De hooiers en hun liederenrepertoire
Geplaatst op: 15 maart 2019 Hoort bij: Geschiedenis, Muziek 1 reactieDe hooiersmarkt in Sneek blijkt niet de enige te zijn geweest. Ook kwamen lang niet alle Groninger maaiers en hooiers via zo’n hooiersmarkt aan het werk. Een ander artikel over hun vorm van trekarbeid in Vereenigt U, maakt immers onderscheid tussen enerzijds de maaiers en hooiers die voorafgaand aan hun tocht, waarschijnlijk per brief of via een koppelbaas of besteder, met een Friese boer afspraken hadden gemaakt over hun werk en beloning, en anderzijds hun collega’s die op de bonnefooi naar Friesland afreisden, waar zij op een hooiersmarkt aan werk hoopten te komen:
Bij honderden en honderden zijn de mannen uit de provincie Groningen weer van honk gegaan. Naar de greidhoek van Friesland trokken ze vanuit het Oldambt en Westerwolde. Velen waren reeds verzekerd van daar hooiers- en maaierswerk te zullen vinden, maar er waren toch ook niet weinig, die op goed geluk naar de markten te Sneek, Bolsward en Leeuwarden trokken. (…) Kenbaar zijn ze aan hun witte of blauwe bultzak, waarin moeder de vrouw, naast wat schoon goed, enkele andere gerieflijkheden heeft gestopt. Bij heele drommen zag je ze soms passeeren.
Na deze algemene inleiding is het stuk, dat duidelijk geschreven werd door een vestokte geheelonthouder, gewijd aan de “jeneverellende” onder deze trekarbeiders. Want onderweg naar Friesland nam menige hooier behoorlijk wat “proppies” in, zo merkte de auteur in de overbezette en ronduit smerige, stinkende trein op zondagavond van Groningen naar Leeuwarden. Door hun drankmisbruik leken de Groninger trekarbeiders zelfs op de losgeslagen Engelse toeristen van tegenwoordig. In Friesland althans, hadden ze een dergelijk imago:
Minachtend keken de voorbijgangers op deze anders zoo rustige en kalme dorpsmenschen, die nu door de jenever tot wilden waren gemaakt, neer.
De auteur zette hun alcoholgebruik nogal zwaar aan en repte zelfs van “beestialiteiten”. Uiteraard kwam hij ook op de proppen met het bekende geheelonthoudersadagium:
Drinkende menschen denken niet,
Denkende menschen drinken niet.
Interessanter dan zijn moralistische filippica tegen de drankzucht, die je elders in ontelbaar veel variaties kunt aantreffen, vind ik echter de liederen die hij de hooiers in de trein hoorde zingen. Hij noemt er drie, waarvan ik de titels hierna gelinkt heb naar audio-opnamen op de Nederlandse Liederenbank.
Het eerste, een regelrechte smartlap, werd in 1903 door Van Duyse uit mondelinge overlevering opgetekend, maar staat ook in een vaderlands schoolliederenboekje uit 1891, en gaat terug op een Duitse oerversie uit 1781:
Op banken achter ons en inde bagagenetten zagen we de bekende bultzakken liggen. De respectievelijke eigenaars ontpopten zich door hun „Grönneger toaltje” al gauw als maaiers die ook naar „Fraisland” gingen. Ternauwernood waren we in beweging of het hartroerende lied „Aan den oever van een snelle vliet” klonk in de coupé.
Het tweede lied was een eeuwenoude ballade die een flink deel van de reis te horen moet zijn geweest:
Allen dronken na met de hand telkens de hals te hebben afgeveegd, „broederschap”. Na zoo’n hartversterking kon er weer een moppie ten beste worden gegeven. Nu begon men met het lied-zonder-eind: „Toen ik op Neêrlands bergen stond”. Voor begeleiding zorgden de schoenhakken, die op de vloer neerdonderden alsof men er door wilde.
En een derde, vrijwel onverstaanbaar lied, betrof Vrijheid u mijn leven, een fraai socialistisch vers van Piet de Ruijter, dat in 1973 nog op LP werd gezet door de ‘Oproerkraaiers’, een plaat die overigens – veelzeggend genoeg – niet eens op YouTube te vinden is:
Een van de mannen, vrij bejaard reeds, had naar het scheen z’n portie. Zijn gebrul ontaarde langzamerhand in allerlei wanklanken. De laatste woorden die we nog zoo’n beetje ontcijferen konden, waren zooiets als . . . Vrijheid . . . leven. Hij zakte brommend en onverstaanbare geluiden uitstootend ineen.
