Retour Zuidhorn
Geplaatst op: 30 september 2011 Hoort bij: Familie, Ommelanden 1 reactieZuidhorn, jugendstil topgeveltje:

Rechts naast het hek van het kerkhof aan de Jellemaweg stond ooit het huisje van mijn overgrootouders Hendrik Vondeling en Grietje van der Velde. Naast schoenmaker en barbier was hij leedaanzegger en voorganger van de begrafenisvereniging. Naar hem heette deze toegangsweg tot het kerkhof: Vondelings ree. Met pasen vond hier altijd het neuten schaiten plaats:

Op de posten links en rechts van het gietijzeren hek zandlopers en zeisen. Er bovenop houden uilen de wacht:

Op de begraafplaat aan de Jellemawedg kon ik het graf van mijn overgrootouders niet vinden. Zag er wel Jugendstil-motiefjes op een zerk:

En een spinneweb met vliegjes in de zon:

Op de terugweg op ’t Faan een praatje gemaakt met een ouwe boer die met een emmer op weg was naar zijn steenperenboom. Vroeger had hij 16 bunder, 20 koeien, 5 varkens en 30 fokschapen. Hij moest nog steeds weinig van “Dr. Mansholt” hebben:

Aan het Hoendiep noordzijde nabij de Kerkwegsbrug hield een kalf aan een touw de berm kort:

Tussen de brug en Oostwold werd ik ingehaald door een auto, die helemaal niet in die richting mag rijden, omdat hier eenrichtingsverkeer geldt voor auto’s vanuit Oostwold. Gezien de geringe breedte van de weg ook een volkomen logische maatregel. Heb voordat ik opzij ging voor hem dus maar even in zijn zicht mijn linkerduim omlaag gestoken. Even later kwam er politie aan. Hij kreeg slechts een vriendelijk standje. Dat zal nogal helpen.

Menu met kunst en vliegwerk
Geplaatst op: 29 september 2011 Hoort bij: Hoogkerk 5 reactiesIk vraag mij in gemoede af hoe die oudjes op hun dag ook maar één hap door de keel krijgen:

