een andere vriend kreeg, die met haar in het oude RKZ woonde.  Die vriend had ook moeite met haar trauma, bleek eens in een vertrouwelijk gesprek, maar kon er goed mee leven.

Een jaar of wat zag ik haar af en toe nog op VERA, tot ik daar zelf veel minder kwam. Toen is ze definitief uit zicht geraakt. Ik dacht zelfs dat ze verhuisd was.

Tot ik haar zuster, die bij me in de buurt woonde, jaren later eens sprak in de kroeg om de hoek. Zij vertelde dat Jolande doodgereden was door een alcomobilist. Een mededeling die voelde als een klap in mijn gezicht.

Nu Jolandes volledige naam weer tevoorschijn kwam uit de krochten van mijn geheugen, besloot ik er eens mee te gaan zoeken in het gedigitaliseerde Nieuwsblad van het Noorden. Het bleek een fluitje van een cent om meer te weten te komen over de toedracht van het ongeluk.

Het gebeurde in de tijd van de Heineken-ontvoering, op 8 november 1983 om half een ’s nachts op de Plantsoenbrug. Jolande werd aangereden door een leeftijdgenoot.  Hij reed door in zijn witte BMW en liet haar zwaar gewond (met ernstig hersenletsel) achter op het brugdek, maar kwam na een poosje terug om poolshoogte te nemen en werd toen herkend door getuigen. Hoewel hij er opnieuw vandoor ging, kon de politie hem klemrijden. Op zijn auto zaten inderdaad nog sporen van de aanrijding.

Een dag later overleed Jolande in het Academisch Ziekenhuis, na een operatie. De dader, die een bloedproef weigerde,  bleef eerst ontkennen, maar hield dat niet vol.  Hij had al vaker dronken achter het stuur gezeten, toen alleen met materiële schade. Een half jaar later werd er vier maanden celstraf tegen hem geëist, met een rij-ontzegging van drie jaar. Uiteindelijk bleven daar in het vonnis tien weken cel en twee jaar ontzegging van over.

Er was nog een gevolg. Na het ongeluk is het niet goed gegaan met Jolandes vriend. Hij stapte uit het leven, hoorde ik van haar zuster.

De initialen van de dader hebben niet opnieuw in de krant gestaan. Ik denk dat ik ze gemakkelijk in het telefoonboek van dat jaar zou kunnen traceren, want de letter P. omvat hooguit 10, 12 pagina’s, het is een half uurtje werk om die op zijn voorlettertjes door te vlooien. Maar wat voor zin heeft dat, anders dan kwaad in de zin?

Vanaf het moment dat Jolandes zuster me het hele verhaal vertelde, heb ik wel altijd een enorme hekel aan alcomobilisten gehad. Ik kon mijn mond ook nooit houden, als ik iemand zag die vanuit de kroeg met een stuk in de kraag achter het stuur zou gaan zitten. Maar ik vlei me niet met de gedachte dat mijn afkeuring ooit geholpen heeft.


Een kwartet liederen uit het Antwerps liedboek

De DBNL heeft vandaag zowel het tekstdeel als het commentaardeel  online gezet van het uit 1544 daterende Antwerps Liedboek in de editie van Vellekoop, Nolthenius e.a.

Hier vier liederen uit dat Antwerps Liedboek in een uitvoering zoals die op YouTube staat, met een link naar de oorspronkelijke teksten:

– Rum – Naar Oostland wil ik varen:

Tekst

– Vega-González – Ghi sotten en sottinnekens:

Tekst

– Rum – Het viel een hemels dauwe:

Tekst

– ??? – Ick seg adieu:

Tekst


Slak, reizend als pelgrim naar Santiago

In de leggers van de Groninger Courant uit de achttiende eeuw kan je soms advertenties aantreffen voor totaal vergeten boekjes, zoals de Historie van de Slak, reysende als Pelgrim na St. Jacob. Het betreft een werkje in octavo dat gedrukt is door de Rotterdamse boekverkoper Adriaan Obreen, en dat in het najaar van 1743 en de zomer van 1744 onder meer in de boekwinkel van de Groninger courantier Jacob Sipkes te koop was voor 6 stuivers. Welk bedrag misschien erg bescheiden lijkt, maar dat voor veel mensen in die tijd een dagloon vertegenwoordigde. Reden om voorzichtig te zijn met de betiteling ‘volksboekje’.

Over de inhoud van de Historie van de Slak worden we uit de advertenties alleen gewaar dat het een fabel was met een anti-katholieke strekking. “Op een aerdige en boertende wyze” en door middel van dialogen tussen dieren stelde het namelijk “de bedrieglykheden en listigheden des pausdoms” aan de kaak. De slak die de hoofdrol speelde, had op zijn reis naar het bedevaartsoord Santiago de Compostella “allerley aardige ontmoetinge”, maar maakte ook avonturen mee waardoor hij dikwijls in levensgevaar verkeerde. Uiteindelijk echter, was hij “gelukkiglyk en behoude gerepatrieert”.