Kortom, het repertoire dat de Oost-Groninger hooiers ten gehore brachten bestond uit smartlappen, traditionals en strijdliederen, alle drie genres die de laatste dertig, veertig jaar niet of nauwelijks hebben overleefd.
Het Trouwe Arbeidersgankje
Geplaatst op: 13 maart 2019 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Het Stad-Groninger Verpondingsregister van 1806 maakt op de adressen X 195, X 196 en X 197 melding van drie aaneengesloten woninkjes, gelegen aan het “Trouwarbeidersgangje”. Op bovenstaand kaartje heb ik de steeg geel en de woninkjes lichtblauw ingekleurd. De steeg bevond zich ten noorden van de Nieuwstad en ten westen van de Folkingestraat. Als je vanaf het Zuiderdiep kwam en voorbij de synagoge linksaf sloeg, was je er na het vijfde pand rechts.
Het oudste stuk dat de bewuste gang noemt, is een koopakte van 1750. De steeg heet in dat stuk nog het “zogenaamde Trouwe Arbeidersgankjen”. Blijkbaar was die naam toen nog niet echt ingeburgerd, anders was dat ‘zogenaamde’ wel achterwege gelaten. Via de akte verkochten de erven Egbert Meijer twee “kamers” (= eenkamerwoninkjes) voor de somma van 205 gulden, een teken dat het om zeer basale onderkomens ging.
In 1806 hadden de drie kamers aan de steeg drie verschillende eigenaren. X 195 was in handen van Catharina Suiring (1756-1836), ook wel de wed. Bos(s) genoemd. Deze arbeidersdochter had bijna honderd van zulke pandjes verspreid over de hele Stad en de Stadstafel en ook nog vastgoed her en der in de provincie (o.a. Leens, Garnwerd, Tinallinge en Noordbroek). Zij woonde niet in de Trouwarbeidersgang, waarschijnlijk in tegenstelling tot de beide andere eigenaars. X 196 was van de bejaarde Jan Heerkes, en X 197 van de jood Aäron Marcus.
Omstreeks 1830, ten tijde van het eerste kadaster waren de woninkjes aan het Trouwe Arbeidersgankje respectievelijk het eigendom van dezelfde Catharina Suiring, een weduwe Jan Roseboom, en de joodse gemeente.
Toen Catharina Suiring in 1836 stierf, liet ze getuige haar successiememorie een netto-vermogen na van ruim 15.000 gulden. Op haar lijst met vastgoed vinden we ook de kamer “op de Nieuwstad in Trouw Arbeidersgangje”. Deze was toen net verkocht voor 240 gulden. Suiring had het woninkje verhuurd voor 50 cent in de week oftewel 26 gulden per jaar. Het gaf dus een rendement van 11 % op de nieuwe koopsom. Andere pandjes deden qua jaarhuur zelfs 20-25 % van de waarde. Suiring was, kortom, een echte huisjesmelkster – geen wonder dat ze als arbeidersdochter zo’n vermogen naliet!
Om weer terug te gaan naar 1750 en de tijd dat de naam van de steeg nog niet zo ingeburgerd was – die naam moeten we niet letterlijk nemen, want waarschijnlijk had hij een religieuze achtergrond. Weliswaar rept de bijbel niet van de combinatie ‘(ge)trouwe arbeiders’ maar in de stichtelijke boeken van vooral bevindelijk-gereformeerde predikanten uit de periode 1680-1750 komt dit woordenpaar redelijk veel voor. In zulke werken stuurt de Heer zijn trouwe arbeiders naar de wijngaard of om de oogst binnen te halen – in hun Tale Kanaäns staat trouwe arbeiders overdrachtelijk voor predikanten. Zo klaagde Jodocus van Lodenstein in zijn Geestelijke Opwekker, een posthume prekenbundel uit 1716, over “den grooten oogst en het kleyn getal der getrouwe arbeiders”. En Christiaan Stort rept in zijn geestelijk woordenboek (1743) van Gods “onvergankelijke zaadt, dat door de leraars en predikers als trouwe arbeiders in de harten der menschen uitgestrooit wordt”. Ook andere populariserende theologanten als Groenewegen (1693), d’Outrein (1702), Mobach (1740), Schortinghuis (1740) en Erskine (1744) bedienden zich in hun veelgelezen traktaatjes van de metafoor.
Houdt deze overdrachtelijke betekenis nu in dat er een predikant in het Trouwe Arbeidersgankje woonde? Nee, dat zeker niet – predikanten woonden elders, veel meer op stand. Maar de naam kan wel in de hand zijn gewerkt door een vrome bewoner, die misschien als oefenaar of catechiseermeester optrad, en/of op andere wijze van zijn geloof getuigde.