In de Bijekoer bakt men Grinser koeke
Geplaatst op: 28 september 2011 Hoort bij: Stad toen 3 reacties
Uitsnede uit een foto van de A-straat en Brugstraat uit 1866. Aan de zuidwestkant van de A-brug zat indertijd de koek- en banketbakker F.E. de Haan, die op zijn uithangbord een goudkleurige bijenkorf had staan. De omringende, eveneens vergulde teksten waren echter niet Nederlands, maar Fries. Boven de bijenkorf stond “De Bijekoer” en links en rechts van dit voor een koekebakker buitengewoon toepasselijke beeldmerk kon de passant een rijmpje lezen:
“In ’t hûs de Bijekoer,
Der bakt men Grinser koeke,
En troch de goeie waer,
Mat men de minsken loeke.
Dat hûs dat stiet to Grins
Yn ’t westein fan de sted.
Rin oan de brêge ta,
Dan mist it jimme net.”
De Groninger koekebakker De Haan, mogelijk van Friese komaf, zal zo ongetwijfeld een wit voetje hebben gehaald bij de Friezen die per trekschuit over het Hoendiep naar Groningen kwamen. Vergeet niet, dat dit in de era voor de spoorwegen de hoofdroute van Friesland naar Groningen was. Tegelijkertijd vormden de A-straat en de Brugstraat hier de belangrijkste invalswegen voor Friezen.
Het rijmpje stond ook al in Zo fotografeerden zij Groningen 1868-1918 van de Groninger gemeente-archivaris A.T. Schuitema Meijer (1963), maar dan bij een foto van dezelfde situatie uit omstreeks 1888. Hoewel Meijer zelf zoon van een koekebakker was, citeerde hij het rijmpje onvolledig en verkeerd. Aldus Jan Riddering uit Havelte, die daarvan kond deed in twee ingezonden brieven, welke in september 1964 in het Nieuwsblad van het Noorden stonden.
Opmerkelijk is, dat de tweede brief exact op Ridderings onverwachte sterfdag in de krant stond. Je zou bijna denken dat hij een verbolgen Schuitema Meijer aan de lijn had.
Riddering was in 1882 geboren in Groningen, maar verhuisde als kleine jongen naar de Friese Woudstreek. Begin twintigste eeuw vervulde hij zijn diensttijd echter in Groningen, en toen frappeerde hem dat uithangbord van De Bijekoer, waarbij zijn dubbele binding met Friesland èn Groningen uiteraard een rol speelde. Riddering kreeg later ook wat met Drenthe. Op zijn oude dag woonde hij als kostganger in Hotel Buter bij de Boskampbrug in Havelte en als bewoner van dat Drentse dorp publiceerde hij onder andere een serie over de lokale geschiedenis in de Meppeler Courant en een jubileumbrochure over de plaatselijke kerk. Doordat ik in de digitale leggers van het Nieuwsblad bij de KB op Havelte zocht, trof ik beide ingezonden brieven van hem aan – weer een fraai staaltje van serendipiteit, dunkt me.
—
Bronnen:
Jeugdherinneringen aan de hand van de krant
Geplaatst op: 27 september 2011 Hoort bij: autobio 10 reacties
Dit Nieuwsblad-bericht dateert weliswaar van 1952 en daarmee van enkele jaren voor mijn geboorte, maar begin jaren zestig deden kinderen in Havelte dit nog steeds: eikels verzamelen voor boeren die zich toelegden op het vetmesten van varkens. Je kon er aardige bedragen mee verdienen.
Bij een ander artikel uit het Nieuwsblad, herkende ik een verhaal uit het ijzeren repertoire van mijn moeder. Het krantenbericht gaat over de inenting tegen kinderverlamming van maar liefst 6700 tweejarige Drentjes. Daar was ik een van. Volgens mijn moeder nam ik als angstige peuter, toen ik tegen de polio ingeënt zou worden, de benen en wel zodanig snel dat ze me pas na enkele honderden meters weer te pakken kreeg. Dat moet dan gebeurd zijn op 22 of 24 oktober 1957, de dagen dat in Havelte deze massa-vaccinatie plaatsvond. Uit de voorlichtende passages in het NvhN-stuk blijkt overigens dat een dergelijke inenting nog niet helemaal vanzelf sprak. Dit ondanks het feit dat een jaar eerder ruim duizend kinderen in Nederland het slachtoffer van polio waren geworden.
Een directe herinnering van mezelf betreft de nieuwe kleuterschool, de Hummelhof aan het Schukkingpad. Op 30 maart 1960 ging die school open. Ik zat in de tweede klas. Eerder was de kleuterschool in het gebouw Eursinge bij Overcinge, waarvan ik me vooral herinner hoe de juf ons mee uit wandelen nam in de omringende Homan-bossen. In de herfst verzamelden we daar bladeren, kastanjes, eikels en paddestoelen voor kijkdozen. Andere jongens raapten beukenootjes en aten die op (getsie). Op de dag van de kleuterschoolverhuizing werden we met zijn allen vanaf Eursinge op een versierde boerenwagen naar de Hummelhof middenin het dorp gebracht. We kregen een toneelvoorstelling te zien: Goudlokje en de drie beren. Wat een griezels die beren. Tot mijn grote opluchting liep het goed voor Goudlokje af. Ik was een beetje verkikkerd op haar geraakt.
Van 10 november 1964 is een bericht, dat de Landbouwschool schuin tegenover ons huis dichtging. Het was een kleine school, met maar twee of drie klaslokalen en er zullen vooral boerenzoons uit de directe omgeving heengegaan zijn. De Duitsers hadden het gebouw er in de oorlog neergezet. Boven de ingang bevond zich een grote ronde luifel van beton, waar wel eens een voetbal op bleef liggen. Gelukkig kon men er gemakkelijk op klimmen, om die bal eraf te halen. Opzij van het gebouw was een soort van erker of etalage, waarin de leerlingen hun handvaardigheidsproducten uitstalden. Daar vergaapte ik me wel eens aan. Naderhand is het pand nog een poosje als buurthuis in gebruik geweest. Toen zat ik er zelf te beitelen, schaven en vijlen aan een ranke ooievaar van hout met de snavel omhoog. Die afbrak, toen ik het werkstuk uit mijn handen liet vallen. De lol ging meteen van die hele handenarbeid af.
Vooral de herinneringen aan de natuur zijn me dierbaar. Een eindje verder in onze straat stonden nog geen woningen, en had je houtwallen die helemaal met braamstruiken overdekt waren. Daar vingen we als kleuters meikevers, die we in een leeg luciferdoosje stopten. Van 1960 is een bericht, dat een vereniging ‘Mooi Havelte’ beleefd protesteerde tegen het slechten van zo’n wal en de kap van de eiken die erop stonden. Tegenwoordig heb je helemaal niet meer van zulke houtwallen in de dorpskern.
Aan het eind van ieder voorjaar zag het in de omgeving geel van de bloeiende brem. Als kleine jongens marcheerden we door een gigantische bremjungle aan de Kolonieweg, waar tegenwoordig een golfclub zit. Van het ene op het andere jaar was het afgelopen met dat gele oerwoud. De barre winter van 1963 maakte er een einde aan.
Ommetje stad
Geplaatst op: 25 september 2011 Hoort bij: Hoogkerk, Stad nu 1 reactieDe ‘Hoogkerker’ toegang tot het terrein van de Groninger suikerfabriek stond weer open, zodat ik het stuk dat ik op Open Monumentendag niet zag, alsnog kon bekijken. De waterplassen waren groter dan ik dacht. Qua vogels alleen een reiger gezien. Een wegggetje met gezicht op onder meer de DUO-flat in de verte:

Beschilderde bouwschutting aan de Kerklaan – lieve figuurtjes in een Hummerachtig vehikel:

Op visite in de Grouwelderij:

Loswal suikerfabriek Hoogkerk:

Stelletje haalt snoek op het droge
Geplaatst op: 24 september 2011 Hoort bij: Ommelanden 4 reactiesFietste langs de Hoornsedijk, waar een jongen die er zat te blinkeren, net een flinke vis aan de haak had. Samen met zijn vriendin haalde hij het beest uit het water. Het bleek een snoek van ongeveer 60 centimeter, die hij naderhand weer terug heeft gezet:
Uitzicht over de Peizermaden
Geplaatst op: 24 september 2011 Hoort bij: Onlanden 2 reactiesNatuurmonumenten had vanmiddag aan de rand van de Peizermaden, thans Onlanden genaamd, twee hoogwerkers opgesteld. Vanaf 22 meter hoogte kon je zo uitzien naar alle kanten:
Dijkstreek even in beeld bij Unox
Geplaatst op: 24 september 2011 Hoort bij: Ommelanden 18 reacties
Ik zeg zelf ook niet alles hoor. Zo heb ik nooit verteld dat ik eind maart benaderd werd door een reclame- en marketingbureau uit Hilversum. Ze hadden dit idyllische plaatje van me zien staan bij een logje op Gelkinghe, vonden hem prachtig en wilden hem gebruiken voor een klant van ze.
Weldra bleek dat die klant Unox heette. De foto was bestemd voor de nieuwe rookworstverpakking, die Unox voor het komende winterseizoen wilde introduceren.
Helaas bleek weldra ook, dat de anderhalve Mb van de oorspronkelijke foto toch wat te klein was voor het bijkomende werk. Je kunt die anderhalve Mb wel redelijk afdrukken op een rookworstverpakking, maar voor posters en displays zijn dat te weinig pixeltjes.
De deal ging dus niet door. Vond het anders wel een bijzonder aardig idee: het gezicht op Enumatil, genomen vanaf het weggetje naar de boerderij op de Dijkstreek van mijn overgrootouders, nationaal op de rookworstverpakkingen van Unox…
Rondje Zuidhorn
Geplaatst op: 23 september 2011 Hoort bij: Ommelanden 1 reactieHoogkerk bij het Hoendiep – vrachtwagen lost suikerbieten:

Hoogkerk, grup met rooster van voorheen Kweeklust aan de Aduarderdiepsterweg:

Weersterweg tussen Nieuwbrug en Den Horn – knollensnijmachine bij boerderij:

Koetouw bij dampaal aan de Hogeweg:

Een bergje gedumpte appels, eveneens bij die Hogeweg:

Omkijkende roodbonte:

Tekkel van plankjes, Zuidhorn:

Putti op een balkon aan de Gast, Zuidhorn:

Weer wat wildemannen voor mijn verzameling – wapen van de familie Bindervoet op een grafsteen bij de hervormde kerk van Zuidhorn:

Hazewindhond op de kansel van de hervormde kerk in Zuidhorn:

Arcadisch tafereel bij de diepswal tussen Briltil en Enumatil:

Alert stierkalf bij de Pasop:

Een verzwegen familiegeschiedenis
Geplaatst op: 23 september 2011 Hoort bij: Familie 4 reactiesMijn andere grootvader, Albert Vondeling, komt ook voor in de leggers van het Nieuwsblad. In juni 1928 stond bijvoorbeeld zijn ondertrouw met mijn grootmoeder Bieuwkje (Kroeze) Kroese in de burgerlijke standsrubriek van de gemeente Zuidhorn:
Zij kwam van het uiterste puntje van de Dijkstreek (Enumatil), dat onder de gemeente Leek viel. Wat ik me nooit realiseerde, is dat ze ‘moesten’ trouwen. Er was namelijk een kind op komst:

Het jongetje, dat ze naar zijn vader Hendrik noemden, werd al in augustus geboren op de boerderij van haar ouders, waar ze dus tijdelijk inwoonden. Het jongetje stierf na 17 dagen:

Waar het begraven is, heb ik nog niet kunnen achterhalen. Ik heb de begraafregisters van Lettelbert, Leek + Midwolde en Tolbert doorgenomen, maar nergens ligt dat jongetje.
Van iemand die op Gelkinghe reageerde op de dag dat dit weblog helaas uit de lucht ging (vandaag exact een maand geleden), hoorde ik hoe na de oorlog de verbindingen lagen. Deze Jur de Boer groeide op in dezelfde Dijkstreekster boerderij tussen 1948 en 1964. Hij ging via de Pasop naar school in Midwolde, dat lijkt dus het kerkdorp geweest te zijn, waaronder de boerderij viel. Boodschappen werden echter betrokken van bakkers en kruideniers uit zowel Midwolde als Enumatil. Maar vanaf de boerderij liepen er ook landweggetjes naar nog andere dorpen. “Achter in het land bij de Matsloot”, vertelde Jur me,
“…was een uitgang naar ’t Kret en dit vormde een korte verbinding met Tolbert. Zo was er ook een mogelijkheid om door het land naar Niekerk te gaan, waar onze (hoef)smid was. Ik ging er ook naar de kleuterschool.”
Toch nog maar eens in het begraafregister van Niekerk kijken dan. En, voor alle zekerheid, in dat van Zuidhorn.
Het gedwongen huwelijk en de dood van het kind vormden natuurlijk een drama in het leven van mijn grootouders. Maar die hebben daar nooit over gepraat. Mijn moeder vernam pas lang na hun dood van een nicht, dat er nog een ouder broertje was geweest.
Mijn grootvader reed, als hij ons vanuit Drenthe naar Feerwerd bracht, wel graag langs de Pasop, waar je even uitzicht hebt op de boerderij. Met de kennis van nu besef ik, dat hij dan aan dat drama moet hebben gedacht.
Misschien dat hij zich door dat gedwongen huwelijk wel eens bekneld gevoeld heeft. Een emigratie naar Amerika ging niet door, omdat mijn grootmoeder niet zo gezond was. Als zij weer eens mopperde, riep hij wel eens: “Hol joe stil of ik ruil die in veur twei wichter van achttien”. Dat was een grapje, zeker, maar het werd wel onthouden en je peilt er de diepere bodem niet van.
Waar werd verzwegen, herhaalde de geschiedenis zich. Toen mijn in 1930 geboren oom Frans na de oorlog een meisje bezwangerde, was mijn grootvader onverbiddellijk. Zijn zoon kon dan nog zo’n talentvol student wis- en natuurkunde zijn, hij moest trouwen, kreeg geen geld meer en ging maar werken voor de kost.
Mijn opa in de krant
Geplaatst op: 22 september 2011 Hoort bij: Familie 9 reacties
Verheugend nieuws: sinds vanochtend staan de jaargangen 1911-1965 van het Nieuwsblad van het Noorden online bij de historische krantenbank van de KB.
Het Nieuwsblad bestreek ook Drenthe, en daarom waren mijn beide grootvaders, alletwee afkomstig uit Groningerland maar wonende in Drenthe, geabonneerd op die krant.
Zoekend op mijn achternaam en wat nadere steekwoorden vond ik alvast meerdere berichtjes waarin mijn grootvader van vaderskant figureert. Het eerste van deze berichtjes met Harm Perton dateert van 27 augustus 1927. Het gaat over een Assenaar met flink wat geld op zak, die bij Uffelte levenloos uit de Drentse Hoofdvaart werd opgedregd, drie uur nadat zijn fiets en zijn pet daar op de oeverwal waren gevonden. Vermoedelijk betrof het een suïcide. De man had de hele dag doelloos in de omgeving rondgefietst en afgezien van een barbier was mijn grootvader zo’n beetje de laatste die hem in levende lijve had gezien:
“Door den kommies, den heer H. Perton. werd hij nog aangehouden, omdat de heer P. meende, dat de man geen rijwielplaatje had. Het bleek echter, dat hij dit onder zijn hand had aan het stuur. Toen had hij echter een klein kneveltje. Diverse ingezetenen alhier hebben dit opgemerkt, doch later bleek de man dit niet meer te hebben.”
Mijn grootvader was dus nog kommies in Uffelte, waar in januari dat jaar mijn vader geboren was. In 1934 zouden ze naar Havelte verhuizen, waar de ouwe hetzelfde ambt bekleedde. Als kommies moest hij erop toezien dat iedereen niet alleen rijwielbelasting, maar ook motorrijtuigenbelasting betaald had, hetgeen bleek uit het voeren van het bij de wet vereiste kenteken. Mijn grootvader gold als streng, doch rechtvaardig. Toen de burgemeester van Havelte, de autocratische oud-Indischgast Eggink, eens in een auto zonder nummerbord rondreed, slingerde mijn even autoritaire grootvader hem zonder pardon op de bon. Hetgeen tot een legendarische ruzie tussen beide potentaten heeft geleid.
Wat ik niet wist, was dat mijn opa lid was van een schietvereniging, ‘De Burgerwacht’. Meermalen nam hij deel aan schietwedstrijden, waarvan de uitslagen in de krant te vinden zijn. Plaatselijk zat hij in de subtop, maar bij een regionale wedstrijd op het geweer M 95 over honderd meter (knielend of liggend, naar keuze van de schutter) in september 1937 eindigde hij als 11e van de 38 schutters in de klasse B. Er waren drie klassen, dus regionaal zat hij iets boven de middenmoot. Overigens won het corps van Havelte toen de eerste prijs.
Eveneens geheel nieuw voor me was, dat hij dingen deed voor de Lijkwagenvereeniging van Havelte en omgeving. Begin 1938 vergaderde die in café Buter, waarbij 40 leden aanwezig waren. In totaal had de club er 208, toch een aardige opkomst dan. De collectieve lijkwagen, die in 1936 twaalf maal gebruikt was, bleek inmiddels geheel afgelost. Met enkele andere leden zat mijn grootvader in een commissie, die het doel van de vereniging wilde verbreden:
“Een voorstel van een commissie, bestaande uit de heer A. Vierhoven, H. J. Götz en H. Perton om over te gaan tot het oprichten van een begrafenisvereeniging en deze vereeniging bij de bestaande lijkwagenvereeniging onder te brengen werd verworpen. Voor stemden 13, tegen 23 en blanco 4 leden. De meerderheid was van meening, dat de boerenstand niet meer belast mocht worden en gaf tevens de voorkeur aan de z.g. „burenplichten”.”
Vrijgevigheid in gradaties
Geplaatst op: 21 september 2011 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties
Grafiekje van de gemiddelde uitgave in guldens per bedeelde arme, gedaan in kerkelijke gemeenten in het Oldambt, anno 1810. Becijferd op basis van een van de vele statistische tabellen, die de overheden in de Franse periode produceerden.
Zoals je ziet loopt die gemiddelde uitgave uiteen van 16 gulden bij de evangelisch-lutherse gemeente Winschoterzijl, tot 136 gulden bij de doopsgezinden van Midwolda e.o.
Natuurlijk gaat het soms om kleine getallen – bij die doopsgezinden van Midwolda e.o. betreft het slechts één enkele bedeelde. Uiteraard speelt de vraagkant een rol bij de uitgaven: een zwaar gehandicapte die permanent oppas en verzorging van node heeft, vergt meer geld, dan een piepjonge wees. Een paar zware gevallen kunnen het gemiddelde bedrag dus zeker opkrikken. Maar die vraagkant kan beslist niet alléén het op deze wijze uiteenlopen van de gemiddelde bedragen verklaren. Dat ligt ook aan de aanbodskant. Zo is van de lutheranen, katholieken en joden bekend, dat ze meest nogal armoedig waren. Dat de gemiddelde uitgave aan een bedeelde in hun gemeenten tot de laagste behoorde, is dus geen toeval, dat komt door de armoe van de gevers. De leden van deze gemeenten konden minder missen en hun diaconieën zetten de tering naar de nering. In dat plaatje past ook de positie op de ranglijst van Finsterwolde, dan nog deels een armelijk vissersplaatsje. Pas na de inpoldering van de Finsterwolderpolder (1819) werd het een welvarend boerendorp.