Ik wilde wel wat meer weten over dit boekje,  maar mijn zoektocht leverde niets op. Via de STCN is het niet te vinden, en ook eventuele Engelse en Duitse varianten lijken van de aardbodem te zijn verdwenen, als ze ooit al hebben bestaan. Maar misschien komt er op dit logje ooit nog eens een reactie met een vindplaats.

Bron: Groninger Courant 8 oktober 1743 en 14 juli 1744.

Naschrift 8 juli 2017: Het werkje wordt ook gemeld in de catalogus van de boekenveiling Beucker Andreae, Leeuwarden 1829,


Schipper krijgt diverse kapers aan boord

“Groningen den 14 September. Schipper Jetse Wouters voerende het kofschip de Juffrouw Hendrina schrijft uit Crouswyk, werwaarts hy gedestineert is om Zout te laaden, van den 28 Augustus, dat hy digt by Heyzand eenen kaper heeft ontmoet, zynde na zyn vermoeden van Jarmeuth of Jarmueyn, dewelke hem een vierendeel booter met 50 ponden stokvis ontnoomen heeft, en drie loopende trossen, met een kooperen erwettenpot, zooals ze op het vuur stond te kooken, nog een kooperen theekeetel beneffens al zyn porcelein, met een gedeelte van zyn en zynes volks kleederen, tabak, drank, en allerhande kleynigheeden meer, zelfs hunne leepels daar ze meede eeten moesten. Daarenboven had de kaper nog het voorste spintwand in stukken, en eenen koegel in het zeyl en de mast geschooten. Ook wierden ze genoodzaakt hunnen boot uyt te zetten, die door het holle water geheel ontramponeerd is geworden. Nog had hem een Fransche kaaper by den Teems aangelant en hem 6 halve tonnen bier afgenoomen; zoodat het volgens zyn schryven slegt met hem voortaan zou uytzien, byaldien hem meer diergelyke ontmoetingen voor kwaamen.”

Aldus de Groninger Courant van 15 september 1744. Op dat moment was ons land betrokken in de Oostenrijkse Successie-oorlog, als bondgenoot van het Verenigd Koninkrijk. Nogal vreemd is het dan dat het schip van Jetse Wouters eerst wordt belaagd door een Engelse kaper uit Yarmouth. Kaapvaart was namelijk oorlogvoering in commissie en kapers vielen normaliter geen bondgenoten aan. Dat de tweede, wel degelijk vijandelijke, Franse kaper zich dichtbij de monding van de Theems vertoonde, mag gerust als een waagstuk worden betiteld.


De ontploffing van een koe te Baard

Ik dacht dat er nauwelijks iets Gronings zat bij de krantenleggers die de KB deze week online zette, maar daarin vergiste ik me, zo bleek vandaag tot mijn verrassing, want ze hebben de Groningsche Courant eindelijk aangevuld met de allereerste jaargangen, te weten die van 1743-1748.

Jaren geleden heb ik de leggers van die jaren al eens van kaft tot kaft doorgenomen, en daarbij noteerde ik ook curieuze berichten van buiten mijn eigenlijke onderzoeksterrein.  Daarom kan ik nu die berichten weer opzoeken, zoals dat van de ontploffende koe in Baard, Friesland. De Groningsche Courant maakt van dat “wonderbaar geval” melding in zijn editie van vrijdag 5 april 1743, in het voetspoor van politiek nieuws uit Friesland:

“…den 23 Maart is te Baart, een dorp 3 uuren van Leeuwarden, in ’t huys van Jpe Gerbens een Koe geslagt, hebbende eenige daagen van te vooren afgekalft, en in het byzyn van 14 menschen geopent zynde is het net op de pens vanzelfs geborsten, een slag van zig geevende zoo sterk als een snaphaans schoot (geweerschot HP), en daarop een vlam ontstaan, waardoor het net wel anderhalf voet (0,5 meter) booven de Koe heeft gebrant, zoo dat men geoorzaakt is geweest, hetze!ve met water uyt te blusschen, het geen een groote onsteltenisse zoowel aan slagters als omstanderen veroorzaakt heeft. Deeze historie word met alle vereyschte bewyzen bevestigt…”

Kortom, er werd een koe geslacht, waarvan de pens verstopt was en barstensvol methaangas zat. Denkelijk omdat er gerookt werd ontplofte dat gas met een enorme knal en een steekvlam. Vervolgens ontstond nog brand ook, tot consternatie van de aanwezigen.

Dat een koe ontploft is niet zo vreemd als het lijkt, dat gebeurt wel vaker. Een jaar of tien geleden was er in Engeland zelfs sprake van dat 21 mensen met mond- en klauwzeer besmet raakten door een in hun  nabijheid ontploffende koe. Naderhand wezen testen echter uit, dat geen van die 21 het mkz-virus opliep. Sommige koeien mogen dan explosief zijn, geschikt voor bacteriologische oorlogsvoering zijn ze niet.