Naar de Hooiersmarkt in Sneek
Geplaatst op: 11 maart 2019 Hoort bij: Familie, Geschiedenis 3 reacties
Ik geloof dat bijna iedereen wel weet wat hannekemaaiers waren, en bijna iedereen zal zeggen dat ze uit Duitsland kwamen. Toch waren er ook volop Groningers die jaarlijks aan het begin van de hooitijd naar Friesland trokken.
Over die trekarbeid heb ik het hier wel eens gehad. In het voorjaar van 1893 kon een landarbeider uit Beerta met grasmaaien in Friesland bijna dubbel zoveel verdienen als met veldarbeid thuis,
Eind juni 1897 leidde de trek naar Friesland zelfs tot een tekort aan arbeiders op de Oldambtster akkers:
Het getal maaiers, dat dezen zomer uit Groningen naar Friesland is vertrokken, is nog nooit zoo groot geweest als thans. (…) In de groote polders van Groningen doet zich thans het geval voor, dat de boer bij het wieden en schoffelen handen te kort komt. Geen wonder, als men weet, dat uit de gemeenten Finsterwolde en Midwolda meer dan 300 maaiers en hooiers zijn vertrokken. Hieronder zijn, die ƒ 3 a ƒ 4 per pondemaat maailoon ontvangen.” (Pondemaat was een Friese oppervlaktemaat.)
De hooierstrek naar Friesland bestond zelfs nog na de Eerste Wereldoorlog, toen de eerste maaimachines al op de Friese hooilanden waren gesignaleerd. In het stakingsjaar 1919 typeert Vereenigt u de ongeorganiseerde Beertster arbeiders tenminste als
stugge vierkante Groningers, van die bonkige stevige typen, die men zoo meteen weer in groote aantallen op de hooiersmarkt in Sneek aantreft.
Er was dus zelfs een speciale markt voor hooiers in Sneek. Over die markt wil ik het hebben
Datzelfde Vereenigt u, het orgaan van de Nederlandse Landarbeidersbond, heeft op zijn voorpagina van 19 juni 1915 een reportage over die hooiersmarkt, tien dagen eerder. Reden om naar Sneek te gaan zijn alarmerende persberichten over het gebrek aan arbeidskracht bij het maaien en hooien in Friesland, en dat nog wel midden in de maai- en hooitijd.
In Sneek aangekomen, zet de verslaggever meteen koers naar het Waaggebouw,
de plaats waar elk jaar gedurende een paar weken de arbeiders een boer hopen te krijgen. Zoo’n soort arbeidersbeurs in de openlucht.
Maar die boeren blijken helemaal niet zo’n verlet om loonmaaiers te hebben:
Direct bij het verlaten van ’t station werden we al reeds aangeklampt dooreen paar stevige jonge kerels die ons vroegen: „Boer mot je ook „öngetiiders.’’ Het radbraken van deze Friesche naam voor hooiers deed ons den Groninger proeven. Het klonk zoo ongeveer als „Boer mot je’ook „Hongertigers”. M’n „direct niet jongens” deed hen onmiddellijk hun aanbod richten tot een welgedaan kaaskoopman. Ook daar natuurlijk bot.
Bij de Veemarkt zagen we reeds groepjes mannen tegen de muur vaneen café zitten en liggen. Iets verderop stonden wiel aan wiel tal van fietsen met achterop de bagagedrager waarop de blauwe en witte bultzakken. Veel, heel veel jonge mannen met hoogroode warmtegezichten zagen we erbij, maar ook van die oude stoere kerels met tanige gezichten (…). Kwam er een boer voorbij die een beetje zoekend rondzag dan werd ie direct door een of meerderen van de arbeiders aangeklampt. Begon de werkgever een gesprek dan kwamen vanuit de schaduw al spoedig anderen zich er omheen scharen in de hoop dat het een kans gaf aan den slag te komen. ’t Leek ons alweer toe dat het er voor de honderden Groningsche maaiers, die met een extra-trein van Winschoten waren gekomen, er niet zoo heel gunstig voorstond.
Intussen is onze reporter nog steeds niet in de Waag geweest, voor een afgewogen oordeel over dit epicentrum der hooiersmarkt:
Daarheen dus. Een paar nauwe straatjes door, de hoek om en … sakkkerloot wat een hoop menschen, wat een reuzenaanbod. De alarmeerende berichten in de pers over de hooge loonen en het gebrek aan arbeiders hadden wel invloed gehad. … ’n Eigenaardig gezicht, zoo’n menschenmarkt. Bij bosjes staan, liggen of zitten er, allen zooveel mogelijk in de schaduw, de mannen die uren hadden gespoord, gefietst of geloopen, teneinde als hooier of maaier een mooi weekloon te verdienen.
Het definitieve marktbericht geeft een bekend Groninger vakbondslid die op de verslaggever afkomt:
„Staat niet best,” zegt ie. „Veel te veel volk en geen boeren. Voor een snars kan je wel aan den slag komen, maar dat doe ’k niet. Dan maar terug, ’t reisgeld zal er wel weer komen.”
De reporter kiest ervoor nog wat rond te wandelen. Wat hij ziet:
Hier een groepje druk bezig een paar uitgedroogde en er allesbehalve smakelijk uitziende bokkingen van vel en graten te ontdoen. Ernaast een paar met het lichaam languit op de niet-al-te-best-veerende klinkers, het hoofd op de bultzak, uitrustende van de moeilijke reis. Bij de vaart, met de beenen bij de kaaimuur langs, enkelen, die met smaak een droge krentenmik naar binnen werkten. In een hoek, met een in ’n rooie zakdoek geknoopt bundeltje aan den stok over den schouder, eenige mannen die men het aanzien kon dat het geen weelde was, dat ze hier hun koopwaar kwamen aanbieden.
Even gloort er hoop voor ze:
Een paar boeren komen onder het afdak. Direct worden ze aangeklampt. Een heel kluwen wordt het spoedig, want elk wil gaarne van de partij wezen. Na heel wat loven en bieden trekken een viertal jonge mannen met de boeren af. Ze hebben het accoord gesloten.
De schrijver ontmoet werkloze bouwvakkers die hier hun geluk kwamen beproeven, maar al meer dan een week rondlopen: niets te doen. Uiteindelijk komt hij een stel Groningers tegen, dat zich weer opmaakt voor de thuisreis:
„We gaan maar weer naar Finsterwolde terug. We meenden dat er gebrek aan arbeiders was, maar ’t is krek andersom. (…) ’t Is een heele trek van Sneek naar Finsterwolde op de fiets, maar enfin. Die 140 kilometer terug lussen we ook nog.”
Harm Tuin en de moderne landarbeidersbond
Geplaatst op: 10 maart 2019 Hoort bij: Familie, Geschiedenis Een reactie plaatsen
Landarbeiders met krant, ca. 1910. Foto: H. Mansholt. Collectie Groninger Archieven 818-17361.
Eén hoeraatje voor Delpher ! Bij de tijdschriften die het van de week via zijn website toegankelijk maakte, bevindt zich namelijk Vereenigt u, het orgaan van de Nederlandse bond van landarbeiders.
Deze ‘moderne’, d.w.z. sociaaldemocratische vakbond, opgericht in 1909, had in Finsterwolde eerst weinig aanhang omdat de anarchistische landarbeiders daar fel gekant waren tegen organisatie, stakingskassen en de bijkomende hiërarchie en leiding. Zij voelden meer voor spontane acties, die echter al snel verliepen.
In de Eerste Wereldoorlog leek er enige kentering in die opvatting te komen. Tenminste, bij propagandavergaderingen van de Landarbeidersbond in Finsterwolde en op de Ganzendijk in 1916, nam Harm Tuin senior het woord, de oom van mijn grootvader die lokaal een vooraanstaand anarchist was – hij leek iets naar de bond op te schuiven. Vereenigt U schreef:
De vrije socialist H. Tuin te Finsterwolde, ofschoon niet van de noodzakelijkheid van de moderne tactiek overtuigd, was van meening, dat te Finsterwolde iets moest gebeuren. Zoo ging het niet langer. Hij ried de arbeiders aan in organisatie hunne kracht te zoeken. Voor een afdeeling van onzen bond was geen liefhebberij, maar staande de vergadering werd op aandrang van een der anarchisten besloten binnenkort eene vergadering van landarbeiders te houden.
In de jaren 20 zou zo’n afdeling er toch komen in Finsterwolde. Dat deze afdeling weldra door communisten werd overgenomen, die vervolgens binnen de vakbond oppositie tegen de leiding gingen voeren en daarom geroyeerd werden, is een ander verhaal.
Reiderwolderpolderpaardebonen
Geplaatst op: 9 maart 2019 Hoort bij: Geschiedenis, Taal 8 reactiesEn dan beweren ze dat Groningers zo kort en bondig zijn. Nou niet als het om hun paardebonen gaat!:

Bron: De Boerderij van 22 december 1926.
Rondje Eiteweert
Geplaatst op: 9 maart 2019 Hoort bij: Drenthe 4 reactiesPeizerdiep. Aan het hondepad te zien, zijn vele Drentse fietsers hier aan deze kant van de brug naar rechts en omlaag gegaan:

Mijn botanische kennis schiet helaas weer eens tekort om deze prachtige bloemetjes te kunnen benoemen:

Bloesem op komst:

Wilgekatjes in diverse stadia:

Koert & Tjakkie en de teloorgang van hun communisme
Geplaatst op: 9 maart 2019 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenVPRO-documentaire uit 1998 brengt de laatste generatie CPN-ers van Beerta, Finsterwolde en Drieborg in beeld. Destijds heb ik de video ook gezien, inmiddels herken ik zo’n beetje alle plekken door het fietsen in die omgeving:
‘Vinex Groningen 1040’
Geplaatst op: 9 maart 2019 Hoort bij: Stad toen Een reactie plaatsen
Schetsmatig plattegrondje van Groningen in de elfde eeuw. Oranje: het oorspronkelijke dorpje ten noorden van de Grote Markt (rond) en de Martinikerk (rechthoekig). Blauwgroen: het prefectenhof (vierkant), de bisschoppelijke Walburgkerk (rond), de bisschopshof (rechthoekig) en het patroon van parallelle straten ten zuiden van beide markten. Zwart de (latere) ringmuur/wal. Mochten de dorpelingen de Martinikerk nog als een sterkte beschouwen, dan ligt die ingeklemd tussen bisschoppelijke steunpunten.
Gert Kortekaas weet het nog goed. ‘Ik stond ‘s ochtends vroeg onder de douche, toen viel het kwartje.’ Dat moet zo ongeveer in 1991 zijn geweest. Hij dacht aan de oudste wal van de stad, het eerste plaveisel van de straten en het stratenpatroon, ‘en alles viel op zijn plek’.
Op dat moment ontstond een nieuwe theorie over het ontstaan van de stad: ‘De oudste kern ligt aan de noordzijde van de Grote Markt en de Vismarkt’, zegt hij, ‘want daar komen we het vroegste middeleeuwse materiaal tegen. Maar de straten ten zuiden van beide markten zijn pas in de 11e eeuw aangelegd, planmatig. Voor de wal groef men keileem op uit de ondergrond. Men gebruikte het leem voor de wal, met de vrijkomende keien legde men tegelijkertijd die straten aan, stel ik me zo voor.’
De nieuwe theorie was volstrekt in tegenspraak met de gangbare, waarin Groningen ontstaat uit een Drents esdorpje langs een dubbel wegstelsel – nu de Herestraat en de Oosterstraat – met dwarsverbanden. Gaandeweg merkte Kortekaas, dat die oude theorie niet strookte met wat er bij opgravingen in de stadsbodem werd aangetroffen. Vooral het onderzoek op de lokaties Wolters Noordhoff (Oude Boteringestraat) en het Rode Weeshuis en in een aantal rioleringsputten wakkerde zijn twijfels aan.
Waar de oude theorie steun vindt in de onregelmatige rooilijn van de Grote Markt zuidzijde, wijst Kortekaas voor zijn nieuwe op het uiterst regelmatige stratenpatroon ten zuiden van de markten: ‘Die straten liggen op exact dezelfde afstand van elkaar: negentig meter. Dat wijst op een ontwerp, op een planmatige aanleg.’
‘Vinex Groningen 1040’, zo noemt hij dat plan om het verschil met een organisch gegroeid dorp te beklemtonen. De tegenwerping, dat de planmatige aanleg zou dateren van na een grote stadsbrand medio 13e eeuw, wijst hij van de hand. ‘We kunnen die ene bron, de vermelding van een stadsbrand in de kroniek van Emo en Menko, niet verifiëren met een andere bron, zoals archeologisch onderzoek.’
Wel vermoed hij dat er ten zuiden van het Zuiderdiep nog een tweede esdorpje aan het stadsplan voorafging. ‘Maar de zone tussen beide dorpjes werd niet of nauwelijks bewoond, daar lag namelijk de es.’
—
Eerder verschenen in de serie ‘De Vondst’, Stad & Lande 2012 nummer 2.
Rondje Hoornsedijk – Stad
Geplaatst op: 8 maart 2019 Hoort bij: Ommelanden, Stad nu 3 reactiesOnze nieuwe caravan. Trots! :

Het ooievaarsnest aan de Hoornsedijk bleek betrokken door een stel dat er werk van maakte. Helaas was er iets aan mijn camera-instelling verschoven, zodat het moment-supreme niet geheel en al scherp in beeld kwam:

Het stel trok zich in elk geval weinig aan van de herinrichting der polder aldaar – op de achtergrond de veenboerderij die een aantal jaren geleden gerestaureerd werd en zo behouden bleef:

Reiger, azend op iets in de wallekant:

Was me niet eerder opgevallen, dit meisjesportret onder het Van Iddekinge-viaduct (2017):

Het nieuwe onderkomen voor ADO-supporters:

Nee hoor, het Van Mesdagasiel wordt deels opgeknapt:

Een driemensionale droedel van Chihuly onder de blote hemel bij het Groninger Museum:

Achter de Muur – de verdwenen rondweg van de middeleeuwse Stad
Geplaatst op: 6 maart 2019 Hoort bij: Stad toen 10 reacties
Groninger straten met de naam Achter de Muur, 1806. Onderlegger: http://www.hisgis.nl (zwartwit gezet).
Werd er weer eens mee geconfronteerd dat in het Groningen van rond 1800 nog een heel stel straten ‘Achter de Muur’ heette. De meeste van deze straten (A en B) liepen aan de buitenbinnenkant van de middeleeuwse stadsmuur.
A was oorspronkelijk het langste stuk en voerde van de Vishoek in het noordwesten tot het Pepergasthuis in het zuidoosten. Achter de Muur heeft hier tegenwoordig allemaal verschillende namen, respectievelijk Hoekstraat, Muurstraat, Hardewikerstraat, Hofstraat, Singelstraat, Schoolstraat en (achter het Pakhuis in de Peperstraat) Achter de Muur. Tussen de Hofstraat en de Singelstraat is dit tracé onderbroken door de Prinsenhoftuin (groen), aangelegd in 1626. Blijkbaar zag men er geen been in een stuk infrastructuur aan het publieke verkeer te onttrekken voor een vorst die zich hier nauwelijks vertoonde.
B heet nu Burchtstraat en liep oorspronkelijk door van de Oosterstraat tot het wijde van de Herestraat. Vanaf café de Burcht tot de Herestraat bestaat die Burchtstraat (en daarmee dit stuk Achter de Muur) niet meer omdat C&A na de oorlog vergunning kreeg om er een uitbreiding op te realiseren. De Burchtstraat loopt daar nu dood op de achterkant van het textielwarenhuis. Ook in meer recente tijden onttrok men dus rustig een stuk publieke infrastructuur aan het verkeer ten behoeve van een particulier doeleind..
Tussen het Pepergasthuis en de Burchtraat zal Achter de Muur min of meer langs het Kattendiep hebben gelopen. Onbekend is daarentegen het tracé tussen de Herestraat en de Vishoek. Hier is halverwege de veertiende eeuw een stadsuitbreiding gerealiseerd: de Nieuwstad. Mogelijk liep de Achter de Muur verderop langs de Torenstraat (met de Beulstoren in de stadsmuur) en de binnenkant van de Munnekeholm, omdat het moeilijk voorstelbaar is dat de Akerk erbuiten lag. In elk geval voerde het niet langs C, waar je een Achter de Muur had die nu Soephuisstraatje heet. De oorspronkelijke naam hier had te maken met de muur rond de tuin van het Franciscaner klooster. Over die tuin legde men begin zeventiende eeuw de Zwanestraat aan – sindsdien is de voormalige Achter de Muur hier een achterafstraatje.
Van een knoopmaker en zijn kostvrouw
Geplaatst op: 4 maart 2019 Hoort bij: Uncategorized 4 reactiesDit verhaal moet zich hebben afgespeeld in Grijpskerk. Daar trouwde naderhand namelijk een Albertus Bolt, terwijl er jaren nadien ook een Jantje Haaikes overleed.
Deze Albartus was nog een jong vrijgezel toen hij zich in 1806 bij de ouwe vrijster Jantje in de kost besteedde voor 3 gulden en 5 stuivers in de week. Dat kwam neer op 169 gulden per jaar, iets meer dan het minimale kostgeld voor iemand die de gangbare burgermanspot op tafel begeerde.
Misschien smaakte Albartus het eten niet zo, misschien had hij een andere reden, maar hij gaf Jantje op een zomerdag te kennen dat hij naar een ander kosthuis vertrok, waarbij hij de gewone opzegtermijn van een week in acht nam en het kostgeld van die week alvast aan Jantje betaalde. Jantje echter, bleek het er niet mee eens dat haar kostganger vertrok. Ze weigerde zijn knoopmakersgereedschap aan hem af te geven,
sluitende de deur der kamer toe waarin deeze gereedschappen gelegd waaren.
Albartus stapte daarop naar de rechter, de drost van het Westerkwartier:
Daar nu de rem[on]st[rant] een man is die van week tot week met dit zijn bedrijf de kost moet verdienen, en door deezen eijgenheerige en onwettige handelwijze daarin belet wordt, weet hij geen beteren weg te zoeken dan zig klaaglijk bij deezen E.E. Gerichte te vervoegen…
Jantje hield zijn werktuigen “onwettig in arrest”, zo betoogde hij, en hij verzocht de drost om haar te bevelen de spullen “kost- en schadeloos” aan hem terug te geven.
De drost schreef een hoorzitting uit om ook de andere kant van het verhaal te horen. Die zitting liep minder gunstig af voor Jantje. De drost gaf haar inderdaad opdracht om Albartus “terstond” zijn spullen terug te geven. Bovendien werd ze veroordeeld tot betaling van de gerechtskosten, tenzij ze binnen twee maal 24 uur kon aantonen dat Albartus
zig zoude hebben verbonden om langer dan van week tot week bij haar in de kost te verblijven.
Ik denk niet dat ze over zo’n contract beschikte, anders had ze het stuk of de getuigen ervan wel meteen meegenomen naar het rechthuis. Verder is er ook niets over de zaak te vinden. Ik heb zo’n idee dat Jantje eieren voor haar geld koos.
—
Bron: Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 726, rekest 18 juli 1806.
Zielbewaarder
Geplaatst op: 3 maart 2019 Hoort bij: Taal 1 reactieIk zat eigenlijk te zoeken op het beroep ‘werver’ (van soldaten en matrozen). Dat leverde niet veel op in Alle Groningers en voor de grap probeerde ik het met de negatieve volksaanduiding zielverkoper, kortheidshalve %ziel. En zie: daar kwamen geen zielverkopers tevoorschijn, maar zielbewaarders.
Zielbewaarder, wat is dat nou weer? Het kolossale WNT geeft twee mogelijkheden: 1) zielenherder, dus een pastor, en 2) de hoofdman van een boogschuttersgilde.
Mogelijkheid 2) was voor Groningen sowieso uitgesloten, bij gebrek aan schuttersgilden. En een dominee of pastoor (1) werd misschien wel eens zielbewaarder genoemd in ‘t een of ander stichtelijk geschrift, maar vast niet door een nuchtere ambtenaar der burgerlijke stand die wist dat hij een predikant of priester voor zich had.
Ik kijk nog eens naar de drie Groninger akten met de beroepsaanduiding ‘zielbewaarder’. Ze stammen uit de jaren 1829, 1830 en 1831 en betreffen resp. een Jan Steffens Brouwer (28), een Folkert Abel Abels (37) en een Jan Alberts Zielman (38). Door die laatste familienaam en door de woonplaats van alle drie – Finsterwolde – gaat me een lichtje op. Een zielbewaarder is de half Groningse, half deftige aanduiding voor het gangbare zijlwaarder (zeg maar sluismeester).
Het WNT behoeft op dit punt zeer beslist aanvulling!
Van vogelidylle tot steenwoestijn
Geplaatst op: 3 maart 2019 Hoort bij: Hoogkerk 6 reacties
Het huisje tegenover de Kinderverlatenbrug staat te koop, zag ik in het voorbijgaan. Niet dat ik er zou willen wonen, zo dicht op vrij druk verkeer met ook vrij wat forse vrachtwagens, maar ik was benieuwd naar de prijs. Dus gestopt om fotootje te maken, zodat ik thuis het webadres van de makelaar kon lezen. Diens website geeft aan dat de documentatie op Funda staat: het huisje moet 2,2 ton opbrengen.
Terwijl ik de foto’s bekijk, gaat me iets dagen. Dat huisje, of liever gezegd zijn omgeving, zag er nog niet zo lang geleden heel anders uit. Bij Googles onvolprezen streetview vind ik het beeld van anderhalf jaar geleden. Het huisje werd toen nog bijna geheel aan het zicht onttrokken door groen, zowel bomen als heggen. In die heggen zat een menigte vrolijk tsjilpende mussen en in die bomen vertoefden heel wat zangvogels. Voor hun concert ben ik zelfs wel eens van mijn fiets afgestapt:

Tja, men koopt een huis op een moeilijk punt, maakt van de groene vogelidylle een kale steenwoestijn, ruimt met het groen ook zijn geluids- en warmtewerende kwaliteiten op en besluit na korte tijd om te verkassen.
Van binnen zal het huisje vast zeer verbeterd zijn – daar niet van – maar ik ben nu wel benieuwd hoeveel het nog opbrengt in vergelijking tot de vorige keer en of alle moeite zich uitbetaalt..
Lutje hoeske an de diek (2)
Geplaatst op: 2 maart 2019 Hoort bij: Ommelanden Een reactie plaatsenEr was de laatste tijd wat meer belangstelling voor het logje over ’t lutje hoeske an de diek, hetgeen erop zou kunnen duiden dat de sloop begonnen was. Vandaar dat ik vanmiddag maar eens naar de Hoornsedijk ging om poolshoogte te nemen. Inderdaad viel vanuit de verte al op dat de skyline ter plaatse er anders uitzag. Voorlopig beperkte de kaalslag zich tot de bijgebouwen op het achtererf, maar of dat afstel van executie betekent voor het huisje zelf, waag ik te betwijfelen:




Op de laatste foto valt op dat de achtermuur van de hoofdschuur naar twee kanten verzakt. Het middendeel met de deuren staat nog wel in het lood.

Recente reacties