Een soortgelijke ontwikkeling maakte Oostwold vanaf 1769 door dankzij de Oostwolderpolder. Hier heerste in 1810 de welvaart van hoge koolzaad- en graanopbrengsten, die ook nog eens zeer hoge prijzen deden. Daarom vinden we de hervormden van Oostwold juist in de top 10, qua gemiddelde uitgave per arme. En die hoge uitkering bij de mennonieten van Midwolda e.o mag dan een niet-representatieve uitbijter zijn, de aanwezigheid van de doopsgezinden van Nieuw-Scheemda en Noordbroek in de top 10 zegt toch wel wat. De doopsgezinden waren door de bank genomen wat rijker dan hervormden en kennelijk ook wat vrijgeviger. Dat de massale overgang, in deze tijd en eerder, van doopsgezinden naar de hervormde kerk veroorzaakt zou zijn door de aantrekkingskracht van de hervormde armenzorg, lijkt gezien deze grafiek weinig plausibel.
De oudere Dollardpoldergemeenten, zoals Beerta, Nieuwolda en Scheemda, zitten allemaal op het middenveld in de bandbreedte van 40 à 60 gulden. De vraag is hoe al deze gemiddelde uitgaven zich verhouden tot de gemiddelde kosten van levensonderhoud in het algemeen. Op basis van het karige minimum-tarief van 7 stuivers per dag voor kost, bewassing, licht en vuur, geldend voor gevangenen op een van de stadspoorten in Groningen, was een volwassene minstens 128 gulden per jaar kwijt aan levensonderhoud. Daar kwam dan nog eens zo’n 20 gulden overheen aan een jaar huur voor een pover woninkje. De minimale kosten van levensonderhoud bedroegen dan al met al 148 gulden per jaar voor een volwassene. Als je de gemiddelde uitgave per arme in de grafiek daarmee vergelijkt, hield zelfs die doopsgezinde arme van Midwolda nog een stuk jaar over na het verteren van zijn of haar steun.
De uitkeringen – deels in natura, deels in geld – waren dan ook helemaal niet bedoeld om de kosten van levensonderhoud volledig te dekken. Ze vormden slechts een aanvulling. De arme werd geacht nog zoveel mogelijk de kost zelf te verdienen. Vervolgens was er de eerstelijns armenzorg in de vorm van de familie en pas daarna kwam een diaconie in beeld voor het lenigen van de nood.
Liever een marskraam dan permanent steun
Geplaatst op: 20 september 2011 Hoort bij: Geschiedenis 4 reacties
“Harm Pieters niet langer konnende bestaan, begeerde 5 à 6 gl. om met een marskraam te gaan. Word hem daar toe 6 gl. toegelegt, om reden dat hij anders dog geheel tot laste der Diakonie soud komen.”
Aldus het besluitenregister van de Winschoter diakonie op 27 februari 1721. Harm Pieters had zich dus bij deze diakonie vervoegd omdat hij niet langer de kost kon verdienen. Hij verzocht om 5 of 6 gulden, opdat hij een “marskraan” met handel kon kopen. De diakonie gaf hem dat bedrag ook, omdat hij anders toch voor zijn gehele levensonderhoud voor rekening van de diakonie zou komen. Men investeerde nu liever voor een eenmalig, kleiner bedrag, dan straks voortdurend geld en uiteindelijk een veel groter bedrag in Harms consumptie te moeten steken.
Van zo’n marskraam, waarmee Harm de boer op wilde gaan, zijn er best wel veel plaatjes, eigenlijk. De onderstaande komt uit de Koninklijke Bibliotheek. Zo’n kraam was een platte bak van hout of riet, waarin zich vakjes met kramerijen of kleine handelswaar bevonden. Het kon bijvoorbeeld gaan om garen, band en knopen, flesjes Haarlemmerolie en kwakzalversmiddelen, of volksboekjes en almanakken.

Onder de bak zat vaak een stok waarop de bak kon steunen. De bak bestond gewoonlijk uit twee delen – een dieper gedeelte en het deksel – die de marskamer kon inklappen en dan makkelijk op zijn rug kon dragen. Een dergelijke koopman heb ik als kleine jongen nog bij ons thuis zien komen. Voor 1960 was dat. Mijn moeder kocht kaartjes met veiligheidsspelden van hem.
Om op Harm Pieters terug te komen: een anderhalve maand na zijn opwachting bij de Winschoter diakenen bleek hun investering helemaal niet nodig te zijn, omdat Harm “noch voor ditmaal van sijn vrinden ondersteunt, en met kramerie versorgt [zal] worden…” Onder die vrienden moet je de familie van Harm verstaan, die de eerstelijns armenzorg op zich namen. Pas waar deze achterwege of gebrekkig bleef, hoefde een diakonie in actie te komen.
Ik neem het besluitenregister van de Winschoter diakonie door met het oog op een lezing, die ik medio oktober in Winschoten ga houden.
De moord op Godert Walter
Geplaatst op: 18 september 2011 Hoort bij: Stad toen 5 reacties“Zondag 17 september 1944, het gezin geniet in de tuin van een stralende dag. Vier SD’ers stappen uit een auto en vallen hun huis aan de Dilgtweg in Haren binnen. Drost en Mowinski houden Agnes van Gelder en hun twee zonen in bedwang, Lehnhoff en Kindel nemen Godert Walter mee naar binnen en sluiten de gordijnen. Agnes hoort drie schoten vanuit het huis. Lehnhoff vuurt twee keer, Kindel één keer. De SD’ers nemen Walter zijn papieren af en duizend gulden en vertrekken zonder zich te bekommeren om zijn vrouw. Alles speelt zich in enkele minuten af.”
Godert Walter was het slachtoffer van de verrader Pieter Wichers, die na de oorlog voor het executiepeloton kwam. Henk Werk stelde een internetpagina over deze beruchte V-man en zijn slachtoffers samen.
Nieuwe Stad & Lande bevat prachtvondst
Geplaatst op: 17 september 2011 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties
De nieuwe Stad & Lande zal rond dit weekend bij de abonnees in de brievenbus liggen
Op de voorpagina een van de ronduit prachtige aquarellen uit het Album Amicorum van Menolt Hillebrandes van Harssens. Menolt was katholiek, van gegoede komaf, studeerde in Dole (waar eerder de moordenaar van Willem van Oranje studeerde) en belandde begin 17e eeuw als bureaucraat aan het hof in Wenen, waar de Keizer hem later in de adelstand verhief. Harry Brouwer, die al eerder de summiere biografie van deze ambtsedelman schreef, ontdekte diens vriendenalbum in een Zuid-Duitse bibliotheek en geeft context aan deze prachtvondst, die op termijn nog wel eens tot meer ontdekkingen kan leiden.
Verder vinden de abonnees in dit nummer van Stad & Lande een artikel van Wija Friso over een model van de Termunterzijl uit 1725, en stukken van Elise van Ditmars en Mijnard Scheers over respectievelijk de steenfabrikant, architect en kunstverzamelaar Reurt Jan Veendorp, en de boerderij Oldenbosch in Nansum, die achter de eenvoudige 19e-eeuwse voorgevel veel oudere bouwsporen bleek te herbergen.
Niet-abonnees kunnen dit nummer van ons kwartaalblad onder meer kopen bij boekhandel Godert Walter, aan de Oude Ebbingestraat in stad. Maar abonneren is natuurlijk veel beter. Dat kost je € 27,50 per jaar. Opgave bij het secretariaat van de vereniging Stad en Lande, postbus 41122, 9701 CC Groningen, of via de website van de club. Voor dat geld krijg je dan ook nog eens het Historisch Jaarboek Groningen èn uitnodigingen voor allerlei interessante lezingen die in het winterseizoen plaatsvinden. Doen dus, als de geschiedenis van stad en ommeland je belangstellng heeft.
Overigens groeit het aantal leden van Stad en Lande de laatste tijd aardig. Het nadert nu de duizend en er wordt over gedacht om het eventuele duizendste lid met wat leuke historische attenties in het zonnetje te zetten op de 25e Dag van de Groninger Geschiedenis.

Recente reacties